De maranatha code inhoud 1: Jezus Christus de Verlosser 2: Het koninkrijk der hemelen



Dovnload 137.04 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte137.04 Kb.
DE MARANATHA CODE
INHOUD

1: Jezus Christus de Verlosser

2: Het koninkrijk der hemelen

3: a: Het huis van God

b: Het lichaam van Christus

4: De bruid van het Lam

5: De terugkeer van Jezus Christus

6: Het betoverde christendom
Babel


Jezus Christus

L.Overduin

Citaten : Herziene Statenvertaling 1.Jezus Christus de Verlosser
In het boek Genesis wordt naar aan-leiding van de zondeval van Adam en Eva door God aangekondigd, dat “het Zaad van de vrouw” de kop van de slang zou vermorzelen, ook al zou die slang dit de “hiel van het Zaad” aandoen. Gen.3:15 Gal.3:16

Hieruit blijkt al dat de verlossing uit de macht van Satan(waar de mens door de zonde in terecht gekomen was met als gevolg de dood) niet meteen plaatsvond, maar ergens in de toekomst een feit zou worden.



Hebr.2:14-15

Ook zou deze overwinning niet zonder lijden totstandkomen.Hebr.2:10

Hoe dit “zaad” deze overwinning zou behalen en Wie dat is blijft hier nog een geheim, al verwijst de uitdrukking “zaad van de vrouw” al naar een bovennatuurlijke ingreep.

Luc.1:34-35

Noach zegent de Naam van de HEERE (Jehovah) als de God van Sem, de geslachtslijn van de Verlosser.

Zie hfdst.5 Gen.9:1en26

Aan Abraham maakt God bekend, dat in hem alle volken der aarde gezegend zouden worden, het volk uit Izak en Jakob. Gen.22:18 Gen.26:4



Gen.28:14 Gen.32:28

Jakob spreekt de profetie uit, dat uit Juda het koningshuis zou komen, dat zou heersen over zijn broeders totdat Silo (de Rechthebbende)komt.



Gen.49:10 Gal.3:16

God maakt aan Mozes bekend, dat uit zijn broeders een Profeet zou opstaan, met hetzelfde gezag als hij naar Welke ze zouden moeten luisteren.Ex.3:6 Deut.18:18-19



Hand.3:20-23

Aan David maakt God later bekend, dat zijn huis voor eeuwig de troon zou bezitten van het volk Israel, en dat uit zijn nageslacht een Rechtvaardige Heerser zou komen.



2Sam.7:16 2Sam.23:3-5

In enkele psalmen en profetiën onthult Gods Geest, dat de Verlosser de titel “Zoon van God” zou dragen, en door God tot Koning en Priester wordt gezalfd.



2Sam.23:1-2 1Kron.22:10 Psalm 2:6-7

Psalm 110:1-4 Jes.9:5-6 Jes.59:20 Hebr.1:5

Tijdens de regering van de koningen uit het huis van David traden profeten op, die nog meer licht wierpen op de Persoon van de Verlosser. Hij zou geboren worden uit een maagd in de stad Bethlehem

en inplaats van op de troon van zijn vader David plaats te nemen, dus zonder resultaat voor Israel dat Hem verwierp, sterven, om het Lam te worden dat de zonden van Zijn volk en die van de hele wereld zou verzoenen. Tijdens en na de ballingschap van Juda wordt ook het tijdstip van Zijn dood onthuld, en de uiteindelijke vervulling van de belofte dat Hij Koning zou zijn in eeuwigheid, bevestigd. David profe-teert evenals Jesaja dat de Messias lijden zou en Johannes kondigt Hem ook aan als het Lam van God maar de discipelen begrepen dat pas later.

Ps.22:1-19 Ps.69:21 Spr.30:4 Jes.7:14

Jes.52:14 Jes.53 Dan.9:26 Ezech.21:9-10

Ezech.37:24 Micha5:1-5 Zach.9:9 Zach.11:12

Zach.12:10 Zach.13:7 Zach.14:9 Matt.26:14-15

Matt.27:46 Luk.24:25-27 Joh.1:29 Joh.20:9

1Joh.2:2

In de Evangelién wordt ons totaal duidelijk Wie deze Persoon is.

Het door God gegeven Offerlam dat de zonde der wereld wegneemt, is niemand minder dan God de Schepper Zelf. Mattheus beschrijft ons Hem als de rechtmatige Koning van Israel het “nageslacht van Abraham” uit het huis van David, Markus beschrijft Hem als Profeet, zonder geslachtsregister, Lukas beschrijft Hem als de Zaligmaker, de Mens Christus Jezus geboren uit de maagd Maria, die de kop van de slang vermorzelt, en Johannes beschrijft ons Hem als God die kwam in het menselijk vlees. Matt.1:1 Matt.1:21

Mark.1:1-2 Lukas.1:28-33 Luk.2:10-14

Joh.1:1-3 Joh.1:14 Rom.15:8

Jezus Christus Zelf onthult ons de relatie in de Godheid van God de Vader, en Hij Zelf als de Zoon van God en de Heilige Geest als de Trooster die in ons woning maakt.

Eén God, drie personen.Joh.7:39

Joh.14:6-17 Joh.17:5-6 1Kor.8:6 2Kor.3:17

Ef.4:4-6 1Tim.2:51Joh.1:3-4 1Joh.5:7-12

De Bijbel spreekt uitsluitend over deze relatie nadat Jezus een mense-lijke gedaante aannam, de Enigge-borene van de Vader. De titel “Eeuwige Zoon” komt nergens voor in de Bijbel, de Heer noemt zich nergens zo en geen enkele apostel brengt die leer. Lukas vermeld dat de titel: “Zoon van God” Hem bij Zijn geboorte wordt gegeven, en Johannes zegt dat Hij God was en in het vlees kwam.Ps.40:6-7 Luk.1:35 Joh.1:14 Hebr.1:5 Hebr.10:5

Paulus legt ons uit wat dit

betekent, nl. dat Hij zichzelf in die gedaante gelijk aan God zijnde heeft vernietigd en de gedaante van een slaaf heeft aangenomen door een menselijk lichaam aan te nemen, gelijk aan dat van het zondige vlees, echter zonder zonde. De Goddelijke Persoon is Dezelfde maar Zijn gedaante is veranderd.

In Persoon is Hij God, maar in de gedaante van Een Mens neemt Hij een positie van onderworpenheid aan de Vader in. Joh.20:28 Rom.8:3 1Kor.15:27-28

Fil.2:5-11 1Joh.3:5 2Petr.1:1

De titel “Zoon van God” wordt al-leen voor Adam, de engelen en Jezus Christus gebruikt, blijkbaar omdat hier geen sprake is van verwekking. De zondeval van het hoofd der beide schepselen, Satan en Adam, beroofde God van het Vaderschap en de mens van het zoonschap, wat werd hersteld door de komst van de Schepper Zelf Die het zoonschap op Zich nam om de Vader te openbaren. In alles nam de Heer dus de plaats van de 1e Adam in; de 2e Adam en de Zoon van God. Gen.2:7 Gen.3:17-19 Gen.6:2 Ezech.28:13-15 Luk.1:35 Luk.3:38



Joh.10:33-36 Rom.5:12 Rom.8:15-16 Rom.12:19

1Kor.15:45-47 Gal.3:26 Gal.4:6-7 Ef.1:5-10

Hebr.1:1-6

Wat de relatie binnen de Godheid inhield voordat de menswording

plaatsvond is ons niet geopenbaard, behalve dat God licht en liefde is,

onsterfelijk,almachtig,lankmoedig, barmhartig, genadig, groot in goedertierenheid, in ontoegankelijk licht woont etc. In Genesis vinden we de omschrijving “Ons”, naar wiens Beeld en Gelijkenis Adam is geschapen. De Persoon die wij kennen als de Zoon van God is in feite de Schepper Zelf, waardoor God alles heeft geschapen, tot ons komend in liefde, genade en waarheid, de Wijsheid van God, het vleesgeworden WOORD door Wie God zich ook in het O.T. naar mensen toe openbaarde, de Engel van de HEERE, die ons de naam van de Vader heeft geopenbaard. Gen.1:26 Ex.34:6



Richt.6:12 Richt.13:3 Joh.17:6 Hand.7:30-32 1Kor.11:7 Kol.1:15-17 Kol.2:9 1Tim.3:16 1Tim.6:16 1Joh.1:5 1Joh.4:2-12 Openb.1:12-18

In een profetie van Salamo beschrijft de Schepper Zijn voornemen van voor de schepping, om eenmaal in de toekomst als de Wijsheid van God onder de mensen in de wereld te komen wonen. Spr.8:22-36



1Kor.1:24-25 1Kor.2:7-11

Paulus beschrijft hem als de tweede Adam, de Mens uit de hemel, het Hoofd van de gemeente die Zijn lichaam is, een eenheid gevormd door de Heilige Geest. Joh.3:13



1Kor.12:13 1Kor.15:45-47 Kol.1:18-20

Het getuigenis van Jezus, die de apostel in de Openbaring omschrijft als de betrouwbare Getuige, wordt door het volk en hun leiders ver-worpen, omdat het in de eerste plaats bekering vereiste en het aannemen van Zijn Persoon als de Messias van Israel. Het antwoord van het volk is: “kruisig Hem”. Zijn verwerping vormt de grondslag

voor de roeping van de volken, en

het wegvallen van de scheidsmuur (de Wet van Mozes) tussen Joden en niet-Joden, die het evangelie horen van de gekruisigde Christus, het Lam van God als zoenoffer voor zon-dige mensen, en Gods kinderen mogen worden als zij het getuigenis aangaande Zijn Persoon en werk aannemen. Zij ontvangen de Heilige Geest en krijgen deel aan het eeuwige leven door de kennis van God de Vader en Zijn Zoon, Jezus Christus. Joh.1:11-12 Joh.5:39-47 Joh.17:3 Joh.19:7 Joh.19:15 Hand.2:36-39



Gal.3:25-29 Efeze 11:9-14 Kol.2:13-14

Openb.1:5-6

De dood is van zijn macht ontdaan, door de opstanding van Jezus en is voor de gelovigen een bevrijding uit het lichaam dat aan de gevolgen van de zonde is onderworpen. De hoop van de christen is gericht op de opstanding en zijn vereniging met Christus die de eersteling was.



1Kor.15:12-23 1Kor.15:56-57 1Thess.4:15-18

Tussen Zijn eerste komst en Zijn wederkomst, bouwt Hij Zijn Gemeente, een geheim dat in het O.T. niet was geopenbaard, maar als gevolg van Israels afwijzing van Hem als Messias, door God als Zijn nieuwe plan werd ingezet. Matt.12:24-28 Matt.13:45-46 Matt.16:15-18



Hand.28:24-28

De Gemeente wordt Zijn hemelse bruid, in de tijd dat Zijn aardse vrouw, Israel, door Hem verworpen is. Dit blijft zo totdat de tijd komt dat zij zal zien Wie het is die zij doorstoken hebben en zullen roepen:”Gezegend is Hij die komt in de Naam van de Heer.”



Zach.12:10-11 Matt.23:37-39 2Kor.3:13-16

Openb.1:7

2.Het koninkrijk der hemelen
In het evangelie naar Mattheus ont-vouwt de Heer Jezus de beginselen van het koninkrijk der hemelen.

Matt.5:1-12 Matt.6:6-15 Matt.7:24-29

Hoewel deze beginselen in de eerste plaats de volgelingen van de Heer onder de Joden betroffen, wat we kunnen ontdekken door de verwijzing naar de plaats die de Wet van Mozes wordt gegeven, en het feit dat de Heer niet was gezonden dan tot de verloren schapen van het “huis van Israel”, zijn deze beginselen in principe ook van toepassing op de Gemeente, daar ook zij in deze wereld de plaats van een verworpen Messias deelt, ook al is zij niet onder de Wet. De bergrede gaat niet over de leer van de Gemeente maar adviseert de gelovige hoe te leven in een vijandige wereld. Matt.5:17-20



Matt.5:39-45 Matt.10:6-7 Matt.15:21-28

Rom.8:1-4 Rom.12:14-19

De bergrede veronderstelt al meteen de verwerping van de Messias, en de gezindheid die zijn volgelingen zouden kenmerken gedurende de tijd dat het koninkrijk niet zou worden erkend, en de Koning verworpen is,

zoals profetisch is beschreven. Matt.5:44 Joh.18:33-36 Matt.13:24-30

In deze periode zou de roeping van de Gemeente plaatsvinden; met het heil dat aan de volken zou worden verkondigt breekt een fase aan, die in het O.T. niet was geopenbaard, vandaar de vraag van de discipelen.



Hand.1:6-8 Rom.16:25-27 Ef.3:2-6 Kol.1:24-27

De Gemeente dient zich van de wereld gescheiden te houden, maar het mag duidelijk zijn, dat de Rooms-katholieke kerk en de Protestantse kerk zich niet aan dit voorschrift hebben gehouden met alle kwalijke gevolgen ervan, t.w.

afgoderij en terugkeer tot de Wet.

1Kor.10:19-21 2Kor.6:14-18 Gal.3:10-11

Gal.6:14 Openb.2:12-13,2:18-20,3:1-2

Om in dit koninkrijk te worden toegelaten, moet men zich laten dopen, in de naam van de Heer Jezus. Hij stelt deze doop in bij de opdracht aan zijn discipelen om het evangelie aan alle volken te verkondigen. Matt.28:18-19

Al eerder gaf Hij aan zijn apostel Petrus de bevoegdheid om het koninkrijk te openen, door hem de sleutels daarvan toe te vertrouwen.

Matt.16:15-19 Hand.15:7

We zien hem deze bevoegdheid uitoefenen:

a:t.o.v. het volk Israel Hand.2:37-41

b:t.o.v. de Samaritanen Hand.8:12-17

c:t.o.v. de bekeerde volken.

Hand.10:44-48

De christelijke doop symboliseert twee aspecten van de dood van Christus. In het O.T. vinden we dat bij de bevrijding van het volk Israel uit Egypte, als zij de Rode Zee doorgaan, en we vinden het bij de intocht van het volk in Kanaan, als zij de Jordaan oversteken.

De gebeurtenissen in het O.T. zijn voorbeelden en typen van het N.T.

Ex.14:21-22 Jozua 3:14-17 Jozua 4:4-7

1Kor.10:1-6 Hebr.4:8-11

Dat deze twee aspecten met de doop verbonden zijn, houd al in dat de baptisten een eenzijdige visie op de doop hebben, terwijl de “autonomieleer” onder hen een groot aantal secten heeft veroorzaakt, die in strijd leven met eenheid

die Paulus ons voorhoudt.

De uitdrukkingen: “kinderdoop”,

“gelovigendoop”, “volwassendoop” of “herdoop” vinden we niet in de Bijbel. De Heer Jezus hanteert alleen de uitdrukking “volken”.

Het impliceert dat de Gemeente zich in het koninkrijk bevindt, en dat dit koninkrijk dus moet worden gereinigd bij Christus komst, en dat het streven naar een zuivere Gemeente door een hernieuwde doop slechts een nieuwe sekte oplevert.

In een groot huis moeten we ons door afzondering van het kwaad om de Heer Jezus vergaderen, net als Mozes de Tent buiten de legerplaats plaatste. Het volk behoefde dus niet eerst weer door de Rode Zee.

Matt.13:45-46 Matt.28:19 Luc.11:23 Ef.4:3-6

2Tim.2-19-22

Het eerste aspect(Rode Zee)symboli-seert onze afscheiding van de ongelovigen, die onder het oordeel van God vallen. Marc.16:15-16 Hand.2:40



Titus 3:3-7 1Petr.3:18-21

Het tweede aspect(Jordaan)symboli-seert de noodzaak om het vlees voor dood te houden, daar het in het oordeel van God over de zonde, de “besnijdenis van Christus” genoemd, is geoordeeld en begraven.

Het is niet mogelijk om de hemelse zegeningen, gesymboliseerd door het beloofde land Kanaan te genieten, als we de zonde in het vlees niet voor dood houden. De kracht hiertoe

is de Heilige Geest, waar Paulus over spreekt in Rom.6-8.De doop dient dan ook als een begrafenis-ritueel te worden uitgevoerd, als men dit tweede aspect op de juiste wijze tot uitdrukking wil brengen, maar in de Handelingen wordt over dit aspect van de doop met geen woord gerept. Jozua 5:2-6 Rom.6:3-6



Rom.7:4-6 Rom.8:10-14 Kol.2:8-12

Het is duidelijk dat de christe-lijke doop niet in verbinding staat met de leer betreffende het lichaam van Christus, wat in de Handelingen der apostelen dan ook nergens als voorwaarde tot de doop voorkomt, maar met de leer van het discipelschap van het koninkrijk der hemelen, en het onderwijs betreffende het offer van Christus aan het kruis van Golgatha voor verloren zondaars. Of de kinderen van bekeerde ouders gedoopt kunnen worden hangt dus af van de vraag, of zij discipelen van het

koninkrijk der hemelen kunnen zijn. Die vraag kan m.i. met een volmondig “ja” worden beantwoord.

Er is geen wet op de doop, en ook leert het O.T. dat het volk in werkelijkheid droogvoets door de zee en de rivier trok, hoewel die een “doop” wordt genoemd. Herdopen is een ontkenning van het bestaan van Christendom buiten de eigen sekte en dat is, gezien wat de Heer in Openb.2+3 zegt, als hebbende al de kandelaren in Zijn rechterhand een onnozele opvatting.



Ex.10:9 Ex.14:21-22 Matt.18:1-6

Matt.19:13-15 Rom.15:4 Ef.4:5 Ef.6:1-3

Kol.3:20-21 2Kor.3:6 Openb.1:12-16 Openb.2:1

De christelijke doop is dus niet het opgenomen worden in het verbond met Abraham, want de verbonden zijn voor Israel. Rom.9:1-5

Ook wordt de doop niet bediend na het afleggen van een “geestelijk examen”, want dat wordt nergens in het N.T. als voorwaarde gesteld.

Het is een “bekeringsdaad” (keuze maken) die als voorwaarde geldt, voor degenen die een discipel van Jezus Christus willen worden en wordt onmiddelijk uitgevoerd.



Hand.8:38-39 Hand.16:15 Hand.16:30-33

Hand.18:8 1Kor.1:14-16

De Joden waren al collectief in relatie met God, door het verbond met Abraham, hoewel zij zich persoonlijk moesten bekeren van de misdaad begaan aan de Zoon van God, en zo werden ze afgezonderd van de ongelovige massa. In afwachting van de terugkeer van de Messias hielden die Joden zich nog aan de Wet, die ook uitsluitend aan Israel gegeven was, maar na de verwoesting van de Tempel bleef alleen de Gemeente het door God erkende getuigenis, zonder onderscheid tussen Jood en Griek.

De positie van de gelovigen uit Israel na de verwoesting van de Tempel is het onderwerp van de brief aan de Hebreën. De Gemeente is nooit onder de Wet gesteld.

2Sam.6:19 Hand.2:36-38 Hand.5:14 Hand.8:12 Hand.15:25-29 Hand.21:20 Rom.13:1 Gal.3:13-14 Gal.3:26-27 Hebr.10:19-39 Hebr.13:10-13

De christelijke doop is dus niet de poort tot de hemel, maar een voorwaarde (behoudenis) hier op aarde, om in de relatie met God de Vader, de Zoon van God en de Heilige Geest te worden erkend.

Men wordt christen.

1Petrus3:21 Hand.11:26

Noach geloofde en zijn huis werd gered. Gen.7:5-7

Abraham geloofde en zijn huis werd besneden. Gen.17:23

De gevangenenbewaarder kwam tot geloof en zijn huis werd gedoopt.



Hand.16:31-34

Het patroon tekent zich hierdoor duidelijk af. De doop met water wordt door Johannes de doper al onderscheiden van de doop met de Geest, al was de doop van Johannes voor Israel en is de doop tot Christus voor de Gemeente. Na de vorming van de Gemeente werden ook de Joden die met de doop van Johan-nes waren gedoopt alleen toegelaten door de doop in de Naam van Jezus.



Matt.3:11 Hand.2:1-4 Hand.10:44-46,19:1-6

De doop brengt in een collectief van discipelen, maar alleen geloof doet opnieuw geboren worden en dat is een werk van God’s Geest. O.T. gelovigen hadden ook leven uit God door het geloof en waren in die zin ook opnieuw geboren, maar het eeuwige leven is in Jezus Christus geopenbaard, gegrond op Zijn offer aan het kruis en dus het voorrecht van de N.T.gelovigen. Hab.2:4b Joh.6:40 Rom.4:3 Hebr.11:39-40

Het is duidelijk gezien het grote aantal secten, dat we leven in de periode van Laodicea (“gemeente van het volk”). De Heer staat buiten!

Matt.13:33 Openb.3:14-16
3a Het huis van God

In het O.T. vinden we al, dat God graag onder zijn volk wil wonen, en om dat mogelijk te maken, moest Hij ze eerst uit de macht van Satan verlossen, om daarna het feest van de gemeenschap te vieren. Ex.3:6-8



Ex.10:9 Num.9:1-3 Jozua5:9-12

Ook in het N.T. vinden we ditzelfde verlangen bij de Heer Jezus, als Hij in verbinding met Zijn aan-staand lijden en sterven op het kruis van Golgatha waardoor de zon-den van Zijn volk worden verzoend en van allen die in Hem geloven, het avondmaal instelt.

Het verlossingswerk staat hier centraal. Het avondmaal wordt ingesteld bij de viering van het Pascha, dat (in tegenstelling met de offers in Leviticus die door een individuele offeraar werden gebracht) collectief werd gevierd.

Matt.1:21-23 Matt.26:26-30 Joh.1:29-33

We zien dat de discipelen deze instelling respecteerden zodra de Gemeente was gevormd door de Heilige Geest op het Pinksterfeest, uit liefde tot wat de Heer Jezus voor ons heeft gedaan op het kruis van Golgotha.



Luk.22:14-19-20 Hand.2:42-47

Hoewel de discipelen in het begin de broodbreking dagelijks vierden, zien we dat de Gemeente later gewoonlijk op de eerste dag der week brood brak. Joh.20:1 Joh.20:19



Hand.20:7 1Kor.16:2

We zien dat de Heilige Geest hiervoor duidelijk de term “discipelen” kiest, en niet de term “kind” of “zoon”, wat een hoger geestelijk inzicht omschrijft.



Gal.4:5-7 Ef.1:5-6

Nergens lezen we dat er aan speciale voorwaarden voor de deelneming moest worden voldaan, alleen dienden degenen die in zonden leefden te worden geweerd en verweet Paulus de Korintiers dat zij geestelijk zo weinig inzicht hadden, dat zij een gewone maaltijd en de “maaltijd van de Heer” niet konden onderscheiden. In de brief aan Korinthe staat ons gedrag en de juiste viering van het feest centraal en niet het

“priesterschap”(wat we vinden in de Hebreën),hoewel dit in dezelfde samenkomst thuishoort.

1Kor.5:11-13 1Kor.11:20-29 1Kor.14:26

Het avondmaal symboliseert twee aspecten van de dood van Christus.

In het O.T. vinden we dat bij de instelling van het Pascha, en bij de tafel der toonbroden in het heilige van de Tabernakel.

De kandelaar symboliseert de inwoning van de Heilige Geest.



Ex.12:1-15 Ex.25:23-30 Lev.24:1-9

Efeze5:8-10

In het N.T. vinden we ons “Pascha” nl. Christus; en ook de eenheid van de Gemeente. Joh.17:21 1Kor.5:6-8



Gal.3:26-28 Ef.4:1-6

Het eerste aspect symboliseert de verlossing van de macht van Satan, de zonde in het vlees en de macht van de dood, door het offer van Christus en uit zich in de collectieve viering van het avondmaal zoals de Heer Jezus had ingesteld, om Zijn offer tot in de dood om ons met God te verzoenen, voortdurend te gedenken.



Rom.8:1-4 Kol.1:12-14 Hebr.2:14-18

Het tweede aspect symboliseert in het ene brood de totstandkoming van de eenheid van het lichaam van Christus door de Heilige Geest. Het is vanzelfsprekend, dat we deze dingen alleen door het geloof werkelijk begrijpen en niet door een of andere mystieke werking van de symbolen. Rom.12:4-10 1Kor.12:12-13

Het avondmaal is ook de centrale gebeurtenis in de samenkomsten van de Gemeente, die net als in het O.T. op één plaats van samenkomst gevierd dient te worden, nl. aan de Tafel van de Heer, waarvan het éne brood ook spreekt. De vraag of de kinderen van de gelovigen aan het avondmaal kunnen deelnemen kan positief worden beantwoord, als we vaststellen dat het avondmaal zelf geen exclusief priesterlijk karakter heeft maar een symbolische handeling van de hele Gemeente is, n.l. de collectieve verkondiging van de dood van Christus, net als het Pascha. Uiteraard geldt dat zij dan wel in staat moeten zijn om de viering te begrijpen.

Lev.7:11-20 Deut.16:1-8 Matt.18:18-20

Joh.6:53-57 1Kor.10:15-20 1Kor.11:23-26

Hebr.13:10-16 1Petr.2:4-5 1Kor.10:15

Tevens is sprake van onze eredienst, waar het dankoffer in het O.T. ook van spreekt en dat gebracht werd op het brandoffer-altaar in de voorhof.Het Pascha zag vooruit op het offer van Christus voor het volk, het Avondmaal ziet er op terug. Het Pascha werd dus bij de éne plaats van samenkomst, de Tempel, gegeten door het gehele gezin en stond buiten de offeranden die in Leviticus waren voorge-schreven, om zonden te verzoenen of aanbidding te brengen voor het aangezicht van God, die door de priesters op het altaar werden geofferd. Deze offers symboliseren het werk van de Heer Jezus, op het kruis van Golgotha gebracht, zowel in Zijn toewijding aan God alleen, alswel voor de verzoening van de zonden. Alleen de priesters hadden het recht om het heiligdom (het huis van God) binnen te gaan en gemeenschap te oefenen met God(het wierookaltaar), in het licht van de Heilige Geest (de kandelaar) ziende op de eenheid van het volk (de tafel met de toonbroden), voor de troon van God (het verzoendeksel) in het Heilige der heiligen (de hemel) waarin alleen de Hogepriester toegang had, en dat niet zonder bloed, (de Heer Jezus, onze ark) die zit aan de rechterhand van God. Door Zijn lichaam in de dood aan het kruis over te geven, (het gescheurde voorhangsel) is de toegang nu vrij voor elke gelovige in Christus.



Matt.27:51 Hebr.8:1-6 Hebr.9:1-10,1O:1-12

Deze priesters moesten ingewijd worden volgens een ritueel, dat spreekt van kennis van Gods Woord, besef van rechtvaardiging door bloed, en van de verzegeling met de Heilige Geest. Lev.8:6 Lev.8:10-12



Lev.8:23-24 Ef.1:11-14 Ef.5:25-27

Kol.1:12-22

Het is duidelijk dat het uitoefenen van het priesterschap in Gods huis

(wat nu de Gemeente is als de woon-plaats van God in de Geest) door degenen die daartoe geestelijk in staat zijn plaatsvindt; die dus niet alleen melk maar vast voedsel kunnen verteren, en de offeranden van de lippen brengen. Zoals de offeranden in het O.T. het werk van de Heer Jezus symboliseren, zowel in Zijn toewijding aan God als voor de redding van zondaren, brengen wij nu de offeranden van dankbaar-heid voor onze redding die van hetzelfde spreken. In tegenstelling met het O.T. is iedere christen tot deze positie geroepen al zal elk dit geestelijk voorrecht persoon-lijk moeten leren. Joh.4:23-24

1Kor.3:16-17 Ef.2:17-22 Ef.4:4 Ef.5:18-21

Kol.3:16 Hebr.3:1-6 Hebr.5:11-14

Hebr.10:19-22 1Petr.2:5 1Joh.4:1-3
3b Het Lichaam van Christus
Daartoe moet de Gemeente bekwaam gemaakt worden, door het werk van degenen die daar een gave voor hebben ontvangen. Het lichaam van Christus bestaat uit vele leden, die allen een functie hebben, en door de Heilige Geest worden uitgedeeld zoals Hij beschikt.

1Kor.12:4-13 Ef.4:9-16

Het uitoefenen van de gaven is dus niet gebaseerd op een theologische opleiding, alhoewel deze kan bijdragen aan het verkrijgen van kennis, maar op de gave van de Heilige Geest. Een ieder is aan de Heer Jezus zelf hierover verant-woording schuldig. Matt.25:14-30

Het allerbelangrijkste is een levend geloof in liefde tot God en de medegelovigen.

Joh.13:34-35 1Kor.13:1-7

In het O.T. zien we de gaven gesymboliseerd in de dienst van de Levieten, die elk een taak kregen ten behoeve van het Heiligdom.

De taakomschrijving van de Levieten en hun inwijding vinden we in:

Num.4:1-8 Num.4:21-27 Num.4:29-33 Num.8:6-11

In het N.T.zijn de gaven omschreven in: Rom.12:5-12 1Kor.12:8-11 Ef.4:11

Het bestuur in elke plaatselijke gemeente wordt uitgeoefend door de oudsten en diakenen. De taak van dezen is toe te zien op de hand-

having van de gezonde leer van Christus en de stoffelijke toestand van de leden.



1Tim.3:1-12 Titus1:5-9 1Petr.5:1-4

Oudsten werden door de apostelen met instemming van de gemeente gekozen en er is geen aanleiding te veronderstellen dat de gemeente nu ook niet de bevoegdheid heeft om oudsten en diakenen te kiezen. De vrouwen komen voor zo’n functie niet in aanmerking.



Hand.14:23 1Tim.2:8

Uiteraard hebben de oudsten alleen een plaatselijke taak en deze functie staat los van het beoefenen van de gaven van de Geest die het geestelijk volwassen worden van alle gelovigen moet bevorderen. Het aanstellen van één voorganger vinden we niet in de Schrift.



Matt.23:8-12 1Kor.14:26-29 Efeze 4:7-16
4.De bruid van het Lam
In dit hoofdstuk worden de schriftplaatsen vermeldt, die over het huwelijk spreken. Voor een gelovig christen is het geen punt van discussie wat Gods wil is voor een gelukkig en zinvol huwelijks-leven hier op aarde, want God schiep hen naar Zijn beeld en gelijkenis, man en vrouw. Gen.1:26-27

Sommigen menen hierop de leer te kunnen baseren, dat God zowel mannelijk als vrouwelijk is, maar de Schrift zelf geeft daar geen enkele aanleiding toe. Hooglied 1:1-17

De gave van God bestond uit een deel dat Hij bij de man wegnam om zijn vrouw te formeren. Hierin zien we al Gods doel met de Gemeente van Christus al weten we dit pas sinds het N.T. Gen.2:20-24 Ef.5:22-29

God heeft echter beslist, dat de mens aan een proef moest worden onderworpen om te ontdekken of zij werkelijk hun vertrouwen (geloof), op God hadden gesteld, en helaas zij faalden jammerlijk en zondigden tegen het gebod van God.



Gen.2:16-17 Gen.3:4-7

God onderwierp de mens aan de gevolgen van de keuze die zij gemaakt hadden, onder welke omstandigheden zij moesten leven tot aan de verlossing die het “zaad van de vrouw” zou teweegbrengen.



Luk.1:34-35 Rom.5:12-14 1Kor.15:45-49

En God gaf hun een voorbeeld, op basis waarvan Hij kon zien of zij voortaan wel op Hem hun vertrouwen zouden stellen, en dat tevens sprak van de wijze waarop de verlossing zou plaatsvinden, n.l.

“het plaatsvervangend offer”.

Gen.3:21 Gen.4:3-5 Hebr.9:11-14,11:1-4

De man zou voortaan met moeite de aarde moeten bewerken voor zijn onderhoud, en de vrouw zou met moeite kinderen ter wereld brengen, en aan de leiding van de man onderworpen zijn. De Bijbel kent wel participatie, maar geen eman-cipatie. Rebellie tegen God, brengt in de macht van Satan. Christus alleen heeft hem overwonnen. De scheppingswetten zijn voor degenen die tot de Gemeente van Christus behoren niet opgeheven, en blijven van kracht ook voor de christenen zolang we in het vlees zijn.



Gen.3:16-19 Gen.9:3-6 Matt.4:3-11

Joh.14:30 Hand.15:28-29 Rom.13:1-4

2Thess.3:11-12 1Joh.2:15-17

Dat de man al spoedig misbruik maakte van zijn positie, zien we in het nemen van meer dan één vrouw. En hoewel er geen wet was die dat verbood, is er nergens in de bijbel sprake van een gelukkig gezin in zulke relaties. Gen.4:19 Gen.29:31



1Sam.1:4-6

Maar ook de vrouw hield zich niet altijd aan Gods gebod, dat de man met de leiding was bekleed.



Gen.3:16 Gen.4:1-2 1Tim.2:13-15

De gevolgen van deze ongehoorzaam-heid, waarin de macht van de zonde bleek, zien we culmineren in een toestand van totale anarchie, die door God werd geoordeeld. En nog eenmaal zal deze toestand terugkeren, aan het einde van “de tijden der heidenen”, in de persoon van de antichrist, die door God tot de poel van vuur wordt veroordeeld.



Gen.4:3-8 Gen.6:1-8 Luc.17:26-32

Judas:5-15 Openb.19:20

Het huwelijk is dus door God ingesteld als scheppingswet en ook in de Wet van Mozes geeft Hij de bepaling, dat daar niet van mocht worden afgeweken. De reden daarvan vinden we ook, nl. om een volk te hebben als getuigen voor Zijn Naam, die op Hem vertrouwden.



Ex.20:14 Mal.2:13-16

En hoe God denkt over huwelijk en seksualiteit is volkomen helder.

En mocht iemand denken, dit is de Wet en wij zijn daar toch van vrijgesteld, dan lees wat Paulus daarover zegt, want het huwelijk behoort tot die Scheppingswetten.

Lev.18:1-30 Rom.6:15-23 1Kor.6:10-20

Hand.15:28-29.

Als de Farizeen met de vraag naar de Heer Jezus komen, waarom God dan de echtscheiding had toegelaten,

antwoord de Heer Jezus met de verwijzing naar Genesis en dat de scheiding alleen vanwege hun harde harten was toegestaan. In het ko-ninkrijk der hemelen geldt echter genade voor recht. Joh.8:1-11

De enige scheiding die door God was bevolen onder de Wet, gold de Israelieten die zich hadden

verbonden met partners uit door God

verboden relaties. Deze huwelijken met verboden volken werden door God niet als rechtsgeldig beschouwd.



Deut.7:1-4 Deut.24:1-4 Ezra 9:10-14

Matt.19:3-10

De vraag nu hoe het met de christen en het huwelijk is gesteld, wordt door de apostel Paulus beantwoord. Dit is geheel in overeenstemming met wat de Heer Jezus daarover heeft gezegd. Net als in het het O.T. waarschuwt Hij ook voor gemengde huwelijken, ook al heerst nu de genade inplaats van de Wet.

Gods bedoeling verandert echter niet; gemengde huwelijken belemmeren het geestelijk leven.

1Kor.7:1-7 2Kor.6:14-18 Hebr.13:8

Paulus stelt duidelijk dat een vrouw niet in bestuursfuncties mag plaatsnemen en evenmin in de gemeente mag spreken, omdat ook hier de Scheppingswet geldt.



Gen.3:16 1Tim.2:9-15

In het Heilige van de Tabernakel, het O.T. huis van God, was het vrouwen niet toegestaan om binnen te gaan, maar in het N.T. huis van God dat niet met handen is gemaakt, de woonplaats van God in de Geest, vormen mannen en vrouwen samen dit Heiligdom. In Christus is dus deze scheiding opgeheven en daarom tonen gelovige vrouwen de hun in Christus gegeven positie, door het dragen van een “bedekking” in de tegenwoordigheid van de mannen in de Gemeente, waarmee dus het teken van de “heerlijkheid van de man” wordt bedekt. Matt.22:29-32 Gal.3:26-29 1Kor.3:16-17 1Kor.11:3-16 1Kor.14:34-38

In het N.T. vinden we de instelling van het huwelijk, als het symbool van een groot geheim, nl. de eenwording van Christus en Zijn Gemeente, Zijn Hemelse bruid.

2Kor.11:2 Ef.5:29-33 Openb.19:6-9

Op dit ogenblik is het volk Israel, Gods aardse vrouw, nog steeds ver-worpen, omdat zij een vrouw is die in overspel heeft geleefd.



Jer.3:1-10 Hosea 2:1-16

Het klinkt misschien vreemd, maar God heeft dus een tweede vrouw ondertrouwd, vanwege overspel van de eerste, Israel. Deze is dus nu nog verstoten hoewel zij in de toekomst weer wordt aangenomen, in

het gelovig overblijfsel.

Jes.54:1-7 Jer.3:14-16 Hosea 3:1-5

Joh.8:1-11 Rom.9:31-33 Rom.10:18-21 Rom.12:25-36

5.De terugkeer van Jezus Christus
In dit gedeelte zullen we de bijbelse jaartelling onderzoeken. Alleen wat de Schrift ons aanreikt zal duidelijkheid verschaffen betreffende het plan van God met de wereld. Gen.18:17 Amos 3:7

De zes scheppingsdagen en de zevende rustdag, stellen m.i. op symbolische wijze, de tijd voor, die God heeft uitgetrokken om Zijn doel te bereiken. Een dag als duizend jaar, is dus symboliek.



Gen.2:1-3 Ex.20:11 Ps.90:2-4 2Petr.3:8

Openb.20:2-3

Twee dagen tussen de dood en de opstanding van de Heer Jezus, die in de eerste plaats stierf als de Messias van Zijn volk Israel,

symboliseren m.i. de 2000 jaar die er verlopen zullen tussen de dood en de wederopstanding van het gelovig overblijfsel van Israel, die zullen erkennen dat zij door het offer van de Messias zijn verzoend met God. Met de dood van de Messias is de verwachting van het toenmalig gelovig overblijfsel ook gestorven, wat de oprichting van het Koninkrijk betreft, en werden zij bij de Gemeente van Christus ingelijfd.

Jozua 3:3-5 Hosea 6:1-3 Matt.16:18-21

Joh.1:35 Joh.1:43 Joh.2:1 Joh.2:18-22

De psalmen beschrijven profetisch de periode dat dit gelovig overblijfsel, gevormd na de opname van de gemeente in de grote verdrukking wacht op de komst van de Messias. De tussentijd is een intermezzo, dat in het O.T. niet was geopenbaard maar door de verwerping van de Messias als een middel is gebruikt, door God, om de Gemeente van Christus te roepen.



Ps.1:1-6 Ps.2:1-12 Rom.11:22-29

Hand.17:30-31

VAN ADAM TOT NOACH

Gen.5:1-32

Adam 0001

Seth 0130

Enos 0235

Kenan 0325

Mahaleel 0395

Jered 0460 Henoch 0622

Methusalem 0687

Lamech 0874

Noach 1056

Zondvloed 1655

(1056=1e,1655=600e)

Gen.7:11

VAN SEM TOT ABRAM

Gen.11:10-32

Sem 1558

Arfachsad 1655+2 1657

Sela 1692

Heber 1722

Peleg 1756

Gen.10:25

Gen.11:9

Rehu 1786

Serug 1818

Nahor 1848

Terah 1877 (1877=1e,2081=205e)

Abram 2007

(2081=75e,2007=1e)

Gen.12:4

Verbond der besnijdenis 2106



(2007=1e,2105=99e,2106=100e)

Gen.17:24-26 Hand.7:6-8 Gal.3:15-16

VAN ABRAM TOT MOZES

Israel verlaat Egypte 430 jaar

na de instelling van de besnijdenis (“op precies dezelfde dag“)

en ontvangt de Wet van Mozes.



(2106=1e,2535=430e) 2536

Gen.17:23 Ex.12:40-41 Gal.3:17

VAN MOZES TOT SALAMO

Salomo’s eerste jaar 3012

Salamo’s vierde jaar 3015

(2536=1e,3015=480e)

1Kon.6:1

Voltooing van de 1e Tempel 3022



(3015=4e,3022=11e)

1Kon.6:37-38

VAN SALAMO TOT ZEDEKIA

430 jaar koningen 3012-3441



Ezech.4:1-6

Verwoesting van de 1e Tempel 3441



(3022-3441=420 jaar)

2Kon.25:1-10

70 jaar braakliggend tot aan de oprichting van het altaar onder

Zerubbabel.

(3441=1e,3510=70e) (3441-3510)

Jer.25:11-12 Jer.29:4-10 2Kron.36:15-21

VAN ZERUBBABEL TOT NEHEMIA

De terugkeer van de Joden onder Zerubbabel en begin van

de “zeventig weken”,verdeeld in

7 weken, 62 weken en 1 week. 3511



Ezra1:1-2 Ezra2:1-6 Dan.9:1-2 Dan.9:21-26

Het profetisch jaar begint op de

avond van de 14e der eerste maand,

en eindigt op de 22e van de zevende maand. Naar mijn overtuiging worden

de bijbelse jaren geteld in vervulde “profetische jaren”, die uiteraard binnen een zonnejaar vallen. Gen.8:5 Gen.8:14

Voor een “profetisch jaar”, zie:



Lev.23:3-10 Lev.23:15-28 Lev.23:33-38

Voor een “jaarweek”, zie: Lev.25:8-10

De eerste “zeven weken” eindigen met de de komst van Nehemia.

Deze periode omvat dus 49 jaar.

(3511=1e,3559=49e) 3511-3559

Neh.1:1-3 Neh.6:15

VAN NEHEMIA TOT AAN DE KRUISIGING VAN DE MESSIAS, JEZUS CHRISTUS

Dit omvat een periode van

“62 weken”, dus 434 jaar. 3560-3993

Na de “62 weken” zou de Messias worden uitgeroeid. De dood van de Messias, onze Heer, Jezus Christus en Zijn opstanding was dus met Pasen: 3994



Dan.9:25-26 Matt.27:24-51 Luk.23:10-12

Luk.24:1-8

Ook de vorming van de Gemeente vond plaats met het Pinksterfeest

in datzelfde jaar, het jaar 33.

Hand.2:1-3

Algemeen wordt aangenomen dat onze jaartelling 4-7 jaren te laat is.



Verwoesting van de 2e Tempel door Titus in het jaar 70.

Te verwachten is nog de opname van de Gemeente en de “laatste week”,

die begint als de Joden een verbond sluiten met de Europese wereld-

leider, het Babel van de “tien tenen”. De laatste helft is de periode van de grote verdrukking voor de Joden, het optreden van de “antichrist”, het beest uit de “aarde”, een religieuze leider, die door de ongelovige Joden wordt aangenomen. Dan.11:36-40 Dan.12:8-13



Joh.5:42-44 1Thess.4:13-18 2Thess.2:1-12

Openb.13:11-18

De geschiedenis van de wereld-rijken, zoals in Dan.2 omschreven, is sinds de 2e wereldoorlog terechtgekomen in de fase van het herstel van het oude Romeinse rijk, de voeten van ijzer met leem vermengd. Spoedig zal de laatste fase aanbreken, het optreden van

“het beest uit de zee” en de “tien koningen” van de Europese wereldleider. Ook in het midden-oosten zijn twee nieuwe machten ontstaan, die “koning van het Noorden” en “Koning van het Zuiden” worden genoemd. Dit zijn de twee oude rivalen uit het vroegere Griekse rijk, Egypte de Koning van het Zuiden en een Syrisch-Turkse alliantie, de Koning van het Noorden (Daniél 8 en 11). De Verenigde Staten vertonen steeds meer het karakter van in Openb.18 vermelde “grote stad Babylon”, dat wat het afgodische systeem betreft, nog steeds Europa domineert. Ook Edom (Saoedi-Arabié of de Palestijnen?), Tyrus (Libanon),de Ammonieten en Moabieten (Jordanié) en de Filistijnen (Gaza), de Ismaélieten (Arabieren), ja al de oude vijanden zijn weer op het toneel verschenen. Het einde van de twee “beesten”, de Europese wereldleider en de antichrist in Jeruzalem en de oprichting van het koninkrijk van God, vinden we in het O.T bij Daniél en de laatste hoofdstukken van de bijbel en aangekondigd door de Heer Jezus in het evangelie. Ps.83 Dan.2:41-45

Dan.8:20-25 Dan.9:27 Obadja 1:8-13

Zach.5:5-11 Matt.24:1-12 Openb.13:1-10

Openb.18:10-19 Openb.19:11-21

Christus zal daarna Zijn vijanden vernietigen, die niet tot de macht van “Babel” behoren, voordat het duizendjarig vrederijk aanbreekt, zoals Rusland (dat steeds meer invloed heeft in de landen die genoemd worden in Ezechiel, zoals

Perzie) en de in Openb.9 en 16 genoemde “koningen van het Oosten”,

China, India etc. Hierover spreken bijna alle andere profeten, met als onderwerp: “de Dag van de HEER”.



Jes.2:12 Ez.30:3 Joél 1:15 Amos5:18

Obadja 1:15 Sef.1:7 Mal.4:1

De grote eindstrijd vind plaats rond Jeruzalem, en in Jesaja vinden we al de machten die symbool staan voor de machten in de eindtijd, nl. de “Assyriër” en “Babel”.

De eerste is de grote vijand van Israel in het Noorden Gog uit Magog, (de Russische federatie), de tweede is het symbool van de elkaar opvolgende wereldmachten, die in verbinding met Israel stonden, zoals in het “statenbeeld” van Daniel2, waarvan het Romeinse rijk het laatste is.

In het eerste deel van Jesaja is dat het profetisch onderwerp. Jes.10:5-12 Jes.13:1-12



Ezech.38:1-9 Ezech.38:17-23 Zach.1:18-21

6.Het betoverde Christendom
Het is zeer noodzakelijk een bijbels onderzoek naar hen die zich als apostelen voordoen en claimen dezelfde tekenen te kunnen doen nl.

1: Door handoplegging met de Heilige Geest te kunnen dopen. 2: De gave van het spreken in vreemde talen als noodzakelijk bewijs van die doop promoten.

3: Wonderen van genezing te kunnen doen in de Naam van Jezus. 2Tim.4:1-4

Het behoeft weinig betoog om te ontdekken dat in Mark.16 de Heer Jezus tegen Zijn apostelen spreekt; Hij had hen Zelf uitgekozen. Ook is het duidelijk dat deze passage een verslag geeft in de zin van een volbracht werk, nl. Amen.



Marcus 16:14-20 Lukas 6:13-16

Het is ook duidelijk dat alleen zij de bevoegdheid hadden om de titel van apostel te dragen en dat werd nog eens benadrukt op het moment dat er een nieuwe apostel moest worden gekozen in de plaats van degene die de Heer verraden had.



Hand.1:15-26

De Gemeente erkende ook het gezag van de apostelen en aanvaarden wat zij leerden als de waarheid.

We lezen op diverse plaatsen, dat de apostelen bij de verkondiging van het evangelie de tekenen en wonderen volgden die de Heer Jezus hun beloofd had. Hand.2:42-43, 5:12-16

Onder hen, had de Heer Jezus zijn discipel Petrus de bevoegdheid gegeven om het koninkrijk der hemelen te openen, voor de diverse groepen van mensen, t.w. eerst de Joden, daarna de Samaritanen en tenslotte de volkeren en deze bevoegdheid werd nog eens benadrukt op de vergadering te Jeruzalem.

R.K. claims op die bevoegdheid van Petrus missen iedere grond.

Matt.16:16-19 Hand.2:37-41,8:14-17,10:44-48

Later is de vervolger van die gemeenten, Saulus, ook een apostel geworden door het ingrijpen van de Heer die hem verkoos om in het byzonder een apostel voor de volken te zijn, Paulus, die later door de eerste apostelen ook werd erkend.



Hand.9:3-6 Hand.9:10-16 Rom.1:1-7 Gal.2:7-9 2Petr.3:15-16
Ook van de apostel Paulus lezen we

dat Hij de tekenen deed bij de verkondiging van het evangelie waardoor de Heer zijn apostelschap bevestigde. Over het doel van het spreken in vreemde talen is hij ook zeer duidelijk, nl. een teken voor de ongelovigen en dus niet een vorm van aanbidding van gelovigen.



Hand.14:3 Hand.19:1-12 Hand.13:8-12

Hand.28:3-10 1Kor.14:20-22 2Kor.12:11-12

Het is dus volkomen helder welke personen in Markus 16 door de evangelist werden bedoeld, als hij de tekenen omschrijft die deze personen in de Naam van de Heer Jezus zouden volgen bij de verkondiging van het Evangelie, n.l. DE APOSTELEN. Luc.9:1-2

Al geruime tijd zijn er personen voornamelijk binnen de z.g. charismatische pinksterkerken,die claimen ook deze tekenen in Naam van de Heer Jezus te kunnen doen maar nergens in de Bijbel kunnen we vinden dat de Heer het apostelschap nog aan anderen heeft aangeboden. Een ieder die zichzelf apostel noemt of zich de bevoegd-heden/tekenen van een apostel aanmatigt is een dwaalleraar. Paulus waarschuwt al met nadruk voor valse apostelen. 2Kor.11:1-15

Niemand is na de apostolische tijd ooit nog tot het apostelschap geroepen en niemand heeft ooit nog de bevoegdheid gekregen om door handoplegging de Heilige Geest mee te delen. Sterker nog, toen Simon de tovenaar christen werd en onder de indruk was van het feit dat de Samaritanen door de handoplegging der gemeenschap van Petrus de Heilige Geest ontvingen, wilde hij voor geld deze macht ook wel ontvangen. Wat Petrus toen zei loog er niet om. Hand.8:17-24

Het is merkwaardig dat de huidige Simon de tovenaars en gebeds-genezers, die zich de tekenen en handopleggingen van een apostel aanmatigen in de naam van Jezus eerder de verschijnselen oproepen, zoals bij de door de duivel bezeten knaap, dan genezing bewerken.

Zelfs al vinden selectieve wonderen of tekenen plaats, dan is dat nog geen bewijs dat dit van God komt.



Luk.9:37-42 Deut.13:1-5

Veel van deze valse apostelen of christelijke wonderdoeners leven ook in grote welvaart. Dat is wat anders dan wat de Heer Jezus Zijn ware apostelen voorhield als het einde van hun wandel. De Heer waarschuwt nadrukkelijk voor de invloed van mensen in de Gemeente, die zich aanmatigen deze tekenen te kunnen doen. Joh.16:1-4 Matt.7:13-23

De apostolische eeuw is historie en dus ook de apostolische tekenen. Het doel van de komst van de Heilige Geest voor de Gemeente wordt door Paulus volstrekt helder omschreven. 1Kor.13:8-13 Efeze4:1-7

Ook beweert de charismatische kerk dat men de Heilige Geest moet aanbidden, omdat deze Eén in wezen met de Vader en de Zoon, God is. Men vind deze leer echter niet in het N.T. en ook in de symbolische eredienst in de Tabernakel, vind men nooit bloed gesprengd voor de Gouden Kandelaar, noch wierook daarvoor geofferd. Dit is m.i. afdoende bewijs dat deze leer een dwaalleer is. De Heilige Geest is de Plaatsvervanger van Christus, ofwel de Trooster en wil leiding geven, ons in de waarheid leiden, ons met Hem vervullen, doet ons “Abba Vader” roepen, en deelt gaven uit aan de leden van het Lichaam om de gelovigen op te voeden naar de volwassenheid in het geloof in Christus, maar vraagt nooit om aanbidding van Zijn Persoon.

In het O.T. is olie een symbool van de werking van de Heilige Geest.

Lev.2:1-3 Lev.4:7 1Sam.16:13 Ps.133:1-3 Joh.14:15-18 Joh.16:13-15 Rom.8:14-16

Gal.4:6 Ef.5:14-20 1Joh.5:6-8

In het O.T. vinden we de zalving van de door Mozes opgerichte Tabernakel ( beeld van Christus en de Gemeente ) ook slechts als een eenmalige gebeurtenis. Num.7:1 Mark.1:8 Hand.1:5 Hand.2:1-4 1Kor.12:13

Een persoon die nu tot geloof komt, ontvangt de Heilige Geest, een gave van God, waarbij geen byzondere tekenen meer nodig zijn, laat staan de handoplegging van een iemand die zichzelf als een apostel uitgeeft en daar geld voor vraagt.

Ef.2:8 Ef1:13-14

Voor de gelovigen is er een duidelijke samenhang met de gehoorzaamheid aan Christus, het luisteren naar wat de Geest ons te zeggen heeft en gezondheid.



1Kor.11:26-32 Efeze4:26-32

Jak.5:12-16 Openb.20:15

Bronnen
O.T. commentaren
Genesis-Deut. C.H.Mackintosh

Jozua H.C.Voorhoeve

Richteren H.Rossier

Ruth H.L.Heijkoop

1&2Samuel H.Rossier

1&2Koningen H.Rossier

1&2Kronieken H.Rossier

Ezra E.Dennet

Nehemia E.Dennet

Esther J.A.Vellekoop

Job W.Kelly

Psalmen (Synopsis)J.N.Darby

Spreuken H.A.Ironside

Prediker H.Rossier

Hooglied A.Miller

Jesaja R.Been

Jeremia/Klaagl. (Synopsis)J.N.Darby

Ezechiel Morgenster

Daniel R.Brockhaus

Kleine profeten H.Rossier


N.T. commentaren
Synopsis J.N.Darby

De brieven aan Korinthe H.Rossier



Diversen
Baptism J.N.Darby

Het lijden van Christus J.N.Darby

The Person of Christ F.E.Raven

The Son of God idem

Eternal life F.E.Raven

De Heilige Geest H.L.Heijkoop

De plaats van samenkomen idem

Vervuld met de Geest,

Talen/Genezingen idem

Het Offer H.L.Heijkoop

Adressing the Holy Spirit A.G.Brown

Brieven v/e grootvader G.C.Willis

Huis van goud St.UHWDW Aalten
DVDs : Schepping of evolutie

Kent Hovind


Uitgangspunten
Joh.3:16 1Tim.1:15 Hebr.11:6 2Petr.1:20

Rom.15:4 2Tim.3:14 Joh.14:15












De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina