De Norman Granz van de movies door Bert Jansma



Dovnload 23 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte23 Kb.
De Norman Granz van de movies

door Bert Jansma


Toen ik een jaar of tien was zag ik met met m’n vader in de Cineac Damrak in Amsterdam een film van het komisch duo Abbot & Costello, ‘Pardon my sarong’.

Een film waarom we toen heel veel gelachen hebben.

Zoveel, dat ik – toen ik ontdekte dat al die A & C –films in Amerika op de dvd- schijf waren gezet - er een aantal besteld heb.

Nou, met dat lachen viel het 55 jaar later wel mee.

Maar er was iets anders wat ik óók altijd had onthouden van die ‘Pardon my sarong’:

Er zat ‘live’ muziek in de film.

Van The Ink Spots.

Ik vond het prachtig destijds, met die hoge en die lage stem. En het swingde. Dat was nieuw.


En, er zat een tape-dans act in die film, van een trio dat Tip Tap and Toe heette.

Onwaarschijnlijk acrobatisch, met dwaze shuffels, spagaten bij elke roffel van de drums.

Ik zag ritme.

Het maakte grote indruk.

Ritme, improvisatie.
De film bracht méér jazz in de jaren daarna.

Ik zag Danny Kaye als Red Nichols, in The five pennies.

Ik zag James Stewart als Glenn Miller in the Glenn Miller story.

En natuurlijk was dat allemaal romantisch spul.

En natuurlijk was het muzikaal ook niet The Real Thing.

Maar ik zag óók de grote Louis Armstrong in die films.


Jazz en the movies, ik moest er weer aan denken toen ik Benny Golson zag optreden tijdens Pure Jazz, twee weken geleden.

Want Golson speelt een rolletje in Steven Spielbergs ‘The Terminal’. Een film waarin Tom Hanks als een inwoner van het fictieve land Krakozhia op JFK Airport blijft steken met een ongeldig paspoort. Aan het eind van de film blijkt waarom hij eigenlijk in Amerika wil zijn.

Omdat hij zijn vader thuis beloofd heeft de allerlaatste, nog ontbrekende, muzikantenhandtekening te krijgen op de beroemdste jazzfoto aller tijden, A Great Day in Harlem.

En die handtekening zou van Benny Golson moeten komen.

Dus: Along comes Benny in Spielbergs movie.

Voor een scènetje met een paar zinnen. En voor een paar chorussen van zijn compositie Killer Joe.


Jazz en the movies.

Ze gingen vaker hand in hand dan je zou denken.

Neem ‘Blazing Saddles’ van Mel Brooks. Met een scène waarin de paarden door het wilde westen draven, begeleid door spannende big band-muziek.

En jahoor, even later rijden de achtervolgers doodleuk langs de complete big band van Count Basie die, in the middle of nowhere, de soundtrack ‘live’ zitten te spelen.

Geintje van Brooks.
Neem Duke Ellington en acteur Jimmy Stewart, vierhandig aan de piano in ‘Anatomy of a murder’, waarvoor Ellington de muziek componeerde.

Of ‘The sweet smell of succes’, een Amerikaanse ‘film noir’ met Burt Lancaster en Tony Curtis.

Zéér geholpen door de jazz van het Chico Hamilton Quintet.

Of de James Bond-film ‘Live and let die’.

De oude trompettist Alvin Alcorn, ooit lid van de band van Kid Ory, speelt er een inwoner van New Orleans in. Dáár ziet een van Bonds tegenstanders de Olympia Brass Band in zo’n typische New Orleans Funeral-parade.

Ze spelen ‘A closer walk with Thee’ en ‘Joe Avery’s blues’.

Een van de Bond-boeven vraagt aan Alcorn wiens begrafenis het eigenlijk is.

‘De jouwe’, zegt Alcorn en steekt hem neer.

Waarschijnlijk het meest ingrijpende solo-optreden van een trompettist ooit op film.
Bij film en jazz móet ik ook aan Clint Eastwood denken.

Want als er één propagandist voor de jazz in Hollywood was, dan is hij dat.

Een bijzondere man, die zich als acteur heel lang de kwalificaties ‘aartsconservatief’ en zelfs ‘fascistoide’ moest laten aanleunen.

Door z’n keiharde Dirty Harry-rollen.


Ik heb Eastwood eens mogen interviewen. In een Parijse hotelkamer.

Dat was in een tijd dat je als journalist een filmster nog in je eentje of met een paar collega’s kon benaderen.

Tegenwoordig zit je met een zaal vol journalisten een persconferentie te verslaan.

En dan moet je ook nog een papier ondertekenen dat je het interview niet voor andere doeleinden zal misbruiken.

Het gebeurde me bij Tom Cruise in Londen.

Toen was de lol er wel af.


Maar Eastwood zat in die Parijse hotelkamer gewoon in een stoel tegenover ons, benen languit onder de tafel, voeten gestoken in een soort zwaargeschapen gezondheidsschoeisel.

Dirty Harry? Fascistoide? “Ach”, zei Eastwood, “mensen maken zovaak die oude vergissing: een acteur die Hitler speelt hoeft het toch niet goed te vinden wat Hitler gedaan heeft? Die films gingen uit van een ‘Wat áls’-verhaalsituatie.

Wat áls er een moordenaar vrij rondloopt die niet gepakt wordt?

Wat áls iemand wraak neemt.

Dat wil niet zeggen dat je dat goedkeurt.

It’s only a movie. Films willen gewoon verhalen vertellen. Ze lossen geen hartziektes op, lossen geen kanker op, geven geen antwoord op aids”.


De verhalen die Eastwood als regisseur zélf ging vertellen hadden altijd wel ergens een brokstuk jazz.

‘Play misty for me’ bijvoorbeeld. Eastwoods regie-debuut met hemzelf als radio-discjockey die van een luisteraarster voortdurend dat verzoek krijgt om ‘Misty’ te draaien.


De schrijver van het scenario wilde het zo.

De studio, Universal studio’s, vond de rechten te begrotelijk, en zei: neem maar wat goedkopers. Ook leuk.

Nee, zei Eastwood, die song is een klassieker en daar vráágt het verhaal om.

Dus liet hij Erroll Garner een nieuwe opname maken.

Voor zijn film ‘The Gauntlet’ liet hij big band-componist Jerry Fielding de score schrijven. Met soli voor Art Pepper en Jon Faddis.

En hij maakte als regisseur natuurlijk ‘Bird’, de speelfilm over Charlie Parker.


Eastwood speelt zelf piano. Hij leerde het van zijn moeder die gek was op Fats Waller. Eastwood vertelde dat, toen Waller stierf, z’n moeder met een stapel 78-toerenplaten van hem thuiskwam. Met de tekst: dit móeten we hebben, dit is klassiek.

Eastwood ging hem imiteren.

Daarna kwam de bop.

Dat was in 1946, vertelde Eastwood: “Ik vond Lester Young al het einde. En toen hoorde ik Charlie Parker in Jazz at the Philharmonic. Ik begreep niet helemaal wat hij deed, maar ik wilde het uitzoeken en ging zelf jazzplaten kopen”.


Inmiddels is Eastwood de man die als producent gezorgd heeft dat al die jazzdocumentaires gemaakt zijn. ‘Straight no chaser’, over Thelonious Monk; een documentaire over Tony Bennett, ‘The music never ends’, een documentaire over David Brubeck, die nog moet komen, en z’n eigen piano-aflevering in Martin Scorsese’s meerdelige document over de Blues.
Clint Eastwood, de Norman Granz of the movies.

Fantastisch toch, zo’n man?

De jazz heeft van die coryfeeën broodnodig.
Wie zou je in Nederland kunnen vinden om die film en jazz-rol van Eastwood te spelen?
Ach, een ‘Dirty Harry’ hebben we niet.

Wij hebben De Cock met ck.


Ik zie het somber in.

Column voor Radio West (Jazz op West) eind september 2007.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina