De monetaire meetbaarheid van duurzame ontwikkeling



Dovnload 170.13 Kb.
Pagina1/11
Datum28.08.2016
Grootte170.13 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De monetaire meetbaarheid van duurzame ontwikkeling
Verkennende notitie van de directie Biobased Economy

van het Ministerie van Economische Zaken
over de toepassing van milieu Duurzaam Nationaal Inkomen naast Nationaal Inkomen
als indicator van groene groei

Redactiecommissie:1

ir. B. de Boer

dr. R.A. Bosch

dr. R. Hueting


1.Inleiding en samenvatting 2

2.Nut en mogelijkheden van een mDNI systeem 4

2.1. Inleiding 4

2.2. Welvaart en economische groei 5

2.3. Milieufuncties 6

2.4. Bepaling van de waarde: een praktische oplossing voor een onoplosbaar probleem 9

2.5. Asymmetrische boekingen (asyms) 10

2.6. Het milieuduurzaam nationaal inkomen 12

2.7. Mogelijkheden van het mDNI 13

Appendix 1. Vergelijking van het mDNI met verwante indicatoren 14

1.Inleiding en aanpak 14

2.Index of Sustainable Economic Welfare 15

3.Genuine Savings 17

4.Ecologische Voetafdruk 18

Appendix 2. Berekening en toepassing van het mDNI 21

1.Inleiding 21

2.Basisgegevens 21

3.Duurzaamheidsnormen 27

4.Eliminatiekostencurven 28

5.Evenwichtsmodel 29

6.Het milieuduurzaam nationaal inkomen 29

7.Toepassing van het mDNI in combinatie met andere indicatoren 31

Appendix 3. Annotaties bij de CPB notitie “Brede welvaart en nationaal inkomen” van 8-9-09 voor het ministerie van Economische Zaken 32

Appendix 4. Kort verslag van het colloquium 35

“Hoe meten we groene groei?” 35

op 3 juni 2013 bij het Ministerie van Economische Zaken 35

1.Roefie Hueting: De monetarisering van duurzame ontwikkeling 35

2.Bart de Boer: Berekening en toepassing van het mDNI 35

3.Rutger Hoekstra 36

4.Discussie 36

5.Nagekomen schriftelijke vraag 38



  1. Inleiding en samenvatting


Het huidige Kabinet heeft voor duurzame ('groene') economische groei gekozen. Onduidelijk is hoe deze “Groene Groei” gemeten kan worden. Strikt genomen is de notie “Groene Groei” een contradictio in terminis vanwege de onwaarschijnlijkheid (traditionele) economische groei te bewerkstelligen zonder dat zulks ten koste gaat van milieu- of sociale waarden.

Thans beschikt de regering over de Nationale Rekeningen waar de groei van het Nationaal Inkomen (NI) uit bepaald wordt zonder dat kan worden aangegeven of deze groei duurzaam is. Hiernaast wordt door het CBS, CPB en PBL de Monitor Duurzaam Nederland gepubliceerd. Een relatie tussen deze twee verzamelingen van indicatoren wordt niet aangetoond. Derhalve, duurzame of groene groei wordt als zodanig niet gemeten. Recente Kamervragen wezen hier eveneens op.

Voorts publiceert het Sociaal Cultureel Planbureau over sociale waarden in het Sociaal en Cultureel Rapport. Hier wordt evenmin een relatie gelegd met het Nationaal Inkomen.

Van de drie P’s (People, Planet en Profit) wordt alleen profit monetair gemeten.

Over de Monitor Duurzaam Nederland vermeldt het SER advies van 2010, “Meer werken aan duurzame groei”, dat hierin geen indicatoren zijn opgenomen over duurzame productie en consumptie, terwijl ontwikkelingen op deze terreinen cruciaal zijn om inzicht te krijgen in de mate van verduurzaming van de Nederlandse economie.

Over de indicator DNI (of mDNI, zie paragraaf 2) die in deze notitie naast het NI aanbevolen wordt, meldt het SER rapport het volgende: “Het voordeel is dat wordt aangesloten bij een algemeen gangbaar begrip (Nationaal Inkomen) en dat het zich goed leent voor internationale vergelijkbaarheid.”

Dit blijkt a fortiori uit het Handbook of Integrated Environmental and Economic Accounting (SEEA) (2003). Hierin worden een aantal methoden besproken om het standaard NI aan te passen aan milieuverliezen. In paragraaf 199 van Section 10 staat: “Much of the initiative to look for an alternative path for the economy rather than a different measure of the existing economy came from the work of Hueting in the late 1960’s and early 1970’s.”

Het SER rapport vermeldt echter verder dat de uitkomsten van het DNI gevoelig zouden zijn voor de aannames, zowel ten aanzien van de gevolgen van ons handelen (hoe meten we die?) als de waarderingsmaatstaf (hoe drukken we gevolgen in geld uit?) die hieraan ten grondslag ligt.

Dit wordt dus in het SER advies genoteerd als nadeel. Het SER rapport baseert zich hier op een CPB notitie van 2009 genaamd:”Brede welvaart en Nationaal Inkomen”. Nu bespreekt deze CPB notitie uitsluitend de (on)mogelijkheid om andere factoren dan de in het NI gemeten productie bij het NI in te kwartieren. De voor de hand liggende mogelijkheid om indicatoren voor andere welvaart beïnvloedende factoren te construeren naast het NI blijft ten onrechte buiten beeld. Ook in het SER advies is deze optie niet meegenomen.

Wat met deze notitie bepleit wordt, is het volgende:



  • meer statistisch onderzoek naar het monetariseren van verlies aan milieu- en sociale waarden ten gevolge van economische groei;

  • een begin maken met de publicatie van een sociaal Duurzaam Nationaal Inkomen en een milieu Duurzaam Nationaal Inkomen.

Wij hopen en verwachten dat met deze extra indicatoren de relatie beter gelegd kan worden tussen de Monitor Duurzaam Nederland en het Sociaal en Cultureel Rapport enerzijds en het Nationaal Inkomen anderzijds. Hierdoor zullen deze eerstgenoemde uitstekende publicaties ook meer de politieke aandacht krijgen die zij verdienen.

In het meten van een duurzaam Nationaal Inkomen hebben de economen Tinbergen en Hueting zich destijds verdiept. Zo publiceerde Hueting samen met Jan Tinbergen voor de World Summit on Sustainable Development (WSSD) in Rio (1992) de paper ‘GDP and market prices: wrong signals for sustainable economic success that mask environmental destruction’. In 1999 vond een symposium plaats over het werk van Hueting in de Koninklijke Academie voor Kunsten en Wetenschappen, waaraan internationaal erkende milieueconomen deelnamen. Het boek dat daaruit is voortgekomen (Van Ierland 2001), was aanleiding voor een seminar van de Wereldbank over Huetings werk, met onder anderen Daly, Stiglitz, Goodland, El Serafy en Pronk en de vicepresident van de WB. Minister Pronk overhandigde het boek bij die gelegenheid aan de president van de WB (Bron 2002). In 2002 volgden er seminars over het DNI, onder meer georganiseerd door de OECD in Parijs en tijdens de WSSD in Johannesburg. Tijdens deze bijeenkomsten werd er door de gedelegeerden sterk op aangedrongen om een duurzaam inkomen te ontwikkelen voor andere landen, met name voor ontwikkelingslanden.

Destijds werd vooral de nadruk gelegd op milieuverliezen door economische groei. Sociale aspecten kwamen toen minder aan de orde. De theorie is dus gebaseerd op een milieu Duurzaam Nationaal Inkomen en niet op een sociaal Duurzaam Nationaal Inkomen.
De theorie achter deze benadering is niettemin dezelfde.

Het Duurzaam Nationaal Inkomen (DNI) in een bepaald jaar is gedefinieerd als het maximaal haalbare productieniveau waarbij, met de ter beschikking staande technologie in het berekeningsjaar, vitale milieufuncties tot in lengte van dagen beschikbaar blijven. Het in dat zelfde jaar bereikte productieniveau, dat is geregistreerd in het standaard nationaal inkomen (NI), voldoet niet aan deze voorwaarde. Milieufuncties en hun behoud vallen immers buiten het NI. Het NI is daarom steeds hoger dan het DNI. Het verschil verschaft informatie over de afstand tussen het huidige productieniveau en het productieniveau in een duurzame situatie. Wordt die afstand kleiner dan zijn we op weg naar milieuduurzaamheid, het deel van de productie dat berust op niet duurzaam milieugebruik wordt dan kleiner. Wordt de afstand groter dan drijven we verder van duurzaamheid af. Met de huidige technologie, bevolkingsomvang alsmede productie- en consumptiepatronen kan de duurzame situatie die regeringen zeggen na te streven niet worden bereikt. Gezien de afstand die moet worden overbrugd zal het bereiken van milieuduurzaamheid een vrij lange periode vergen. Bovendien hebben veel milieumaatregelen een vertraging (time lag), soms van enkele tientallen jaren; het bereiken van een nieuw evenwicht duurt 5 tot 10 maal zo lang. De lengte van de periode van het overgangspad naar een duurzame situatie wordt slechts beperkt door de voorwaarde dat vitale milieufuncties niet onherstelbaar mogen worden beschadigd. Gezien de dreiging dat dit gebeurt lijkt het urgent niet langer te wachten met een koersverandering richting duurzaamheid. Vanwege het voorzorgsbeginsel wordt niet vooruitgelopen op technologische vooruitgang gedurende de transitie periode. Deze wordt achteraf gemeten aan de hand van de ontwikkeling van de afstand (het écart) tussen het DNI en het NI in de loop van de tijd. Aan de raming van een DNI is gewerkt sedert half jaren zestig. Een eerste grove raming van het DNI voor de wereld in 1991 door Tinbergen en Hueting komt uit op 50 procent van het productieniveau van de wereld: het wereldinkomen. Een veel geavanceerder raming voor Nederland in 2001 door een samenwerkingsverband van het RIVM, het CBS en het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) komt uit op rond 50 procent van het productieniveau c.q. het Nationaal Inkomen van Nederland . Dat komt overeen met het productieniveau van begin jaren zeventig.

Wij hebben Roefie Hueting bereid gevonden, ondanks zijn hoge leeftijd, samen met een jongere ex-collega van het CBS, Bart de Boer, de theorie van het Duurzaam Nationaal Inkomen uiteen te zetten. Wij realiseren ons dat de volgende paragrafen voor niet-economen wellicht soms lastig te lezen zijn.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina