De muntslag in de baltische staten



Dovnload 75.13 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte75.13 Kb.
DE MUNTSLAG IN DE BALTISCHE STATEN
Het Bisdom en Aartsbisdom Riga

(1211 – 1561)
Het allereerste schriftelijke bewijs dat er munten geslagen werden in Riga is het “Muntprivilege”, uitgegeven door bisschop Albert in 1211. Volgens dit document moesten de Riga-munten hetzelfde gewicht en dezelfde fijnheid hebben als de Gotland-munten. Alleen de tekening mocht verschillend zijn. Een nieuwe gewichtseenheid voor de Riga mark (Marca Rigensis 207,82 g) werd geboren. Dit was het basisgewicht voor alle munten tot in 1561 de Livonische Confederatie ophield te bestaan.De eerste 20 bracteaten die gevonden werden uit de periode van bisschop Albert dateren uit een archeologische vondst van 1968 in het Martinsala kasteel. Er is geen enkel bewijs dat er nog munten geslagen werden na de dood van bisschop Albert in 1229. In 1255 werd het bisdom Riga het aartsbisdom Riga. De munten die toen in omloop waren, zijn geslagen in andere munthuizen van de Livonische Confederatie, zoals Talin, Tartu, of zelfs buiten dit grondgebied.

De eerste munten, die duidelijk konden geïdentificeerd worden, waren geslagen door aartsbisschop Johan VI Ambundi (1418-1424). Zij werden “artigen” genoemd en hun uitzicht bleef onveranderd tot 1561.

In 1422 ontstond echter de idee om een munthervorming in Livonia in te voeren. Men besliste dat

1 nieuwe “artig” = 12 Lubeck schillingen = 1 schilling

Hieruit blijkt dus dat vanaf 1426, de naam “artig” veranderde in “shilling”. De munthervorming van de Livonische Confederatie, tijdens de periode 1422-1426, creëerde een uniform muntsysteem gebaseerd op de shilling als eenheidsmunt, en centraliseerde de regels voor het aanmunten voor alle munthuizen in de Livonische Confederatie. Dit systeem bleef geldig tot deze Livonische Confederatie verdween in 1561.

Alhoewel de “shilling” de eenheidsmunt was, werden er nog kleinere munten geslagen, die tot 1426 “seestling” noemden en nadien herdoopt werden in “scherf”. Deze seestlingen waren dunne muntjes, aan beide zijden geslagen, terwijl de latere “scherf” een bracteaat was. Vermits men vermoed dat de verhouding seestling (scherf) ten opzichte van de “artig” (schilling) 8/1 bedroeg, doet eveneens veronderstellen dat de naam “scherf” zou afgeleid zijn van het Noordduitse “halbling”, en waarvan de waarde ook 1/8 bedroeg van de “artig”. Daarnaast was de “halbling” ook een bracteaat en de Livonische Confederatie had zeer nauwe banden met Noord Duitsland.

In 1452 werd het Verdrag van Salaspil gesloten, waardoor de relaties bepaald werden tussen de heersers van Riga, de aartsbisschop enerzijds en de Orde van Livonië anderzijds. Zij konden dus samen munten uitgeven. In de praktijk gebeurde dit echter pas laat in de 15de eeuw, wanneer de zilverreserves toenamen. De eerste grotere munten (“ferdingen” en “marken”) werden vanaf 1515 door de Livonische Confederatie uitgegeven in samenspraak met de aartsbisschop van Riga en de Orde van Livonië.

Samengevat kunnen we zeggen dat tijdens de pre-reformatieperiode (vóór 1422) volgende munten geslagen werden door de aartsbisschop van Riga : de seestling, de pfenning en de artig. De onderlinge verhoudingen tussen deze munten waren :

Riga mark (marca Rigensis) = 207,82 g

1 Riga mark = 48 öre of 36 schillingen = 144 artigs of 432 Lübeck pfenningen

1 shilling = 4 artigen = 12 Lübeck pfenningen

1 artig = 3 Lübeck pfenningen = 6 seestlingen

Na de munthervorming van de Livonische Confederatie in 1426 werden door de aartsbisschop van Riga volgende munten geslagen : scherf, pfennig, shilling, 2 shillingen, ferding, ½ mark, mark, thaler. Gedurende de eerste periode van de Livonische oorlog werd er noodgeld geslagen om de oorlogsuitgaven te dekken en dit onder de vorm van eenzijdige thalers (ook zilveren guldens genoemd) en goudguldens. Deze munten stemden echter niet overeen met de aanmuntingsregels van de Livonische Confederatie.

De relatie tussen deze verschillende munten kan als volgt samengevat worden :

1 ferding = 9 schillingen = 27 pfenningen

1 thaler = 4,5 mark = 18 ferdingen

Deze verhoudingen konden echter schommelen tijdens het bewind van elke andere aartsbisschop.

De munten (vanaf 1418) uitgegeven door de aartsbisschop van Riga kunnen als volgt beschreven worden :

Voorzijde : het familieschild van de aartsbisschop

Keerzijde : gekruiste scepter en kruisbeeld (het wapenschild van het aartsbisdom Riga)


Overzicht van de bisschoppen en aartsbisschoppen van Riga

  • Albert (1199-1229)

  • Tijdens de periode 1229-1418 zijn er geen munten bekend

  • Johannes VI Ambundi (1418-1424)

  • Henning Scharpenberg (1424-1448)

  • Silvester Stodewescher (1448-1479)

  • Sede vacante (1479-1484)

  • Michael Hildebrand (1484-1509)

  • Jaspar Linde (1509-1524) geen munten bekend

  • Johannes VII Blankenfeld (1524-1527) geen munten bekend

  • Thomas Schoning (1528-1539)

  • Wilhelm, marktgraaf van Brandenburg (1539-1563)

Johannes VI Ambundi (1418-1424)

De eerste munten, gedurende de munthervorming van de Livonische Confederatie, die met zekerheid kunnen gedetermineerd worden, zijn deze van Aartsbisschop Johannes VI Ambundi. Deze munten dragen geen datum, maar kunnen herkend worden aan het familieschild van Johannes VI Ambundi (zie hierboven) en zijn naam, die vermeld staat in de legende. Deze munten werden geslagen te Riga.

Uit deze periode zijn een seestling (bracteaat), een pfenning en een artig bekend.

Voorbeeld van een artig met op de voorzijde het familieschild en op de keerzijde de gekruiste scepter en kruis

Ref : Fed.340, 341
Henning Scharpenberg (1424-1448)

De eerste munten die geslagen warden na de Livonische Confederatie waren scherfen en schillingen. Zij droegen geen datum, maar kunnen herkend worden door het familieschild van Aartsbisschop Scharpenberg en door zijn naam in de legende (*HENIGVS*ARCHEPE). De muntplaats is Riga.


Voorbeeld van een scherf (bracteaat) van Aartsbisschop Scharpenberg

Ref : Hal/97.410

Silvester Stodewescher (1448-1479)

De enige munten die geslagen warden door deze aartsbisschop waren scherfen en pfenningen. Zij hadden eveneens geen datum, maar kunnen herkend worden door het familieschild van Silvester Stodewescher en door zijn naam in de legende. Deze munten werden geslagen te Riga.


Voorbeeld van een pfennig van Aartsbisschop Stodewescher

Ref : Fed.344
Sede Vacante (1479-1484)

De enige munten die geslagen werden tijdens deze periode van Sede vacante, waren pfenningen en schillingen. Zij hadden geen datum, maar zijn te herkennen aan de gekruiste scepter en kruis (de wapens van het aartsbisdom), de gekruiste sleutels (de wapens van de stad Riga en de lelie (het wapen van Riga als bisschopsstad.

Men is het erover eens, dat de munten die het wapenschild van de aartsbisschop weergeven, samen met deze van de stad Riga, geslagen werden in overleg tussen deze 2 authoriteiten. Deze met het wapenschild van de aartsbisschop en het wapenschild van de bisschopsstad Riga, werden geslagen in overleg met deze beide authoriteiten. De muntplaats is steeds Riga.

Voorbeeld van een shilling uit de Sede vacante periode

Ref : Hal/97.415
Michael Hildebrand (1484-1509)

De enige munten die door deze aartsbisschop warden geslagen zijn shillingen. Zij droegen geen datum, maar konden herkend worden aan het familieschild van Hildebrand en zijn naam in de legende (MONETA MICHAELIS). De muntplaats was Riga.


Voorbeeld van een schilling van Aartsbisschop Hildebrand.

Ref : Fed.347
Thomas Schoning (1528-1539)

Het zilvergehalte in de schillingen werd in 1925 gereduceerd van 281 tot 187,5. Dit veranderde natuurlijke de verhoudingen tussen de verschillende munten. Vóór 1525 was 1 ferding = 9 schillingen en na 1525 was 1 ferding = 12 schillingen. Deze aartsbisschop voerde ook voor de eerste maal de mark in. Deze marken werden echter in zeer beperkte oplage geslagen. Aartsbisschop Thomas Schoning was de eerste die de munten van een datum voorzag. Naast deze datum kunnen de munten eveneens herkend worden aan zijn familieschild. Thomas Schoning verhuisde zijn residentie naar Koknese in 1528, door dat hij conflicten had met de stad Riga en met de Orde van Livonië. De muntplaats werd bijgevolg Koknese (Kokenhausen).


Voorbeeld van een schilling van Aartsbisschop Thomas Schoning

Ref : Fed.358-362
Wilhelm, Markgraf von Brandenburg
(1539-1563)


Tijdens de periode van Wilhelm warden alle mogelijke munten geslagen, tot zelfs goudstukken toe. Naast de gewone pfenning en schilling werd ook een 2 schillingstuk geslagen, een ferding, een ½ mark en een thaler. In 1553 daalde het zilvergehalte van ferdingen, ½ marken en marken van 930 tot 578, doch in 1561 daalde het tot 531. De verhoudingen tussen de muntstukken werd echter opgedreven (na 1553 bleef 1 ferding = 9 schillingen), dit was te wijten aan de aankomende Livonische oorlog. Tijdens de eerste fase van de Livonische oorlog ontstond er noodgeld : de eenzijdige thaler (zilveren gulden) en de goudgulden werden geslagen, niet in overeenstemming met de muntregels van de Livonische Confederatie. Wilhelm bleef in Koknese tot 1547 en keerde dan terug naar Riga. Het aartsbisdom Riga hield in 1561 op te bestaan, maar Wilhelm bleef tot 1563 munten slaan. Van 1540 tot 1546 was de muntplaats Koknese en van 1547 tot 1563 Riga.


Voorbeeld van een gulden van Wilhelm

Ref : Fed.384
De vrije stad Riga
1561-1581


Riga ontstond als een nederzetting op de plaats waar de Daugava rivier in de Baltische zee uitmondt, lang vooraleer de Duitse handelaars en de kruisvaarders aankwamen. Deze stad ontwikkelde zich als het voornaamste handelscentrum van de Livonische Confederatie. Om haar handelsbelangen te verdedigen sloot Riga aan bij het Verband der Hansasteden tijdens de 2de helft van de 13de eeuw. In 1995 vierde Riga haar 800ste verjaardag, een gelegenheid waarbij de Letse bank een set van 8 munten van 10 lats uitgaf.

Wanneer in 1561 de Livonische Confederatie ophield te bestaan, kreeg Riga de status van vrije stad. Zij behield deze status tot 1581, toen Riga verplicht werd de Poolse overheersing te aanvaarden, die een gevolg was van de Livonische oorlog.

De munten, die geslagen werden tussen 1561 en 1581 stemden overeen met de regels van de Livonische Confederatie. Een zeer merkwaardig feit is, dat de machine om vlotter munten te slaan (“Walzwerk” genoemd) hier werd uitgevonden en tijdens het midden van de 16de eeuw in West Europa werd gebruikt. Het princiepe van deze machine was als volgt : een muntplaat of “flan” werd tussen 2 rollen geperst, die respectievelijk de stempel bevatten van de voor- en de keerzijde van elke munt. Dus, voor- en keerzijde werden samen geslagen, hetgeen de snelheid aanzienlijk opdreef. Nadien werden de geslagen munten uit de muntplaat gesneden.

Volgende muntbenamingen warden geslagen: pfennig, schilling, 2 schillings, ferding, 1/2 mark, mark, 1/2 thaler, thaler, 3 ducaten.

De Riga mark bleef nog steeds de basis voor de munt- en rekeneenheid :

Riga mark (marca Rigensis) = 207.82 g.

De verhoudingen tussen de andere munten werd nu :

1 ferding = 9 schillings = 27 pfennigs
1 thaler = 4.5 marks = 18 ferdings

In het algemeen gesproken kunnen we de Riga munten als volgt omschrijven :

Voorzijde : het grote wapenschild van Riga (een burcht met 2 bevlagde torens, daarboven 2 gekruiste sleutels met een klein kruisje ertussen, leeuwenkop in de poort) en de legende : CIVITATIS RIGENSIS.

Keerzijde : het kleine wapenschild van Riga (2 gekruiste sleutels met een klein kruisje ertusen) en de legende : MONETA NOVA ARGENTEA;



Voorbeeld van een ½ mark

Fed.585, 589, 596, 609, 611
Om de 800ste verjaardag van de stad Riga te herdenken, gaf de Letse bank enkele jaren geleden een reeks van 10 zilveren stukken van 10 latu uit, één voor elke eeuw. De verschillende afbeeldingen op deze munten zijn gebaseerd op historisch materiaal. Zij werden ontworpen door Laimonis Senbergs en Gunar Cilitis, gemodelleerd door Ligita Franckevica-Ulmane en Janis Strupulis. Deze munten werden geslagen door de Britse Koninklijke Munt.



800 jaar Riga – eerste stadszegel

Ref : KM. 26


Het Hertogdom Livonië
1561-1621 (1772)

Tijdens de Livonische oorlogen (1558-1582) hield de Livonische Confederatie op te bestaan. Het deel van Letland ten westen van de Daugava rivier en tot aan de Baltische zee, werd omgedoopt tot het Hertogdom Courland en Semigalië (Kuzemes en Zemgales hercogiste). Het zuidwestelijk deel van Estland en het noordoostelijk deel van Letland werden in 1561 afgestaan aan Polen. De gouverneur van dit deel werd Gotthard Kettler, tot het in 1566 uitgeroepen werd als Hertogdom Livonië (Pardaugavas hercogiste), ten gevolge van het Eenheidsverdrag tussen de grondbezitters van Livonië en de Poolse autoriteiten. De gouverneur van het Hertogdom Livonië werd Jan Chodkiewicz (1566-1578). Daarna ontstond er een oorlog tussen Zweden en Polen. Deze oorlog speelde zich vooral af in het oosten van Letland en het zuiden van Estland en duurde van 1600 tot 1629. Na deze oorlog nam Zweden bezit van Riga. Het officiële Vredesverdrag hiervoor werd ondertekend in 1629 te Altmark (Pruissen). Zweden kreeg Riga en het grootste deel van het Hertogdom Livonië. Het oostelijk deel van Livonië bleef echter tot 1772, behoren tot het Poolse Rijk. Dan werd het overgedragen aan Rusland, als resultaat van de eerste opdeling van Polen tussen Rusland, Pruissen en Oostenrijk.

In 1570 had de koning van Polen, Sigismund II August, reeds het idee opgevat om munten te slaan in het Hertogdom Livonië. Deze muntplaats was gevestigd in Salaspils. Jan Chodkiewickz echter begon munten te slaan in het kasteel van Dole. Schillingen werden gelagen in 1572, en ferdingen, ½ marken en marken in 1573. Hieruit blijkt dat de autoriteiten van Riga sterk weerstand boden tegen de eerste lokale Poolse munten. Men veronderstelt zelfs dat Riga nog een sterke invloed had over de naburige districten. Het zilvergehalte van de schillingen was echter extreem laag en werd uiteindelijk door de ontvangers geweigerd. Dit betekende het einde van de muntslag in het kasteel van Dole.

Het officiële wapenschild van het Hertogdom Livonië was het familieschild van Jan Chodkiewickz (de zilveren griffioen op een rood schild).


Voorbeeld van een mark uit het Hertogdom Livonië

Ref : Fed.627


Poolse munten geslagen
in Riga, 1581-1621

Zodra Riga onder Pools bewind kwam gaf Stephan Bathory, koning van Polen, reeds op 14 januari 1581, het privilege om munten te slaan aan de stad Riga. De Riga munten moisten wel beantwoorden aan de muntvoorschriften van Rzceczpospolita (Pools-Litouwse staat). Het oude muntsysteem van de Livonische Confederatie werd total veranderd. De vroegere gewichts- en rekeneenheid, de Riga mark, werd vervangen door de thaler. Naast de gekende 1 schilling stukken verschenen er nieuwe benamingen bij de Riga munten : grossus, dreipolcher (1 ½ grossus), 3 grossus en 6 grossus. Er werden ook gouden dukaten geslagen. Nochtans warden er in Riga nooit thalers geslagen. Tot het nieuwe muntsysteem volledig was ontwikkeld, bleven de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende munten bestaan.

6 schillingen = 1 grossus

35-36 grossus = 1 thaler

Zodra het nieuwe muntsysteem volledig geïntegreerd was, werd de onderlingen verhouding

3 schillingen = 1 grossus

Na het overlijden van Stephan Bathory werd Sigismund III Vasa de nieuwe koning van Polen. Sigismund III Vasa was de zoon van koning Johann III van Zweden en wanneer zijn vader stierf in 1592, werd hij eveneens koning van Zweden. Vermits hij zich tot het katholicisme bekeerde en ook Estland (Zweeds gebied) bij Polen wilde aanhechten, viel hij in ongenade bij de Zweden. Tenslotte werd hij van de Zweedse troon gestoten. Dit gaf dan aanleiding tot de Pools-Zweedse oorlog (1600-1629), waarvan het slagveld zich bevond in Vidzeme ((noordelijk deel van Letland) en in Estland. Riga werd veroverd door Zweden in 1621. Het Vredesverdrag tussen Zweden en Polen werd ondertekend in Altmark (Pruissen) in 1629. Riga, een deel van het hertogdom Livonië en Vidzeme werden afgestaan aan Zweden.

Het oostelijk deel van het Hertogdom Livonië (dat toen Inflantia of Livland genoemd werd) bleef bij het Koninkrijk Polen tot 1772.

Tijdens de regeerperiode van Sigismund III Vasa bleef Riga munten slaan. Tijdens de Pools-Zweedse oorlog daalde echter het zilvergehalte van de munten voortdurend. In 1620 was de rekeneenheid reeds

1 thaler = 75 grossus = 225 schillingen

De voornaamste munten waren de schillingen en de stukken van 3 grossus, maar er werden ook een beperkt aantal gouden dukaten geslagen.

Vermits de muntstukken van 3 grossus zeer populair waren in Riga en omstreken werden er valse stukken van 3 grossus geslagen in Dubrovnik (Ragusa), Kroatië. De echte zijn echter vrij eenvoudig te onderscheiden van de valse : het echte stuk, geslagen te Riga, toont een leeuwenkop in de poort van de burcht, bij het valse stuk is dit een takje.

De Poolse koningen die munten lieten slaan in Riga waren :

Stephan Bathory (1576-1586)

Sigismund III Vasa (1587-1632)

Stephan Bathory (1576-1586)

Tijdens de regering van Stephan Bathory werd Riga als muntplaats opgericht. De hier geslagen munten beantwoordden aan de muntvoorschriften van Rzeczpospolita (Pools-Litouwse staat). De meest voorkomende munten waren de stukken van 1 schilling en van 3 grossus. Sommige jaren werden er ook een beperkt aantal stukken van 1 gouden dukaat en 10 gouden dukaten geslagen.


Voorbeeld van een muntstuk van 10 dukaten, geslagen onder koning Stephan Bathory

Fed.651
Sigismund III Vasa (1587-1632)

Gedurende de regering van Sigismund III Vasa sloeg de Riga munt stukken met andere benamingen. De meest voorkomende bleven echter de schillingen. Gedurende de Pools-Zweedse oorlog daalde het gewicht van de munten elk jaar, vooral sedert 1617. Tijdens sommige jaren werden er stukken van 1 gouden dukaat en van 10 gouden dukaten, in beperkte oplage, geslagen.

Gedurende deze periode waren er 2 muntmeesters werkzaam bij de Riga munt. Hun muntmeestertekens waren zichtbaar op alle stukken die door de Riga munt werden geslagen. De lelie was hetmuntmeesterteken van Heinrich Wulf en de vox was het muntmeesterteken van Otto Mepe.

Voorbeeld van een grossus geslagen onder Sigismund III Vasa

Ref : Fed.703, 706; KM.7


Het Hertogdom Koerland



1561-1795

Na de Livonische oorlogen (1558-1582) werd het zuidwestelijk deel van Estland en het noordoostelijk deel van Letland afgestaan aan Polen en vormde daar het Hertogdom Livonië (Pardaugavas hercogiste). Het deel van Letland ten westen van de Daugava rivier tot aan de Baltische zee, vormde een nieuwe regio, namelijk het Hertogdom Koerland en Semigalia (Kurzemes en Zemgales hercogiste). Dit deel was afhankelijk van de Groothertog van Litouwen, later van de Koning van Polen en Litouwen. Gotthard Kettler, de laatste Meester van de Livonische Orde, werd de eerste Hertog van Koerland.


Verschillende delen van Koerland behoorden echter niet tot het Hertogdom. Het Grobina district (gelegen aan de kust van de Baltische zee), was door de Orde van Livonië uitgeleend aan de Hertog van Pruissen. Een ander district, het Bisdom Piltene, ook het Bisdom Koerland genoemd (gelegen aan de Venta rivier in west Koerland), behoorde toe aan Magnus, de Koning van Denemarken. Deze laatste beloofde het terug te geven aan het Hertogdom Koerland, na zijn dood. Doch dit plan mislukte en het was pas later dat Wilhelm Kettler dit district kon terugwinnen.
Toen Gotthard Kettler stierf waren het zijn zonen Friedrich en Wilhelm, die de Hertogen van Koerland werden. In 1596 verdeelden zij het Hertogdom in 2 stukken. Friedrich kreeg het oostelijke deel Semigalia (Zemgale) en vestigde zijn residentie in Jelgava (Mittau). Wilhelm kreeg het westelijke deel Koerland (Kurzeme) en vestigde zijn residentie in Kuldiga (Goldingen). Wilhelm won het Grobina district terug, toen hij de dochter van de Hertog van Pruissen huwde. Hij betaalde ook om opnieuw de controle te verwerven over het Piltene district. Hier ontwikkelde hij metaalnijverheid, scheepswerven, en de nieuwe schepen leverden goederen van Koerland naar andere landen.
Nochtans bleven de relaties tussen en Hertog en de gootgrondbezitters vrij vijandig. Daarboven kwam nog dat Polen, de hoogste authoriteit over het Hertogdom Koerland, deze grootgrondbezitters steunde. Wilhelm drukte zijn ongenoegen uit over deze grootgrondbezitters, hetgeen leidde tot zijn afzetting als hertog in 1616. Uiteindelijk verliet Wilhelm Koerland en leefde de rest van zijn dagen elders. Dus, vanaf 1616, werd Wilhelm de enige Hertog van Koerland. In de periode 1600-1629 was er een oorlog tussen Polen en Zweden, waarbij de voornaamste veldslagen plaats vonden in de omgeving van Riga. Het resultaat was, dat na deze oorlog Zweden de controle verwierf over Centraal en Noord Letland, dat Zweeds Livonië werd genoemd. Polen kreeg het oostelijk deel van het Hertogdom Livonië, Infantia genoemd. Koerland was ook betrokken bij deze oorlog, doch liep geen zware schade op.
Het Hertogdom Koerland bereikte zijn hoogste voorspoed onder de volgende Hertog, Jacob Kettler. Gedurende zijn reizen naar West Europa, werd hij een vurig verdediger van de handelsbetrekkingen. De metaalnijverheid en de scheepswerven werden verder uitgebouwd en ontwikkeld. Molens werden gebouwd om poeder voor wapens te produceren. De handelsrelaties bleven niet enkel beperkt tot de buurlanden, maar werden uitgebreid naar Groot Brittanië, Frankrijk, de Nederlanden, Portugal, enz. Jacob richtte een handelsvloot van het Hertogdom op met als voornaamste havens Ventspils en Liepaja. In 1651 veroverde het Hertogdom zijn eerste kolonie in Afrika, nl. St Andrews eiland aan de Gambia rivier. Daar werd het fort Jacob gebouwd. De voornaamste goederen die vandaar uitgevoerd werden waren ivoor, goud, bont en specerijen. Weldra, in 1652, werd een nieuwe kolonie opgericht op Tobago eiland, gelegen in Brits West Indië. Hier waren de voornaamste exportgoederen tabak, suiker, koffie en specerijen. Door al deze welvaart wekte het hertogdom Koerland grote interesse zowel bij Zweden als bij Polen. In 1655 viel het Zweedse leger het Hertogdom Koerland binnen en de Zweeds-Poolse oorlog begon (1655-1660). Hertog Jacob werd gevangen genomen door het Zweedse leger in 1658-1660. Gedurende deze periode werden beide kolonies overgenomen door Nederlandse kolonisten, de handelsvloot en de fabrieken werden vernietigd. De oorlog eindigde met het Vredesverdrag van Oliv (nabij Danzig). Tobago werd teruggewonnen gedurende een korte periode en op het einde van het bewind van Hertog Jacob. Hij trachtte de vloot en de fabrieken herop te bouwen, doch het Hertogdom bereikte nooit meer zijn welvaart zoals in 1655 het geval was.
Wanneer Jacob stierf in 1682 werd zijn zoon, Friedrich Casimir, de volgende Hertog. Gedurende zijn regeerperiode bleef de productie in het Hertogdom dalen. De Hertog zelf was meer bekommerd om schitterende feesten in te richten, waaraan hij meer geld uitgaf dan nodig en mogelijk was. Hij moest dus Tobago opnieuw verkopen, ditmaal aan Britse kolonisten. Hij stierf tenslotte in 1698. Gedurende deze periode versterkte Polen zijn invloed, zowel politiek als economisch, op het Hertogdom. Ook Rusland betoonde veel interesse voor deze regio. De volgende Hertog was slechts 6 jaar oud in 1698 en stond bijgevolg onder het regentschap van zijn oom Ferdinand, een Pools generaal. Tijdens deze periode begon de Noordelijke oorlog (1700-1721) tussen Zweden en Rusland, met als geallieerden Polen, Saksen en Denemarken. Het centrale deel van Letland stond sedert 1710 reeds onder toezicht van Rusland en had een grote invloed op het Hertogdom Koerland. De tsaar van Rusland, Peter de Grote, ontving een belofte van Friedrich Wilhelm dat hij één van de dochters van Peters broer wilde huwen. Door deze belofte wenste Peter de Grote zijn invloed in Koerland te vergroten. Tenslotte, in 1711, huwde Friedrich Wilhelm met Anna Ivanovna (de latere keizerin van Rusland), maar bij zijn terugkeer uit St Petersburg, werd hij ziek en stierf.
Na zijn dood werd Ferdinand Kettler de volgende kandidaat voor de titel van Hertog, maar zijn residentie was in Danzig. Hij werd echter niet erkend door de Raad van Hertogen omdat, volgens de regels, de Hertog moest wonen op het grondgebied van het Hertogdom. Bijgevolg was er geen Hertog in Koerland. Omdat Ferdinand, de laatste vertegenwoordiger was van de Kettler familie, boden zich een aanzienlijke hoeveelheid kandidaten aan om de hertogelijke zetel in Koerland te winnen. Moritz, graaf van Saksen en zoon van August, koning van Polen, maakte een grote kans. Dit beviel allerminst Rusland, dat zijn leger naar West Koerland stuurde om de Moritz basis te vernietigen. Hierdoor moest Moritz Koerland verlaten en verstevigde Rusland zijn invloed op Koerland. Zodra Anna Ivanovna, de vrouw van Ferdinand, keizerin van Rusland werd, benoemde zij haar kandidaat, Ernst Biron, tot hertog van Koerland.
Hij ontving enorme financiële steun van Rusland en investeerde dit in bouwwerken. Een belangrijk voorbeeld hiervan is het kasteel van Rundale, ontworpen door de beroemde Italiaanse architect Rastrelli. Bij het overlijden van Anna Ivanovna in 1740, ontstond er een wisseling van verschillende personen, die allen hun invloed hadden op het politieke leven in Rusland. Hertog Ernst Biron werd in ballingschap gestuurd. Vanuit zijn ballingsoord, met medeweten van de Raad van Hertogen en met de goedkeuring van Polen, bleef hij het Hertogdom besturen. De grootgrondbezitters van Koerland daarentegen, aanvaardden dit niet en weigerden zich te schikken naar de voorschiften van de Raad der Hertogen. De koning van Polen stelde dan maar zijn zoon Carl, graaf van Saksen, aan als de volgende Hertog. Op dat ogenblik had het Hertogdom Koerland dus gelijktijdig 2 hertogen. Deze situatie was echter bijzonder gespannen ; een deel van de grootgrondbezitters steunden Ernst Biron en een ander deel Carl van Saksen. De keizerin van Rusland, Catharina II, lostte deze situatie op door Ernst Biron in 1763 uit ballingschap terug te roepen. Hierdoor vermeed zij de stijgende invloed van Polen op Koerland. Ernst Biron echter, moe van al deze politieke gevechten gaf de hertogelijke zetel door aan zijn zoon, Peter Biron, in 1769.
De politieke sfeer in Koerland bleef echter zeer gespannen. Een deel van de grootgrondbezitters steunden Polen, een ander deel Rusland. De toekomst van Koerland werd echter bezegeld toen Rusland, met zijn geallieerden, de 3de Poolse divisie vormde. Met een “mooie aanbevelingsbrief” van Rusland gaf Peter Biron zijn rechten op Koerland definitief op. Wanneer hij op 28 maart 1795 dit document ondertekende, hield het Hertogdom Koerland op te bestaan.
Overzicht van de Hertogen van Koerland en hun muntslag :

  • Gotthard Kettler (1561-1587)

  • Friedrich (1587-1642) en Wilhelm (1587-1616) Kettler

  • Jacob Kettler (1642-1682)

  • Friedrich Casimir Kettler (1682-1698)

  • Friedrich Wilhelm Kettler (1698-1711) geen muntslag bekend

  • Ferdinand Kettler (1711-1737) geen muntslag bekend

  • Ernst Johann Biron (1737-1740) geen muntslag bekend

  • De Raad van Hertogen (1740-1758) geen muntslag bekend

  • Carl van Saksen (1758-1763)

  • Ernst Johann Biron (2de maal) (1763-1769)

  • Peter Biron (1769-1795)


Gotthard Kettler (1561-1587)

De laatste voorzitter van de Orde van Livonië, Gotthard Kettler, werd de eerste hertog van Koerland. De muntplaats werd gevestigd in Jelgava (Mittau), waar ze gevestigd bleef to het Hertogdom ophield te bestaan in 1795. De munten geslagen in de periode 1575-1577 waren schillingen en thalers met een laag zilvergehalte. Het aanmunten gebeurde in overeenstemming met het muntsysteem van de Vrije stad Riga. In 1577 stopte Stephan Bathory, Koning van Polen en Litouwen, deze aanmunting. In 1586 werden er opnieuw munten geslagen te Vilnius (Litouwen), maar deze munten waren in overeenstemming met de muntregels van Polen. De enige munten die geslagen werden waren stukken van 3 grossus.



Voorbeeld van een thaler geslagen onder Gotthard Kettler

Ref : Dav.8450

Deze munt bestaat nu niet meer, enkel de beschrijving en de tekening zijn nog bekend.

Davenport spreekt ook nog van 1 ½ thaler, 1575 (Dav. 8449)

Friedrich (1587-1642) &
Wilhelm (1587-1616) Kettler

De muntslag in Jelgava (Mittau) werd opnieuw opgestart tijdens de regeerperiode van Friedrich en Wilhelm. De stukken werden geslagen in overeenstemming met het Poolse muntsysteem. De enige bekende munten zijn stukken van 1 schilling en van 3 grossus. Omdat duidelijke portretten en legenden ontbreken, is het onmogelijk om bij de schillingen eeen onderscheid te maken tussen deze die geslagen werden door Friedrich en deze geslagen door Wilhelm. Enkel bij de stukken van 3 grossus kunnen we de respectievelijk portretten van Friedrich en Wilhelm onderscheiden. Zij worden dan ook afzonderlijk gecatalogeerd.


Stuk van 3 grossus geslagen onder Friedrich Kettler

Ref : Fed.1002, 1003, 1005-1008, 1013

Stuk van 3 grossus geslagen onder Wilhelm Kettler

Ref : Fed.1019-1021, 1024, 1028; KM.4
Jacob Kettler (1642-1682)

Tijdens de regeerperiode van hertog Jacob Kettler warden er weinig munten geslagen. Eigenlijk was het enige, in omloop zijnde stuk, dat van 1 schilling. Hogere waarden zoals thaler, dukaat en 10 dukaten werden enkel gelagen als presentatiestukken.


Voorbeeld van een thaler geslagen onder Jacob Kettler

Ref : Fed.1034, 1037; Dav.4348; KM.5.1
Friedrich Casimir Kettler (1682-1698)

De muntslag onder Fridrich Casimir Kettler was eveneens zeldzaam en alle stukken warden geslagen in beperkte hoeveelheden. Gedurende zijn regeerperiode werden in Koerland 3 neiuwe muntstukken geïntroduceerd : dreipolcher, 6 grossus en ort.


Voorbeeld van een stuk van 6 grossus

Ref : Fed.1049; KM.11
Carl of Saxony (1758-1763)

Carl van Saksen regeerde over het Hertogdom Koerland, terwijl hertog Ernst Johann Biron in ballingschap zat in Rusland. Het enige muntstuk dat gedurende deze periode werd geslagen was een munt van 6 grossus in 1762.


Voorbeeld van een stuk van 6 grossus

Ref : F.1053; KM.22
Ernst Johann Biron
(1737-1740) (1763-1769)

Ernst Johann Biron was Hertog van Koerland en werd gesteund door Rusland. Toen de keizerin van Rusland, Anna Ivanovna, stierf in 1740, werd Ernst Johann van de troon gestoten. Hij herwon zijn titel terug in 1763. Tijdens de eerste regeerperiode van Ernst Johann werden er geen munten geslagen. De muntslag begon slechts in 1763.


Voorbeeld van een stuk van 6 grossus

Ref : Fed.1055, 1060; KM.27
Peter Biron (1769-1795)

Peter Biron was de laatste Hertog van Koerland. De weinige munten die tijdens zijn regeerperiode werden aangemaakt, dienden enkel voor presentatiedoeleinden. Dit betekende de laatste muntslag op het grondgebied van Letland tot 1922, toen de nieuwe Letse Republiek haar munten introduceerde.


Voorbeeld van een dukaat

Ref : Fed.1066; KM.33


De Baltische Staten onder Russisch bewind


(1795-1918)
Na de derde opdeling van Polen tussen Oostenrijk, Pruissen en Rusland in 1795, kwamen de Baltische staten (Estland, Letland en Litouwen) onder Russisch bewind. Deze overheersing duurde meer dan 120 jaar en het was pas na de Russische Revolutie van 1917 dat deze staten hun onafhankelijkheid terug konden opeisen.
Gedurende deze periode waren de enige gangbare munten in de Baltische Staten, deze van het Russische Keizerrijk.
Voor het eerst Onafhankelijk

(1918-1940)
De Republiek Estland riep haar onafhankelijkheid uit op 24 februari 1918, maar werd pas definitief bevrijd in februari 1919. Het Vredesverdrag werd ondertekend op 2 februari 1920.

Zij voerden aanvankelijk een nieuw monetair systeem in dat bestond uit marka, waarbij

100 marken = 1 kroon

In 1929 voerden zij een munthervorming door op basis van senti en krooni. De verhouding werd dan :

100 senti = 1 kroon

Voorbeeld van een 5 marka muntstuk 1922


Ref : KM 5



Voorbeeld van 5 senti 1931


Ref : KM. 11



Voorbeeld van 1 Kroon 1933


Ref : KM. 14

Kort na het uitbreken van Wereldoorlog II werd Estland opnieuw bezet door de Sovjetunie en ingelijfd als 16de staat van de U.S.S.R. Duitsland bezette dit kleine staatje van 1941 tot 1944, waarna het opnieuw werd ingelijfd door de Sovjetunie. De meeste landen in de wereld hebben deze inlijving nooit erkend.


De Republiek Letland werd opgericht op 18 november 1918. Ook zij voerden een nieuw monetair stelsel in dat bestond uit santimu en lats. De verhouding was :

100 santimu = 1 lats


Voorbeeld van 1 santims 1935


Ref : KM. 1



Voorbeeld van 1 lats 1924


Ref : KM. 7

In 1940 werd deze republiek bezet door de Sovjet troepen en aangehecht als republiek bij de Sovjetunie. Na de bezetting door de Duitse troepen van 1941 tot 1944 werd ht opnieuw ingelijfd bij de Sovjetunie. De meeste landen hebben deze inlijving nooit erkend.


Na het einde van Wereldoorlog I riep de Republiek Litouwen haar onafhankelijkheid uit. Ook zij voerden een nieuw monetair systeem in dat bestond uit centu en litas. De onderlinge verhouding was :

100 centu = 1 litas


Voorbeeld van 10 centu 1925



Ref : KM. 73


Voorbeeld van 1 litas 1925

Ref : KM. 76

In 1940 werd de Republiek Litouwen bezet door Sovjet troepen en aangehecht bij de Sovjetunie. Na de Duitse bezetting van 1941 tot 1944, werd het opnieuw overgenomen door de Sovjetunie en beschouwd als één van hun republieken. Deze inlijving werd door de meeste landen nooit erkend.




Onafhankelijk en opname in de Europese Gemeenschap


(1991-2004)
Het Parlement van de Estse Socialistische Sovjetrepubliek stemde op 20 augustus 1991 om de Republiek Estland haar onafhankelijkheid terug te geven. De vorige munteenheid gesteund op senti en krooni werd terug ingevoerd. In 2004 zal de Republiek Estland toetreden tot de Europese Gemeenschap.

De nieuwe 10 senti 1991



Ref : KM. 22


De nieuwe 1 kroon van 1993

Ref : KM. 28

De Republiek Letland verklaarde zich opnieuw onafhankelijk van de Sovjetunie op 22 augustus 1991. De vorige munteenheid gesteund op santimu en latu werd opnieuw ingevoerd. Ook zij zullen in 2004 toetreden tot de Europese Gemeenschap.




De nieuwe 1 santims van 1992

Ref : KM. 15



De nieuwe 2 lati van 1993


Ref : KM. 18

De Republiek Litouwen riep opnieuw haar onafhankelijkheid uit op 11 maart 1990 en deze werd erkend door de USA op 2 september 1991. Enkele dagen later, nl. op 6 september 1991, aanvaardde ook het Sovjetgouvernement in Moskou deze onafhankelijkheid. Zij traden toe tot de Algemene Vergadering van de UNO op 17 september 1991. De vorige munteenheid gebaseerd op centu en litu werd opnieuw ingevoerd. In 2004 zal de Republiek Litouwen toetreden tot de Europese Gemeenschap.


Het nieuwe muntstuk van 5 centai 1991



Ref : KM. 87


Het nieuwe muntstuk van 1 litas 1991

Ref : KM. 91
BIBLIOGRAFIE AND REFERENTIES

  1. Ahlstrom, B. & Almer, Y. & Jonsson, K. Sveriges Besettingsmynt/Die Munzen Der Schwedischen Besitzungen/Coins of the Swedish Possessions. Stockholm, 1980. (AAJ.)

  2. Berga, T. Numismatika par Latvijas senatni. Riga, 1992

  3. Ceplite, R. XV-XVI gs. Livonijas monetu depozits Ruzinas ciema. Numismatika. Riga, 1968

  4. Ceplite, R. Laika no 1621. lidz 1701. gadam Riga kalta siknauda un tas apgroziba. Numismatika. Riga, 1968

  5. Davenport, J.S. European Crowns, 1484-1600. Frankfurt, 1977. (Dav.)

  6. Davenport, J.S. European Crowns, 1600-1700. Galesburg, 1974. (Dav.)

  7. Davenport, J.S. German Talers, 1500-1600. Frankfurt, 1979. (Dav.)

  8. Ducmane, K. & Vecins, E. Nauda Latvija/Coins and Banknotes in Latvia/Geld in Lettland/Deneznie znaki v Latvii. Latvijas Banka, 1995

  9. Fedorov, D. Moneti Pribaltiki XII-XVIII stoletij: Opredelitel monet. Tallinn, 1966. (Fed.)

  10. Haljak, G. Estonian Coin Catalogue/Eesti Munt Kataloog, 1st Edition. Tallinn, 1993

  11. Haljak, G. Livlandische Munzen aus der Ordenszeit 13.-16. Jahrhundert/Orduaegsed Liivimaa Mundid XIII-XVI Sajand. Tallinn, 1997. (Hal/97.)

  12. Krause, C.L. & Mishler, C. & Bruce, C.R.II Standard Catalog of World Coins, 1601-1700. Iola. (KM.)

  13. Krause, C.L. & Mishler, C. & Bruce, C.R.II Standard Catalog of World Coins, 1701-1800, 1st Edition. Iola. (KM.)

  14. Gumowski, M. Handbuch der Polnischen Numismatik. (Gum.)

  15. Krause, C.L. & Mishler, C. & Bruce, C.R.II Standard Catalog of World Coins, 1901-1998, 25th edition. Iola (KM.)





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina