De man, die te veel inleverde



Dovnload 199.03 Kb.
Pagina1/4
Datum24.08.2016
Grootte199.03 Kb.
  1   2   3   4

’t Werd er gewoon ingestampt door de oude schoolmeester: 1672 “rampjaar”.

Ons land in oorlog met Frankrijk, Engeland , Munster en Keulen, Johan de Witt, raadspensionaris van Holland, wordt vermoord. Prins Willem de Derde wordt Stadhouder.

“Het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos”.
Tegenwoordig wordt ’t verhaal gelukkig wat realistischer gebracht, minder dwepend met de held “de Prins” en met minder overtuiging, dat ’t gods wil was dat er een einde kwam aan ’t Stadhouderloze tijdperk (1650 – 1672).
In 1662 reeds was ’n of- en defensief verbond tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tot stand gekomen, doch Johan de Witt, de toenmalige Raadpenionaris, vertrouwde de Franse Koning Lodewijk XIV niet en streefde ernaar van de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België), die na de vrede van Munster in 1648 spaans gebleven waren, een bufferstaat te maken. ’t Liefst zaag hij daar ’n barrière van vestingsteden bezet met staatse troepen.

Voorstellen van de Franse Koning om de Zuidelijke Nederlanden samen langs de lijn Oostende- Maastricht te verdelen wees Johan de Witt onder het devies: “Frankrijk wel als vriend, maar niet als buur” beslist van de hand.


Weet u ’t nog? 1655 – 1667: de Engelse oorlog. De republiek in oorlog met Engeland. U heeft de jaartallen misschien niet meer onthouden, maar wel hoe er een einde aan deze oorlog werd gemaakt. De Ruyter, opperbevelhebber van onze vloot, vaart brutaalweg de Theemsmond in Engeland binnen met als gecommitteerde van de Staten Cornelis de Witt (de broer van Johan). Dit stoute staaltje wed bekend onder de naam “tocht naar Chatham”.

De Nederlanders vernietigen daarbij een groot deel van de engelse vloot en de “Royal Charles”, het engelse vlaggenschip, wordt als prijs meegenomen.

In Londen heerst de grootste paniek, omdat men ’n aanval op de stad vreest.

Holland op het toppunt van haar macht, onder leiding van Raadpensionaris Johan de Witt, dwingt Engeland in 1667 tot de eervolle “Vrede van Breda”.

De Witt’s streven was gericht op ’n evenwichtstoestand tussen de grote mogendheden in Europa, teneinde de handel te beschermen en de vrede te bewaren.
Nog in het zelfde jaar stelt Lodewijk XIV Spanje een ultimatum om de Zuidelijke Nederlanden aan hem af te staan. Het machtsstreven van deze franse Koning verontrust Engeland, Zweden en de Republiek der Verenigde Nederlanden en zij verenigen zich begin 1668 in de “Triple Alliantie”, Lodewijk XIV wordt hierdoor gedwongen vrede te sluiten met Spanje en moet zijn ambitieuze plannen voorlopig opgeven.

Een geheim artikel van de “Triple Alliantie”, waarbij de ondertekenaars de franse Koning eventueel met oorlog zouden dwingen om genoegen te nemen met wat zij hem gunden, lekt spoedig uit, Lodewijk XIV is woedend, dat de Republiek hem (in de persoon van Johan de Witt0 in zijn expansiepolitiek heeft willen belemmeren.

De engelse Koning Karel II op zijn beurt is erg naijverig op de gevaarlijke concurrentie van de Hollanders op zee en sluit in juni 1670, uit geldgebrek, een geheim verdrag met Lodewijk XIV te Dover.
Karel II krijgt een jaarlijkse subsidie van £ 250.000,-- in ruil voor de erkenning van Lodewijks rechten op de Spaanse Nederlanden en beide vorsten zullen elkander steunen bij een aanval op de Zuidelijke Nederlanden en de republiek.
De laatste hand aan de omsingeling wordt in december 1671 door Lodewijk XIV gelegd door de bisschoppen van Munster en Keulen erbij te betrekken, want dan is ook een doortocht over hun gebied (o.a. Luik) naar de Republiek zeker gesteld. In deze situatie verkeerde ons land ten opzichte van de omliggende landen aan het einde van het jaar 1671.
Tot de ramp zich langzaam ging voltrekken, waren de binnenlandse verhoudingen vrij goed. Johan de Witt werd in 1650 , toen Willem II plotseling aan de pokken stierf, Pensionaris van Dordrecht.

Zijn vader was met vijf andere vooraanstaande republikeinen in 1650 gevangen gezet in Loevestein vanwege de tegen de Prins gevoerde oppositie, maar werd na diens dood direct vrijgelaten.

In 1653 wordt Johan Raadpensionaris van Holland. Hij is voorstander van de “ware vrijheid”, wat betekende dat hij de heerschappij van de stedelijk aristocratieën voorstond, dus een gewestelijke soevereiniteit.

Hij trachtte deze doelstelling te handhaven door scherpe maatregelen te nemen tegen het Oranjehuis.


Het “Eeuwige Edict” is daar een voorbeeld van. Het betreft een besluit d.d. 5 augustus 1667 van de Staten van Holland, waarbij het Stadhouderschap in Holland werd afgeschaft en Holland de overige gewesten zou verzoeken ermee akkoord te gaan, dat het Kapitein- Admiraal- Generaalschap onverenigbaar zou zijn met het Stadhouderschap in enige provincie.

Dit “Eeuwig Edict” aanvaardden de andere gewesten op 31 mei 1670 bij de “Acte van Harmonie”.

Johan de Witt was niet alleen een groot politicus, maar ook een befaamd wiskundige en grondlegger van de verzekeringswiskunde.

Het zegt wel iets, dat er in 1668 berekend werd, dat de akten van de Witt in de 15 jaren van zijn bewind 22.591 bladzijden besloegen, tegenover 23.475 van al zijn voorgangers in een tijdsverloop van 67 jaren.

Johan de Witt heeft lange tijd onbetwist stevig in het zadel gezeten, maar later zou, bij iedere tegenslag in zijn buitenlandse politiek, de oranjepartij erkenning van de Prins aandringen.
De maatregelen, door de grote buurlanden genomen vanwege de handelsrivaliteit, brachten de republiek veel nadelen en hierdoor de oppositie tegen de Regenten- regering.

Toen Johan in 1653 Pensionaris werd, was er per hoofd der bevolking een schuldenlast van ƒ 170.--. Begin 1672 (in de laatste maanden van zijn regeringsperiode) slechts ƒ 70,--.

Aan het einde van het rampjaar bedroeg de schuldenlast ƒ 170,--.

Door de voortreffelijke toestand van de vloot en Hollands financiën, beide het werk van Johan de Witt, zou de Republiek de ramp van 1672 te boven komen, Johan zelf zou het de ondergang en de dood brengen.


Talrijk waren de problemen, waarmee de Staten van Holland worstelden aan het begin van het jaar 1672:

  • Het grote gevaar van een oorlog met de twee grote konkrijk en Frankrijk en Engeland tegelijk.

  • Holland wist voorlopig gedaan te krijgen het voorstel om de Prins tot Kapitein- Generaal te benoemen, niet eerder in behandeling te nemen, voordat de Prins (in 1673) zijn 23e verjaardag zou hebben bereikt.

  • De zware belastingen om de strijdkrachten vooral te zee op peil te houden. Zie “ ’t Rapport gedaen vanwegen de stadtsgedeputeerde van Monnickendam van ’t gunt ter jongster vergaderinge van de Staten van Holland en Westvrieslant was voorgevallen aan Burgemeesteren van Vroedschappen d.d. 9 december 1671” (G.A. nr. 9).

Behelsende een voorslagh omme tegens het aenstaende voorjaar te esquiperen (men bedoelt “equiperen” ofwel uitrusten“) een considerabile (aanzienlijke) vloot van 48 capitale oorlooghschepen, 24 branders, 24 snaeuwen, en 24 galliots, mitsgaeders omme aenstonts bij provisie te doen werven de nomber van thien duijsent matroosen, waermvan de costen in ’t geheel worden begroot op vier millioenen seven hondert ses- en –tseventigh duijsent guldens, uijtgesondert de begrootinge van ’t costgelt van de matroosen van seven stuijvers des daegs” .

daarom werd toestemming gevraagd de 200e penning spoedig mogelijk en direct (zonder verpachting) te innen, zijnde een belasting van een ½% op het geschatte vermogen.


Wat de zaak van het Kapitein- generaalschap betreft, stond Johan de Witt na het besluit van de Vroedschap van Amsterdam van 16 december 1671 om de Prins toch te benoemen en daarvoor een instructie te ontwerpen, slechts met een minderheid van zes steden, namelijk Dordt, Delft, Rotterdam, Den Briel, Hoorn en Monnickendam, tegenover de dertien anderen, die er wél oren naar hadden.
De raadspensionaris bleef zich echter beroepen op de “Acte van Harmaonie”, welke wet eenparig was aangenomen en nu niet overstemd mocht worden.

Rekening houdend met de rees genoemde acte, begon men toch een instructie te ontwerpen. De Prinsgezinden deden hierbij nogal wat water in de wijn en door diverse beperkingen in te voegen, konden de Staten van holland op 19 januari 1672 toch eenparig besluiten de Prins voor één veldtocht tot Kapitein- generaal te benoemen.


De voornaamste beperkingen waren:

  1. De onverenigbaarheid van het militaire ambt met dat van Stadhouder werd nog eens benadrukt.

  2. Hij mocht geen pensioen trekken of in dienst van een buitenlandsvoorst.

  3. Het recht van patenten (het verplaatsen van troepen0 werd hem ontzegd. In het laatste punt wordt het misbruik van zijn vader Willem II nog eens aan de kaak gesteld bij de aanslag op Amsterdam in 1650.

De Prins kon deze voorwaarden niet aannemen omdat hij, zoals hij zei, daarover zijn reputatie niet op ’t spel wilde zetten, temeer daar hij een eed moest afleggen, dat hij nooit het Stadhouderschap zou zoeken of aanvaarden.
Toch werd het tijd dat men uit deze impasse geraakte. Uit het Monnickendammer resolutieboek blijkt, dat op de 14e januari de toestand er al somber uitzag. Op zaterdag de 16e doet Pensionaris Houtingh verslag aan Burgemeesteren en Vroedschap te Monnickendam van hetgeen hij er in Den Haag over heeft gehoord: “De franse Koning Lodewijk XIV laat er geen twijfel over bestaan hoe hij over de Republiek der Verenigde Nederlanden denkt. Hij beschuldigt de Staten van ontrouw aan het bondgenootschap en zal zijjn strijdkrachten gereedheid brengen en gebruiken, zodra hem dit past”.
Dus moest, na de moeizame discussies over het Kapitein- Generaalschap tussen de Staten van holland onderling, nu ook tussen Holland en de zes gewesten opnieuw worden onderhandelk. Om het oorspronkelijke voorstel van de 19e januari appetijtelijk te maken, wilde Holland nu ook meedoen aan de afspraak zodra de Prins de in de “Acte van Harmonie” genoemde leeftijd bereikte, hem voor het leven Kapitein- en Admiraal- Generaal te maken.
De Witt vond, dat het de Prins zijn eerzucht zou stillen en zijn verantwoordelijkheidsgevoel zou versterken en daarmee schoot hij onbewust in de roos, want hij wist niets van de particuliere diplomatie, die Willem III had aangeknoopt met zijn oom Karel II, en deze liet Willem verklaren:

Als Zijne Majesteit mij wil doen weten wat zij wenst, maak ik mij sterk, aangenomen dat het niet regelrecht tegen de grondslagen van deze Republiek aanloopt, het haar te bezorgen, ten spijt van Mijnheer de Raadpensionaris de Witt en zijn kabaal, die daardoor het onderspit zullen delven en ik en mijn vrienden, in wie Z.M. volledig vertrouwen stellen kan, zullen aan het hoofd van de zaken geplaatst worden”.


Gelukkig voor de Prins, dat Karel II in zijn trots het aanbod afwees, maar gevaarlijk was het spel wel degelijk t.o.v. zijn verplichtingen tegenover de republiek.

De 25e februari 1672 aanvaardde de Prins het Kapitei- generaalschap onder beperkende voorwaarden. Opgelucht en blij reageerde het volk in de hoop dat nu een verzoening met de Kioning van Engeland mogelijk was.


Maar dat viel tegen! De 23e maart 1672 liet de engelse regering, zonder oorlogsverklaring, een aanval doen op de rijk beladen nederlandse Smyrnavloot, die bij het eiland Wight op terugtocht passeerde.

De aanval werd echter zonder verliezen afgeslagen: “meerder schande dan baat” vond n tijdgenoot.

Twee dagen later volgde een oorlogsverklaring van het perfide Albion, zoals Napoleon dit land later zou noemen.

De 6e april volgde de oorlogsverklaring van Frankrijk, waarin de Koning zijn ongenoegen over het beleid van de Staten tot uiting bracht en verklaarde dat zijn roem niet verdroeg dit nog langer te dulden.

Pas in het midden van april werden de ataatse officieren in kennis gesteld van de franse oorlogsverklaring. De westelijke oever van de gelderse IJssel werd nu in staat van verdediging gebracht.

Hoe ging het in Monnickendam?

Niets over dit alles vinden we in de notulen van de vergaderingen van Burgemeesteren en Vroedschappen.

Op 12 maart 1672 wordt bericht:

Is mede goetgevonden te laten roijen het Bolwerck vande hoeck vande vleugel aende westsijde vande lange brugh aff tot aende huijsinge van Mr. Jochum recht toe aende ’t selve Bolwerck met palen te laten beschoeijen”.

Moet dit reeds worden gezien als een poging tot versterking van de vesting?

Uit de notulen van de 26e maart blijkt dat de Staten op diplomatiek gebied druk doende zijn bondgenotente zoeken:

Op den 17e der voorleden maent is ter vergaderinge van de Staten van Hollant bij rapport openinge ende oock vervolgens lecture gedaen van seeckere acte van naerdere verbintenisse met den Coningh van Spaingne tot wedersijds meerder gerustheijt aen te gaen”

wanneer men in dezelfde notulen onder punt V over het tractement van de Capitein- Generaal beraadslaagt, wordt de gedeputeerde verzocht “tot het minste tractement te comen adviseren”.

Al eerder zagen we dat de regering van Monnickendam wel zeer staatsgezind was.

Tenslotte wordt een missieve d.d. 17 maart van de Heren Gecommitteerde Raden van Zuid-holland behandeld met het verzoek:

Haere gedachten serieuselijk gelieven te laeten gaen op het uijtvinden van nieuwe middelen tot vervallinge van de excessive onconsten bij de Staet jegenwoordigh wordende gesupporteert (gedragen).


Voorgesteld wordt

den imposty op de tabaxpijpen” en specialijck in requarde (met het oog op) ’t costgelt als ses stuijvers des daeghs (was zeven!) moge worden betaelt”.

Zes weken later blijkt :

dat naer het exempel van de nabuijrige Steden aen de Soldaten van de Compagnie Waertgelders, welcke op ordre wort geworven voor aenritsgelt (ronselgeld) aen ijeder te geven een ducaton ende tot de monsteringe toe ses stuijvers des daeghs ende naer de monsteringe thien stuijves des daeghs voor soldije ”.


Op dinsdag de 5e april zijn Burgemeesteren en Vroedschappen weer bijeen gen genotuleerd wordt:

de Heeren Stadts gedeputeerdens (afgevaardigden van de stad naar de Staten van Holland) worden mitsdesen gelast het maentlijck tractement van de Heer Prince van Orangien als Capiteijn – Generaal, so wanneer deselve te velde sal sijn (dit laatste werd tussengevoegd) voor Satadts advis te begrooten op ses duijsent guldens, edoch ingevalle de gemeene inlinatien (neiging0 daerhenen sal gaen omme aen sijn Hoogheijt acht duijsent guldens ter maendt toe te leggen, worden de Heren geauthoriseert met de voorz. Te voegen (met de meerderheid in te stemmen).”


Tevens wordt een advies d.d. 2 april j.l. van de heren commissarissen voorgelezen:

voorslaende dat tot defensie ende securiteijt van den Staet ende afweeringe van alle gedreijchde onheijlen behoorde te worden geconsenteert inde petitie van den Raedt van Staeten van den 30e der voorleden maendt maert omme met den eersten te werven thien duijsent Waertgelders (troepen die de stedelijke overheden wierven om, naast de schutterij of garnizien, de orde te handhaven) ende dat daer- en- booven bij dese provincie int particulier behoort te worden aengenomen de nombre van veerthien duijsent voetknechten, item dat de schutters ende burgers in de Steden soo veel doenlijck in de wapenen behoorden t worden geoeffent ende beqaem gemaeckt om des noots des vereijsschende tot bewaeringe van de frontieren van Hollant ende Westvrieslandt uijttetrecken ende gebruijckt te worden, als mede dat de huijsluijden ten platte lande in compagniën ende regimenten souden behooren te worden gerengeert, ende door geexperimenteerde luijdenin de handelinge van ’t geweer geoeffent omme des noots sijnde alle gewelt van de vijanden, die uijt ter zee souden trachten te landen ofte andersins intebreecken te helpen afweeren ende ’t voorsz advis ende alle de igredienten van ’t selve sijnde gebracht in deliberatie is goetgevonden het selve advis in omnibus et per omnia ofte in alle sijne deelen ende leden te amplecteren”.

Het liefst had men beroepssoldaten aangeworven, doch op de duitse markt viel zo veel niet meer te krijgen. De Franden waren de Hollanders voorgeweest en hadden reeds diverse vorsten aan zich gebonden.
Op maandag de 18e april

is ter vergaderinge gelesen een concepte resolutie van de Staeten van Hollant van date den 16e deser loopende maendt April genoomen, medebrengende dat alle marckt ende andere schijtvoerders, hout ende turfdragers, slepers, bierdragers ende alle andere diergelijcke arbeijdende officianten, diendende op commissie ofte admissie van Burgemeesteren en Regeerders souden worden geanimeert omme in dese conjuncture van tijden ende saecken haer te begeven in dienste op ’s lants vloote ende de selve mede geobligeert omme ten minste elck de vijfde man bij onderlinge vrijwillige over-een-coominge, ofte bij ’t lot uijttemaecken, die sich op ’t allerspoedighste op ’s lants vloote begeve voor de ordinaris soldije ofte maendtgelden”.

De groenlandvaart, de handel met de baltische landen en de kaapvaart werden voorlopig verboden, om werkloos geworden matrozen te kunnen werven en op deze manier kreeg men de scheepsbemanningen vrij voltallig.

Zo ordelijk als het op de vloot ging, zo verwaarloosd was het leger.

Onbekwame officieren, een samengeraapt stelletje huursoldaten, aangevuld met stedelijke schutters en bewapende boeren, die van oorlogvoeren geen begrip hadden, dat was het leger dat de Republiek zou moeten gaan verdedigen. Alleen door tucht en soldij waren ze bijeen te houden.

De verdedigingswerken aan IJssel en Rijn verkeerden in slechte staat. De wallen van de steden waren vervallen, het geschut niet in orde en aan ammunitie was groot gebrek.

Alleen Maastricht was behoorlijk te verdedigen en voorzien van een aanzienlijke troepenmacht.

Op donderdag 19 mei 1672 verscheen een enorm frans leger voor genoemde stad.

Honderdduizend man, aangevoerd door bekende veldheren zoals Condé en Turenne en ook Lodewijk XIV was aanwezig. Besloten werd de stad in te sluiten en met de hoofdmacht door te trekken naar de Rijn.

Op 1 juni bereikte het franse leger deze rivier op vier plaatsen. De Koning bij Rijnberk, de Hertog van Orléans, Turenn bij Burik en Condé bij Wezel. Alleen in Wezel, een belangrijke vesting, hield de bezetting vier dagen stand. De andere steden capituleerden, of gedwongen door de burgerij of door verraad.

Nu was de weg vrij om de Republiek binnen te vallen.

Begin juni maakte ook Bernard van Galen, Bisschop van Munster, gebruik van de situatie om Overijssel binnen te vallen, waar Twente zonder veel tegenstadd bezet werd.

De 9e juni slaat hij zelfs het beleg voor Groningen, verdedigd door Rabenaupt, een Boheems veldheer in dienst van de Republiek. Door beschieting van de stad krijgt de Bisschop de bijnaam “Bommen Berend”. Op 28 augustus moet hij het beleg openbreken.

De franse hoofdmacht kon reeds de 12e juni bij Lobith de Rijn oversteken op weg naar de IJssellinie. Het staatse leger kon bij gebrek aan kanonnen en door de lage waterstand van de rivieren, de IJssel was op tal van plaatsen zijfs doorwaadbaar, slechts gering weerstand bieden. De Fransen echter vereeuwigden “deze slag” bij het Tolhuis als “La Bataille de Tolus” met schilderijen, waarmee het paleis van Versailles werd opgesmkt.

Nu was men bang, dat de fransen beneden Arnhem nogmaals de Rijn zouden oversteken en het staatse leger onder leiding van de Prins, dat aan de IJssel front maakte tegen de Munstersen, de terugweg zouden afsnijden.

De linie zou door deze manoeuvre onbruikbaar worden en de gecommitteerden besloten nog dezelfde dag de IJssel op te geven. Dit ging echter niet zonder 13000 van de 220000 man achter te laten, doordat de gelderse en overijsselse regimenten als garnizoenen van de IJsselsteden moesten achterblijven omdat de Prins niet over de “patenten” beschikte om deze troepen te verplaatsen. Hier wreekte zich de beperkingen van het Kapitein-Generaalschap en slechts met 9000 man bereikte de Prins op 15 juni de stad Utrecht.


De terugtocht was voorafgegaan door wilde geruchten, paniek en angst en omdat de burgervendels bang waren voor een beleg, hielden zij de poorten voor hun eigen troepen gesloten.

De Prins was hierdoor zo zeer verontwaardigd, dat hij zelfs geen garnizoen in de stad achterliet. Hij betrok op 18 juni nieuwe stellingen op Hollandse bodem, in het gebied waar men zich al maandenlang had voorbereid, om het, bij een doorbraak van de vijand, onder water te zetten.

Nu was het dan zover. Langs de lijn Gorkum, Schoonhoven, Goejanwellesluis, Bodegraven en Muiden, waarop de staatse troepen zich hadden teruggetrokken, wilde men de inundatie zo spoedig mogelijk in werking stellen. Het zou nog weken duren voor dat volledig lukte.

Een van onze grootste geschiedenis schrijvers, Prof. Dr. P. Geyl, zegt hierover: “De Legerleiding was van de poldertoestanden slecht op de hoogte, de regeringen van de naast gelegen steden (o.a. Gouda) werkten niet mee, hun burgerijen gaven toe aan paniek, de boeren verzetten zich soms gewapenderhand tegen het doorsteken van de dijken of tapen het ingelaten water ’s nachts weer af ”. Op 20 juni moest men de rebelse boeren zelfs met de doodstraf bedreigen.


In Monnickendam komt op 14 juni Burgemeester Berkhout uit Den Haag terug en doet rapport van “de beswaerlijcke ende piriculeuse (hachelijke) constitutie (situatie) van ons lieve Vaderlandt, vermits de groote progressen (vorderingen) van de wapenen van sijn Maţ van Vrackrijck ende van de swaerwichtige deliberatien daer uijt resulterende”.
Op de 16e juni Burgemeesteren en Vroedschappen alweer bijeen:

Op ’t geproponeerde (voorstel) is naer deliberatie goetgevonden de Heeren Stadts Gedeputeerdens de vergaderninge van haer Ed: Gr: Mog: op morgen sullende gaen waernemen binnen de Stadt Amsterdam te versoecken ende gelasten om ter selver vergaderinge met ijver te urgeren (aandringen) dat men voor de liberteijt ende vrijheid, religie, vrouw ende kinderen alles wat moogelijck is behoorde op te setten en de leden te bidden dat de selve welstandt van onse loeve vaderlandt ende de diergekochte vrijheijt van ‘’t selve ten uijtersten gelieven te behartigen, edoch ingevalle de inclinatie (neiging) van de leden mochte daer henen gaen om een aensienlijcke deputatie aen sijn Maţ van Vrackrijck te decreteren omme op het favorabelste (voordeligste) naer de jegenwoordige deplorabile (betreurenswaardige) toestandt van onse lieve vaderlandt met hooghstgemelte sijne Maţ te tracteren (“capituleren” wordt doorgestreept)”

Op zondag de 19e juni wordt door Burgemeesters

goetgevonden de drie onbequame ongeschikte stucken metael binnen dese Stadt sijnde jegens andere bequame ijsee stucken canon ende affuijten te verwisselen, wordende tot het verrichten ende exucuteren (uitvoeren) van ’t selve mits desen versocht”.

Tevens worden de Vroedschappen Claes Admirael, Rijser en Mars van Hoorn verzocht

met den anderen te overwegen ende examineren in welcker voegen de wallen end’ vesten deses Stadts op het bequaemste tot securiteijt van dese Stadt ende de goede ingesetenenen van dien behooren te worden gefortificeert ende in postuijr (staat) van defentie gebracht ende daervan ende alle ’t geene daer aenhoorigh is een advis te formerem ende rappoort te doen”.

De 21e juni werd een van de rampzaligste dagen van het jaar 1672, Utrecht en Narden werden door de franse troepen bezet. Muiden kon nog net worden behouden.

De wegen waren verstopt met vluchtilingen en terugtrekkende troepen. In Rotterdam, Amsterdam en Middelburg vond een run up op de banken plaats, zodat men gedwongen was te sluiten. Door de rijken werden schuiten gehuurd om hun kostbaarheden te bergen en er sneller mee uit de voeten te kunnen komen en het gewone volk begon met woorden en enkele dagen later met daden weerspannig te worden, want wie waren van alles de schuld? Natuurlijk de hollandse Regenten en de Witt. De kloekste patriot, de meest onvermoeide werker, de man die meer dan iemand voor verbetering en versterking van de landsdefensie geijverd had, noemde men “aardsverrader”!



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina