De lijnbanen van Monnickendam



Dovnload 209.8 Kb.
Pagina1/5
Datum18.08.2016
Grootte209.8 Kb.
  1   2   3   4   5

´n Bijdrage zonder spanning, intriges en conflicten, dus zonder “plot”, eenvoudigweg over ´n toeleveringsbedrijf.

Naamloos is gebleven de mens, die in lang vervlogen tijden heeft uitgevonden, dat door het in elkaar draaien van bepaalde plantevezels een bind- en trekmiddel ontstond, dat voor talloze doeleinden nuttig en onmisbaar is gebleken.

Lijnbanen of touwslagerijen waren sinds mensenheugenis de bedrijven, waarin touw werd vervaardigd voor scheepstimmerwerven, zeilmakerijen, visserij en veehouders.

Men leverde allerlei soorten touw. Allereerst de simmetjes voor de zijden botnetten. Hiermede werden de netten uitgespannen en dichtgetrokken. In Monnickendam werden deze geslagen door de firma Groenewoud. Boven- en ondersim waren verschillend: ´t bovensim was plm. 4 mm. en drieslags, het ondersim 3 mm. dik en tweeslags, terwijl het materiaal bestand moest zijn tegen rek en krimp. Driestrengstouw was ´t meest gevraagd omdat het vanzelf rond werd. De dikte was afhankelijk van het aantal garens dat per streng gebruikt werd. Maar ook vierstrengs werd gemaakt, tenminste wanneer er een gelijke ronding aan kon worden gegeven en dit gebeurde door het touw met ´n vijfde streng te vullen. Ook koetouwen waren ´n gewild product.

In de 17e eeuw brak de grote bloeitijd aan voor de touwslagers (ook lijndraaiers of baanders genoemd), want voor de handel met landen overzee moesten er talrijke schepen worden gebouwd met alle benodigdheden aan staand- en lopend touwwerk. Als grondstof om touw te vervaardigen werd meestal hennep of vlas gebruikt. Uit Rusland kwam de beste kwaliteit doordat de trage groei een stevige plant voortbracht, maar er kwam ook prima hennep uit Italië, Hongarije en India. In tijd van oorlog als de hennep schaars en te duur werd gebruikte men ook het goedkopere sisal, dat gemaakt werd van de bladvezels van de agave. Door de lengte van het touw, dat vervaardigd werd, moest de productieplaats, “de lijnbaan”, gebouwd worden op een langwerpig (al of niet overdekt) terrein van plm. 110 tot 260 meter lang. De meest aangewezen plaats daarvoor was langs de vestingwallen te vinden. Veelal nog onbebouwd en zelden doorsneden door een straat of steeg, omdat slechts weinig poorten een uitgang door de vesting boden. Een sloot werd gemakkelijk overbrugd met ´n houten vlonder, zodat dit geen belemmering behoefde te zijn om de touwen nog langer te maken.

Aan het begin van de baan stond het touwslagershuisje met een houten raamwerk om de benodigde vaste werktuigen in te bevestigen. Hierin was o.a. een wiel aangebracht om de haken van de spinmachine doormiddel van een drijfriem te laten draaien, waaraan de draden konden worden bevestigd, die gesponnen moesten worden. Vanaf deze draaipunten schuifelden twee of drie touwslagers langzaam achteruit, het middel omwonden met hennep, waarvan ze met de hand de vezels toevoerden, welke door het draaiende wiel tot dunne of dikke garens werden samen gesponnen, totdat de vereiste lengte bereikt werd. Een jongen moest het wiel draaien om de haken in beweging te zetten, want naast de spinners zou een volwassen draaikracht het touwwerk te duur maken.

Het lag dus voor de hand, dat de kinderen van lijnslagers al vroeg in het beroep van hun ouders werden grootgebracht. Admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruijter vergat nooit, dat hij in zijn jeugd te Vlissingen het touwslagerswiel had gedraaid bij de heren Lampsens. Hij verdiende daar 6 stuivers per week (denk aan het liedje:”In ´n blauw geruite kiel draaide hij aan het grote wiel, de ganse dag”.)

O

m de garens of draden te spinnen moest de ruwe hennep-vezel eerst worden schoongemaakt, gehekeld en gekemd. De bundels vezel (in balen geperst aangevoerd) werden eerst over de hekelbank gehaald. Dit was een bord of blok (zoals er meerdere stonden) bezet met een groot aantal loodrecht staande pennen van 1 cm dikte en 20 cm lang. Hierover trok men de hennep of het vlas om de bast te splijten, scheve en korte vezels te verwijderen en de lange bruikbare vezels recht te trekken. Hoe zachter en dunner de bastvezel was die overbleef, hoe beter deze zich liet spinnen. De kem-hekel, waarop de volgende bewerking plaatsvond had zeer dunne plm 12 cm. lange pennen. Deze had ten doel de brede stengels te splijten en werd de hennep verder schoon getrokken, zodat alleen de lange vezels van ongeveer een vaam (1.80 mtr of 6 voet) lengte overbleven. Zoals eerder verteld werden deze vezels door de spinners met de hand achteruitlopend in elkaar gedraaid tot garens. Hierbij was de draairichting van het wiel of de haken - gezien in de richting van het touwwerk - rechtsom, dus “met de zon mee

Het in elkaar draaien van een aantal garens of strengen gebeurde dan linksom of “tegen de zon in” anders zouden de strengen, zodra ze van de haken werden genomen weer vanzelf uit elkander draaien.

De zwaardere soorten touwwerk werden meestal opgebouwd uit drie of vier strengen en dit gebeurde op de slagmachine. Ging het om driestrengs touwwerk dan werden op de slagmachine met een tegenoverliggende slee de strengen en het touw in één beweging gemaakt. Van de 4 haken op de slagmachine (zie tekening) werden er 3 in driehoeksvorm gebruikt en driemaal twee garens (driemaal vier of driemaal vijf, enzovoort) verbonden met de haak van de slee (beladen met stenen om al te gemakkelijk glijden tegen te gaan). Hoe meer garens hoe dikker het uiteindelijke touw. Dit noemt men scheren. Om te voorkomen dat de strengen bij ´t draaien in elkander liepen werd bij de slee een houten klos met groeven in het touwwerk gestoken: de tol (zie tekening).

D


oor de lengte van de draden, die gesponnen werden, moesten deze om de ca. 10 meter ondersteund worden door schragen of krukken, bestaande uit een draagbalk op twee paar elkaar kruisende onderling verbonden benen. Op de draagbalk stonden houten pennen of spijkers om de garens of draden van de grond en gescheiden te houden, terwijl de weerstand om de slag over te brengen dan niet te groot werd.

Zijn de strengen gereed, dan wordt de tol langzaam lopend naar de machine bewogen en draaien de strengen erachter vanzelf in elkaar tot het gewenste resultaat.

Tijdens deze bewerking draait het touwwerk in- wordt korter - en glijdt de slee langzaam in de richting van de slagmachine. Doordat de slee verzwaard is met grote stenen kan dit alleen langzaam en slepend gebeuren.

Spant men de garens uit over een baanlengte van b.v. 140 meter dan zal ´t uiteindelijke touw door het indraaien slechts een lengte krijgen van plm. 100 meter.

De officiële benaming voor 4 strengstouw is “wantslag”.

W


il men er zeker van zijn dat dit touw een ronde vorm krijgt dan moet in het hart een dunnere streng worden verwerkt, die “kardeelslag” wordt genoemd. Speciaal dikkere touwen, zoals ankerkabels, worden vervaardigd door drie of vier wantslagtrossen “tegen zon” in elkaar te draaien. Men spreekt dan van “kabelslag”. Dus dit “draaien” is het zogenaamde slaan.

Bij ´n bezoek aan een nog bestaande touwslagerij te Elburg hoorde ik van de eigenaars, de gebroeders Deetman, dat de bekende schrijver en tekenaar van de zeilvisserij op het IJsselmeer, de heer Peter Dorleijn, reeds ´n uitvoerig verslag had gemaakt van de touwfabricage.

Diverse technische beschrijvingen en tekeningen van bewerkin­gen van ´t touw werden derhalve met toestemming van de schrijver ontleend aan deel IV “Van gaand en staand want” pag. 187 t/m 197 (uit de serie publicaties van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, deel 48).

Ooggetuigen van Monnickendammer touwslagerijen, die iets over het fabricageproces wisten te vertellen, waren de heer en mevrouw Groenewoud, indertijd wonende op de Oude Zijdsburgwal 5 te Monnickendam, die in 1983 de heer C.G. Nienhuis, oud-gemeenteambtenaar te Monnickendam daarvan verslag deden, maar daarover later.

De lijnbanen te Monnickendam in ´t begin van de 19e eeuw.

In het begin van de 19e eeuw tijdens de bezetting van ons land door Franse troepen was de toestand van de vier in Monnicken­dam gevestigde lijnbanen miserabel.

Uit ´t “General Tableau” van 1808, een overzicht dat de toestand van de plaatselijke bedrijven weergeeft, blijkt dat de lijnbanen er werkloos en kwijnend bij lagen door de beperkte scheepvaart en visserij. (Al eerder werden de hierin genoemde grutmolens, bokkinghangen en scheepstimmerwerven gesproken).

Napoleon had namelijk in 1806 het continenttalstelsel uitgevaardigd. Hierbij werden de Britse eilanden in staat van blokkade verklaard en werd alle handel en correspondentie met Engeland en koloniën verboden. Voor de meeste Nederlandse bedrijven was dit verbod funest.

De rapporten, om ´t General Tableau samen te stellen werden opgevraagd van de volgende touwslagerijen te Monnickendam:

A: de lijnbaan “´s Lands Welvaren” van M. Hesseling wonende te Amsterdam.

B: de lijnbaan, “Amsterdam “van D. Arbman. wonende te Monnickendam.

C: De lijnbaan, “de Zalm” van Buij en de Vries te Amsterdam

D: een lijnbaantje “voor dun touwwerk” van J. Verweel te Monnickendam.

Uit de toelichting van de burgemeester d.d. 3 augustus 1808 (Monnickendam behoorde toen nog tot de “1e klasse” steden, die een dergelijk rapport moesten uitbrengen) blijkt, dat drie van de vier touwslagers gereageerd hebben. In drie lijnbanen werd scheepstouwwerk vervaardigd, de vierde was een touwslagerij voor kleinwerk o.a. zelen (brede banden van touwvlechtwerk onder ledikanten en stoelzittingen).

Omdat de meeste lijnbanen nauwelijks iets te doen hadden werd de wens geuit goedkeuring te krijgen op het door hen ingediende request om remissie (vermindering) van de verponding (belasting) die per decreet van 21 april 1807 was ingevoerd.



  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina