De man, die te veel inleverde



Dovnload 199.03 Kb.
Pagina2/4
Datum24.08.2016
Grootte199.03 Kb.
1   2   3   4

In Monnickendam is het kennelijk die dag rustig, maar uit de notulen is toch wel te bespeuren dat Burgemeesteren en Vroedschappen door de laatste berichten wat in paniek zijn geraakt en nu tot daden willen komen:

Is goetgevonden omme de Heeren Out Burgermrn Dirck Sijes ende Mr. Johan Mars van Hoorn beneffens de Heeren Gedeputeerdens op “t spoedighste naer ’s Gravenhage te vervoegen ende met ijver te urgeren dat in consideratie de Provincie van Hollant ende Westvrieslandt geheel van militie is ontbloot ende alle ’t gunt wat ons in de selve lief ende waert is ten uijtersten schijnt te pericliteren (gevaar lopen) en de Ed: Gr: Mog: mochten gelieven goet te vinden bij een generale opbodt de tweede ofte derde man van alle het manschap in de Steden ende Dorpen deser Provincie sijnde tegens den vijandt te doen uijtgaen.”

De drie heren van de Vroedschap hebben hun opdracht een rapport te maken over de fortificatie van de stad ook uitgebracht

met dien verstande echter dat met het opmaecken vande bastions ofte bolwercken aen de Noordeijnder end’ Suijdeijnderpoort tot bescherminge van de Buijtenhaeven ofte het Gadt, mitsgaeders met het repaeren ende voorsien van de boomen (slagbomen)) ende paelen rontsom de Stadt een aenvanck sal worden gemaeckt.Eerstelijck het bastion daer d’ Suijdermoolen op staet op de manier van een Triangel (driehoek) opte maecken op bequaeme hooghte met een borstveeringh beneden vijff en booven de vier voeten breedt, hoogh vijff voeten (een voet is 30,27 cm.)”.


Het rondeel besuijden d’ Suijderpoort, mitsgaeders het ongeraseerde (ongesloopte) muijrwerk ontrent op vier en een half voet na aen booven toe de vesten met goet harde aerde aen te vullen op bequaeme breete na advenant de gelegentheijt sal toelaten en voorts een borstveeringh ter hooghte van de steene meuijr breet booven drie en beneden vier voeten, alwaer de muijr afgenoomen is aldaer de vesten op de hooghte van de muijr op te maken ende booven noch een borstveeringh van vijff voeten hoogh, booven vier ende beneden vijff voeten breet en daer geen muer en is sufficantelijck (toereikend) de vesten te verhoogen pop sommige plaetsen vier of vijff voeten minder ofte meerder na de constitutie (vaststelling) van de saecke.

De bolwercken bij de baen en Gerrit Pietersz Moolentie en wel bijsonderlijck het laatste sufficantelijck te verhoogen ende bij forme van een Triangel op te maken en met een bequaeme borstveeringh te voorsien en wel bijsonderlijck dat van de Noorderpoort af tot het nieuw verhooghde op een bijsonder wijse de vesten te verhoogen, als sijnde daervan beneden de buijten Zeedijck ende het Bolwerck daer de Noordermoolen op staet bij forme van een halve maen behoord opgemaeckt, verhooght en mert een borstveeringh voorsien te worden om alsoo het gadt na zee en de zeedijck bequaemelijck te konnen defenderen, op ’t plein bij d’ langebrugh een borstveeringhe te leggen van vier oft vijff voeten breet om alsoo d’boom (slagboom in ’t Galgeriet voor de haveningang) met conon bequaemelijck te connen defenderen, alle de buijten vaerten (grachten0 van de vesten eerst ende vooral te vergrave, oock het Stadtsriet, singels en naeste gelegen landen vande Stadt als de diemers0van bij de deexbrugge ende tgeen opt lant bij de Suijderboom (slagboom0 leijt.

Tot defensie noodigh twee uijtleggers ’t paalhuijsje en waeghthuijs te repareren, alle de bennenboomen (slagbomen0 te sluijten, de burgers bij nacht vijftigh sterck te maken, het kruijt of buspoeder (“bus” is geweer) uijt de cruijtmoolen te doen halen en niet sonder consent af te leveren. Te executeren (uit te voeren) door burgers ende huijsluijden ( uit de Purmer) de waterhaelders bij gelegenheijt te arresteren ende aen te houden om tot defensie te begruijcken. Gedaan den 21 juni 1672.

De Raadspensionaris de Witt schreef die middag aan de Heer Vivien, Pensionaris van Dordrecht, dat hij vond dat

ons grootste quaet niet de macht off de progressen (vorderingen) van den vijandt, maer den generaelen opstandt, de ongehoorsemheijt ende weerspanningheijt van de borgeren ende ingesetenen in de steden ende van de boeren ten platten lande, waerdoor de kracht van de hooge overigheit als ontzenuwt ende alle execurtiën (uitvoering van beslissingen) seer vertraegt worden”.

Op de avond van die dag wandelen vier jongelui over de Vijverberg in Den Haag. Het licht in de zaal van de Staten van Holland brandde. “Ze zijn nog aan het vergaderen” zei een hunner: “dus zit daar ook de Raadspensionaris, die landverrader moesten we van kant kunnen maken”. Ze besloten hem op te wachten en toen de Witt verscheen, werd hij door hen overvallen en zo met messen bewerkt, dat ze dachten dat hij dood was.


In de gedrukte “notulen gehouden ter Statenvergadering van Holland” (1671-1675) door Cornelis Hop, Pensionaris van Amsterdam en Nicolaas Viveen, Pensionaris van Dordrecht, uitgegeven door het Historisch Genootschap te Utrecht in 1902, lezen we op blz. 120:

De Raadspenionaris de Witt, des avonts (van de 21e) ten 11 uijren, uijt de vergaderingh komende, aengeranst (!) door 2 sonen van den raadsheer Van Der Graeff, De Bruijn en Borbagh en met 4 wonden gequetst, d’ene in de borst tussen de 4e en 5e ribbe, de tweede achter tussen de schouders, de derde een houw in den hals en de vierde een contusie (een lichte wond) op het hoofd, dogh de doctoren enchirurgijns oordelen niet lethael (dodelijk). Een van de sonen van den raadsheer gevangen”.

Het bleek de jongste zoon van de raadsheer te zijn: Jocob van der Graeff. Hij bekende en noemde de namen van de drie anderen, die zich schuil wisten te houden toto de omwenteling toen het gevaar week.

Borbagh, die de eerste stoot toegebracht had, was postmeester. Hij verloor later niet eens zijn ambt.

Volgens Dr. D.J. Roorda in zijn “Rampjaar 1672”, nr. 39 van de Fibulareeks, hielden ze zich schuil in het legerkamp bij Bodegraven.

Hij schrijft: “Was iemand, die de Witt naar het leven had gestaan, het veiligst zo dicht mogelijk onder ’s Prinsen hoede ?” . de Prins van Oranje was daar steeds persoonlijk aanwezig.


Met de jonge van der Graeff ging het Hof van Holland, op aandrang van de verontwaardigde Staten, toch een voorbeeld stellen.

De 29e juni werd hem zijn vonnis, wegens een misdaad begaan aan een staatsdienaar, voorgelezen en nog dezelfde dag werd hij onthoofd.

De Witt’s verwondingen bleken niet al te ernstig, maar hij moest toch zes weken lang het bed houden. Op zijn ziekbed kwam hij terug op een eerder gedane uitspraak en schreef aan de Heer Viveen: “Ons grootste kwaad was niet enkel de oproerigheid van de burgers, waarvan hij het slachtoffer geworden was; het was de zwakheid van “de hoge overigheid” zelf”.

Hoe rijp de zaken waren voor een omwenteling, blijkt uit de opgewonde stemming van duizenden, die op dat ogenblik in van der Graeff alleen maar een martelaar wilden zien. Uit vrees voor opstand was een verbod uitgegaan om in de kerken voor de veroordeelde te bidden.

Al dagenlang waren in verscheidine steden onlusten gaande. Te Amsterdam werd op 27 juni de oude Johan Maurits gemolesteerd “mede ‘n verrader” werd geroepen, doch daar traden de burgervendels tegen op. Men geloofde aan een plotselinge overgave van de stad door Burgemeesteren, die beschuldigd werden, dat ze “liever frans dan Prins” waren. Te Dordrecht bleef het niet bij “ ’n beleefd vertoog van eenige der faςoenlijkste burgeren“, zoals een dag of wat eerder, uit naam van de rest.

Op 28 juni kwam de beweging de straat op en weldra hoorde men de kreet, dat “het eeuwig Edict”, moest worden ingetrokken en de Prins tot Stadhouder verheven moest worden.


De 29e juni (op de woensdag, dat in Den Haag Jacob van der Graeff terecht gesteld werd) brak de storm in Monnickendam los (zieG.A. M,dam, nr. 9, blz. 124, ’n resolutieboek).

De Corporaels van de vier Compagnien Burgers deses Stadts (schutterij) nemantlijck Jan Fransz Thamis, Cornelis Roos, Willem Hagen, Pieter Laeckeman, Roelof Hof, Gerbrandt Grebber ende Hendrick Cock, mistsgaeders de lantspassaed Pieter Jansz Baan, bij absentie van sijn Corporael Jan Ketel de Jonge hebben ter vergaderinge (van Burgermrn en Vroedschappen) geremonstreert, dat een goet gedeelte van de Burgeren ende ingesetenen deses Stadts jegenwoordigh bijeen sijnde haer hadden veersocht haer Achtbden voor te dragen de volgende poincten ende op de selve te versoecken een satisfactoire (tevredenstellende) verclaeringe ende resolutie (besluit), ende dat sijlieden om de voorsz. burgerije wederom tot behoorlijcke ruste end’ stilte te brengen haer ondert welnemen van haer Achtbden hadden laeten disponeren om het voorsz. versoeck in de naeme van de voorsz. burrgers te doen sulcx de voorsz. poincten hier naer succinctelijck (beknopt) sijn volgende ende daerover wesende gedelibereert hebben haer Achtbden bij eenparige advisen op het vast vertrouwen dat de goede Burgeren in Ingesetenen deses Stadt den eedt bij de selve aen de Heeren Burgemrn ende Quartiermrn gedaen tot defentie van de Stadt jegens alle vijanden van buijten ende seditie (muiterij) ofte oproer van binnen getrouwelijck end’ geene in margine (marge) van ijeder poinct staet genotuleert


De Corporaels worden mits desen 1e poinct

Geauthoriseert het ooverige geweer van de Dat het ooverige geweer van de Stadt met

Stadt onder de Burgers geen geweer hebbende dem eerstem aem de Burgers mooge worden

bij leeninge uijt te deelen ende tot dien uijtgedeelt ende voor soo veel het selve

sijnde met den eersten eene wapenschouwinge gegeven is aen yemant selfs geweer hebbende

in de huijsen te doen, mitsgaeders den sulcx aen de soodaenige wederom mooge

geenen welcke selfs geweeer hebben het gegevene worden afgenoomen

Stadts- gewwer af te nemen.


Haer Achtbden nemen aen geen ruijters nochte 2

Soldaten in te nemen sonder voorgaende dat geen ruijters noch vreemde soldaten

Communicatie van de Corporaels in de Stadt moogen ingelaeten worden.
Tot Sijn hoogheijt den Heer Prince van 3.

Orangiën Dat haer Achtbden aen de voorsz. Corporaels

Gelieven te verclaeren in cas (ingeval)

(dat Godt genaedighlijck verhoede0 men door

de noodtgeperst soude moeten coomen tot

veranderinge van de Regeeringe, tot wien,

of tot sijn Mat van Vranckrijck of tot den

Heer Prince van Orangiën haer Achtbden

Souden genegen sijn.
Dese verclaeringe is haer Achtbden 4

Hoogsten aengenaem ende met der selver Ende de voorsz, burgers verclaeren in het

Intentie accorderende geval in het derde poinct geroert tot den

Hooghgemelten Heer Prince van Orangiën genegen te sijn ende niet tot sijn Mat van Vranckrijck


Het selve comt door de verclaeringe 5

Op het derde poinct van selfs te vervallen Dat het eeuwigh Edict mochte worden gemortificeert (ongelig verklaard) ende vernietight


Op dit poinct zijn eenige missiven 6

Aen de Corporaels geecommuniceert Dat aen de Corporaels in de naeme van de

(getoond) ende is voorts aen de selve voortsz Burgers ooppeninge ende vioorgelesen de eedt bij de Heeren van de communicatie mochte worden gegeven van

Vroedschap in den beginne van haere de brieven welcke aen de Heeren van de

Bedieninge wordende gedaen Regeeringe of door haer Ed: Gr: Mog: of wel

Door de Heeren Satadts Gedeputeerdens sijn

Ende worden van tijdt tot tijdt geadrdresseert ende toegesonden.
De Corporaels worden mits desen geauthoriseert 7

Beneffens de Heeren Burgermrn end’ Commissarissen Dat beerere ordre op het maecken van de

Uijt de Vroedschap tot de directie, beleijt ende fortificatien deses Stadts als mede op de

Opsichte over de fortificatien deses Stadts ende poorten end’ boomen als tot noch toe mooge

sullen de sleutels van de Stadtspoorten in de worden gestelt

hooftwacht worden bewaert.


U zult begrepen hebben dat de rechts gestelde vraag in de linkerkolom door het stadsbestur wordt beantwoord.

Het is niet zo vreemd, dat zich hier acht Corporaals bij het stadsbestuur presenteerden. Zij, die hoger in rang waren hadden meestal zitting in het college van Burgemeesteren en Vroedschap en waren dus veelal staatsgezind.

Volgens het reglement van de schutterij art.3, moest de Krijgsraad van de schutterij bestaan uit vier regerende Burgemeesteren als Colonellen, de acht jongste leden van de Vriedschap hadden er zitting in als de vier benodigde Capiteins en Luitenants en voorts de vier Vaandrigs, acht sergeanten en een secretaris.

Manlijke poorters en burgers tussen 18 en 60 jaren waren verplicht om twee maal per jaar aan de oefeningen van de schutterij deel te nemen, mits men zich rijkocht al naar gelang de welstand voor ƒ 6,-- tot ƒ 10,-

In het Streekarcief te Purmerend is nogal wat over de schutterij te Monnickendam bewaard gebleven. U kunt het vinden in de nrs. 181 en 182 en het betreft de periode van 1734 toto 1790.


Op 17 oktober 1665 werd besloten om de vier “vaendelen” van de schutterij te completeren. Ieder vaendel zou uit 120 koppen moeten bestaan, verdeeld in twee corporaalschappen van 60 man, vandaar het in deze remonstrantie genoemde aantal van acht Corporaals. Boven deze twee Corporaals stonden twee Sergeanten, een Vaandrig, een Luitenant, een Capitein en een Colonel per vaendel.

Voltallig was de schutterij dus 512 koppen groot en een macht in eigen stad, waarmee men zeker rekening moest houden. In mijn reconstructie van “de Zarken” zal ik u er meer over vertellen.


Men kan zich voorstellen, dat de burgers, die de Corporaals hadden afgevaardigd, helemaal niet op een dergelijk gunstige en tevredenstellende verklaring van Burgemeesteren en Vroedschap gerekend hadden.

De omstandigheden waren er ook rijp voor, dat een staatsgezind stadsbestuur een wat soepeler houding ging aannemen. Ze waren goed op de hoogte met de landelijke gebeurtenissen en moesten terdege rekening houden met dat deel van de regenten, die een samenspel bedreven met schutterij en burgers.

Twee dagen later op de 1e juli kwam de Stadsgedeputeerde van Leiden in de Staten van Holland met het voorstel of men elkaar niet de vrijheid zou geven elkaar van de eed op ’ t eeuwig Edict te ontslaan.

Volgens het Edict mocht zo’n voorstel noch gedaan noch aangehoord worden en voor velen was het dan ook een hard gelag.

De Haarlemmers maakten de Staten echter attent op het levensgevaar, dat hun heren zouden lopen, wanneer deze zonder genoegdoening van ’s Prinsen hoofdkwartier zouden terugkeren. Toen werd besloten elkaar van het Eeuwig Edict vrij te stellen en na ruggespraak met hun stadsbestuur over twee dagen een besluit te nemen.

In de vroege ochtenduren van de 4e juli werd Willem III tot Stadhouder benoemd. Een deputatie van elf heren, een uit de Ridderschap en tien van de voornaamste steden zou de Prins daarvan plechtig mededeling doen.

Gebruik makend van de afwezigheid van de Witt in de Staten door de aanslag die op hem gepleegd was, kreeg de nederlandse gezant in Frankrijk, Pieter de Groot (een zoon van Hugo, degene die via een boekenkist uit Loevestein ontsnapte), de 26e juni opdracht van de Staten van Holland om met de franse Koning te gaan praten.

Men was genegen om een accoord met een zeer ruime som te kopen, mits alle eisen van de andere vijanden daarmee tevens gedelgd waren en behoudens “de Vrijheid van Religie en van Regeeringhe”.

Het was een noodsprong geweest. Ieder ogenblik had men gedacht, dat de fransen zouden doorbreken.

De fransen naman echter geen genoegen met het aanbod. Na wat loven en bieden zou een bedrag van tien miljoen op tafel kunnen komen en het recht de Zuidelijke Nederlanden te mogen bezetten. “Nou dat begon er wat op te lijken” werd er gezegd.

Maar de franse Koning wees het voorstel resoluut van de hand. Op z’n minst eiste hij het gebied toto de grote rivieren voor zich op, economische politieke voordelen voor Frankrijk en het recht op bestuursambten, openbare godsdienstuitoefening en kerkgebouwen voor de katholieken.

De 4e juli bracht Pieter de Groot rapport uit aan de Staten. De vergadering stelde dan ook vaast, dat de franse tegeneisen onaannemelijk waren, Harlem stelde:

De saecken sijn tsedert ook van beetter conditie geworden; de wercken meerder voorsien, de wateren ingelaten, de militie versterckt, met hoop van adsistentie van buijten”.

Een punt van discussie bleef of men de onderhandelingen zou voortzetten dan wel op de zachtste wijze zou afbreken.

De 7e juli besloot men Pieter de Groot terug te sturen om de franse de ondragelijke hardheid van hun voorwaarden voor te houden.

De notulen in de resolutieboeken van Monnickendam bevatten op de 11e juli geheel andere problemen. Allereerst is daar:

“’t inwillegen van een Capitale leeninge bij alle de vermoogende ingesetenen ende Gegoeden, uijtbrengende het beloop van twee maal de 200e penning te betaelen voor het expireren dese loopende maendt julij, tegens vier ten hondert in ‘t Jaer”.

Dan zijn er de problemen met de stadsschutters en de predikanten. Voor 1672 predikten de dominees allereerst gehoorzaamheid aan de overheid en met die prediking had men nogal succes. Nu de Prins tot Stadhouder is verheven :

zo haast beginnen zij te preken van het loffelijke Huis van Oranjen met zoo een beweeglijke stem, gelijk of al hare zaligheid alleen aan de toekomst van dien jongen stam hing; maar als ze voor hare hooge Overheid bidden, dan rabbelen zij maar zo wat henen”. Zij een regent uit die tijd.

Zo ook kennelijk in Monnickendam:

De Heeren burgemrn sullen sich met de beste occasie (gelegenheid) vervoegen bij Ds. Johannes Lantman, Predicant alhier ende den selven met civilliteijt (beschaafde manieren) uijt de naeme van de Heeren van de Regeeringe te versoecken dat hij in sijne publijcque predicatien ende particuliere descoursen naar ’t exempel (voorbeeld) van de Predicanten in de naest gelegene plaetsen ende oock op het fundament van de missive van sijn Hoogheijt den Heer Price van Orangien van date den 8e deser loopende maendt julij aen de Heeren van de Regeeringe deses Stadts geadresseert de Gemeente tot ruste ende stilte, mitsgaeders gehoorsaemheijt jegens haere wettige Overigheijt gelieve aentemaenen ende door het eene nochte andere geen aaenleijdinge te geven tot eenige commoitien (emoties) ofte meerdere ontsteltenisse van de gemoederenvan de Ingesetenen in dese perplexe constitutie van tijden ende saecken tot ondienst van Staet ende Stadt”.

Vervolgens is gelezen:

Is gelsesen een lijste bij de Corporaels van de Schutterije gecoucheert (opgestelt) ende ontworpen, behelsende de maeniere van de contributie tot de onconsten van de fortificatien deses Stadts bij de Schutters ende andere Burgers, mistsgaeders Ingesetenen deses Stadts te draegen ende doen en de daerover wesende gedelibereert is deselve lijste naer eenige correctie gearresteert (bekrachtigd)”.
Dinsdag de 12e juli 1672 maakten de Corporaals van de Schutterij ter vergadering van Burgemeesteren en Vroedschappen bekend:

dat Arent (Willemsz) Koel, Claes Cornelisz Weijnes, Gerrit (Andriesz Schildrinck) de Wieldraijer, Jan Claesz Schoenmaecker, Cornelis Florisz Bloem, Claes (Cornelisz) Appelboom, Mr. Nicolaas Deventer ende Dr. Johannes (Cornelisz) Koeslaeger heden morgen aen haer hebben overgegeven seecker geschrifte houdende versoeck, dat de Heeren van de Regeeringe mochten gelieven goet te vinden aen vijf uijt desleve Corporaals te vergunnen sessie (zitting) in de vergaderinge van de Heeren Burgemrn ende Vroetschappen, als mede dat de selve Corporaels tot leden van de Crijghsraedt mochten worden aangenomen sulcx ende in dier voegen als het voorsz geschrifte hier naer van woorde tot woorde is volgende ende over den inhouden van ’t voorsz geschrifte sijnde gedelibereert is vermits de swackheijt (geringe opkomst) van de jegenwoordige vergaderinge de resolutie (beslissing) daer op te nemenuijtgestelt tot morgen sullen worden geconvoceert (samengeroepen)”.

De inhoud van het geschrift komt op het zelde neer, alleen wil ik u de aanhef niet onthouden:

Uijt genegenheijt tot d’algemeene ruste en vrede binnen in ons Vaderlant en de insonderheijt die van onse Standt (daer de gemoederen van seer veele en verre de meeste Borgeren seer ontrust geweest en noch sijn) soo remonstreren mitsdesen aen de Heeren Korporaels der Borgerije eenige vreede ende rust lievende Burgeren, dat sij hoorende ende vernemende van alle kanten het groot mistrouwen van de gemeente op haer Overigheijt…..etc. ”. Reden van het verzoek is dus het wantrouwen tegen het Stadsbestuur.

Vond men de opkomst van 3 Burgemeesteren en 8 Vroedschappen op de 12e juli te gering om een besluit te nemen, de 13e zijn dezelfde 3 Burgemeesteren aanwezig en slechts 10 van de 21 Vroedschappen.

Bij resumptie (samenvattend) sijnde gedelibereert op het geremonstreerde van de Corporaels van de Schutterij uijt de naeme van eenige Burgeren deses Stadts op gisteren ter vergaderinge gedaen ende bij geschrifte overgegeven onder de Notulen van den selven date geregistreert is bij eenpaerige advisen goetgevonden ende verstaen dat aanstonts ter vergaderinge sullen bescheijden (verschijnen) Cornelis Bloem, Claes Appelboom, Mr. Nicolaas Deventer ende Dr. Johannes Koeslager vier van de Burgers, welcke de voorsz remonstrantie aen de genoemde Corporaels hebben overgegeven”.

De intellectuelen uit de groep remonstranten worden dus opgeroepen.
De notulen vervolgen:

de voornoemde vier Burgers ter vergaderinge sijnde gecompareert (verschenen) ende het voorgeroerde met deductie (uiteenzetting) door de Secretaris Admiraal uijt de naeme van de Heeren van de Regeeringe voorgehouden hebben de selve op het eerste verclaert dat sijlieden in ’t particulier niet conden specificeren (nauwkeurig opgeven) waerinne het misstrouwen van de Gemeente of een groot gedeelte vandien bestonde, maer dat de daegelijcksche licentieuse discoursen (ongebonden gesprekken) van veele menschen al te groote preuven van het selve mistrouwen waeren gevende, welcke mistrouwen sijlieden echter oordeelen sonder grondt ofte fundament te sijn; ende rustlievende haerlieden versoeck dat sij ’t selve niet anders als met een vreed- ende rustlievend ooghmerck ende als een middel tot besaedinge ofte bevredinge van de gemoederen hadden voorgeslaegen end’ dat sij wel conden begrijpen ingevalle de ruste van de Burgers anders conde worden geconserveert (bewaard) dat het selve versoeck op geen reden waer gegrondt ende onbehoorlijck, ende dewijle de Heeren van de regeringe die Saecke soo hoogh apprehendeerden (opvatten), twelck sijlieden niet hadden geconsidereert (overdacht), dat sij op de begeerte van de selve Heeren wel mochten gedoogen dat voor soo veel haer aenging het voorsz versoeck wierde geseponeert (ter zijde gelegd), aennemende ende beloovende hooft voor hooft haer in behoorlijcke ruste en stilte als goede Burgers te sullen gedraegen ende andere Burgeren mede bij alle occasiën (gelegenheden) ten besten tot gelijcke ruste te sullen aenmaenen ende raeden, waermede sijlieden sijn gedimitteerd (weggezonden)”.

Nog steeds blijkt het psychologische overwicht van de aristocratische regent het protest te kunnen weerstaan en gaat het zogenaamde “stelletje oproerkraaiers” overdonderd de deur uit.

Algemeen zag men de regenten als de natuurlijke gezagdragers en in de ogen van deze Heren was het dan ook iets onbehoorlijks, wanneer de gewone man zich met hun zaken bemoeide.



1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina