De ondergetekenden: Achmea Personeel B. V., gevestigd te Utrecht, fnv bondgenoten, gevestigd te Amsterdam



Dovnload 0.61 Mb.
Pagina6/24
Datum04.10.2016
Grootte0.61 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24

Artikel 4.6 Variabele werktijden

Een eventuele variabele werktijdenregeling komt tot stand na voorafgaande instemming van de medezeggenschap.



Artikel 4.7 Stand-by regeling

Indien een medewerker zich beschikbaar moet houden buiten de met hem afgesproken werktijden, zal er een stand-by vergoeding van toepassing zijn.

Deze stand-by vergoeding is afhankelijk van de mate waarin de medewerker zich beschikbaar moet houden. In overleg met de medezeggenschap is dit artikel nader uitgewerkt in een personeelsregeling.


Artikel 4.8 Ploegendienst

De ploegendienstregelingen die op 31 december 1998 van toepassing waren, blijven van kracht totdat in overleg met de vakorganisaties een andere regeling is overeengekomen.



Artikel 4.9 Telewerken

4.9.1 Als telewerk wordt beschouwd het werk dat uitsluitend in opdracht van de werkgever vanuit huis wordt verricht met gebruikmaking van door de werkgever ter beschikking gestelde apparatuur en waarbij minimaal wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten:

- de werkgever maakt de afweging en neemt de beslissing of de

bedrijfsvoering aanleiding geeft tot telewerken;
- telewerken geschiedt op basis van vrijwilligheid;


  • telewerken is in beginsel mogelijk voor alle functies waarop deze CAO

van toepassing is;
- de medewerker neemt kennis van de Checklist Telewerken;
- er is sprake van een vergelijkbare werkbelasting als in de gebruikelijke

werksituatie;


- bij de invoering van telewerken is aandacht besteed aan de mogelijke

fiscale aspecten.





      1. De werkgever stelt in overleg met de Centrale Ondernemingsraad een Basisregeling Telewerken vast. In deze personeelsregeling wordt een Regeling Inrichting Werkplek op basis van Arbonormen opgenomen, inclusief een werkinstructie, de beschikbare communicatievoorzieningen en eventuele kostenvergoedingen, met inachtneming van het geldend fiscaal regime.



      2. Indien binnen een bedrijfsonderdeel telewerken wordt ingevoerd zal met de medezeggenschap op het niveau van de ABU afstemming plaatsvinden over het aantal dagen waarop maximaal thuis gewerkt kan gaan worden (met een minimum van één dag per week). Minimaal éénmaal per jaar wordt bekeken of bijstelling van het aantal dagen gewenst is. Tevens zal, indien gewenst, maximaal 1 maal per jaar evaluatie plaatsvinden van de toepassing van de regeling in relatie tot de bepalingen in de artikelen 4.9.1 en 4.9.2, ter informatie van de Centrale Ondernemingsraad en de CAO-partijen.



Hoofdstuk 5 Vakantie en Verlof



Artikel 5.1 Vakantie

5.1.1 De medewerker heeft met behoud van salaris ieder kalenderjaar recht op een aantal vrije uren, hierna te noemen vakantie(-uren), ter grootte van 11% van de voor hem geldende gemiddelde werkweek maal 52 weken. Voor de medewerker kan de gemiddelde werkweek per kalenderjaar wijzigen (als gevolg van de mogelijkheden in Achmea Select) en derhalve kan ook het aantal vakantie-uren per kalenderjaar wijzigen.



Voorbeeld: bij een gemiddelde werkweek in enig kalenderjaar van 36 uur, heeft een medewerker recht op 11% van 52 weken maal 36 (uur per week) = 206 vakantie-uren per kalenderjaar.
5.1.2 De medewerker die een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is, heeft in het desbetreffende jaar recht op een evenredig deel van het aantal vakantie-uren, waarop hij recht zou hebben gehad indien hij een vol jaar in dienst zou zijn geweest.

5.1.3 De medewerker heeft het recht maximaal de bovenwettelijke vakantie-uren als bron in te brengen in Achmea Select. Daarnaast heeft de medewerker het recht via Achmea Select extra vakantie-uren te kopen. Het bepaalde in hoofdstuk 12 is hier van toepassing.


5.1.4 De medewerker heeft het recht ten minste 3 aaneengesloten kalenderweken per kalenderjaar vakantie op te nemen.
5.1.5 Overeenkomstig de wensen van de medewerker stelt de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de in artikel 5.1.4 genoemde aaneengesloten vakantieperiode vast, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de medewerker zijn wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan de medewerker gewichtigde redenen heeft aangevoerd, is de vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de medewerker.
5.1.6 Zowel de werkgever als de medewerker streven ernaar dat de medewerker alle vakantie-uren opneemt in het desbetreffende kalenderjaar.
5.1.7 De medewerker met een andere dan een christelijke geloofsovertuiging heeft het recht vakantie op te nemen op niet-christelijke feestdagen, mits de medewerker dit een maand vóór de desbetreffende feestdag bij zijn leidinggevende aanvraagt.
5.1.8 Bij het einde van de arbeidsovereenkomst zal het teveel of het tekort aan opgenomen vakantie-uren worden verrekend.

Artikel 5.2 Bedrijfsgesloten dagen

Er is sprake van de volgende bedrijfsgesloten dagen:


• de zondag (met uitzondering van EuroCross);

• nieuwjaarsdag;

• tweede paasdag;

• Koninginnedag (de dag waarop de verjaardag van H.M. de Koningin officieel gevierd wordt);

• 5 mei (één keer per 5 jaar, het jubileumjaar);

hemelvaartsdag;

• tweede pinksterdag;

• eerste en tweede kerstdag.



Artikel 5.3 Verlof

Tenzij in dit artikel expliciet en uitdrukkelijk anders is bepaald, heeft de medewerker conform het bepaalde in de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) recht op de in dit artikel beschreven verlofsoorten. Per soort verlof is aangegeven of en zo ja in welke mate er sprake is van betaald verlof. De meest van belang zijnde wetsartikelen zijn in bijlage 3 opgenomen. Wijzigingen in de Wet Arbeid en Zorg werken onmiddellijk door in dit artikel, tenzij tussen partijen anders is overeengekomen.


De medewerker die van mening is aanspraak te kunnen maken op verlof in de zin van dit artikel zal hierover tijdig overleg plegen met zijn leidinggevende.

5.3.1 Zwangerschap en bevalling


De vrouwelijke medewerker heeft overeenkomstig artikel 3 WAZO in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof. Artikel 3.1 tot en met 3.4 WAZO zijn in bijlage 3 opgenomen.

De duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof bedraagt een aaneengesloten periode van in principe 16 weken.

De medewerker dient, om in aanmerking te komen voor zwangerschapsverlof, tijdig een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige aan de werkgever te overleggen waarin de vermoedelijke bevallingsdatum is opgenomen.

Tijdens de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de medewerker recht op een uitkering krachtens de Wet Arbeid en Zorg. Deze uitkering wordt door de werkgever, namens de medewerker bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aangevraagd.


Voorzover de hoogte van de uitkering lager is dan het salaris van de medewerker, vult de werkgever deze aan tot het salaris.


      1. Adoptie- en pleegzorgverlof
        De medewerker heeft, overeenkomstig artikel 3 WAZO recht op onbetaald verlof in verband met de adoptie van een kind en in verband met het opnemen van een pleegkind. Artikel 3.1 tot en met 3.4 WAZO zijn in bijlage 3 opgenomen.

        De duur van het verlof bedraagt ten hoogste vier aaneengesloten weken en kan worden opgenomen tijdens een periode van 18 weken, te rekenen vanaf twee weken vóór de eerste dag van de feitelijke opneming ter adoptie of pleegzorg.

        Tijdens de duur van het adoptie- of pleegzorgverlof heeft de medewerker recht op een uitkering krachtens de Wet Arbeid en Zorg. Deze uitkering wordt door de werkgever, namens de medewerker, bij het UWV aangevraagd. Voorzover de hoogte van de uitkering lager is dan het salaris van de medewerker, vult de werkgever deze aan tot het salaris.

        In aanvulling op het in de WAZO bepaalde mag de medewerker de duur van ten hoogste vier aaneengesloten weken, verlengen tot ten hoogste acht aaneengesloten weken, als hij tegenover de werkgever kan aantonen dat het te adopteren kind door de medewerker uit het buitenland opgehaald moet worden en dat daarmee ten minste drie weken gemoeid zijn. In dat geval heeft de medewerker, aansluitend op de aanvulling op de uitkering tot het salaris gedurende de eerste vier weken, nog recht op een tegemoetkoming van de werkgever ter grootte van 50% van het salaris gedurende maximaal twee weken.

        De medewerker meldt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie weken vóór de dag van ingang van het verlof aan de werkgever de opname en de duur van het verlof.

5.3.3 Calamiteiten en ander kort verzuimverlof


De medewerker heeft, overeenkomstig artikel 4 Wet Arbeid en Zorg (WAZO), het recht betaald verlof op te nemen op grond van de in artikel 4
WAZO genoemde zeer bijzondere (persoonlijke) omstandigheden. Artikel 4.1 tot en met 4.6 WAZO zijn in bijlage 3 opgenomen.
In aanvulling op het in de WAZO bepaalde heeft de medewerker recht op betaald verlof in de volgende gevallen:


  • bij huwelijk van de medewerker: één dag;

  • bij verhuizing van de medewerker: de benodigde tijd, met een maximum van twee dagen per kalenderjaar.

  • bij het overlijden van de partner, de ouder(s) of het (de) kind(eren) zal de werkgever verlof toekennen tot maximaal 10 werkdagen

per gebeurtenis. Onder ouder(s) en kind(eren) worden respectievelijk medebegrepen schoon-, stief- en pleegouder(s) en stief- en pleegkind(eren).

Voor doktersbezoek geldt dat dit in principe buiten werktijd plaatsvindt, tenzij omstandigheden buiten de invloedssfeer van de medewerker dit onmogelijk maken. In dat geval vindt doktersbezoek onder werktijd plaats.

5.3.4 Kraamverlof
De medewerker heeft, overeenkomstig artikel 4 WAZO recht op twee dagen kraamverlof met behoud van salaris na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont, of degene van wie hij het kind erkent. Artikel 4.1 tot en met 4.6 WAZO zijn in bijlage 3 opgenomen.

Het verlof kan worden opgenomen tijdens een periode van vier weken gerekend vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder woont.

De medewerker meldt vooraf of indien dit niet mogelijk is zo spoedig mogelijk aan de werkgever, dat hij het verlof opneemt onder opgave van de reden.

5.3.5 Kortdurend zorgverlof


De medewerker heeft, overeenkomstig artikel 5 WAZO recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van:
- de echtgenoot, geregistreerde partner of de persoon met wie de medewerker ongehuwd samenwoont;
- een inwonend kind tot wie de medewerker als ouder in een familirechtelijke betrekking staat;
- een inwonend kind van de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de medewerker ongehuwd samenwoont;
- een inwonend pleegkind;
- een ouder van de medewerker.

Artikel 5.1 tot en met 5.10 WAZO zijn in bijlage 3 opgenomen.

Het verlof bedraagt in elke periode van 12 opeenvolgende maanden ten hoogste twee maal de arbeidsduur per week.
De medewerker behoudt gedurende het verlof recht op 70% van het salaris, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon.

De medewerker meldt vooraf en indien dit niet mogelijk is zo spoedig mogelijk dat hij verlof opneemt, onder opgave van de reden, de omvang van het verlof, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het


verlof.

De werkgever kan achteraf van de medewerker verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij het verlof heeft opgenomen in verband met de noodzakelijke verzorging van een in dit artikel bedoeld persoon.

Indien de medewerker voldoet aan zowel de voorwaarden voor calamiteitenverlof als voor kortdurend zorgverlof, eindigt het calamiteitenverlof na één dag en gaat vervolgens over in kortdurend zorgverlof.

5.3.6 Ouderschapsverlof


De medewerker heeft, overeenkomstig artikel artikel 6 WAZO, tot en met de datum waarop elk kind de leeftijd van 8 jaren heeft bereikt, recht op onbetaald ouderschapsverlof. Artikel 6.1 tot en met 6.7 WAZO is als bijlage 3 opgenomen.
In aanvulling op deze wettelijke regeling betaalt de werkgever de helft van het aantal opgenomen verlofuren door, tot een maximum van in totaal 1 maandsalaris per ouderschapsverlofperiode. Deze werkgeversbijdrage vervalt per 1 januari 2007. De arbeidsvoorwaardelijke ruimte die hiermee gemoeid was, zal ten behoeve van arbeidsvoorwaarden aangewend worden. Hierover zullen de werkgever en de vakorganisaties nadere afspraken maken.
Het ouderschapsverlof wordt in een aaneengesloten periode opgenomen. In afwijking hiervan kan de medewerker de werkgever verzoeken om:

a. verlof voor een langere periode dan zes maanden;

b. het verlof op te delen in ten hoogste drie perioden van ten minste een maand per periode;
c. meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week.

De definitieve invulling van de eventueel resterende werktijd gedurende deze periode geschiedt in overleg tussen de medewerker en diens leidinggevende.


De medewerker meldt het voornemen om verlof op te nemen ten minste twee maanden vóór het tijdstip van ingang van iedere verlofperiode schriftelijk aan de werkgever, onder opgave van de periode(n) en het aantal uren verlof per week.
Voor de opbouw van pensioenrechten wordt het ouderschapsverlof volledig als diensttijd aangemerkt. De pensioengrondslag ondergaat derhalve geen wijziging. De opbouw van vakantierechten geschiedt overeenkomstig het aantal uren waarover de medewerker tijdens de ouderschapsverlofperiode recht op salaris heeft.

5.3.7 Zorgverlof


De medewerker heeft bij ernstige ziekte van de partner, de ouder(s) of het (de) kind(eren), dat/die verzorging behoeft/behoeven en hiervoor afhankelijk is/zijn van de feitelijke verzorging van de medewerker, recht op onbetaald zorgverlof. Onder ouder(s) en kind(eren) worden respectievelijk mede begrepen, stief- en pleegouder(s) en stief-, geadopteerde- en pleegkind(eren).
Het maximaal aantal uren zorgverlof wordt bepaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.2 lid 1 WAZO. Dit artikel is in bijlage 3 opgenomen.
Het zorgverlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 6 maanden (hierna te noemen de zorgverlofperiode). Het aantal uren zorgverlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de gemiddelde werkweek. Van het bepaalde in zowel de eerste als tweede volzin kan worden afgeweken overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.2 lid 4 sub a en c WAZO (zie bijlage 3).

De werkgever betaalt de helft van het aantal opgenomen verlofuren door tot een maximum van in totaal 1 maandsalaris per zorgverlofperiode.


Voor de opbouw van pensioenrechten wordt het zorgverlof volledig als diensttijd aangemerkt. De pensioengrondslag ondergaat derhalve geen wijziging. De opbouw van vakantierechten geschiedt overeenkomstig het aantal uren waarover de medewerker tijdens de zorgverlofperiode recht op salaris heeft.

5.3.8 Werkgroep levensloopregeling in relatie tot verlofvormen


Partijen streven er naar maximale duidelijkheid te scheppen over de toepassing en werking van de Levensloopregeling in relatie tot de diverse vormen van verlof. Zij roepen daartoe een gezamenlijke werkgroep in het leven. Voor zover deze werkgroep constateert dat aanvullende maatregelen of –regelgeving noodzakelijk is, zal zij partijen hierover adviseren. Als dit maatregelen of aanvullende regelgeving betreft van niet materiële aard, dan kunnen deze ook tijdens de cao-periode geïmplementeerd worden. Maatregelen met een materieel effect worden ingebracht in het overleg over een volgende cao.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   24


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina