De observatiefunctie in de Amsterdamse samenwerkingsverbanden



Dovnload 140.53 Kb.
Pagina1/3
Datum23.08.2016
Grootte140.53 Kb.
  1   2   3


De observatiefunctie in de Amsterdamse samenwerkingsverbanden

Een voorstel voor pilots binnen het reguliere basisonderwijs

Januari 2006

Elgithe Bos

OOG onderwijs zorg welzijn

m.m.v.


Greet van der Bruggen-Beemster en Simone Zijlmans

De Bascule Cluster speciaal onderwijs en zorg





Inhoudsopgave
Vooraf
In maart 2005 is de notitie ‘Observatievoorzieningen onder de loep: Een onderzoek naar de observatiefunctie van onderwijsvoorzieningen in Amsterdam’ verschenen. Dit onderzoek is uitgevoerd door medewerkers van het Gemeentelijk Pedologisch Instituut (GPI) 1, te weten Kristie Gloudemans en Simone Zijlmans, en van OOG onderwijs zorg welzijn, te weten Elgithe Bos en Joke Koudenburg. Naar aanleiding daarvan hebben de schoolbesturen van de Amsterdamse samenwerkingsverbanden WSNS in oktober 2005 besloten een vervolgopdracht te laten uitvoeren door OOG onderwijs zorg welzijn en De Bascule. De opdracht is te onderzoeken op welke wijze de gewenste observatiefunctie in Amsterdam gestalte kan krijgen.
De voorliggende notitie is een tussenrapportage. In de notitie wordt voortgeborduurd op de theoretische noties en praktische bevindingen uit de notitie ‘Observatievoorzieningen onder de loep’. Gekeken wordt naar een aantal relevante ontwikkelingen die van invloed zijn op de vormgeving van de observatiefunctie. Ook wordt nader ingegaan op verklaringen voor de wijze waarop kinderen zich ontwikkelen en onderwijsvisies. De manier van kijken naar kinderen is namelijk van invloed op de wijze waarop het onderwijsaanbod gestalte krijgt. Tenslotte wordt aandacht besteed aan de vraag wat dit alles nu betekent voor de wijze waarop de observatiefunctie gestalte zou moeten krijgen. De notitie is geschreven door Elgithe Bos van OOG onderwijs zorg welzijn met medewerking van Greet van der Bruggen en Simone Zijlmans van De Bascule, Cluster speciaal onderwijs en zorg.

1. Aanleiding
1.1 Notitie ‘Observatievoorzieningen onder de loep’

In de notitie ‘Observatievoorzieningen onder de loep: Een onderzoek naar de observatiefunctie van onderwijsvoorzieningen in Amsterdam’ (maart 2005) is ingegaan op het begrip ‘observatiefunctie’. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd voor de realisatie van een observatiefunctie. Een onderwijsvoorziening met een observatiefunctie moet beschikken over:

- een krachtig orthopedagogisch en orthodidactisch klimaat gericht op de

opheffing van de impasse in de ontwikkeling van de leerling,

- een geïntegreerd aanbod van verlengde diagnostiek en diagnosticerend onderwijs door een multidisciplinair team;

- waarbij gebruik wordt gemaakt van observatiemethodieken die op systematische wijze inzicht moeten bieden in invloed van kind – en omgevingsfactoren in de impasse in de ontwikkeling van het kind.


In de notitie worden onder meer de volgende conclusies getrokken:

  1. De observatiefunctie binnen de Amsterdamse samenwerkingsverbanden Weer Samen Naar School beperkt zich tot de jonge risico kinderen.

  2. Noch binnen de samenwerkingsverbanden, noch binnen REC BovenAmstel is er sprake van kortdurende observatie. De gemiddelde verblijfsduur van een kind binnen de observatievoorzieningen is 1 – 2 jaar. Dit terwijl een observatiefunctie juist gekoppeld zou moeten zijn aan een krachtige inzet van gebundelde expertise in een korte periode.

  3. In Amsterdam is er eigenlijk geen onderwijsvoorziening die geheel voldoet aan de definitie en de randvoorwaarden die gesteld worden aan observatiefunctie2. Er zijn wel voorzieningen die er voor een (groot) deel aan voldoen (Van Det, Meander, Van Houteschool en De Hasselbraam), maar deze kampen met specifieke problemen:

  • De Van Det kampt met veranderende wet- en regelgeving. Binnen de WEC is nog wel ruimte voor een kortdurende observatiefunctie, maar deze wordt niet bekostigd. REC BovenAmstel heeft er vervolgens voor gekozen de observatiefunctie niet meer te vervullen. Ook is de Van Det bezig met de benodigde aanpassingen in het leerlingvolgsysteem en de observatiemethoden.

  • De ruimte binnen de sbo’s voor diagnostisch onderzoek en begeleiding van leerlingen en leerkrachten is beperkt, waardoor niet wordt voldaan aan de tweede randvoorwaarde die gesteld wordt aan een observatiefunctie; meer in het algemeen hebben de sbo’s onvoldoende formatie voor specialistische expertise.


1.2 Vervolgopdracht

Op basis van de hiervoor besproken notitie is geconcludeerd dat er binnen de observatiefunctie drie niveaus kunnen worden onderscheiden:



  1. Observatie in een zeer vroege fase (de signaleringsfase). Het gaat hierbij om ambulante observatie, om specialisten die in de signaleringsfase ingezet kunnen worden. Een dergelijk specialistisch team zou niet alleen ingezet moeten kunnen worden in de basisscholen, maar ook al in de voorschoolse periode.

  2. Observatie gericht op leerlingen met relatief ‘lichte’ problematiek, die binnen het reguliere basisonderwijs georganiseerd zou moeten kunnen worden. Samenwerking tussen voorzieningen is hierbij een voorwaarde, evenals een kwaliteitsgarantie. Deze kwaliteitswaarborg kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door een samenwerking aan te gaan tussen basisscholen, sbo’s, REC cluster 4 scholen en jeugdzorg.

  3. Observatie gericht op leerlingen met ‘zwaardere’ problematiek. Het gaat hierbij om kinderen met ernstige ontwikkelingsproblemen en gedragsproblemen, waarbij observatie nodig is. Ook kinderen waarbij onduidelijk is of leerachterstanden worden veroorzaakt door beperkte cognitieve vermogens of een gevolg zijn van een psychiatrische stoornis, vallen hieronder. Dit vraagt om specifieke expertise.

In oktober 2005 is door de schoolbesturen van de Amsterdamse samenwerkingsverbanden WSNS besloten een vervolgopdracht te laten uitvoeren door OOG onderwijs zorg welzijn en De Bascule. De opdracht is als volgt geformuleerd: ‘Onderzoek op welke wijze de gewenste observatiefunctie in Amsterdam gestalte kan krijgen. Ga hierbij uit van de drie onderscheiden niveau.’ In deze notitie wordt met name ingegaan op de twee eerste niveaus, die binnen het reguliere basisonderwijs vorm zouden moeten kunnen krijgen. De observatiefunctie gericht op leerlingen met ‘zwaardere’ problematiek zal in een later stadium verder worden uitgewerkt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan multidisciplinaire observatietrajecten die binnen het speciaal onderwijs kunnen worden ontwikkeld in de vorm van observatiepakketten van verschillende duur (variërend van drie tot twaalf maanden) en zwaarte. Deze observatiepakketten worden bij voorkeur gekoppeld aan de PI-functie.


De voorliggende notitie is een tussenrapportage. De notitie zal worden besproken in de bestuurlijke overleggen van de vijf Amsterdamse samenwerkingsverbanden WSNS en in de stedelijke stuurgroep Onderwijs en Zorg. Na dit besluitvormingstraject zullen de pilots die in deze notitie worden voorgesteld, verder uitgewerkt worden in samenwerking met de betrokken partijen. Gestreefd zal worden zo snel mogelijk in het schooljaar 2006/2007 te starten met de pilots.
1.3 Opbouw van de notitie

De vormgeving van de observatiefunctie staat niet op zichzelf. Op dit moment is een aantal ontwikkelingen gaande die van invloed kan zijn op deze vormgeving. Aan de ene kant zijn er landelijke ontwikkelingen, zoals de door de minister van OC&W gewenste zorgplicht. Deze ontwikkeling wordt beschreven in hoofdstuk 2. Aan de andere kant wordt de vormgeving beïnvloed door het onderwijsaanbod van en de vraag naar observatie vanuit de scholen (hoofdstuk 3) en ontwikkelingen binnen het Amsterdamse onderwijs (hoofdstuk 4). Als gevolg van deze ontwikkelingen is ervoor gekozen eerst de observatiefunctie uit te werken voor de eerste twee niveaus, die binnen het reguliere basisonderwijs vorm zouden moeten kunnen krijgen. Immers, als de plannen doorgaan, dan maakt de observatiefunctie integraal onderdeel uit van de zorgplicht van scholen. In deze notitie wordt voorgesteld om te onderzoeken hoe de observatiefunctie op een goede manier en passend bij de ontwikkelingen kan worden vormgegeven. Een antwoord op deze vraag hangt ook samen met de visie op de ontwikkeling van kinderen. Dit komt in hoofdstuk 5 aan de orde. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 gekeken naar onderwijsvisies die in de praktijk zijn terug te vinden. In hoofdstuk 7 wordt gekeken wat al het voorgaande nu betekent voor de vormgeving van de observatiefunctie en worden aanbevelingen gedaan.


2. Landelijke ontwikkelingen: de zorgplicht
Eind september 2005 verscheen een brief van minister Van der Hoeven aan de Tweede Kamer in de vorm van een notitie genaamd ‘Vernieuwing van de zorgstructuren in het funderend onderwijs’. In deze notitie signaleert de minister een aantal knelpunten in het huidige onderwijszorgaanbod. Zij concludeert vervolgens dat de zorgbehoefte van de leerlingen zo verschillend is, dat het niet goed mogelijk is om een landelijk onderwijsaanbod in te richten op basis van wet- en regelgeving dat recht doet aan al deze verschillen. Daarom wil de minister een zorgplicht invoeren. In de praktijk ziet dit er als volgt uit:

  • Ouders melden hun kind aan bij de school van hun voorkeur. Vervolgens heeft deze school de plicht om een onderwijszorgarrangement aan te bieden. Het is mogelijk dat de school van de eerste keus het onderwijsprogramma niet (volledig) kan organiseren. Het onderwijszorgarrangement geeft aan bij welke school de leerling dan wel onderwijs kan volgen. Bij die andere school moet dan ook daadwerkelijk plaatsing mogelijk zijn, zodat ouders niet langer van het kastje naar de muur worden gestuurd.

  • Als er verschil van opvatting is tussen ouders en schoolbesturen over of het aanbod wel past bij het kind, kunnen zij een beroep doen op een geschillenregeling.

  • Leerlingen die extra aandacht nodig hebben, kunnen een indicatie krijgen op basis van een objectief systeem. Er is één indicatiesystematiek voor alle leerlingen. Bij de inschrijving van een geïndiceerde leerling ontvangt de school een hogere bekostiging: de leerling heeft een zorggewicht. Dat stelt de school in staat om de zorgplicht waar te maken. Niet alle leerlingen die extra zorg nodig hebben moeten worden geïndiceerd. Scholen ontvangen voor lichtere problematiek een basiszorgbudget, gebaseerd op het totale aantal leerlingen in de school.

  • De aanbodsgerichte vormen van bekostiging in het huidige systeem komen zoveel mogelijk te vervallen. De verschillen in bekostiging van een geïndiceerde leerling bij een speciale school en bij een gewone school worden weggenomen. De hoogte van de bekostiging is dus niet meer van invloed op de plaats waar de leerling onderwijs krijgt.

  • Het verticale toezicht door de inspectie wordt toegesneden op de nieuwe situatie waarin alle scholen de plicht hebben onderwijszorgarrangementen aan te bieden. De zorgplicht is een bekostigingsvoorwaarde. Voldoet de school niet aan deze voorwaarde, dan volgen sancties.

Met de invoering van de zorgplicht kan het wettelijk onderscheid tussen regulier en speciaal onderwijs vervallen. Alle scholen worden wettelijk gezien reguliere scholen voor primair of voortgezet onderwijs. Er wordt dus van een overwegend aanbodsgerichte structuur overgaan naar een systeem waarbij de leerling centraal staat. In plaats van het inpassen van een leerlingen in een structuur, wordt het onderwijs flexibel en gevarieerd ingericht zodat de mogelijkheden en de ontwikkelingen van elke leerling tot zijn recht komen. Naarmate scholen meer of minder geïndiceerde leerlingen opnemen zijn zij meer of minder speciaal in hun onderwijsaanbod. Dit betekent dus niet per definitie dat scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs verdwijnen. Het is bovendien van belang te voorkomen dat de expertise van het (voortgezet) speciaal onderwijs weglekt. De grote kennis van en ervaringen die zij hebben met specifieke onderwijsprogramma’s voor allerlei handicaps en stoornissen kan in de nieuwe situatie zelfs beter tot zijn recht komen, afhankelijk van de wijze waarop dit wordt georganiseerd. Er kunnen allerlei vormen van geïntegreerd onderwijs worden ontwikkeld met inzet van de expertise van speciale voorzieningen. Dit geldt ook voor de scholen voor speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs. Hun expertise op het gebied van onderwijsprogramma’s voor leerlingen met dyslexie, ADHD, hoogbegaafdheid en arbeidsgericht onderwijs kan worden ingezet om voor alle leerlingen een passend aanbod samen te stellen.


Bij deze veranderingen spelen het bovenschools management en het bestuur van de scholen een cruciale rol. Zij maken afspraken in de regio over samenwerking die een passend onderwijsarrangement voor alle leerlingen mogelijk maakt. In ‘Kaders naar een flexibele leerlingenzorg’ (augustus 2005) hebben de besturenorganisaties verklaard bereid te zijn deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Inzet van de minister is om in een periode van ongeveer 5 jaar tot een landelijke invoering van de zorgplicht te komen in combinatie met wijzigingen op het gebied van de bekostiging, de positie van ouders en het toezicht. De plannen van de minister zijn in overeenstemming met de wetgeving die wereldwijd is veranderd nadat het Salamanca Statement (1996) is aangenomen. Hierin verklaren 88 landen en 25 internationale organisaties dat leerlingen met ‘special needs’ binnen het reguliere systeem onderwijs moeten kunnen volgen. Nederland kan hier nog een aanzienlijke slag in maken. Internationaal gezien ligt in Nederland de nadruk veel minder op het streven naar het opvangen van zoveel mogelijk leerlingen in het regulier onderwijs dan bijvoorbeeld in Scandinavië en Groot-Brittanië (Van der Aalsvoort en Eendhuizen, 2005).
3. De praktijk: de vraag vanuit de scholen
Niet alleen de landelijke ontwikkelingen zijn van invloed op de vormgeving van de observatiefunctie, zeker zo belangrijk is de Amsterdamse onderwijspraktijk. Voor de uitwerking van de observatiefunctie is het nodig zicht te hebben op de vraag vanuit de scholen. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd: de profielen leerlingenzorg van de samenwerkingsverbanden Oost, West, Zuid en Zuidoost, dossiers van leerlingen die waren aangemeld bij de zorgplatforms Oost, West en Zuid, het orthoteam van de PCOOA (dat voor PC-basisscholen verspreid over de hele stad werkt), een rapportage van het GPI over preventieve ambulante begeleiding (PAB) vanuit REC BovenAmstel die ingezet wordt om te voorkomen dat leerlingen op termijn zijn aangewezen op leerlinggebonden financiering (lgf)of plaatsing in het (voortgezet) speciaal onderwijs, en gesprekken met inhoudelijk deskundigen, zoals mevrouw Guldemond (lid van de PCL en tevens ambtelijk secretaris van de CvI, REC cluster 4) en de heer Klompe (interim-voorzitter van het zorgplatform Zuidoost en werkzaam bij het seminarium van orthopedagogiek met als specialisme jonge risicokinderen).
3.1 De profielen leerlingenzorg

Op basis van de profielen leerlingenzorg kan meer inzicht worden gekregen in het onderwijsaanbod van de scholen. Voor alle vier de samenwerkingsverbanden geldt dat bijna alle scholen aangeven geen passend onderwijsaanbod te kunnen bieden voor de volgende leerlingen:



  • Leerlingen met cognitieve beperkingen en met grote leerachterstanden. Het gaat hierbij met name om leerlingen die functioneren op een zeer moeilijk lerend niveau en om leerlingen die een leerachterstand van twee jaar of meer hebben in de bovenbouw.

  • Leerlingen met ernstige gedragsproblemen en/of sociaal-emotionele problemen. Het gaat hierbij met name om leerlingen met externaliserende gedrags­problematiek, waarbij oppositioneel en agressief gedrag door bijna alle scholen als niet hanteer­baar wordt genoemd. Binnen deze categorie worden genoemd leerlingen met meervoudige sociaal emotionele problemen, zeer moeilijk opvoedbare leerlingen, leerlingen met zware adhd problematiek en leerlingen met contactstoornissen binnen het autistisch spectrum die niet aanspreekbaar of corrigeerbaar zijn. De mate van agressiviteit en het in gevaar brengen van zichzelf of anderen is hierbij doorslaggevend voor het wel of niet kunnen bieden van opvang binnen de school.

  • Leerlingen met fysieke en medische problemen. Het gaat hierbij met name om blinde of dove kinderen, kinderen met ernstige handicaps, kinderen met ernstige vormen van epilepsie en leerlingen waarbij het toedienen van medicamenten nodig is anders dan tabletten, capsules of inhaler.

Scholen in de samenwerkingsverbanden West en Zuidoost geven aan dat zij geen passend onderwijsaanbod hebben voor leerlingen met ernstige spraaktaalachterstanden en/of stoornissen, vaak in combinatie met een beperkte cognitie. Tenslotte geven scholen in de samenwerkingsverbanden Zuid en Zuidoost aan dat zij geen passend aanbod hebben voor kinderen uit problematische thuissituaties, waarbij de problematiek doorwerkt op het functioneren van de leerling op school. Kort samengevat kan worden gezegd dat scholen met name geen passend onderwijsaanbod hebben voor leerlingen die vooral naar het speciaal onderwijs worden verwezen (REC clusters 1 tot en met 4).


Daarnaast kan de categorie worden onderscheiden ‘in potentie is er een aanpak mogelijk mits….’. De volgende tendensen in de behoeften van scholen worden hierbij waargenomen:

  • deskundigheidsbevordering van leerkrachten op diverse gebieden als:

  • specialisatie in specifieke leerproblematiek (hoogbegaafdheid, dyslexie, dyscalculie, NT2)

  • methoden/aanpak ten aanzien van (problematisch) sociaal emotioneel functioneren, psychiatrische problemen (ADHD, milde vormen van Autisme Spectrum Stoornissen), gedragsproblemen die corrigeerbaar zijn en geen gevaar opleveren voor de leerling zelf of zijn omgeving;

  • aanwezigheid van specialistische ondersteuning en/of ambulante inzet (vanuit de REC’s) van bijvoorbeeld logopedist, psycholoog, orthopedagoog, maatschappelijk werker;

  • ondersteuning ten aanzien van communicatie met ouders (gesprekstechnieken) en

  • afstemming/samenwerking met externe instanties (BJA, MEE, REC’s).


3.2 Dossiers zorgplatform

Voor de samenwerkingsverbanden Oost, West en Zuid is een steekproef genomen van dossiers uit de schooljaren 2003-2004, 2004-2005 en 2005-2006 van leerlingen, die zijn aangemeld bij het zorgplatform en waarvoor tijdelijke beschikkingen zijn afgegeven of waarbij getwijfeld is tussen een sbo-verwijzing en een REC-verwijzing3. De analyse van de dossiers wordt uitgebreid weergegeven in bijlage 1. Op deze plek worden alleen de algemene bevindingen weergegeven4.


Het merendeel van de tijdelijke beschikkingen betreft beschikkingen voor de afdeling jonge risicokinderen. De tijdelijke beschikkingen voor oudere kinderen betroffen met name twijfels over cognitieve capaciteiten (moeilijk lerend of zeer moeilijk lerend) en de vraag of de beperkte leervorderingen veroorzaakt werden door beperkte cognitieve capaciteiten of door andere factoren (weinig onderwijs, psychiatrische problematiek). Bij alle dossiers was er sprake van meervoudige problematiek. Veel voorkomende problematiek was beperkte cognitieve mogelijkheden, spraaktaalproblemen, sociaal-emotionele problematiek (zoals contacten met leeftijdgenootjes en uiten emoties), externaliserende gedragsproblematiek en aandacht-, concentratie- en werkhoudingproblemen. Dit komt grotendeels overeen met de bevindingen uit de profielen leerlingenzorg. Opvallend is dat in de samenwerkingsverbanden Oost en Zuid veelvuldig sprake is van spraaktaalproblematiek, terwijl dit niet is terug te vinden in de uitkomsten van de profielen leerlingenzorg.
De observatievragen die gesteld worden in de dossiers zijn voor het merendeel globaal. Het gaat met name om het in kaart brengen of volgen van de cognitieve capaciteiten, leerontwikkeling, gedragsontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, spraaktaalontwikkeling en/of werkhouding en het zicht krijgen op de onderwijs-zorgbehoefte. Vraag is of een dergelijke observatie moet plaatsvinden binnen de afdeling jonge risicokinderen van de sbo’s of dat dit ook binnen de basisscholen zelf kan. Verderop wordt hierop teruggekomen.
3.3 Orthoteam van de PCOOA

Het orthoteam krijgt een aanmelding voor observatie nadat er al opvallende zaken bij de leerling door de leerkracht en/of IB-er zijn gesignaleerd. In een aantal gevallen is er op grond van de eerste signalen al een observatie door de leerkracht/IB-er verricht en zijn interventies uitgevoerd. Indien dit niet leidt tot de gewenste resultaten, wordt het orthoteam ingeschakeld. Voor het orthoteam is observatie onderdeel van handelingsgerichte diagnostiek, waarbij de observatie zo veel als mogelijk aanknopingspunten moet geven voor het handelen in de klas. Observatie door het orthoteam heeft voornamelijk een preventieve functie, in die zin dat geobserveerd wordt in een zo vroeg mogelijk stadium voordat de problemen accumuleren, om zo te voorkomen dat kinderen worden verwezen naar het s(b)o. De inzet richt zich dan ook met name op de onder- en middenbouw (tot groep 5).

De aanmeldingen voor observatie in de afgelopen 4 jaren hebben vooral betrekking op:


  • gedrags- en/of sociaal-emotionele problemen

  • werkhoudingsproblemen die de leerontwikkeling belemmeren

  • ontwikkelingsproblemen

  • het functioneren van de groep als geheel, met name onderlinge interactie en interactie met de leerkracht

Dit kan worden vertaald naar onder meer de volgende observatievragen, c.q. hulpvragen:



  • Hoe kan ik als leerkracht de leerling motiveren en zijn concentratie bevorderen? Hoe kan ik taakgerichtheid bevorderen?

  • Wat zijn mogelijkheden om met het agressieve gedrag van de leerling om te gaan? Hoe kan ik dit ombuigen?

  • Wat is er nodig om een leerling met impulsief gedrag en concentratieproblemen te helpen bij zelfsturing?

  • Hoe krijg ik deze leerling aan het praten? Thuis praat hij wel, op school geen woord.

  • Wat kan ik doen om bij deze faalangstige leerling meer zelfvertrouwen te ontwikkelen?

  • Hoe kan de sociale ontwikkeling van dit kind worden gestimuleerd?

  • Hoe kan deze groep beter leren omgaan met elkaar en met de leerkracht?


3.4 Inzet PAB door REC BovenAmstel

In opdracht van REC BovenAmstel heeft het GPI een verkenning gedaan naar de behoefte aan PAB-modules. Het gaat om ambulante begeleiding voor leerlingen op een (speciale)basisschool of school voor voortgezet onderwijs met gedragsproblemen en/of psychiatrische problematiek. Het gaat om leerlingen die nog niet in aanmerking komen voor een ‘rugzakje’, maar waarbij wel behoefte bestaat aan begeleiding om te voorkomen dat de leerlingen op termijn aangewezen zijn op plaatsing in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Uit de inventarisatie van het GPI (juli 2005) blijkt dat er sprake is van een grote diversiteit in de begeleidingsbehoeften van scholen. In de inventarisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen PAB-modules (gericht op ondersteuning op het niveau van de individuele leerling, de leerkracht en de interne begeleider om verwijzing en schooluitval te voorkomen) en meer algemene modules als aanvulling op de PAB-modules (zoals klassenvoorlichting of teambegeleiding).

Geconcludeerd wordt dat bij de inzet van PAB prioriteit moet liggen bij de ondersteuning van de leerling en/of leerkracht in de omgang met cluster 4-gerelateerde problematiek. Aangezien het aantal hulpvragen over gedragsproblemen toeneemt, wordt aanbevolen dat in de eerste plaats modules worden ontwikkeld over externaliserende gedragsproblemen. Deze conclusies zijn van belang voor de uitwerking van de observatiefunctie die verderop in deze notitie wordt beschreven.
3.5 Samenvatting en discussie

Samenvattend kan worden gezegd dat de meervoudigheid en ernst van de problematiek bepalend zijn voor het al dan niet kunnen bieden van zorg door de scholen. Meer specifiek hebben zij vooral problemen met leerlingen met cognitieve beperkingen en grote leerachterstanden, ernstige (externaliserende) gedragsproblemen, sociaal-emotionele problemen en spraaktaalproblemen. In het algemeen ligt ook de behoefte van scholen voor deskundigheidsbevordering en ondersteuning op deze gebieden.


De observatievragen die gesteld worden in de dossiers van het zorgplatform zijn voor het merendeel globaal. Het gaat met name om het in kaart brengen of volgen van de cognitieve capaciteiten, leerontwikkeling, gedragsontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, spraaktaalontwikkeling en/of werkhouding en het zicht krijgen op de onderwijs-zorgbehoefte. Het orthoteam, dat in een eerdere fase wordt betrokken dan het zorgplatform, heeft te maken met meer handelingsgerichte observatievragen. Hierbij is duidelijk dat de inzet gericht is op het handhaven, indien mogelijk, van leerlingen in het reguliere basisonderwijs. Dit is ook in overeenstemming met het rijksbeleid (WSNS, LGF en in de toekomst de zorgplicht) en de wens van een groot deel van de ouders om kinderen die extra zorg nodig hebben aan het regulier onderwijs te laten deelnemen5. In de praktijk blijkt het echter voor veel (Amsterdamse) scholen nog moeilijk om daadwerkelijk een goed onderwijszorgaanbod te creëren voor deze groep kinderen. Toch zijn er in het Amsterdamse (speciaal) basisonderwijs diverse ontwikkelingen gaande om onderwijszorgarrangementen te ontwikkelen ter versterking en verbreding van het aanbod binnen de school voor kinderen met uiteenlopende onderwijs- en/of zorgvragen. Een voorbeeld hiervan is het ‘IJsbrekerproject’ in samenwerkingsverband West. Dit is een goed voorbeeld van een project dat vooruitloopt op de invulling van de zorgplicht, waarbij de scheiding tussen regulier en speciaal basisonderwijs wordt opgeheven en waarbij leerlingen met hun individuele verschillen een plaats krijgen.

  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina