De man, die te veel inleverde



Dovnload 199.03 Kb.
Pagina3/4
Datum24.08.2016
Grootte199.03 Kb.
1   2   3   4

Daartegenover stond dat de prinsgezinden met meer sentiment dan overtuiging in hun verzet te werk gingen het loodje moesten leggen wanneer het om principiële zaken ging.
Vervolgens vertellen de notulen van de 13e juli:

dat de bovengenoemde Corporaels ter Vergaderinge bescheijden (verschijnen) ende is aen de selve van ’t voorsz gepasseerde omstandig (uitvoerig) oopeninge gedaen ende sijn sijlieden versocht de vier andere personen het voorsz schriftelijck versoeck mede gedaen, namentlijk Arent Koel, Claes Cornelisz Weijnes, Jan Claesz Schoenmaecker ende Gerrit de Wieledraijer voor haer te bescheijden (verschijnen) de selve van haer ongelijck te overtuijgen ende disponeren (aansporen) tot afstandt van haer voorsz versoeck, mitsgaeders rust en stilte, als mede dat de voornoemde Corporaels bij alle occasien (gelegenheden) de Burgerije in het gemeen tot haer schuldigh debuoir (optreden) ende behoorlijcke ruste souden willen aenmaenen ende persuaderen (overtuigen), het welck bij ijeder van de selve belooft ende aengenoomen is, waermede ’t voorgeroerde versoeck van de voornoemde acht Burgers simpelijck is geseponeert (ter zijde gelegd)”.

Direct laat men dezelfde dag er op volgen, daar de Prins de 10e juli de eed als Stadhouder had afgelegd:

“dat bij de Heeren Burgemeesteren ende Vroedschappen des Stadts Hoorn waer resolveer (besloten) te doen een aensienlijcke besendinge aen sijn Hoogheijt den Prince van Orangien, omme den selven te congratuleren (feliciteren) over sijn Hoogheijt advancement tot het Stadhouderschap”. Het waren slimme lieden deze regenten.

Naer deliberatie (overleg) sijn de Heeren Burgemeesteren den 16e juli versoght omme geen schepen uijt dese Stadt naer eenige vijantlijcke havenen ofte plaetsen te laten vaeren, nochte daer toe pasport te verleenen, uijtgesondert alleen, dat aen de vluchtelingen uijt de selve plaetsen alhier sijnde, wel sal moogen worden geaccordeert omme met leedige ruijmschuijten ofte diergelijck cleijn vaertuigh naer haer woonplaetsen te vaeren ende van daer eenige van haere goederen aftehaelen”.

Van Naarden tot Blokzijl was de kust van de toenmalige Zuiderzee door de Fransen bezet. Honderden vluchtelingen uit Huizen en andere plaatsen in Gooiland hadden hun toevlucht gezocht in de noordhollandse steden, waar ze zo goed mogelijk werden opgevangen.


In oktober van dat jaar werd zelfs goedgevonden :

dat sij sich erneerden met het seijle ofte rollen weven ende diergelijcke exercitien en dat sijlieden toto haer gerieff een schip van de buijtenschepen alhier sullen moogen gebruijcken omme haer voorsz coopmanschappen van hier naer Amsterdam te voeren”.

Hoeveel vluchtelingen uit het Gooi, uit Gelderland en Utrecht in Monnickendam werden ondergebracht valt alleen maar globaal te benaderen.

Tussen 18 juni en 31 december 1672 werden 97 vluchtelingen (17 mannen, 28 vrouwen en 52 kinderen) te Monnickendam begraven. Zij kwamen uit de volgende plaatsen: Nijkerk (45), Huizen (19), Bunschoten (13), Barneveld (8), Eemnes (6), Putten (2), Eemdijk (1), Abcoude (1), Naarden (1) en Loenen a/d Vecht (1).

In juni en juli werden 14 en van augustus t/m december 83 doden begraven. In totaal werden in Monnickendam tussen 1 augustus en 31 december 186 doden ter aarde besteld. 45% van dit aantal waren dus vluchtelingen.

Het aantal inwonders van onze stad was in 1672 ±3000. geen rekening houdende met de vaak miserabele omstandigheden waaronder zij werden gehuisvest, zouden er alleen al naar Monnickendam 45/55X 3000 = ± 2500 man gevlucht zijn. wanneer we de grotere sterftekans incalculeren, moeten het er toch minstens 1500 tot 2000 geweest zijn. op de twee Monnickendammers was er dus een vluchteling.

Op zondagmorgen 24 juli wordt Cornelis de Witt plotseling te Dordrecht, waar hij woonde, gearresteerd en naar Den Haag overgebracht. De barbier Willem Tichelaar beweerde dat hij hem had willen omkopen om een aanslag op het leven van de Prins van Oranje te plegen. Het was doorzichtig genoeg, dat het hier om een bloedwraak ging voor de onthoofding van Jacob van der Graeff, maar serieus als de Regentenregering zijn taak opvatte, moest het geval onderzocht worden.
In Monnickendam blijkt uit de notulen van de Vroedschapsvergadering dat:

“vermits de jegenwoordige bedroefde toestandt van onse lieve vaderlant de naest aenstaende Jaermerckt ofte kermisse deses Stadts niet sal worden gecelebreert ofte gehouden, nemaar afgeschaft ende daer van in de Publijcque Couranten tot een ijeders naerrichtinge kenisse gegeven”.

Men zal hiermede o.a. de Oprechte Haarlemmer Courant bedoeld hebben. Van alle bladen, welke wekelijks of om de twee of drie dagen in ons land verschenen, stond de “Opregte Haerlemsche Courant” van Abraham Caseleijn op de voornaamste plaats. De 8e januari 1656 verscheen onder de titel van “Weeckelijcke Courant van Europa” het eerste nummer. De Heer Enschedé te Jaarlem heeft nog een serie van deze kranten welke begint met het nummer van 19 mei 1665. in 1659 veranderde de titel in “Haerlemse Dingsdaeghse Courant” en in 1678 in “Oprechte Haerlemse Dingsdaegse Couant”.

Van openlijk verzet bespeurt men vanaf midden juli in Monnickendam niets meer, maar ondergronds woekert het toch voort. Op woensdag 3 aufustus wordt Dominee Deventer (waarschijnlijk de broer van Mr. Nicolaes Deventer, een van de acht remonstranten) op het matje geroepen.

Burgemeesteren en Vroedschappen:

“delibereren over enige ingrediënten van de predicatie heden naer de middagh door hem gedaen en verclaeren, dat de inhouden seditieus ende oproerigh is, Denselven wort het rechtvaerdigh misnoegen van haer Achtbden daerover aengeseijt, met verder versoeck, ordre en begeerte dat de meergenoemde Dus Deventer voor het toekomende sijne Predicatien end’ publijcque gebeden daer henen soude willen dirigeren ende beleijden, dat de goede ingesetenen deses Stadts tot behoorlijcke ruste ende stilte, mitsgaeders gehoorsaemheijt aen haere wettige Magistraet volgens Godes Heijlige Woort ende Ordinantie moogen worden gebracht ende daerinne door heijlsaeme vermaeningen versterckt ende geanimeert ende voor al mede op de Publijcque Bededaegen de Toehoorders te vermaenen tot hertgrondigh berouw ende leetwesen, mitsgaeders waere bekeeringe over ende van alle haere sonden als eijgentlijcke oorsaecken van de swaere oordeelen ende plaegen waermede Godt Almachtige onse lieve vaderlant in sijne rechtvaerdigen toorn is besoeckende”.

Eind juli was Jan de Witt geheel herseld van zijn op 21 juni toegebrachte verwondingen. Op 4 augustus verscheen hij weer in de Staten van Holland en vroeg zijn ontslag als Raadspensionaris. Het volk had, volgens zijn mening, erg veel wantrouwen tegenhaar Regenten opgevat en hij zelf had daarvan “ ’n grootte pertie” meegekregen. Hij oordeelde, dat hij met zijn aanblijvende gemene zaak geen dienst zou bewijzen.

Het ontslag werd eervol verleend en hem de bij zijn aanstelling beloofde plaats in de Hoge raad toegekend. Op eis van Willem III werd echter later het woord “eervol” uit de resolutie van de Staten geschrapt. Het behoeft geen toelichting hoe deze mannen elkander naar het leven stonden.

Jan de Witt wijdde zich vanaf die dag geheel aan de zaak, die men tegen zijn broer aanhangig gemaakt had. Op dat moment zat Cornelis al in een cel van de Gevangenpoort, Jan de Witt wist te bereiken dat Willem Tichelaar, de aanbrenger, daar ook in bewaring werd genomen.

Waarom zou Cornelis aan een volslagen onbekende man een dergelijk riskant moordplan hebben voorgestled ? Het was volgens Jan een absurde aanklacht. Jan probeerde een reconstructie te maken van de goed in elkaar gezette beschuldiging en het bleek dat Tichelaar zelfs onder valse voorwendsels bij Cornelis de Witt aan huis was gekomen.

Op 12 augustus vertelde Jan de Witt in zijn laatste brief aan van Beuningen over het genomen ontslag en gebruikte hierbij de oude spreuk “Prospera omnes sibi vindicant; adversa uni imputantur”: bij voorspoed eisen allen voor zich de eer; bij tegenspoed wijt men het één.

Hij voorvoelde als het ware welk noodlot zich over hem ging voltrekken.

Op 19 augustus werd Cornelis tijdens een laatste verhoor zelfs op de pijnbank gelegd, doch er volgde geen bekentenis. Heel ongewoon was het Hof de volgende morgen het vonnis komen aanzeggen: “Verlies van al zijn ambten en verbanning” zonder maar ook één feit te noemen, waarvan men hem schuldig bevonden had.

Dezelfde dag, zaterdag de 20e augustus 1672, zou zich een van de treurigste voorvallen van onze vaderlandse geschiedenis gaan afspelen.

Tichelaar werd direct na het vonnis op vrije voeten gesteld en probeerde daarmee tegenover het publiek zijn onschuld te bewijzen. “De republiekijnse rechters hadden Cornelis veel te mild veroordeeld, want hij had de dood verdiend”.

Even te voren was op verzoek van de veroordeelde Johan de Witt de Gevangenpoort binnen gestapt. Op de beschuldiging van Tichelaar ontstond daar een oploop van mensen.

Toen Johan een poging deed de Gevangenpoort te verlaten (schrijft Jan Romein in zijn bekende “Erflaters van onze beschaving”) werd hem dit met geweld belet. “Hier mag niemand uit”. Een uur verstreek, waarin de spanning voelbaar steeg.

Ter bewaring van de orde werd de ruiterij opgecommandeerd. Het gerucht liep dat boeren uit het Westland met kwade bedoelingen in antocht waren, maar die kwamen niet en daarom gaf men zelfs de ruiterij bevel om weg te trekken.

Romein verteld verder: Dit werd het sein voor de vendels der schutterij, die zich ’s ochtends reeds, gedeeltelijk uit eigen beweging, gedeeltelijk op bevel, vóór de Poort verzameld hadden, om krachtdadiger op te treden. Ook waren zij ter bewaking opgeroepen, doch zij vatten dit op haar wijze op.

Aangevuurd door één hunner, de zilversmid Verhoef en door schepen van Bankhem, die enkele kapiteins der schutterij onder ede zu hebben laten beloven, de De Witten niet levend los te laten, forceerden zij, om vier uur ongeveer, de deur van de Poort en trokken scheldend en tierend naar de kamer, waar Cornelis te bed lag en Jan bij de tafel zat te lezen.

Gekwetst door slagen van geweerkolven, werden zij daarop de trappen afgesleurd en naar buiten gestompt en daar op het Groene Zoodje, de plaats der terechtstellingen, deerlijk afgemaakt in een aanval van zo walgelijke moordlust, als de nederlandse geschiedenis geen tweede kent.

De lijken werden met een algemeen salvo doorschoten, de kleren hun afgerukt en de naakte lichamen tot een bloederige klomp vlees verminkt en zo met de hoofden naar beneden aan de sporten van een galg gehangen als opgesperde koeien bij de slager.

Het afbijten of afsnijden van de geslachtsdelen en het verkopen bij opbod van vingers en tenen ontbrak zelfs niet, als ging het er om te bewijzen, dat onder omstandigheden, waar wraak- en vreesgevoelens los gelaten worden, alle anders verborgen oerinstincten uit ongekende diepten in de mens weer naar boven kunnen komen.

Heel de Regentenwereld, door wiens angstig stilzitten de gruwelen mogelijk werden, was diep geschokt en de Prins…. hij ondernam niets tegen de hoofdschuldigen integendeel, zij werden beloond. Een jaargeld voor Tichelaar en de zilversmid Verhoef en een baljuwbenoeming voor van Bankhem.

Laatst genoemde schijnt later de rijke heren te hebben afgeperst, die “de hoerhuijsen” in Den Haag bezochten. De Prins, die door het Hof van de Baljuw’s misdadig bedrijf op de hoogte werd gebracht (dit vermeldt de Heer Roorda) verdedigde deze met “dat dese sijn huijs altijt had voorgestaen” en vond dat hij nog een kans moest hebben. In 1680 werd van Bankhem om zijn misdrijven ter dood veroordeeld.
Het zou te ver voeren om de finale resolutie geheel over te nemen, welke door de Magistraten van Monnickendam op 16 augustus 1672 werd genomen over “de versterckinge ofte fortifivatie deses Stadt”. Het betreft hier nog steeds het verzoek gedaan door de Corporaals op 29 juni j.l.

Enkele interssante passages volgen hieronder en vooral de slotopmerkingen zijn aardig:

Eerstelijck de Molenwerf aan de Suijderpoort met een loosse beddingh van deelen te voorsien em aenstonts het Schut te planten, waermede men sigh van die cant voor eerst sal moeten defenderen. Het Steene sluijsjen buijten de Suijdpoort te openen en daerover te maecken een valbrugh ofte voor eerst loose deelen daer over te leggen, want sonder openen van dit Sluijsjen can de vijant (insonderheijt bij donckere nachten) loopen tot onder het Belwerck en alsoo met een sprongh die post overrompelen.

Ten welcken sijnde het openen vant Sluijsie noodigh is, want die geene welcke dan genootsaeckt waeren de buijten post te moeten verlaten connen haer retrait (terugtocht) bequamelijck nemen overt sluijsjen, de valbruch ophalen oofte de plancken weghnemen ende haer dan ondert faveur (dekking) vant Canon ende Musquetten vande Moolenwerf ende Bolwerck binnen de poort begeven en sal dan wederom den verderen aenloop werde gestut.”ende om voor te coomen (te voorkomen), dat den vijant bij aenlanding op de voorz dijcken niet verder als tot dese twee posten sal connen voortloopen, soo ist oock noodig dat ten eersten werde afgebroocken den Brugh leggende over de Suijderwouder vaert. De Brugh van de Sacksteeghspoort te meer alsoo deselve bij dese tijdt continueel toestaet. De Jagersbrugh (tegen) over de moolen (grutmolen) van Gerrit Popsouw af te breecken (zie de kaart van Frederik de Wit in de noordwesthoek van de vesting) of voor eerst altijt de spijckers teenemael lost te maecken om bij overval ten eersten dan die losse deelen te connen weghnemen”.

Men besluit met:

Het exerceren vande Borgerije met het Musquet is oock hooghnoodigh, want wij sien dagelijxc bij ondervindinge datter veele sijn niet bequaem sijn om een man op 25 of 30 passen, jaa minder, soude konnen raecken, daer en booven ist met groot perijckul (gevaar) gemengt soodaenigh (zoals) veele haer geweer coome te lossen ende laeden. De Borgers van beter lont en laetcruijt te voorsien, want men siet dagelijcx alsse sullen aenleggen om te schieten, dat de helft pas (slechts) vuer geeft”. Met zo’n stelletje moest men de stad verdedigen. Het is goed dat het nooit zover kwam.

Sinds midden juli was het rustig aan het front. De Fransen hadden Naarden, Woerden, Oudewater en Zaltbommel bezet en lagen met hun legers voor ’s Hertogenbosch. Ze hadden hun hoofdkwartier van Utrecht naar Boxtel verplaatst om van daar uit te proberen Brabant te veroveren.

Ze waren niet in staat geweest de drassige polders van de waterlinie binnen te dringen, omdat de kern van de troepen uit cavalerie bestond, een keurkorps, dat weinig geschikt bleek voor het moeilijk begaanbare terrein.

Tussen 16 en 26 augustus wordt te Monnickendam niets genotuleerd. Kennelijk is men zo geschrokken van de moord op de gebroeders de Witt (op 20-08-), dat het stadsbestuur niets durfde vastleggen.

Op 31 augustus wordt in de Monnickendammer notulen melding gemaakt van een op 27 augustus genomen resolutie door de Staten van Holland op voorstel van de nieuwe Raadpensionaris Fagel. Het betreft de zogenaamde “wetverzettingsresolutie”.

Den Princen van Oraingnen als Stadhouder deser Provintie sal worden versocht ende geauthoriseert om sich in soodanige Steden inde welcke diffident (wantrouwen) ende mermuratie albereijts is ontstaen, aenstonts ende sonder aff te wachten, dat de saken aldaer tot eenige timulte, disordre (wanorde) ofte confusie (verwarring) comt uijt te bersten, op het versoeck van Burgemrn ende Regeerders, ofte van de Burgeren en de ingesetenen vandien, ofte oock andersints uijt eijgen beweginge te informeren op de redenen ende oorsaken, die aenleijdinge hebben gegeven ende te romonstereren (overtuigen) de ongefundeertheijt (ongegrondheid) van de voorsz murmuratie (ongenoegen) ende ingevalle de voorsz diffidientie daarover niet soude connen werden wechgenomen, omme in sulcken onverhoopten geval soodanige Regentien op de discreetste ende bequamste manier te persuaderen (overtuigen), disponeren (welwillend maken) ende desnoots te obligeren (verplichten) om haer vande bedieninge van haer magistrature te ontslaen ende andere in haer plaetsen aen te stellen ende dat de voorsz Regenten daerdoor geensints sullen werden gequetst ofte benaedeeltt in haere goede naeme ende fame, mitsgaeders haere familien ende goederen te nemen in Sijn Hoocheijts speciale protexie (bescherming) ende sauvequae; de (toezicht)”.

Nu mocht de Prins dus op verzoek van de stadsregering, van de burgers of uit eigen beweging ingrijpen, nadat een poging was gedaan de burgers van de ongegrondheid van hun misnoegen te overtuigen.

De gewantrouwde Regenten werden dan aangemoedigd en desnoods genoodzakt om ontslag te nemen zonder dat hun goede naam werd gekrenkt of hun bezit gevaar liep.

Met dit besluit kreeg men eindelijk de kans zich van de ongewenste elementen in de stadsregering te ontdoen. De ene stad na de andere vroeg om tussenkomst van de Prins bij het vervangen van de Magistraat, zoals ook in het verleden wel gebruikelijk was geweest. De ouderen wisten zich nog goed Maurits ingreep van 1618 te herinneren, waarbij hij gehele stadsbesturen wijzigde.
Kennelijk had het burgerverzet in Monnickendam ook goed begrepen, dat hen nu de kans werd geboden met de Heren regenten af te rekenen.

Op donderdag 8 september wordt genotuleerd dat:

de Heeren burgermrn deses Stadts tot haer leetwesen hebben ondervonden dat verscheijde Burgeren ende ingesetenen seer tegens den anderen sijn verdeelt ende eenige tot veranderinge van de Heeren van de Regeeringe deses Stadts ende andere wederom tot contnuatie (voortzetting) van de selve, seeckere Akte door de Burgeren deden teeckenen ende dat haer Eden uijt de voorsz scheuringe groot ongemak te gemoete waeren siende.

Daerover wesende gedelibereert is versaen te versoecken aen de Heeren Jacob Adriaensz Baen, Rijser, Sijes, Mars van Hoorn, Berckhout ende Buijes (alle uit de Vroedschap) te examineren ende overwegen wat tot herstelinge van de vereijschte liefde ende eenigheijt, mistsgaeders ruste ende vrede soo tusschen de Heeren van de regeeringe als goede Burgeren ende Ingesetenen deses Stadts behoort te worden gedaen en daervan rapport te doen”.

Op 13 september komt in de monnickendammer Magistraat het overlijden van Cornelis de Witt ter sprake, maar elleen in verband met “ ’t ruwaertschap van den lande Putten, dat is comen te vaceren en de Curateursplaetse van de Universiteijt tot Leijden, die vacant is ghevallen”. Verder werd over de moord op de de Witten niet gerept.

De 20e komt het rapport ter sprake, dat enkele Heren van de Vroedschap moesten uitbrengen over de wijze waarop zij oordeelden op welke wijze de ruste en vrede hersteld moest worden tussen de Regering en de burgers van Monnickendam.

Het advies luidt:

Sijne Hoogheijt de Prince behoort versocht te worden omtrent de continuatie van de jegenwoordige regenten of wel tot veranderinge van de selve in ’t geheel ofte ten deelen, soodaenigh te disponeren (beschikken) als hij voor de dienst van onse lieve Vaderlant en dese Stadt bevinden sal” en besloten wordt: “dat de Magistraets- Bedieningen binnen dese Stadt sullen worden gestelt ter dispositie ende aen hjet welgevallen van sijn Hoogheijt!”.

Dezelfde dag nog gaat een brief uit



Aen de “Doorluchtige Hooghgebooren Furst ende Heer”.

Wij hebben in considiratie (overweging) van het geresolveerde van de Ed: Gr: Mog: Heeren Staeten van Hollant ende Westvrieslant van de 27e Augusti eenpaerighlijck geresolveert ende goetgenonden onse Magistraers- Bedieningen mits desen te stellen ter dispositie ende aen het welgevallen van u Hoogheijt met seer gedientigh versoeck” etc. etc. zoals men dit van plan was. De brief besluit met: “Ondertusschen kunnen wij U Hoogheijt verseeckeren, dat wij eenparighlijck genegen sijn ende althoos sullen blijven de autoriteijt, hoogh aensienlijck gesagh, lijster, interesse ende welstand van U Hoogheijt persoon ende des selfs illustre huijs bij alle accasien (gelegenheden) naer onse geringe vermoogen te sullen maincteneren, voorstaen ende voortsetten ende ons geluckigh achten als wij de eere sullen hebben van U Hoogheijts commandementen te mogen ontfangen, die wij seer bereijtwillighlijck ende met een groote genegenheijt sullen trachten optevolgen ende voldoen”,

De “eenvoud en de onderdanigheid” druipt eraf. Dit is dan overgebleven van hun fanatieke instelling als voorstander van het Eeuwig Edict.


Wanneer er op de 17e october nog geen atnwoord van de Prins is, richt men een schrijven aan enige

Heren van Pouvoir (invloedrijke Heren) bij sijn Hoocheijt den Heere Prince van Oraingnen” verwijzend naar het schrijven van de 20e september j.l. Men vraagt zich af: “Alle op sijn beloop te laten of een complimentaire (aanvullende) missive aen sijn Hoocheijt te addresseren” en verder vermeldt men dat: “alle de Heeren Burgemrn en Vroedschappen ende Ieder van deselve hooft voor hooft behoorden te verclaeren, dat d’selve een iegelijck, de eene in des anders Regeeringe ende Confraterniteijt (ambtsgenootschap) sijn nemende goet genoegen ende seer gaerne met deese anderen daerinne te willen continueren (voortzetten) ende voorts te beloven, oock heijlighlijck te presteren dat tusschen de voorn. Heeren vande regeering is ende voor het toecomende wesen sal een vertrouwde correspondentie, vreedlievendetheijt, harmonie ende eendrachticheijt inde regeeringe ende dat de eene des anders respect en fatsoen bij alle occasien sal trachten te mainteneren. etc. etc.”.

Aen het slot van de brief schrijft men: “dat er in dese Stadt geene foules (volksoplopen) ofte tumulten (oproer) er sijn”.

Het nieuwe element in deze brief is “de saamhorigheid die de zittende Regenten met elkander zullen betrachten”. Die was dan zeker de laatste tijd ver te zoeken.

Dan vogt plotseling een blanco blad (nr. 157 verso) in het resolutieboek nr. 9 van Monnickendam en het kondigt de wetsverzetting aan:

“Op huijden den 23e Octobris Ano 1672 id ten overstaen vanden Heer Officier Berckhout (Simon Tedingh Berckhout) voor den volcke vanden Stadthuijse deser Stede gepubliceert de naevolgende missive van sijn Hoochheijt den Heer Prince van Oraingnen luijdende van woorde tot woorde als vocht:

”Erentfeste voorsienige vrome lieve besondere, (een normale aanhef in die tijd) Gesien hebbende ’t gene ons is gepresenteert van wegen de Borgerije der Stede Monnickendam ende omme verders te bevorderen ende te stabileren de ruste ende welstant vande selve Stadt ende der selver Burgerije, hebben wij uijt crachte ende in gevolge van de Resolutie in dato den 27 Augustij voorleden goetgevonden te ontslaen ende te excuseren van hunne respective bedieningen, soo van de gene die sijluijden inde Magistrature der voorsz Stadt sijn becleedende als alle andere daaruijt vloeijende ende de welcke sijluijden uijt den Hoofde vandien sijn besittende de personen:

Claes Admirael, out Burgemeester

Cornelis van Sanen, regerende Burgemr

Jan Gracht, out Burgemeester

Jacob Jansz Baen, president Burgemr

Mr. Jan Mars, out Burgemr

Mr. Gerbrant Berckhout, out Burgemr en Ontfanger

Mr. Jacob Jacobsz Baen, oudt Burgemr

Cornelis Admirael, Reeckenmr en Schepen

Dr. Buijs, out Burgemr en Convoymr

Jacob Luijt

Mr. Nicolaes Houtingh, president Schepen ende Pensionaris

Dirck Admirael, secretaris

Ende tot suppletie (aanvulling) van de plaatsen, daer door comende te vaceren wederom aen te stellen soodanige als hieronder met namen geexpresseert staen

Tot Burgemeesteren

Dr. Reijnier Rijser

Mr. Cornelis Lastmen
Tot Schepenen

Hendrick Cock

Cornelis Florisz Bloem
Tot Vroedschappen

Simon Tedingh Berckhout

Hendrick Cock

Cornelis Roos, out Schepen

Cornelis Florisz Bloem

Pieter Lakeman

Gerbrandt Grebber

Dirck Mars

Dr. Jan Koeslager

Jacob Pietersz Sluijs

Pieter Lantman

Aldus gedaen ende gearresteert bij sijne hoogheijt int leger bij Bodegrave den 20e octobris 1672 en was onderteijckent GH (Guillaume) Prince d’orange


Hierna vindt u een overzicht van de Vroedschap zoals deze voor de 20e october was en hoe de samenstelling op de 23e october werd.

De oude formatie werd op 8 augustus 1670 verkregen doordat op de plaatsen van de overleden vroetschapsleden Hendrick Samuelsz Leijcen ( 14-6-1670), Melis Claesz Geest (14-2-1670) en Willem Houtingh (9-1-1670) drie nieuwe werden gekozen. Namelijk Jacob Luijt, Mr. Cornelis Lanstman en Mr. Nicolaes Houtingh.


De Vroedschap van Monnickendam in 1672
Samenstelling d.d. 8-8-1670 fuctie voor 20-10-1672 geexcuseert op 23-10-’72 nieuwe fuctie
Claes Dircksz Admirael out Burgemeester ontslagen

Jacob Asdriaensz Baan out Burgemr en gecom, Raedt gecomm. Raedt

Cornelis van Sanen regerende Burgemr ontslagen

Dr. Reijnier Rijser out Burgemr reg. Pres Burg ٭

Jan Sijmonsz Pereboom regerende Burgemr reg. Burgemr

Jan Cornelisz Vreck out Burgemr rekenmeester

Dirck Jacobsz Sijes out Burgemr end Adm Ontfanger

Jan Gracht out Burgemeester ontslagen

Jacob Jansz Baan de jonge President Burgemr ontslagen

Mr. Pieter van Sanen regerende Burgemr reg. Burgemr

Mr. Johan Martsz van Hoorn out Burgemr en Thesaurier ontslagen

Jacob Remmetsz Ringh out Schepen rekenmeester

Jan Pietersz Ketel out Schepen

Gerbrandt Tedingh Berckhout out Burgemr en Ontfanger ontslagen

Jacob Jacobsz Baan out Burgemeester ontslagen

Cornelis Admirael rekenmeester en Schepen ontslagen

Dr. Gerard Buijes out Burgemr en Convoymr ontslagen

Albert Sem regerende Schepen reg. Schepen

Jacob Luijt heemraedtt v.d. Purmer ontslagen

Mr. Cornelis Lastman out Schepen reg. Burgemr ٭

Mr. Nicolaas Houtingh Pres. Schepen en Pensionaris ontslagen
Op 23-10-1672 was op 12-7-1672
Sijmon Tedingh Berckhout 3-1673 Officier

Hendrick Cock corporaal Reg. Schepen en Thesaurier

Cornelis Roos out schepen corporaal Admiraliteit

Cornelisz florisz Bloem remonstrant Regerend Schepen ٭

Pieter Laeckeman corporaal Heemraedt v.d. Purmer

Willem Hagen corporaal Bewindhebber W.I.C. en Convoymr Gerbrandet Grebber corporaal Rekenmeester

Dirck Mars Heemraad van de meren stadtsbarbier

Dr. Jan Koeslager remonstrant Stadts- fabrijk

Jacob Pietersz Sluijs Heemraad van Waterland

Pieter Landtman Convoymeester


V.W. Corthals Secretaris Secretaris

Dirck Admirael Secretaris ontslagen

Mr. Nicolaas Deventer remonstrant Secretaris ٭
٭ nieuwe benoemingen
Van de acht corporaals, die op 29 juni met het verzoek in de naam van de remonstrerende burgers bij Burgemeesteren en Vroedschap te Monnickendam verschenen, werden er vijf in de nieuwe Vroedschap opgenomen. Van de remonstrerende burgers slechts twee: Cornelis Florisz Bloem en Dr. Joannes Cornelisz Coeslager.
Van eerst genoemde is niet zoveel bekend.

Hij wordt genoemd als “Seijlemaker” in een notariële acte van 16 december 1659 (nots archieg nr. 3431, fol. 118 van Notaris Jacobsz Boeckweijt).

Floris Florisz Bloem j.m. toeck. Bruijdegom, geassist met Cornelis Florisz Seijlemaker sijn broeder en met de Heer Sijmon Tedingh Berckhout, Officier deser Stede, Baljuw over Waterlant, Catwoud en Marcken sijn goede vrunt (degene die de missive van de Prins van Oranje op 23 october 1672 bekend maakte), terwijl Bruijdegoms broeder Pieter Florisz, in sijn leven vijs (vice) Admirael van Hollandt en Westvriesland bleek overleden ter eenre, en Sijbrichje Pieters Wrochts j.d. toeck. Bruijdt geassist. Met haer vader Pieter Andriesz Wrochts (doopsgezind) en Lijsbethje Remmets haere moeder, mitsgaeders Andries Wrocht hare oom ter andere sijde”.

Het betreft een huwelijk aangegaan onder huwelijkse voorwaarden.

We behoeven ons niet af te vragen, waar Cornelis Bloem zijn referenties vandaan haalde om in de Vroetschap te komen (zie ook N.A. nr. 3408 d.d. 4 september 1646 en N.A. nr. 3429 d.d. 17 mei 1653).

Van Dr. Joannes Cornelis Coeslager (ook Koeslaeger en zelfs Coeslaegher) is veel meer bekend.

Wie was hij en wat dreef hem deel te nemen aan de groep remonstranten, die op 12 juli 1672 Burgemeesteren en Vroedschappen een ultimatum stelden vijf corporaals deel te laten nemen aan hun vergadering en tevens zitting te laten hebben in de stedelijke krijgsraad.
Joannes Coeslager werd plm. 1645 te Monnickendam geboren. Zijn vader heette Cornelis, maar of zijn moeder Steijntje Jans was, die op 28 april 1657 te Amsterdam als weduwe van Cornelis Coeslager met een Francois Chevallier trouwde, is niet met zekerheid te zeggen.

De Koeslagers waren van oudsher een pachtersfamilie. Tegen betaling van een jaarlijkse som kochten zij het recht om belastingen, imposten en accijnsen voor de stad of het land in te vorderen. De achternaam verraadt het al. Ze waren o.s. pachters van de impost van ’t bestiael (beesten) ook wel de koeslag (coeslagh, -slacht) genoemd, een voormalige belasting op koeien. De naam had dus niets te maken met het huidige beroep van slager, want die noemde men vroeger slachter.

De naam Koeslager ontstond plm. 1620, want voor die tijd luidde de familienaam “Louw” of “Lou”.

Waarschijnlijk zou ook onze Joannes pachter geworden zijn, wanneer hij niet op 5 jarige leeftijd zijn vader verloren had, Cornelis wordt op 26 september 1650 in de Ger. Kerk te Monnickendam begraven voor ƒ 3.10,-,

Op 18 mei 1661 (N.A. nr. 3418 notaris Jan Fransz Thamis) wordt Jan z’n naam voor het eerst in de Monnickendammer geschiedenis genoemd. Hij is dan 16 jaar en blijkt een oom te hebben, die dezelfde voornaam draagt als Joannes zijn vader, dus twee broers die Cornelis heetten. Dit kwam overigens meer voor in die tijd.

Jan komt in dienst als leerling bij de bekende stadschirurgijn Mr Roeloff Hoff. Er wordt een contract gemaakt tussen de Mr Chirurgijn en Jan’s oom en voogd, die predikant blijkt te zijn. maar leest u zelf hoe dat in die tijd ging.:

Den eerwaerde ende welgeleerde Do Cornelis Koeslager, Predicant in Hem (bij Venhuizen in Noordholland), als Oom ende Voogt van Jan Cornelisz Koeslager, Besteder ter eenre ende Mr Roeloff Hoff Mr Chirurgijn, alhier ter stede ter andere zijde.

Do Cornelis Koeslager sijn voorn. Overledene Broeders Sone out omtrent….jare (hij weet het kennelijk niet) aende gemelte Mr Roeloff Hof besteet heeft, gelijck ook d’selve hem in sijnen dienst aenneemt, midts desen voor den tijt van vier eerstcomende ende aghter een volgende jaren. Ingegaen sijnde op de eersten deser loopende maent May ende sullen comen te eijndigenultimo Aprilis des jaers 1665 ende sal de voorn. Jan Cornelisz Koeslager gehouden wesend’voorn sijn Meester in alle getrouwigheijt en op reghtigheijt te dienen, mitsgaeders d’selve sijn meesters saken soo in de Winckel als elders daer buijten soo wel in presentie als absentie van de Meester neerstelyck waernemen en sonder knorrite off morrige bevorderen en bevlijtigen op d’selve sijne Meester in alle billickheijt te gehoorsamen sonder eijt eenige inwilligheijt te bethonen off te bewijsen. Ende voorts generalijck hem so te comporteren (gedragen) en dragen als een goet eerlijck en getrouw kneght schuldigh is en behoort te doen.

Daertegens de voorn. meester belooft heeft ende belooft mitsdesen de gemelte sijn kneght het Chirurgijnsambt naer vermogen en soo veel doenelijck sal wesen te leeren, hem dagelijcx daerinne oeffenende ende onderwijsende. Sonder noghtans gehouden te sijn hem van cost ende drack te voorsien, maer buijten het huijs van de meester daervan sal moeten wesen versorght en oock des naghts sijn slaepplaetse sal moeten houden.

Des belooft voorn. do Cornelis Koeslager aen de voorgemelte Mr Roeloff Hoff te betalen in vrijen costeloosen of schadeloosen gelde sonder eenige cortinge een somme van hondert vijf ende ’t seventigh guldens. Te weten voor d’eerste drije jaren alle jaren telkens op Maydagh vijftigh guldens ende voor ’t vierde jaer op Maydagh a 1665 vijff ende twintigh guldens.

Verbindende parthijen contractanten tot inderhoudinge ende naerkominge deses respective personen en goederen, die submitterende (zich onderwerpen) allen regten en reghtens. Alles opreght ende versoghten hiervan acte.

Gedaen binnen Monnickendam ende bij de parthijen ondergeteijckent”.

De chirurgijnswinkel van Mr Roelof Hoff was gevestigd in het huidige pand nummer 45 in de Kerkstraat (in de 17e eeuw verpondingsnr. 678).

Het eigenlijke chirurgijnswerk bestond uit het genezen van wonden en zweren, het zetten van breuken en uit enkele opraties, die men toen aandurfde.

Het contract duurde dus tot 1 mei 1665 en kennelijk heeft Johannes dit ruimschoots uitgediend, want pas op 15 september 1666 werd hij als student in de philosophie inhet Albium Studiosorum van de Leidse Universiteit ingeschreven. Hij staat bij vermeld dat hij dan 21 jaar is en uit dit gegeven werd zijn geboortejaar afgeleid.

In tegenstelling tot de verwachting, promoveerde hij op 23 december 1669 inde medische faculteit op het onderwerp: “de Febre hectica” (over de koorts van de tering).

Dr Johannes Coeslaegher j.m. trouwt voor de eerste keer te Monnickendam met Geertje Pieters Mooijevries jongedochter van Monnickendam op 8 juni 1670 (Geref. Gem. 405a).

Er worden uit dit huwelijk twee kinderen geboren: Kornelis gedoopt 8-1-1672 en Pieter gedoopt 25-5-1674 (deze laatste is vroeg gestorven en waarschijnlijk begraven op 10-12-1682).

Op 23 september 1678 wordt Geertje Mooijevries in de Grote Kerk te Monnickendam begraven in een kerkgraf voor ƒ 5,10,--. Ze hebben nog geen eigen graf.


Wanneer geen wilsbeschikking of testament aanwezig is, kreeg de weeskamer het beheer over de goederen, die door de moeder aan de kinderen werden nagelaten. Een beschrijving daarvan vinden we in het Staatboek van de Weescamer op blz. 164 (Ora 3613 Monnickendam) op 5 octeber 1678:

Dr Joannis Coeslager in huwelijck gehadt hebbende Geertie Cornelisdr (abuis, moet zijn Pietersdr.) Mooijevries in haer leven echtelieden hier ter stede en sijne 2 kinderen Cornelis en Pieter Coeslager ten overstaen van d’Hr Burgemr Sijes als voocht van ’s moeders sijde over de selve hare moederlijcke goederen bestaende eerstelijck: In een huijs en erve staende in ’t Suijdent (vanuit het centrum aan de linkerkant, het vierde huisje voorbij de Zuijdeindermolensteegh, verpondingsnr. 389).



Een losrentebrief ten gemene lants Comptoire van Monnickendam van hooftsomme ƒ 300,-,-. Een lijfrente ten lijve van Cornelis Coeslager ten Comptoire alhier in hooftsomme ƒ 200,-,-. Een obligatie tot laste van haar vader Jan Coeslager in hooftsomme van ƒ 500,-,-. Met welck bewijs d’Hrn Sijes, Vreck en Baen. Dese goederen sijn geleijt in de doos nr 89”.

Begin 1679 (het trouwboek van de Ger. Gem. ontbreekt van 1671- 1724) moet het huwelijk met zijn tweede vrouw Arisgen Arisdr de Wit zijn gesloten, want hun eerste kind Aachie wordt op 190901679 te Monnickendam gedoopt. Typisch is, dat vooraf geen notariële boedelscheiding plaatsvond (het contentement van de Weescamer was blijkbaar voldoende want op 3 octeber 1679 wordt (na de geboorte van het eerste kind) een acte gepasseerd voor Notaris de Secretaris Joan Fransz Thamis, waarin de Weescamer wordt “gesecludeert ende uijtgesloten” (zie ORA 3613 M, dam blz. 322).

Van Notaris jan Fransz Thamis zijn alleen de stukken van 16480 1663 nog aanwezig (zie N.A. nr. 3418), zoals bovengenoemde acte niet kon worden geraadpleegd.
Behalve Aachie worden van dit echtpaar de volgende kinderen geboren:

Neeltje gedoopt te M, Dam 26-11-1680 begraven 02-01-1681 in E.G. ƒ 1,15.-

Aris ‘’ ‘’ 17-11-1682

Neeltje ‘’ ‘’ 02-11-1683 begraven 13-01-1683 in E.G. ƒ 3,10,-

Pieter ‘’ ‘’ 15-02-1686 begraven 15-02-1686 in E.G. ƒ 3,10,-

Pieter ‘’ ‘’ 06-04-1687 begraven 06-05-1687 in E.G. ƒ 3,10,-

Pieter ‘’ ‘’ 10-06-1688
Bij de laatste geboorte sterft Arysien Ares (de Wit) omtrent medio juni 1688 in het kraambed en wordt op 19-06-1688 met de roef (schuin oplopende deksel op een doodkist) begraven in het eigen graf (E.G.), gelegen op rij 49, nr. 4 in de Grote Kerk, na een uur te zijn beluid (kosten ƒ 19,6,-). Jan (43 jaar oud) bleef achter met een kind van Geertje Mooijevries, namelijk Cornelis en drie kinderen van Arisje de Wit, genaamd Aachie, Aris en Pieter.

Op 22-10-1676 (ORA 3583 M,dam) koopt Joannes Coeslager, Raedt en Oud Schepn van Hendrick Nagtglas, wonende te Amsterdam, een huis en erve achter op de Heeregracht te Monnickendam, belent Hendrik Cremoes (verp. nr. 861) t.o. en de Hr Burgemr Ketel (verp. nr. 870) t.w.

Op 29-10-1688 (Gem. Archief nr. 264) blijkt, dat hij het op een na laatste huis (verp. Nr. 869) en het huis ten oosten ervan (verp. nr. 868) aan de noordzijde van de Sacksteeg in eigendom heeft en daarachter het laatste huis op de Herengracht (verp. nr. 862) met een tuin en speelhuisje.

Dit punt op de vesting, hoek herengracht, waar vroeger de Saksteegpoort stond, is tegenwoordig mog een van de mooiste plekjes van de stad (zie kaart Fr. De Wit ± 1680 op blz. 77 van het jaarverslag Oud- Monnickendam 1979).

Op 29-10-1689 blijkt, dat Jan Koeslager behalve over de nrs. 868 en 869, ook verponding betaalt voor een huis in de Kerkstraat (verp. nr. 6470. hij heeft dit huis blijkbaar geërfd van Adriaentje Arisdr de Wit, een zuster van Arisje, die op 18 october 1684 trouwde met Jacob Koeslager (zie N.A. 3438 d.d. 16-11-1685).

Adriaentje de Wit kocht dit huis (het huidige nr. 420 op 15-11-1683 (ORA 3574 M,dam) van Cornelis Jacobsz Laen en wellicht gebeurde dit mede voor haar zuster Arisje. Met deze gegevens op de achtergrond volgt nu de maatschappelijke carriére van Dr Joannes Cornelisz Coeslager.

Zoals bekend, behoorde hij op 12 juli 1672 tot de groep remonstranten en wordt op 20 october van dat jar door de Prins van Oranje gekozen tot 19e van de een en twintig Vroedschappen van Monnickendam bij z.g. wetsverzetting. Hij is dan 27 jaar oud.
De nieuwe Magistraat komt snel tot daden. Reeds op 26 october wordt

door de Heeren Burgemrn toegestaen, dat Commissarissen de lijsten van de fortificatie deses Stads sullen deursien ende examineren, daartoe tot Commissarissen sijn gestelt en gecommitteert de Heeren Burgemr Sijes, d’Offr. Beckhout, d’Hrn Cock, Roos ende Koeslager” (zie Gem. Archief nr. 9, blz. 159 V).


op zondag 6 november 1672, wordt “de Lijste van de Verdeeling der bedieningen onder de respective Heeren Vroetschappen” bekend gemaakt.


Dr Jan Koeslager wordt tot “Stadsfabrijk” benoemd, welke funktie tegenwoordig overeenkomt met die van Stadsarchitect of Directeur Gemeente Werken. In de nrs. 192 en 208 van het Gem. Archief vinden we op 1-8-1675 zijn “tractement over een jaer als Stadsfabrijcq” zijnde ƒ 50,-,-. U kunt in deze boeken ook andere salarissen vinden .

Op 15 november 1672 wordt Dr jan Koeslager (nevens de Heer Mars) tot Heemraad van de Waterlandse Meren genomineerd. Men kiest hem op 9 augustus 1674 tot één van de drie Rekenmeesters of Auditeurs (controleurs) van de rekeningen van de Heer Stadsthesaurier en tevens wordt hij op die datum voor een jaar tot een van de zeven Schepenen gekozen (al deze gegevens komen uit Gem. Archief nr. 9).

Op 1 november 1674 wordt Dr Koeslager (na het overlijden van de Hr Dirck Mars) wederom genomineerd voor het ambt van Heemraad van de Waterlandse Meren met de Heer Alberdt Kart, “Omme bij d’Heeren Hoofdingelanden vande voorsz Meeren daervan ééne geeligeert (uitgekozen) te werden. Jan Koeslager werd Heemraad.

Dezelfde dag wordt

bij Burgemrn voorgestelt of men d’Heer Joannes Koeslager niet behoorde te continueren in sijne dienst vant’ Fabrijcqambt deses Stadts ende bovendien sijne Edele aen te bevelen de besorginge ende opsight van dese ende geene andere Stadssaecken ende vande Jaaghwegh (op seeckere Instructie daer af eerstdaeghs te maecken) ende wat Tractement hem Jaerlijcx daer voren toe te voegen. Is verstaen d’voorn Heere Koeslager als voren te continueren ende voor sijne moeijten tot een Jaerlijcx Tractement toe te voegen, de somme van Een hondert guldens. Te vinden so vande Stadt als vande Jaeghwegh”.

Op 9 april 1675

Is hij naer deliberatie tot Scholarch (schoolopziener) aengestelt in plaats van d’Hr Dr Gerard Buijes, nevens de vorige Hrn Rijser en Deventer”.

In nr. 193 van het Gem. Archief (fol 59) vinden we een declaratie van de Hr Schoolargh Dr Koannes Coeslager over geleverde prijzen in de Latijnse school op 31-8-1688 ad ƒ 5,11,- (Dit waren kennelijk beloningen voor uitstekende prestaties)”.

Op blz. 267V van nr. 9 (G.A. M,dam) wordt vermeld dat Dr Koeslager na een jaar het Schepenambt bediend te hebben op 9 augustus 1675 op de nominatie staat, als een van e twee uit de afgaande Schepenen, om tot President-Schepen gekozen te worden. De keuze valt echter op Garbrandt Grebber.

Op 10 augustus 1675 wordt hij als Regent van het oude Weeshuis gekozen en blijft dat tot dezelfde datum in 1677.

Auditeur van de reeckeninge” wordt hij wederom op 9 augustus 1676. tevens staat hij dan op de “hominatie van 14 personen omme daeruijt bij de nieuwe heeren Burgemrn tot een van de seven Schepenen vercoren te werden”, doch hij wordt niet gekozen.

Op maendach den IXe Augustij 1677, wesende daechs voor St Laurens, is Opt Hooge Coor vande Kerck naer ouder gewoonte verkiesinge gedaen vande Heeren Burgemrn deses Stadts ende sijn daertoe vercorren voor den tijt van een jaer:



d’Heeren Cornelis Florisz Boem

Dr Jan Coeslager

Pieter Landtman

Dewelcke opt Stadhuijs comende den behoorlijcke Eedt aen Handen vande Heer presiderende Burgmr dr Reijnier Rijser hebben gedaen, die oock daermede vande selve bedieninge is afgegaen ende is daer op aenstonts in des selfs plaetse tot oudt (of presiderende) Burgemr vercoren, mede voor een jaer d’Heer Hendrick Cock. Tevens tot Thesaurier vercoren, i.p.v. Jan Pietersz Ketel, Dr Jan Coeslager” (welk ambt hij tot 9-8-1683 zou blijven uitoefenen).

Het had wel degelijk eden, dat Jan Pietersz Ketel werd vervangen. Al eerder had men geconstateerd, dat hij een te krappe kas had als gevolg van te grote uitgaven en vertraging bij het innen der vorderingen.

Op 17 november 1674 (zie gem. Archief nr. 9 blz. 243V en 244) heeft men reeds getracht hiervoor een oplossing te vinden:

d’Heeren Burgemrn hebben bekent gemaeckt, de claghten van d’Heern Thesaurier Ketel, over de scharsheijt van de kas en financie vande thesaurije deses Stadts, waeruijt hij niet machtigh is te vervallen de betalinge vande veelvuldige lasten, waermede de Stadt van tijt tot tijt ende in sonderheijt bij de jongst voorleden perplexe jaeren, is geinvolteert (ingewikkeld) geworden ende nu alreede merckelijck in Verschot sijnde, ende of dienvolgens niet best soude sijn noch eens een notable somme van Penningen (so op Lijfrenthen als Lostenthen) te negotieren (tot stand brengen); midts in het toecomende (soo haest de tijt wat florisanter sijnde) bij Vercop van eenige Stadtslanden wijdt ende zijdts gelegen, wederom eenige Lasen af te doen. Is goetgevonden te mogen negotieren, soo op Losrenthen, als oock op Lijfrenthen, selfs mede op persoonen haere Lijven die 40 á 50 Jaeren out sijn. Tevens negen á thien guldens per Cento (%) ’s jaers”.

Maar ondanks deze verruimde uitgifte blijkt drie jaren later in 1677, dat geen verbetering werd bereikt en Dr Joannes Koeslager kreeg de kans.
Op 4 september 1677 (een maand nadat hij )

tot het Burgermeesteschap deses Stadts promoveerde, d’Heere Dr Jan Koeslager oversulcx heeft gedesisteert (afgezien) van sijne bedieninge ampten van Stadts-Thesaurier ende Fabrijcq ende d’selve te brengen inde Schoot van dese vergaderinge, welcke aengaende is goetgevonden ende verstaen gemelte Heer Koeslager, ten beste dienste vande Stadt, inde voortsz Ampten van Thesaurier ende Fabrijcq te continueren (laten voortzetten)”. (zie Gem. Archief nr. 10, blz. 132).

Men had kennelijk nog al wat vertrouwen om hem deze ambten (en de verdienste ervan), naast zijn burgemeesterschap, te laten behouden. Normaal moest men deze afstaan bij een dergelijke benoeming.

“Wijders nogh, uijt oorsaecke als voren, d’Heer Burgemr Koeslager, mede gedesisteerd sijnde (afgesaan0 het Heemraedtschap vande Waterlantsche Meeren ende sijn derhalven tot ’t selve ampt genomineert d’Heeren gerbrandt Grebber ende Stoffel Cornelisz Deught”.

Op 2 april 1678 zijn

d’Hrn Burgemrn Koeslager ende Rijser (als Stadtsgedeputeerdens), mitsgaeders den Secretaris Corthals uijt den Hage thuijsgecomen ende hebben resp. rapport gedaen van ’t gunt ter laetster vergaderinge van d’Hrn Staten van Hollant ende Westvrieslang was voorgevallen”. Onderwerp was: “ ’t tractaat defensive tussen dese Staat en Engelant aengegaen”. (zie G.A. M,dam nr. 10, blaz. 188).

Deze stadsgedeputeerden logeerden in de Haag in “de vijf Steden”. Betreffende dit logement wordt op 15-5-1678 gemeld:

d’Hr Rijser nogmaels geprogoneert (voorgeseld) ende serieuselijck gerecommandeert het meermaels gedaen versoeck van Jottvr Bacherus, Hospita vande vijf Steden inden Hage om mede van dese Stadt jaerlijcx een subsidie van 25 glds te mogen genieten, gelijck die van Hoorn alreede 50 glds en Edam, Medenblick en Purmerendt elcx 25 glds hebben geconsenteert. Is niettemin bij omvrage verstaen uijt goede redenen ’t selve versoeck te blijven declinteren” (zie G.A. M,dam nr. 10, blz. 200, 300, 323, 499 en 578).

Men behoeft zich niet af te vragen welke Magistraat het karigste was.
Doordat de besluiten van de Staten van Holland door de Stadsbesturen goedgekeurd moesten worden, kwamen soms de meest geheime staatsstukken in de Vroedschap van monnickendam ter sprake. Het is natuurlijk niet ondenkbaar dat langs deze omslachtige weg een geheim voortijdig uitlekte of zelfs in verkeerde handen terecht kwam.

Men bracht derhalve van het besprokene omzichtig en zonder veel notities rapport uit.

de Heeren stadtsgedeputeerdens d’Burgemr Koeslager ende d’Secrets Thamis uijt den Hage den 29e mey 1678 thuijsgecomen sijnde hebben circumspect (omzichtig) rapport gedaen van alle ’t gepasseerde ter jongster vergaderinge van d’Heeren staten van Hollant en Westvrieslandt ’t zedert den 24e deser maendt nopende het seer important poinct tot het bewercken ende expedieren vande hooghnoodige Vrede van desen Staet ende Zijne Konikl. Majesteijt van Vrankrijck” etc. (zie Gem. Archief nr. 10, blz. 208).

Op 10 augustus 1678 werd te Nijmengen vrede gesloten met Frankrijk. Aan een 6- jarige oorlog was een einde gekomen.

In december 1672 nog rukte een franse legerafdeling van 1000 man over de bevroren waterlinie Holland binnen. Zwammerdam en Bodegraven werden uitgemoord, mar wanneer de dooi invalt haast men zich terug. Dit was de laatste poging Holland te veroveren.

Eind 1673 waagt Willem III een uitval en neemt Bonn in. Door het verlies van dit arsenaal moeten de franse troepen de Noordelijke Nederlanden ontruimen, mede omdat de Stadhouder nu contact gemaakt heeft me de keizerlijke troepen.

Op 19 februari 1674 wordt met Engeland vrede gesloten te Westminster.

Op 22 april met Munster en op 11 mei met Keulen.

Pas in 1678 slaagt men erin met Engeland een defensief verbond te sluiten. Dit dwingt de fransen ertoe alle door hen bezette gebieden. O.a. Mastricht, terug te geven en vrede te sluiten.
Terug naar Monnickendam.

“Op dinghsdagh 9 augustijs 1678 hebben de vercooren Burgemeesteren Pereboom, Zijes en Ketel op ’t Stadhuijs comende den behoorlijcke Eedt aen de handen vande Heer presiderende Burgemr Hendrick Coq gedaen, die oock daermede vande selve Bedieninge is afgegaen ende is daer op aenstonts in desselfs plaetse toto ouidt Burgemer vercooren voor een Jaer:

d’Heer Dr Jan Koeslaeger”

Zijn ijver en toewijding brachten zijn collega’s er toe hem het hoogste ambt binnen de stad toe te vertrouwen. Daarnaast blijft hij echter Thesaurier, Stadtsfabrijcq en Stadsgedeputeerde. Wanneer men zijn aandacht over zoveel functies moet verdelen kan er wel eens een inn de knel komen.

Op sondagh 11 december 1678 rapporteert d’Heer Burgemr Coeslaeger als Stadts- Thesaurier de schaersheijt van de Cas, onmogelijk omme de lasten, ja selfs de intressen op deposito tot laste vande Stadt staende, zoo van los- als lijfrenten, als lange verschenen zijnde te cunnen betaelen. Versoeckende dieshalven dat haer Achtbden een Fons geliefden uijttevinden, waer door de achterstallicheijt van de voorsz schulden eenichsints mochte werden voldaen. En daer over wesende gedelibereert is geresolveert d’Hrn Burgemrn te versoecken en te qualifiseeren bij desen te inquireren wat de twee cavelingen Lants inde Purmer soude Cunnen (opbrengen) ”. (zie G.A. M,dam nr. 10 blz 252).

De schaersheijt van de cas” komt een paar weken op de achtergrond door de keuze van twee nieuwe Vroedschappen op 3 januari 1679 , de Heer Roos, die als Vroedschap deelnam aan de verkiezing is ook “Equipage- meester van ’t College ter Admiraliteijt” te Hoorn en woont daar sinds 1674. vier van de eenentwintig Vroedschappen beweren, dat hij deze ambten niet naast elkaar kan bekleden. Het wordt een rel waar de Prins van Oranje zelfs aan te pas moet komen. Op 12 maart wordt beslist, dat Cornelis Roos de Vroedschappsplaats zal verlaten (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 256 t/m 265, 275 t/m 280 en 288) ”.

Op 27 januari 1679 (G.A.M,dam nr. 10, blz. 266) wordt besloten:

omme één vande Cavelingen lants, gelegen inde Purmer, ijder monterende (metende) 40 morgen zoude mogen vercoopen, ’t zij onder de handt ofte anders bij publijcque veijlinghe mogen vercoopen, edoch niet minder als ijder morgen jegens negen hondert guldens, waermede de menichvuldige lasten zouden cunnen gesoulageert (verlichten) ” Het moest dus ƒ 36.000 opbrengen !

Pas op 18 april komt de Vroedschap terug

Opde claghten van d’Heer Thesaurier Koeslager vande sondelinge achterheijt vande Stadtskas ende financie, jae dat wel d’somme van ses duijsent gld aen Renthen ende nogh anders meer merckelijkcke somme debeth is, vindende hem daer door grootelijcx verlegen van hem wijders te cunnen redderen is (naer deliberatie) goedtgevonden ende verstaen, midtsdesen te versoecken ende committeren d’Heeren Burgemrn, nevens d’Heeren Baan, van Saenen, Mars van Hoorn en Thames, omme alles nopende de voorsz achterheijt ende Finantie naerder te examineren ende sich te informeren ende vander selver bevindinge alhier rapport te doen ” (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 289).

ƒ 6000,- is een geweldige som in die tijd. Als u weet, dat een huis aan het begin van het Noordeinde in die tijd ƒ 500,- tot ƒ 700,- kostte, een normaal huis plm. ƒ 400,- terwijl een goede baan, b.v. die van Rector aan de Latijnse School ƒ 250,- per jaar opbracht en een normaal salaris ƒ 150,- bedroeg, dan stond dit tekort gelijk aan 15 normale huizen of 40 normale jaarsalarissen. We kunnen dan de achterstand volgens huidige maatstaven schatten op plm. ƒ 2.000.000,- (is 333 x zo veel).

Op 2 juli 1679 wordt vermeld, dat een broer van Dr Jan Koeslager een verzoekschrift heeft ingediend. Kennelijk maakt hij gebruik van de gelegenheid dat deze President- Burgemeester is en smeedt hij het ijzer wanneer het heet is.

Aenlangende de Requeste bij monsr Sijmon (Cornelisz) Koeslager, ingeboren Burger deses Stadts, dogh nu woonende tot (Le) Havre de Grace in Vrankrijck en getrout (met Madeleine Oursel) aen haer Ed. Groot Mog. Te presenteren, omme gemaincteneert te mogen worden, in sijn woninge ende exercitie vande negotie (handelsverkeer) aldaer, waerinne hem eenigh beleth is voorgecomen. Is goedgevonden ende verstaen Stadtswegen door d’Hrn gedeptdens alle mogelijcke debvoiren (pogingen) in ’t weck tot het erlangen van ’t versoeck”. (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 301).

Sijmon Koeslager heeft zich waarschijnlijk direct na de vrede van Nijmegen met de Fransen in 1678 in Frankrijk gevestigd. Door opheffing van het “Edict van Nantes” moest hij met de hugenoten de wijk nemen naar Amsterdam, waar zijn dochter Susanna touwde op 20-7-1708 met Louis Biefait, de vader van de stichter van het Amsterdamsche Handelshuis Louis Dienfait & Soon.

(zie de Geschiedenis van dit handelshuis geschreven door A.W. Wichers Hoeth, uitgegeven door N.V. Drij en Uitgever “De Mercuur” te Hilversum).
Op 30 juli 1679 doet de secretaris Thamis verslag namens de op 18 april j.l. aangestelde gecommitteerden

bij monde als bij geschrifte wijdtloopigh rapport soo van ’t gunt de Stadt jaerlijcx uijt allerhande oorsaecken heeft in te comen ende te ontfangen, als daer jegens te vervallen ende te betaelen, waeraen bevonden is, te cort te comen wel de somme van omtrent vijff duijsent guldens.



De veraghterde finansën sullen voor soo veel eenighsints dienlijk moeten worden geredresseert (hersteld) ende het cort vandien gevonden. Vermits noch eenige vande presente Heeren voor alsnogh exipieerden (tegenwerpingen maakten) door hunne ongereet en onbequaemeheijt (tegenwoordig zou je zeggen, misschien dom van me, maar…) niet positive te cunnen komen tot hunne senthiment (gevoel) en resolutie (beslissing), is erstaen op toecomende Dingsdagh tot conclusie te mogen werden gebraght” (zie G.A. M,dam nr. 10 blz. 308).

Op dinsdag 1 augustus wordt geconcludeerd

noch eenige verdere tijt van nooden te hebben om haere gedaghten ove d’een en d’andere saecken naeder te laeten gaen.

Eghter noghtans haere Ed. soo verre in Centhiment (gevolige situatie) waern gecomen, dat Commissarissen dienden te worden gecoren ende aengestelt, welcken volgende dan bij eenparigheijt sijn versoght ende geeligeert (uitverkozen), mits desen d’Heeren Burgemrn Sijes, Ketel, Mars van Hoorn en d’Secretaris Thamis met ende benevens de Stadts-Thesaurier Koeslager ” (zie G.A. M,dam nr. 10 , blz. 310).

Op 17 september (blz. 326) wordt voorgesteld:

dat de Burgerije soude cunnen werden geobligeert (verplicht) tot het betaelen bij een dragelijcke tauxatie (toeslag) van de Stadts- Impost opde Bieren”.

Een bekende klank in 1981 !

Op 3 oktober (blz. 327) worden

de Regenten vande huijssittende armen alhier ter stede, die gedisponeert (aanbevolen) worden om van nu voortaen (tot ontlastinge vande Stadt beswaerde financien) over ende aen te nemen de maendtlijcke zubsidien aen enige nootdruftighe Burgers, tot nogh toe bij de Stadt gedraegen”. De spoeling wordt dunner.

Op zondag 19 november 1679 (blz. 342 t/m 345) brengen

de Commissarissen tot dese Stadt- finantie rapport uit: ”met sirieus versoeck, dat nu dogh een mael diesaengaende moghte worden genomen een positive ende finaele Resolutie (besluit), omme voor soo veel mogelijck de voorsz finantien buijten verder verloop te houden en te herstellen ende is bijde presente Heeren generalijck gearresteert (bekrachtigd) ende ter neder gestelt (vastgelegd) als hetselve hier naer van woorde tot woorde staet geregistreert. Alleenlijck, dat drie vande selve Heeren reflecteerden op de eenparigheijt inde selve Resolutie van de gantsche Vroedtschappen, wehalven verstaen is, dat de absente Heeren sullen worden geconvoceert (samengeroepen)”.

Voght het advijs:

(dou oud- hollandse term “afleggen” dient u dan te vertalen in de huidige kreet “inleveren”.


Jaerlijcx profijt
Dat een Gecommitteerde raedt, meerder behoorde of te leggen aan de

Stadt, als jegenwoordigh, de somme van ƒ 350,-,-

Insgelijcx een Admiraliteijt ƒ 500,-,-

Nogh een Reeckenmeester des daeghs 14 stuijvers, maeckt ƒ 175,-,-

Het Fabrijckschap te mortiticeren (opheffen) ƒ 100,-,-

Het Tractement vande Thesaurier te stellen als voor dezen ende zulcx te verminderen, de somme van ƒ 50,-,-

(midts de 200e pensz daer af bijde Stadt te worden betaelt)

Van ’t Ontfangerschap vande 200e penninck van ijeder 200e pensz

af te leggen sa (s’jaers) 50 gld. Comp als twee maelen af te geven ƒ 100,-,-

Het heemraedtschap vande Waterlandtsche Meeren af te leggen ƒ 50,-,-

Het Tractement vande Stadts timmerman te reduceren op sa 220 gld. Profiteert ƒ 55,-,-

Het tractement vande Boden, Insgelijcx te reduceren op sa 200 gld. Profiteert ƒ 40,-,-

’t Excuseren het extraords aen de Secretarissen ƒ 63,-,-

Dat de Jaerlijcxe Weddens, aen den Advocaat Laurentius in de Hage, behooren te excuseren ƒ 15,-,-

D’gaerders vande omslagh van de Landen inde Stadts- Jurisdictie.

Jaerlijcx genietende sa 66 glds voor het toekomende (inde toekomst) te excuseren ƒ 66,-,-

In ’t cleijne huijsgen opden Dam, behoorde bijde paghter vande Stadts Bieren de Collecte gedaen

te worden, of andeers soude men de Collecte van t’ gemael daerin laten doen ende de huijr nemen ƒ 25,-,-

Dat behoorde afgeschaft te worden, het maendtlijck xubsidieren aen Arme Burgers ende die te

Renvoijeen (verwijzen) aende Aelmoesseniers ende Diaconen (van de Kerk) profiteert ƒ 240,-,-

D’ Huijshoudinge soodanigh behoorde gereguleert te worden, dat de jaerlijcxe indispensabele

(onmisbare) verteeringe cenden worden vervallen (schuldig worden) uijt de post van sa 3500 glds.

Tot d’ ordinaris huijshoudinge inde Staet van Balance geafficteert, soude dan avanceren ƒ 200,-,-
Dat men het quohier van ’t Waeckgeldt, soodanig conde verbeteren, dat (daer het nu niet boven

500 glds beloopt, hoewel inden Jaere 1672 wel ruijm 900 glds heeft opgebraght) het suijvere

provenu daer van quame monteren sa 700 glds soude ’t profijt dan sijn ƒ 200,-,-
D’ Imposten vande Stadt, opde Wijnen ende Brandewijnen, nae de practijcque, ’t zedert den

Jaere 1672 geobserveert, doen uijtcoop soodanigh te beneficieren (gunst bewijzen) dat d’Stadt Jaerl.

Suijver meer soude genieten als nu, sa ƒ 200,-,-

Men soude oock lightelijck door goede voorsorge van Commissarissen vande Financie,

d’Stadts Impost opde Turf, meerde doenopbrengen, als nu bevonden wordt, sa ƒ 200,-,-
Uit te legger vande Landen in dese Stadts Jurisdictie leggende.

Alsoock uijt de Verpondinge daermede de Stadt is aengeslaegen wegens de selve Landen Blijckt

datter 836 deijmpten en 176 roeden sijn en d’ gaerders verantwoorden maer voor 800 deijmpten.

Comp d’ overige ƒ 7,4,-

Per deijmpt, maeckt sa ƒ 262.7.-, daer afgetogen sa 50 glds diemen soude cunnen toeleggen aende

gaerders voor hun moeijten. Blijft dan jaerlijcx over ƒ 12,7,-

………

Fl 3066,7,-



Comp’ t Transport van d’ovezijde 3066,7,-
Daar ligt Jan dan het bezuinigingsplan 1689 (gelijk een klein bestekje) met alle gevolgen van dien.

Jan Koeslager heeft als “Commissaris van de Stadtsfinantie” zichzelf niet ontzien.

Het opheffen van het “Fabrijckschap” en de korting op zijn tracttement als “Thesaurier” is een direkte aanslag op zijn eigen budget, terwijl hij ook minder zal ontvangen als “Gecommitteerde van de Stadt” en eventueel als “Reeckenmeester” wanneer hij geen Thesaurier meer zal zijn, hij moet heel wat inleveren. Zijn totale tractement wordt teruggebracht van ƒ 250,- naar ƒ 100,-.

De arme burgers zijn er door deze maatregelen zeker niet beter aan toe. Doch men kon in die tijd snijden, zonder dat men protest hoorde.


Op blz. 346 schrijft men van plan te zijn

d’ Banck van Leninge te brengen in een gedeelte van ’t Proveniershuijs (bejaardentehuis), midts daer voren jaerlijcx te genieten van een Tantum.



Ende dat ’t beleijdt vande Saecken van Stadts- Financie souden behooren gecommitteert te worden uijt het midden vande Vroetschappen vier personen, om op seeckere Instructie te beraemen ende door de Gedeputeerden bijde Regeeringe te arresteren

Er bestond overigens reeds een instructie “waernae d’Heer Thesaurier des Stadts Monickedan hem sijn dienst sal hebben te regulieren”. Deze is te vinden in G.A. M’dam nr. 84, blz. 28 t/m 34 en dateert van 9 augustus 1668.


Deze intructie uit 19 artikelen. Slechts twee ervan zijn de moeite waard om hier te vermelden:

Art. 7: Sal jaerlijcx gehouden wesen te doen behoorlijcke Reeckeninge van sijn ontfangh en uijtgeven binnen de tijt van XIIII dagen nae ’t affgaen van Burgemeesteren, die den dach daertoe prefigeren sullen en sal gehouden wesen Copie van sijne gedaene Reeckeninge t’ elckens aende Hrn Burgemrn te overhandigen, mitsgaeders van sijne Restanten, die hij alle sal moeten invorderen ende daermede vlijven gechargeert (belast) ter tijt en wijlen toe bij Burgememeesteren en Vroetschappen de selve “voor quaet” (oninbaar) restant sullen wesen verclaert (dus ook na aftreden van de Thesaurier).

Art. 9: Sal behoorlijcke sorge dragen dat alle die gene, die ter sake van uijtgelooffde huere, pachtpenningen, verpondinge ende anders aende Stadt ten achteren geraken, hoe die oock genaemt souden mogen wesen op de behoorlijcke tijt hun achterwesen comen voldoen ende bij soo verre lemant (buijten vermoeden) sijn achterstal niet en voldoet binnen ses maenden nae de wxpiratie vant jaer off dach op welcke hij de betalinge moeste doen, dat als dan den thesaurier jegens soodanige sal moeten procederen bij sommatie ende XIIII dagen daernae bij renovatie en XIIII dagen daernae bij uijtlichtingh van Deuren in saken daer sulcx mogelijck is”. Kennelijk bedoelt men daarmee “openbare verkoop”).

Mocht u geinteresseerd zijn in de verdere benoemingen van de “Commissarissen van de Finantie”, dan kunt u dit vinden in G.A. M, dam nr. 10 blz. 417 (7-1-1681), blz. 420 t/m 424 (21-1-1681) en blz. 425 t/m 427 (9-2-1681), waarbij ze zelfs het kerkelijk inkomen en de gezondheidszorg trachten aan te pakken).

Op blz. 449 t/m 458 (29-6-1681) worden “de ordonatien van de Thesaurier” herzien, maar het zou te ver voeren om hierop in te gaan.

Wat te verwachten was naar aanleiding van de korting op het salaris van Dr Koeslager gebeurde op 15 october 1681:

Is gelesen, een Requeste, gepresenteert bij d’Heer Stadts Thesaurier Dr Joannes Koeslager, versoeckende (ter oorsacke van sijn geallegeerde (aangehaalde) veelvuldige moijelijckheden, occupatiën (bezigheden) ende belastingen in ’t voorsz sijne Thesauriers ambt verbeteringe van sijn jaerlijcx Tractement tot de somme van drie hondert car: guldens in plaetse ’t selve tot nogh toe is geweest een hondert en vijftigh guldens, sonder eenigh verder Emolument (bij- inkomen) ende daerover sijnde gedelibereert, is goedtgevonden d’ selve Requeste te stellen aen d’Heeren Burgermrn ende Commissarissen vande finantie, omme sulcx naeder te examineren ende daer nae dese aghtb. Vergaderinge van der selver advijse ende consideratiën te dienen”.

Hij heeft dus kennelijk te veel ingeleverd en probeert nu vanwege de toename in de werkzaamheden het verloren gegane deel van zijn salaris terug te krijgen.

Op 15 november 1681 brengen de “Commissarissen van de Financie” uitvoerig rapport uit over de “Reeckeninge vande Stadts Thesaurier” (zie G.A. M,dam nr. 10, blz 501 t/m 504 en 506).

De’ Heeren Burgermrn ende Commissarissen van de Jinancie” komen pas op 9 december 1681 terug op het “in dato den 15e october jongstleden te exammineren Requeste van Dr Joannes Koeslager Thesaurier deses Stadts.



Tenderende ten eijnde u Ed. Welaghtb beliefte sij, om redenen inde selve Requeste vervat, eertelijck het jaerlijcx Stipendium van stadts Thesaurier te augmenteren (verhogen) met een hondert ende vijftigh guldens.

Reflexie (bespiegeling) te maecken op het Burgemeesterschap, Vroedtschapsambt, Schepenschap ende diergelijcke hooge Bedieningen meerder, die alle genoeghsam sonder eenigh voordeel of proffijt sijn, maer ’t sal genoegh wesen op het Thesaurierschap deses Stadts alleenlijck hunne aenschouw te nemen. Ten welcken requarde sij bevinden, dat van alle oude tijden af het selve Ambt althoos is gereputeert (de klank gehad) geworden onder de meest honorabele (eervolle), ende vervolgens In requarde van ’t voorsz versoeck tenderende (bedoelde) om te mogen hebben augmentatie (verhoging) van Tractement geconsidereert (in ’t oog houdende) dat niet alleen in dese schaersheijt van geldt, maer selfs doende (toen de) tijden aldermeest waeren bloeijende, de Bedieningen in dese Stadt ten opsichte vande proffijten, baeten, voordeelen en emolumenten, noijt gereguleert en geproportioneert (in verhouding vastgesteld) sijn geweest, naer den arbeijt ende moeijten vande selve Bedieningen, maer het defect (tekort) vande selve althoos is gesuppleteert (aangevuld) geworden met d’eer ende aensien de selve Ambten vergeselschappende, daervan de Commissarissen onnoodigh oordeelen haere meest jae altijt bedoent door afgegaene Burgermrn, die dan oock vande selve Bedieninge niet anders hebben getrocken als een cleijne erkentenisse, en om het selve wat naeder te beschouwen soo hebben d’Thesauriers inde Jaeren 1661, 1662 en vervolgens niet meerder genoten voor hun Tractement, Emolumenten en Proffijten als eens ’s jaers dertigh guldens, daer nogthans de Verantwoordinge die sij mosten dien in een Jaer wel is geweest ontrent de ’t Seventighduijsent guldens ende inden Jaere 1668, als wanneer het Thesaurierschap is gebraght op die voet, ordre ende Instructie, waer op ’t selve Ambt nogh bijde jegenwoordige Thesaurier wordt bedient, is de Thesaurier inde tijt gechargeert (belast) geweest om een Staet vande Stadts Financie uijt de grondt op te soecken, een Lijste van alle het Incomen ende uijtgeven te formeren, mitsgaeders drie leggers voorde Stadt op te maecken.

Alles sijnde een werck van een ongelooflijcken omslagh en arbeidt. Sinde de grondt van dat ordentelijck gebouw daer op de jegenwoordige huijshoudinge van d’Stadts Financie soo loffelijck wordt gecontinueert ende boven alle dien arbeijt van veele maenden is den selver thesaurier nogh belast geweest vanden 9e Augustij 1668 tot den 8e Augustij 1669 toe met een verantwoordinge vande somme van hondert vijf en dertigh duijsentvijff hondert ’t sestigh glds dertien stuijvers ses penn. ende zulcx in dat eene Jaer acht duijsent ’t negentigh glds seven stuijvers thien penn. meerder heeft verantswoordt als d’jegenwoordige Thesaurier en Requirant in desen inde drie laetste jaeren heeft gedaen (de geprezen Thesaurier uit 1668 blijkt Mr Joan Mars van Hoorn te zijn) ende nogtans alle dit niet tegenstaende soo heeft het U Ed. Welaghtb. Belieft bij Resolutie vanden 11e september 1671 den thesaurier in dien tijt niet meerder toe te voegen als eens hondert en vijftigh glds int Jaer daeronder dan begrepen was het schrijven vande selve Reeckeninge en dát in een tijt als het geldt niet half soo veel waerdt was als wel jegenwoordigh.

Op de oude grondt Regel dat inde Bedieninge vande Eerampten het proffijt geensints moet worden gebalanceert nae den arbeijdt en geannexert nae de moeijten aende selve Bedieninge, bij onse loffelijcke voorouders soo voortreffelijck geleght, oordeelen de Commissarissen dat hiervan niet anders als met groot gevaer en perijckel sal connen worden aafgetreden.

Soo can zulcx in geenderleij maniers een middel sijn waerom d’Stadts Financie met een meerder Tractement behoordt beswaerdt te worden om dat het naedeel dat d’thesaurier schijnt in sijn Requeste te vreesen geen ander fondament ofte oorspronck can hebben als sijn eijgen sloffigheijt en genoeghsaem supine negligentie (nalatigheid), die men noijt moet presumeren (veronderstellen) in een Thesaurier plaets te sullen hebben.

Op welcke loffelijcke gronden dan de Commissarrissen vertrouwen, dat d’intentie van U Ed Welaghtb sal sijn de beheeringe van Stadts Financie te continueren ende souden vervolgens van Advijse sijn, dat de Stadts Financie met geen verhooginge van Tractement in reguarde vande Stadts Thesaurier behoorde te worden beswaert”.

Natuurlijk, dit oud- Hollands is moeilijk leesbaar, maar het loont de moeite, want wat komt men niet uit een dergelijk rapport (dat in werkelijkheid tweemaal zo lang is ( zie G.A. M.dam nr. 10, blz. 508 t/m 511) te weten over principes, beloningen en waarde- oordelen in die tijd.

De magistraatsbedieningen blijken niet beloond te worden, het geld in 1681 was meer dan twee maal zoveel waard als in 1661 en het ambt van Thesaurier was een dagtaak, maar werd als een erebaantje beloond.
Dr Jan Koeslager wist eind 1681 waar hij aan toe was. De verhoging tot ƒ 300,- zat er niet in.

of men niet alle Jaeren naer ouder gewoonge op den dach van de verandering van Burgermr behoorde te delibereren over de continuatie van den Thesaurier ofte over het aenstellen van een ander. Te meer omdat het ambt van Thesaurier alhier in de Stadt meerder wordt gerekent een belastinge te sijn, als wel een beneficie (uit gunst verleend) en vervolgens sonder enige Jalousie van tijt tot tijt bequamelijck van den enen schouder can worden gebracht op den ander om daerdoor de kennisse vande Stadt van de Stadtshuijshoudinge voor soo veel doenlijck universeel te maken” Dit wordt geaccepteerd !

Wij vervolgen nog even het levenspad van Dr Jan Koeslager.

Op 23 januari 1683 (zie G.A. M.dam nr. 10, blz. 568 en uitgevoerd volgens de resolutie van 22-1-1681, zie blz. 423) worden:

“d’Heeren Joannes Koeslager ende Barnardus Fudts, beijde doctoren inde medicinen, aengestelt omme voorthaen alle nieuwe aencomende Apotheeckers ende Chrirugijs binnen deser Stede, nopende haere bequaemheijt ende het admitteren (toelaten) tot d’voorsz functien te ezamineren”.

Op 10 augustus 1684 wordt Dr Koeslager tot President- Schepen gekozen (zie G.A. M.dam nr. 78, blz. 238) .


Op zaterdag 17 maart 1685 wordt in de vergadering van Burgermrn en Vroetschappen een brief van de Prins van Oranje voorgelezen:

Wij hebben niet willen naerlaeten U.E.d bij desen bekent te maecken dat Mr Nicolaes Houtingh, voor desen Vroedtschap der Stadt Monickendam, doen (toen) inden Jaere 1672 vande Regeeringe geexcuseert (ontslagen), ons heeft doen verthoonen dat U Ed. niet ongenegen soude sijn hem wederom inde voorsz Vroedschap te assumeren (opnemen), als zulcx met ons goedtvinden soude cunnen geschieden. Dat wij hem Mr Nicolaes Houtingh in dat sijn versoeck wel willende believen, niet alleen toegesaen hebben, maer oock geerne sullen sien, dat hij wederom inde voorsz Vroedtschap werden geassumeert. ’s Gravenhage den 25e februarij 1685 ” ( G.A.M,dam nr. 11, b;z. 125).

Het ene na het andere in 1672 ontslagen Vroedtschapslid zal weer in genade worden aangenomen en aanbevolen tot het weer opnemen in de Vroedschap.
Op 5-2-1686 wordt Jan Koeslager tot Weesmeester gekozen (G.A. M,dam nr. 87, blz. 244).
Zondag 10 maart 1686

seijde d’Heer en Mr Nicolaes Houtingh te vermeenen de tijt geboren (gekomen) te sijn om over te leveren ende te doen lesen sijn Requeste aan de Prins d’Orange.”

Hij schrijft hier in, dat toen hij in 1672 werd ontslagen als Magistraat van de Stad Monnickendam, hij tevens het pensionarisschap verloor. Hij vraagrt de Prins hem wederom in de positie van Pensionaris te herstllen.

Tot verwondering van de vergadering had de Prins reeds op 26 december 1685 in de marge geschrven of laten schrijven:

Sijne Hoogheijt heeft verstaen ende verclaert bij desen, dat den Suppliant sal comen ende treden inde actuele possessie van het pensionarisschap hierinne vermelt ende was geteeckent G. Prince d’Orange”.

(zie G.A. M,dam nr. 11, blz. 214).

Dezelfde dag nog (zie blz. 215) wordt d’Heer Dr Joannes Koeslager, Raad ende oud Burgemr verzocht de vergaderingen van de maand maart van de Staten van Holland waar te nemen,

die daertoe met behoorlijcke Credentiaelen (geloofsbrieven) sal worden voorsien”. En daaronder staat vermeld: “Hiertegens is bij d’Hr en Mr Nicolaes Houtingh geprotesteert

Net een jaar teruggekeerd in de Vroedschap en met goede papieren op zak voor zijn a.s. Pensionarisschap durft deze man zich alweer te verzetten tegen de afvaardiging van een oranjeman naar de Staten van Holland.


Op 15 april 1686 (G.A. M,dam nr. 11, blz. 216) doet Oud Burgemer Dr Joannes Coeslager Stads Gedeputeerde, uit Den Haag thuis gekomen, rapport van het gepasseerde ter vergadering van de Heren Staten van Holland en Westvriesland, waar hij van 13 maart tot de 6e april aanwezig was.

Uit de notulen van de 8e juni blijkt dat hij ook van de 1e tot de 18e mei en van de 24e tot en met de 31e mei naar de Staten van Holland en Westvriesland in Den Haag werd afgevaardigd (blz. 255).

Een van de onderwerpen, die in Den Haag ter sprake komen, is het rekest d.d. 3 mei 1686 van de Consistorie van de Waalse gemeente in Den Haag aan de Ed. Gr. Mog. Gepresenteerd.

Zij verzoeken de kapel of kerk op het Binnenhof aldaar doelmatig te vergroten, omdat de gemeente “door de overcomste van een groot getal predicanten en andere desolate (ellendige) gereformeerde vluchtelingen uijt Vranckrijck waren geaccresseert (was toegenomen)”.

De stads- gedeputeerden worden gekwalificeerd om in de kosten tot vergroting van de betreffende kerk tegemoet te komen (zie G.A. M,dam nr. 11, blz. 192,195, 220, 226 en 243).

De laatste maal, dat Joannes Coeslager als Gedeputeerde naar Den Haag gaat, wordt hij vergezeld door Burgemr Teerhuijs en Mr Nicolaes Houtingh. Zij verblijven daar van 31 mei tot de 13e juni 1686. Hr Dr Joannes Coeslager heeft op 9 juli 1686 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 242)

in de schoot van dese Achtbare Vergaderinge (na gedane rapport) conform vorige resolutie geoffereeert (ten beschikking gesteld) sijnen jarig en aenwaer genomen dienst als erds Stadts gedeputeerde naer den Hage en is sijn Ed. voor sijne genomen moeijte en aengewende debvoiren bedanckt”.

Jan Koeslager had er kennelijk genoeg van om met Mr Nicolaes Houtingh te moeten samenwerken.

Op 17 maart 1688 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 308) wordt Dr Joannes Coeslager gecommitteerd tot auditeur van de rekening (of Rekenmeester) van d’Hr Stads Thesaurier Mr Hendrick Wou en op 5 januarie 1689 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 360) wordt hij nogmaals als auditeur genoemd

vande nogh te doene Jaerlijcxe Reeckeningen van wijlen d’Heer Stadts Thesaurier Mr Hendrick Wou Zalr”.

Op 6 januari 1689 komt hij opnieuw in aanmerking om tot President Schepen gekozen te worden doch de missive, waarin de keuze aan de Prins van Orange wordt overgelaten, wordt niet beantwoord.

Het zoveelste conflict in de stadsregering is gaande.

Op 2 februari 1688 (G.A. M,dam nr, 11, blz. 288) schreef Secretaris Corthals

d’Hrn Burgermr hebben ter Vergaderinge geremonstreert, dat ’t zedert den Jare 1679 in dese achtbare Vergaderinge ende sulcx tusschen de Regenten onderlingh seer considerable (aanzienlijke) onlusten, quastien ende moeijlijckheden, niet alleen tot merckelijcke prajuditie (nadeel), bijsondere blasine (genoeg er van hebben) en opspraeck van de regeringe te meermalen en op diverse tijden tot nu toe waren voorgevallen ende ontstaen, dat niet alleen sijn Hoogheijt den Heer Prince van Oranje ende Heeren desselfs Commissarissen, maar oock den Hoogen Rade omme die respective succesivelijck door minnelijck verdragh te assoxieen (verenigen) en bij te leggen. Etc. etc.”.

Dit is volgens mijn mening de bester omschrijving van de wijze waarop samengewerkt werd tussen de Vroedschapsleden van Monnickendam in de ambtsperiode van Dr Joannes Koeslager.

Van 14 mei tot 1 februari 1688 kwam men zelfs in het geheel niet in vergadering bijeen (G.A. M,dam nr, 11, blz. 284 en 285).

Op zondag 1 mei 1689 is Dr Joannes Coeslager voor het laatst aanwezig bij een vergadering van Burgemeesteren en Vroedschappen te Monnickendam.

Op 18 mei wordt hij in een eigen graf op rij 45, nr. 5 van de Grote Kerk te Monnickendam begraven met de roef, na een uur beluid te zijn, voor ƒ 19,6,-.

44 jaar oud geworden, was hij nog 2 maanden tevoren voor de derde maal getrouwd met Adriana Smith op 20 maart 1689 (zie nr. 404a).

In het staatboek van de Weeskamer (ORA 3613) vinden we

op dinsdagh den 25e october 1689, is op de weeskamer verschenen d’Heere Jacob Luijt (getrouwd met Trijntje Sijmonsdr Koeslager, zuster van Jan Koeslager ’s vader) ende heeft geexhibeert (ingedient) de Testamenttaire Dispositie van wijlen d’Heer Burgemr Dr joannes Koeslager voor den notaris Jan Sijes ende getuijgen binnen deser Stede opden 14e September deses Jaers 1689 (moet een abuis zijn, want toen was hij reeds gestorven; vermoedelijk 1688) gepasseert, waerbij gebleecken is, dat de weescamer is buijtengesloten ende is daermede bij d’Heeren Weesmrn Baan Jacobsz, Mars van Hoorn en Pieter Baan contentement genomen”. De acten van Notaris Jan Sijes zijn jammer genoeg niet bewaard gebleven, zodat wij dit niet kunnen controleren.

De schepenrol van Monnickendam geeft ons inzicht in het vermogen dat Dr Joannes Koeslager aan zijn kinderen naliet.

ORA nr. 3550 van 17 september 1689 vermeldt:

Op de gepresenteerde Requeste van de respective Voogden over de vier minderjarige kinderen van wijlen d’Heer Burgemeester Dr joannes Koeslager, soo bij sijn eerste en tweede huijsvrouw geprocreert (verwekt), hebben Schepenen (om de geallegeerde “aangehaalde” redenen, dat den Boedel van deselve Koeslager met soo veele Schulden is beswaert, dat totobetalinghe vandien niet alleen de roerende, maer oock alle de vaste ende onroerende Goederen dienen te worden vercogt) de selve voogden gequalificeert alle de vaste en onroerende Goederen bij de voorn. Heere Koeslager naegelaeten, te mogen vercoopen ende te gelde te maecken. ’t Zij uijt der Handt ofte in publijcque Veijlinge, alssij Vooghden ten meesten besten des Boedels sullen oordelen te behooren, mistgaeders aen de cooper ofte Coopers van dien, op te dragen ende quijt te schelden ende uijt de penninghen daer af te procederen de Lasten ende Schulden van de voorz Boedel te voldoen”.

Hieruit blijkt dus duidelijk dat hij te veel had ingeleverd. Niet alleen aan inkomen, maar ook aan mogelijkheden. Mr Chirurgijn en medisch Doctor zijnde heeft hij zijn gehele leven aan de Stad Monnickenam gewijd. Niet op medisch terrein, maar op stedebouwkundig en Financieel terrein heeft hij zijn beste jaren voor de stad gegeven en er zelf geen cent van overgehouden. Menig kwakzalver zal het beter zijn gegaan.
Op 31 juli 1689 wordt in de notulen van de Vroedschapsvergadering (G.A. M,dam nr. 11, blz. 413) gememoreerd:

“d’Heer President Burgermr Sluijs heeft deze wel Achtb. Vergaderinge voorgedragen, dat door het overlijden van d’Hr Dr joannis Coeslager in sijn leven Raet en Vroedschap deses Stadts weder een ander bequaem persoon in desselfs overledens plaetse dient te werden uijtgeleijt ende verkoren. Is naer gedane omvrage daertoe met egale stemmen geeligeert ende verkoren d’Heer en Mr Sijmon Admirael out- prasident Weesmeester ”.

Joannis wordt opgevolg door een telg uit het republikeinse geslacht “Admirael”, nazaat van de grote voorvader Cornelis Dircksz. (zie mijn boekje “De Slag op de Zuiderzee”. Uitgegeven in 1973), maar voor Joannis Coeslager bleef het een tegenstander, die getolereerd werd door zijn eigen Prins Willem III.

Willem III had ingezien, dat hij de staatsinrichting die tijdens het regentenbestuur was ontstaan niet gewelddadig kon verstoren, daarom zocht hij later hulp bij vooraanstaande figuren van het oude regiem.

Jan Romein schrijft in zijn “Erflaters”: “het meest tragische van alles is dat Willem III, die door Jan de Witt altijd als belager was geweerd, geen andere taak voor zich zag dan de voltooiing van de Wiit’s levenswerk”.

Het zou te ver voeren u het volledige verhaal over de verkoop van de boedel van Dr Jan Koeslager, (die plaats vond in publieke veiling op 16 januari 1700), te vertellen. U kunt het vinden in ORA 3550 op 24-9-1689 en 24-12-1700 (ORA 35510 blijkt dat er voor de kinderen toch nog iets overblijft:

De vooghden ove de kinderen van wijlen de Hr Burgemr Joannes Coeslager ende Arisjen Aris hebben bij Regte te kennen gegeven ’t gene volght: Aen de Ed. Aghtb. Heeren van de Geregte des Stadts Monnickendam geven met behoorlijcke eerbiedigheijt te kennen, Simon Coeslager, Coopman tot Amsterdam ende Jacob Coeslager, Regerent Schepen deses Stadts, in qualite als voogden over de drie kinderen van Dr Joannes Coeslager ende Arisjen Aris, dat een van de geliede al getrout (Aeghje trouwde op 31 januari 1699 met Willem Arentsz Koel, grutter zoon van Arent Willemsz Koel de remonstrant van de 12e juli 1672 en medestander van haar vader. Het bloed kruipt , waar het niet gaan kan) ende oock eene (Aris) reets naer Oostindien, sulcks dat den Boedel en goederen tusschen de vorn nootsaeckelijck dient te werden verdeelt, ’t welcke niet wel kan geschieden als niet verkoopinge van een huijs en erve staende en gelegen tot Amsterdam op de Heeregraght bij de Heerestraet genaemt “de Poolse Joncker” ’t welck de supplt niet anders kunnen doen als met consent van U Ed. Aghtb.”. Van Schepenen krijgen zij toestemming !

Onmiskenbaar was Dr Joannes Cornelisz Koeslager een overtuigd oranjeklant. Was ’t zijn voogd, de Dominée, die hem zo had opgevoed of was het iemand anders, die hem dit had meegegeven.

Zijn vader Cornelis Sijmonsz stierf reeds, zoals u weet, toen Joannes 5 jaar oud was en zijn grootvader Sijmon Cornelisz werd op 20 maart 1644, een jaar voor Joannes geboorte begraven.

Cijtgen Cornelis echter, de vrouw van Sijmon Cornelisz Koeslager en grootmoeder van Joannes overleefde haar man vele jaren en deze zal waarschijnlijk de geschiedenis aan haar kleinzoon verteld hebben.

Welke geschiedenis ? U kunt het verhaal vinden in G.A. M, dam nr. 3, blz 229 op 12 juni 1633.

Alsoo d’Heeren Burgemrn ende Vroedschappen deser Stede Monnickendam bij gerecolleerde (tegen elkaar vergeleken) verclaringen van ses geloofwaerdige getuijgen vande Collegie van Dijckgraef en Heemraden van Waterlandt verthoont is, dat de persoon van Sijmon Cornelisz Koeslager hem vervordert (veroorloofd) heeft op 30 martio (maart) l.l. ten huize van Jan Claesz Koijer, waert inde Roode Leeuw (op het Noordeinde) binnen deser Stede inde Vergaderinge van ’t voorsz Collegie de voorsz Heeren Burgemrn ende Vroetschappen met injureuse (beledigende) en diffamerende (belaslstende) propoosten (uitdrukkingen) leelijck af te schilderen. Van datse eerstdaechs (onlangs) int verkiesen van Heijn Dircksz Dirckmaet tot Vroetschap (vermits sij Tijmon Tijsz daerin voorbij gegaen waren) eer ende eet (eed) te buijten gingen, datse op eer noch eet passen ende datse mitsdien de Previllegien, die sij besworen hadden onder de voetentraden.



Met verscheijde andere vuijle woorden meer gebruijckende, dat verstaen wort saecken te sijn van quade consequentie, die wel ter exempel (als voorbeeld) van anderen behoorde gestraft te werden.

Soo ist nochtans sulcx, dat de gemelte Heeren Burgemrn ende Vroetschappen op ’t versoeck vande voorsz Koeslager, genegen sijn alle behoorlijcke ende Christelijcke consideratien (inschikkelijkheid) daerinne te gebruijcken goet gevonden hebben, de selve Koeslager op sijn versoeck voor dese reijse onder de volgende conditien voorsz injurie (bedediging) te vergeven.

Te weten dat hij alhier in voller Vergaderinge sal bekennen, dat hem van herten leet is de voorsz woorden gesproocken te hebben ende dat sulcx buijten de waerheijt geschiet is,

Vienvolgende Godt ende d’Heeren Burgemrn ende Vroetschappen om vergiffenis biddende met Beloften van dat hij hem nu noch nimmermeer sal vervorderen enige injurie (belediging) de Magistraten int gemeen ofte particulier meer aan te doen, op pene van gestraft te werden naer behooren. Item (idem) dat hij vorders in promte penningen alhier sal betalen ten behoeve vanden Heer officier voor desselfs moeijten en costen een somme van 25 guldens, mitsgaeders voor het arme weeshuijs mede 25 guldens.

t Welck alles de voorn Koeslager voorgelesen sinde ende gehoort hebbende, heeft de Heeren daervan (daarvoor) bedanckt.



Aldus gedaen op ’t Raethuijs der voorsz Stede ter vergaderinge van d’Heeren Burgemrn ende Vroetschappen. Ten overstaen ende ter presentie vande Hrn Melis Claesz Geest ende Cornelis Claesz Admirael Schepenen als getuijgen hiertoe versocht”.

Ook Sijmon Cornelisz Koeslager had dus een telg uit het regentengeslacht Admirael tegenover zich.

Uit ORA 3562 d.d. 18 april 1633 blijkt dat Sijmon Cornelisz er nog goed onderuit gekomen is. Men heeft zich laten adviseren door een jurist te Amsterdam, hoe men een dergelijk geval “betr verschrikkelijke bededigingen tegen Magistraat” moet anpakken. Het adcies luidt:

Jegens hem concluderen (besluiten), dat hij sal werden gecondemneert (veroordeeld) de voorsz injurien (beledigingen) exemplaerlijck (voorbeeldig) te beteren, mits naer clockluijdinge in gespannen vierschaere op sijn knien met gevouwen handen, blootshoofts, biddende godt, de Justitie ende Heeren Magistraten om vergiffenis ende schltwoorden inde voorsz verclaringe gemelt onbedachtelijck en met quade sake gesproken te hebben. Item dat hij eenige tijt ter desretie van ’t gerecht sal werden gecondemneert (veroordeeld) te gaen en te blijven in seeckere gevanckenisse ende alleen getracteert met water en broot off dat hij in plaetse vandien voor eenige jaren t (uit) de stadt werde gebannen ende daer beneffens te betalen seeckere boete.



Aldus geadmiseert binnen Amsterdam en was onderteijkent” Joan de Witte.

Nee, het bleek niet degene te zijn, die ik verwachtte. Joan de Witt, de latere Raadspensionaris, werd op 24 september 1623 te Dordrecht geboren en was op dat tijdstipnog geen 10 jaren oud.


De herberg “De Roode Leeuw” was gevestigd op de plaats waar ni de St. Nicolaas- kleuterschool staat op het Noordeinde 22. op de plek van het dubbele herenhuis ernaast (nr.24) stonden in 1688 twee huizen, de verpondingsnrs 91 en 92.

Verpondingsnr. 93, het huidige nr. 26, heet “In de bonte os”. Dit huis werd in 1611 gebouwd door Cornelis Melisz, de vader van Sijmon Cornelisz Koeslager. Hij was o.a. pachter van de impost op het hoornvee en gaf zijn huis een toepasselijke naam.

Bij de reconstructie van het Noordeinde kom ik hierop terug.

Sijmon Cornelisz Koeslager was het kennelijk niet eens met de handelswijze van de Magistraat en met de brutaliteit van een pachter (het kostte nogal eens moeite om de belastingen te innen) durfde hij dit ook wel te zeggen.

Hij durfde meer. Vier jaar tevoren, op 8 juni 1629, vroeg hij aan Burgemrn en Vroetschap “enige letteren van recommandatie om nae ’t leger te trecken en ’t selve te mogen besichtigen” (N.A. M,dam nr.3410, blz. 1).

Hij deed dit “ten eijnde ’t selve sonder eenige hinder, molestatie ofte verleth te cinnen doen”. Burgemrn schrijven “dat sij ’t hem ten respecte niet hebben connen weijgeren, versoeckende derhalven bij desen aen alle Heeren Edelen, Officieren, Insticieren ende Bevelhebbers in ’t leger van sijn Princelijcke exeltie diendende bij desen soude mogen sien ofte hooren, lesen, te laten besichtigen. Oock te lalten gaen ende keeren, waeraen ons sonderlinge dienst en vruntschap sal geschieden”.

Op 1 mei 1629 heeft Frederik Hendrik het beleg van Den Bosch geslagen. De stad ligt temidden van moerassen, waardoor het niet mogelijk is de loopgraven op de gebruikelijke wijze in de richting van de wallen te graven. In juni is Sijmon Cornelisz Koeslager er gaan kijken en in september hoort hij dat op de 14e een bres in de stadswal kon worden geslagen en de stad zich heeft overgegeven.

Wat trok Sijmon Koeslager “nae ’t leger te gaen”?

Als pachter kon hij geen enkel voordeel daaruit verwachten, als stads- gemommitteerde ging hij zeker niet, want het gebeurde op zijn eigen verzoek.

Zou het dan zo dwass zijn te veronderstellen dat de Koeslagers een van die vertrouwelijke families in de steden waren, die door de Oranjes als informatiebron over de Regenten- regering werden gebruikt ?

Het Noordeinde




Huisnrs 1976 ● 16 18 20 22 24 26 28 30 32 34 36 ▲


Kadaster 1946 ● 283 284 ■ 1758 ■ ○ 1640 2301 2300 ◙1374 1373 1372


Kadaster 1832 ● 283 284 285 286 287 288 289 290 291 292 293


Wijk nr. 3 1807 ● 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Verp. nr. 1733 ● 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91
Verp. nr. 1688 ● 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 87 98 ▲


● De Nieuwe Steeg

■ De Roode Leeuw

○ De Bonte Os

◙ De Dolfijn

▲ De Brugstraat




1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina