De Middeleeuwen Historische achtergrond



Dovnload 29.61 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte29.61 Kb.
De Middeleeuwen
Historische achtergrond

± 50 v. C.- ± 400 n. C. Romeinse rijk (invloed op: taal, rechtspraak, onderwijs)

± 400 - ± 476 grote volksverhuizing, ontstaan (Germaanse) rijkjes

± 500 Frankische rijk o.l.v. Clovis, overgang naar christendom, historisch gezien begin



ME

± 700 Willibrordus en Bonifacius komen vanuit Ierland Nederland kerstenen

± 800 Frankische rijk o.l.v. Karel de Grote > gebieds- en geloofsuitbreiding

(feodaal stelsel: ruil land voor bijstand in raad en daad/trouw en beschermen)

(ontstaan standenmaatschappij: adel, geestelijkheid en boeren en vissers; daarmee

samenhangend collectivisme: je maakte deel uit van een groep; het individu was

onbelangrijk (om die reden is er ook veel anoniem verschenen); theocentrisme:

God(sdienst) stond in het centrum van de belangstelling: ‘momento mori’.

Na de dood van Karel de Grote: westelijk rijk (centraal geregeerd Frankrijk) en

Oostelijk rijk (kleine Duitse vorstendommen), ‘Nederland’ was een verzameling

graafschappen en hertogdommen

± 800 – 1000 invallen van de Noormannen

± 1100 literair gezien het begin van de ME: hebban olla vogula nestas hagunnan…

± 1100 – 1300 kruistochten (invloed op cultuur en literatuur)

± 1250 opkomst steden en opkomst burgerij

± 1500 uitvinding boekdrukkunst en daarmee einde ME; Nederlandse gebieden

verbonden met koninkrijk Spanje


Algemene kenmerken van de Middeleeuwen zijn:

1. God staat centraal bij alles wat men denkt en doet

2. Er is een sterk gevoel van saamhorigheid, omdat er slechts een geloof is: het

katholicisme en omdat er nog geen staten zijn zoals in deze tijd

3. De cultuur is statisch, d.w.z. er is weinig verandering, beweging en ontwikkeling

4. Het leven is in de beginperiode veelal geconcentreerd op het platteland; de steden

worden pas in de tweede helft van de 13e eeuw enigszins belangrijk. Het accent ligt

op de landbouw en veelteelt; de nijverheid bloeit pas later op dankzij de steden

5. De maatschappij is een zgn. standenmaatschappij. Er zijn drie standen:

a. adel

b. geestelijkheid



c. burgerij

Het grootste deel van de Middeleeuwen overheersen adel en geestelijkheid de burgerij. Naast deze drie standen waren er andere bevolkingsgroepen zonder enige macht, vooral

op het platteland.

Tot ± 1430 kunnen de Middelnederlandse werken wat betreft onderwerp ook verdeeld worden overeenkomstig de indeling in deze drie standen, dus in de ridderlijke, geestelijke en burgerlijke literatuur.



Sociaal-cultureel, politiek-economisch

De cultuur van de Middeleeuwen (500-1500) werd bepaald door de priesters (de enigen die konden lezen en schrijven en dus het onderwijs verzorgden) en de adel (die d.m.v. het feodale stelsel het land bestuurde); daarom noemen we de middeleeuwse beschaving theocentrisch en ridderlijk. In de laatste eeuwen van de Middeleeuwen werd de burgerij uit de grote steden steeds machtiger en kreeg de cultuur een derde kenmerk: het burgerlijke.


Middeleeuwse kunst

In de kunsten komt het theocentrisme o.a.. tot uiting in de bouw van kathedralen (Romaanse en na ca. 1100 gotische), in de wandschilderingen van kerken, in de gregoriaanse muziek en in het schrijven van heiligenlevens. Het ridderlijke uit zich in de bouw van kastelen en het schrijven van ridderromans. Het burgerlijke vinden we terug in de bouw van gildenhuizen en in het steeds didactischer worden van de literatuur.


Middeleeuwse literatuur

De middeleeuwse literatuur laat men beginnen rond 1100; daarvoor werden teksten in de volkstaal zelden opgeschreven. De literatuur werd niet gelezen maar beluisterd. De schrijvers/componisten noemde men troubadours, de uitvoerende zangers/voordragers waren de jongleurs of minstrelen. De middeleeuwse literatuur bestaat vrijwel helemaal uit poëzie die gemakkelijker van buiten te leren is dan proza. Tot ca. 1450 bestonden er geen gedrukte boeken, alleen handschriften. Na de uitvinding van de boekdrukkunst zette men de teksten vaak om in proza.

De eerste gedrukte boeken (wiegendrukken, incunabelen) ,waren nabootsingen van de handschriften, maar na 1500 gaan ze steeds meer lijken op het moderne boek. Dan ook vermelden de auteurs hun naam op de boeken en is de literatuur niet langer `gemeenschapskunst'.
De literatuur uit de Middeleeuwen moet gezien worden tegen de achtergrond van die tijd.
Veel Middelnederlandse literatuur is geschreven in dichtvorm. Dit komt omdat de boeken uit die tijd niet bedoeld waren om gelezen te worden, maar om voorgedragen en beluisterd te worden. De voordrachtskunstenaars (troubadours) konden teksten in dichtvorm nu eenmaal beter onthouden en gemakkelijker declameren (= voordragen).

Aanvankelijk was er dus voornamelijk gesproken literatuur, naast geschreven werk in het Latijn, de taal van geestelijkheid en wetenschap. Vanaf ± 1200 verschenen er teksten in het Middelnederlands (of het Diets): een verzamelnaam voor de volkstaal/dialecten. De Nederlandse literatuurgeschiedenis begint wanneer men voor het eerst in de volkstaal begint te schrijven. In de eerste teksten is nog duidelijk te zien dat teksten eerst mondeling werden overgeleverd (o.a. door het gebruik van rijm).

Een van de eerste bekende schrijvers was Heinric van Veldeke. Deze schreef onder andere minnelyriek. Bij hem kunnen we al de invloed zien van de hoofse liefdeslyriek van de Franse troubadours. Hij begint zijn liefdesgedichten dan ook vaak met een Natureingang.
Ridderromans

Voor de adel werden er (naast andere soorten teksten) ridderromans geschreven. Er zijn verschillende soorten ridderromans geschreven. Deze romans zijn te verdelen in twee soorten:

1. De voor-hoofse roman

Deze romans, die teruggaan op het chanson de geste, gaan altijd over Karel de Grote

(768-814), als modelvorst, van wie men veel kan leren en die als voorbeeld dient ter

bevestiging van het koninklijk gezag. Vaak ook gaan ze over zijn vazallen. De

kenmerken van de voor-hoofse roman (Frankische of Karel-roman) zijn:

a. De ondergeschikte positie van de vrouw

b. Trouw aan de leenheer wordt beloond; ontrouw bestraft

c. Ruw en wreed optreden van de ridders, die vechten om de hiërarchie

d. Heldendaden (vooral in de strijd tegen de heidenen)

e. Wraak, vooral bloedwraak op het geslacht

Twee van de genoemde thema’s zijn dominant: de strijd tegen de heidenen en

spanningen binnen het feodaal systeem. Vaak is er ook sprake van een historische kern

in deze romans. De bekendste voor-hoofse roman is wel Karel ende Elegast.

2. De hoofse roman

Hoofs is oorspronkelijk: zoals aan het hof gebruikelijk is; later verwees het naar de

minne: de verering van de jonkvrouw.

Het ontstaan van hoofse romans moet je je (in grote lijnen) als volgt voorstellen. Vanaf

het midden van de 12e eeuw treedt er een grondige verandering op in de ridderstand,

met als centrum de Provence in Frankrijk. Er ontstaat een nieuwe aristocratie. Naast de

oude adel die veel grond bezit en het leenstelsel toepast, komen er edelen van het hof

en het leger. Deze nieuwe adel heeft ook nieuwe ridderidealen die zich onder andere

uiten in welgemanierdheid tegenover vrouwen en beschaving: hoofsheid of courtoisie.

Dit hangt weer samen met de Mariaverering die dan opbloeit en, algemener, met een



verandering in het christendom nl. meer aandacht voor de menselijkkheid en liefde

van Christus.

De kenmerken van de hoofse roman zijn:

a. Verering van de vrouw

b. Moedige en sterke, maar tegelijk slimme ridders

c. Liefde als centraal thema

d. Wonderlijke sfeer met sprookjeselementen
De hoofse romans kunnen we onderverdelen we in:

1. Arthurromans (de belangrijkste van de drie te noemen soorten)

Deze gaan over koning Arthur, een legendarische (uit legenden bekend; dus met

gegevens die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid) vorst die in de

6e eeuw geleefd zou hebben en zijn ridders van de Ronde Tafel, die qua positie

gelijk zijn en in harmonie leven. De romans zijn romantiseringen (gefantaseerde

bewerkingen) van deze vroegere werkelijkheid en geven dus geen natuurgetrouw

beeld.


Als bron voor de Arthurromans kan de als kroniek gepresenteerde Historia Regum

Brittanniae van Galfridus van Monmouth (1136) gezien worden. Aan het einde

van de 12e eeuw werden de eerste Arthurromans (in verzen) geschreven door



Chrètien de Troyes.

De Arthurromans van Chrètien de troyes hebben een hechte structuur die een

diepere les duidelijk moeten maken. Waar Karelromans pretenderen de historische

waarheid te presenteren, daar is de Arthurroman sprookjesachtig, fantastisch, fictief.

Karel de Grote is in de Karelromans een actief, handelend persoon, terwijl Arthur

eerder passief genoemd kan worden. Het zijn de ridders Lanceloet, Walewein,

Perceval of anderen die er opuit gaan om het avontuur tijdens een ridderlijke

zoektocht (queeste) te volbrengen.

Oudfranse Arthurromans werden in het Middelnederlands vertaald (Ferguut), maar

al spoedig werden er ook oorspronkelijke Middelnederlandse Arthurromans

geschreven. Zo schreven Penninc en Pieter Vostaert hun roman van Walewein.

2. Oosterse romans

Deze spelen zich geheel of gedeeltelijk af in het nabije Oosten, bekend door de

Kruistochten en gaan vaak over de onmogelijke liefde tussen een christen en een

heiden (waarbij bekering tot het christendom de oplossing biedt).

Een voorbeeld van een oosterse roman is Floris ende Blanchefloer van Diederic van

Assenede.

3. Klassieke romans

Romans geïnspireerd door de klassieke oudheid. Een voorbeeld hiervan is

Tprieel van Troyen.
Geestelijke letterkunde

In de Middeleeuwen was het rooms-katholieke geloof oppermachtig en zij drukte haar stempel overal op; het leven was ermee doordrenkt, zelfs in de Karelroman is het geloof duidelijk aanwezig. In deze theocentrische Middeleeuwen was er veel dat verwees naar het geloof; men dacht dat achter de zichtbare wereld een diepere werkelijkheid (is het Goddelijke) schuilging en kunstenaars maakten veel gebruik van symbolen (getallensymboliek, kleurensymboliek, lichtsymboliek).

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de geestelijke letterkunde in de Middeleeuwen een

belangrijke rol speelde.

Teksten die we tot de geestelijke letterkunde kunnen rekenen, riepen op tot een christelijk leven en dienden om het geloof uit te dragen. Bij de geestelijke letterkunde in de volkstaal, bestemd voor de gewone man, is er een aantal genres aan te wijzen:

1. exempelen

Exempelen zijn korte vertellingen waarin een religieus idee aan de hand van een

concreet gegeven wordt verduidelijkt, er vinden ook vaak wonderen plaats.

Exempelen (korte tekstjes) werden vooral gebruikt bij preken voor het volk. Ze werden

gebruikt om de moeilijke, abstracte leer voor een luisterend publiek te vereenvoudigen.

2. legenden

Bij legenden draait het om een episode uit het leven van een heilige waarin

wonderlijke gebeurtenissen een belangrijke plaats innemen. Een belangrijke groep

legenden is geschreven ter ere van Maria, de Marialegenden. De Beatrijs is een goed

voorbeeld van zo een Marialegende.

3. hagiografie

In legenden worden wonderlijke gebeurtenissen uit het leven van een heilige verteld.

Een hagiografie (vitae, of heiligenleven) geeft een complete beschrijving van het leven

van een heilige. Voorbeelden van een hagiografie zijn: de Sint Servaeslegende van

Van Veldeken en het Sinte Franciscusleven van Jacob van Maerlant

Hagiografieën zijn niet zozeer bedoeld om een historisch waar en betrouwbaar verslag

te doen over het leven van een heilige. De les staat centraal, de tekst roept op tot

navolging.

Buiten de drie genoemde genres zijn er geestelijke liederen, beschrijvingen van het leven van Jezus (Van den levene ons Here) en mystieke teksten.

De mystica Hadewych tracht in haar Strofische Gedichten en Visioenen verslag te doen van onmiddellijke Godservaringen en haar verlangen daarnaar. Ze streeft naar een eenwording met God.

De geestelijke letterkunde werd ook uitgedragen op het toneel. Tijdens de eredienst werden eenvoudige liturgische drama’s opgevoerd. Later werd het zich ontwikkelende drama nog wel wel opgevoerd, maar los van de eredienst (liturgie). De laatste stap is dat het drama buiten de kerk op het kerkplein of de markt werd opgevoerd. Den spieghel der salicheit van Elckerlyc (15e eeuw) is een voorbeeld van geestelijk toneel.


Halverwege de 13e eeuw kwamen de steden op en de burgerij begon een factor te worden waarmee rekening moest worden gehouden. In de stad werden een eigen burgermoraal en burgerideologie soms met veel nadruk naar voren gebracht.

De welgestelde kooplieden kregen belangstelling voor kunst en gaven ook opdracht tot het maken ervan. Het stelsel dat kunst (literatuur) in opdracht werd gemaakt, heet mecenaat en de opdrachtgever heet mecenas. Op cultureel gebied is het patriciaat een stuwende kracht. Deze stedelijke elite lonkte naar de prestigieuze hoofse cultuur die men wilde navolgen (annexatie), maar die men tegelijkertijd aanpaste aan de eigen burgerlijke levenswijze en moraal (adaptatie). Toneelstukken als de abele spelen zijn duidelijke uitingen van deze annexatie- en adaptiedrift. Abele spelen zijn de eerste uitingen van wereldlijk ernstig toneel. Voorbeelden van abele spelen zijn: Esmoreit,



Gloriant, Lanseloet van Denemerken en Van den Winter ende vanden Somer. Deze spelen dateren uit de 14e eeuw.

Middeleeuwen I

Samenvatting

De cultuur van de Middeleeuwen (500-1500) werd bepaald door de priesters (de enigen die konden lezen en schrijven en dus het onderwijs verzorgden) en de adel (die d.m.v. het feodale stelsel het land bestuurde); daarom noemen we de middeleeuwse beschaving theocentrisch en ridderlijk. In de laatste eeuwen van de Middeleeuwen werd de burgerij uit de grote steden steeds machtiger en kreeg de cultuur een derde kenmerk: het burgerlijke.


In de kunsten komt het theocentrisme o.a.. tot uiting in de bouw van kathedralen (Romaanse en na ca. 1100 gotische), in de wandschilderingen van kerken, in de gregoriaanse muziek en in het schrijven van heiligenlevens. Het ridderlijke uit zich in de bouw van kastelen en het schrijven van ridderromans. Het burgerlijke vinden we terug in de bouw van gildenhuizen en in het steeds didactischer worden van de literatuur.
De middeleeuwse literatuur laat men beginnen rond 1100; daarvoor werden teksten in de volkstaal zelden opgeschreven. De literatuur werd niet gelezen maar beluisterd. De schrijvers/componisten noemde men troubadours, de uitvoerende zangers/voordragers waren de jongleurs of minstrelen. De middeleeuwse literatuur bestaat vrijwel helemaal uit poëzie die gemakkelijker van buiten te leren is dan proza. Tot ca. 1450 bestonden er geen gedrukte boeken, alleen handschriften. Na de uitvinding van de boekdrukkunst zette men de teksten vaak om in proza.

De eerste gedrukte boeken (wiegendrukken, incunabelen) ,waren nabootsingen van de handschriften, maar na 1500 gaan ze steeds meer lijken op het moderne boek. Dan ook vermelden de auteurs hun naam op de boeken en is de literatuur niet langer `gemeenschapskunst'.


In de 'Middeleeuwen bestond er nog geen standaardtaal; de overkoepelende term voor alle Nederlandse dialecten is `Diets' of `Middelnederlands'. Een belangrijk verschil tussen het Diets en het moderne Nederlands is de uitspraak van ij als ie en ui als uu.
Ridderromans zijn verhalen in poëzievorm over de avonturen van ridders. In de Frankische of Karelroman is Karel de Grote de hoofdpersoon (Roelantslied, Karel ende Elegast). Daarnaast was er de hoofse roman, waarin de ridders meer verfijnde figuren zijn dan de vechtersbazen uit de Karelroman (Walewein).
Een van de belangrijkste middeleeuwse werken is Van den vos Reynaerde, waarin dieren de hoofdrollen spelen. Het is een satire op de middeleeuwse standen en een parodie op de ridderroman.
Middeleeuwse liederen werden pas aan het eind van de Middeleeuwen opgeschreven (Antwerps liedboek) en soms zelfs pas in de 19e eeuw. Twee genres zijn de ballade ("Heer Halewijn") en de elegie ("Egidiuslied").
Het middeleeuwse toneel ontstond in de 14e eeuw. Het voornaamste Middelnederlandse stuk is Mariken van Nieumeghen (ca. 1500).

Bron: Dautzenberg: Nederlandse literatuur par.3-9









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina