De onnodige boerenoorlog



Dovnload 61.43 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte61.43 Kb.
DE ONNODIGE BOERENOORLOG

Math Verstegen



E-post: math07@kabelfoon.nl

 

INLEIDEND



DEEL I

Ruim een eeuw geleden woedde in Zuid-Afrika een oorlog tussen afstammelingen van Nederlandse emigranten en het Britse leger. Groot-Brittannië was toen de grootste koloniale mogendheid maar wilde steeds meer landen aan zijn imperium toevoegen. Om heel Zuid-Afrika in zijn macht te krijgen moesten twee kleine Boerenrepublieken veroverd worden. Dat gebeure in een oorlog die van 1899 tot 1902 duurde. In dit boek worden de eerste maanden van deze, door een hedendaagse Brit ‘onnodig en smerig’ genoemde, oorlog beschreven. In die maanden profiteerden Transvaal en Oranje Vrijstaat van hun toen nog numerieke overwicht, waardoor zij in staat waren grote delen van de Kaapkolonie en Natal te bezetten. Van de bloedige veldslagen die daarbij werden geleverd zijn uitvoerige beschrijvingen met bijbehorende kaarten in deze rijk geïllustreerde uitgave opgenomen.



DEEL II

De verrassingsaanval van de Boeren is na een paar maanden vastgelopen. De poging om te verhinderen dat Britse versterkingen worden aangevoerd is mislukt. Weliswaar slagen de eerste Britse eenheden er nog niet in om de Boeren uit Natal en de Kaapkolonie te verdrijven, maar zodra meer dan tien divisies zijn aangekomen walst het Britse leger over de Boerenstellingen heen.

Daarmee is de oorlog echter nog niet afgelopen want er begint een jarenlange guerillastrijd waarin Britten én Boeren grote verliezen lijden. De meeste doden vallen echter in de concentratiekampen ten gevolge van honger en ziektes. Hier zijn vrouwen met hun kinderen en het zwarte personeel ondergebracht; zij waren verdreven uit hun door de Britten verbrande boerderijen.

In dit tweede deel word hier onder meer aandacht aan besteed, evenals aan de rol die Nederland in dit conflict heeft gespeeld. Uit documenten uit het Koninklijk Huisarchief blijkt de belangstelling van Wilhelmina voor deze oorlog van haar stamverwanten met de onderdanen van haar tante, koningin Victoria.

In zijn nabeschouwing vraag de schrijver zich af of de Britse regering ooit aan dit koloniale avontuur zou zijn begonnen als zij geweten had welke hoge prijs zij voor het bemachtigen van de twee kleine Boerenrepublieken moest betalen: 8.000 gesneuvelden en meer dan 66.000 militairen die als invaliden naar huis terugkeerden. Het kostte de Britse belastingbetaler niet minder dan 210 miljoen Engelse ponden.

 

Hoofdstuk 15



DE CONCENTRATIEKAMPEN

Begin maart 1901 besluit Kitchener de oorlogsimpasse te doorbreken door systematisch de Boerencommando’s op te jagen en elke week zovelen van hen uit te schakelen dat hun aanvallen vanzelf verminderen. Daarnaast wil hij hun ondersteuningsgebied ontdoen van alles dat hen kan helpen: paarden, koeien, schapen, vrouwen en kinderen. Ook zijn tegenstanders passen die methode toe want het is de gewoonte van Botha, Smuts en De la Rey om de Boeren die zich overgeven te straffen door hen en hun gezinnen uit hun boerderijen te verdrijven. De consequentie van die ontvolking van het platteland is wel dat voor de opvang van al die mensen langs de spoorlijnen kampen ingericht moeten worden. Hoe dat moet gebeuren laat Kitchener voor Transvaal over aan generaal-majoor John Maxwell en voor de voormalige Vrijstaat aan kolonel Adams, die zich voor de inrichting van de kampen dienen te wenden tot Milner. Verder bemoeit hij zich er niet mee. Dat de beide officieren er een janboel van maken interesseert hem blijkbaar ook niet.

Hoewel al sinds mei 1900 boerderijen worden platgebrand, wordt pas in september begonnen met het inrichten van kampen in Bloemfontein en Pretoria. Dat de poging van Roberts om de bewoners ervan aan Botha te slijten mislukte, hebben we al gezien. Het schijnt hier te zijn gegaan om een proef voor 2500 vrouwen en kinderen. Na het vertrek van Roberts pakt Kitchener het probleem veel voortvarender aan. Dat is ook wel nodig want de aantallen vrouwen en kinderen van de verbrande boerderijen lopen geweldig op nadat Kitchener heeft besloten om het hele platteland van de beide landen volledig te ontdoen van alles dat de guerilla’s zou kunnen helpen. Paarden en koeien worden doodgeschoten en vrouwen en kinderen uit hun huizen gezet, die in brand gestoken worden. Voor hen worden niet minder dan 40 ‘vluchtelingenkampen’ opgezet. Ook voor de Afrikaanse ‘vluchtelingen’, meestal personeel van de blanke eigenaren van de boerderijen. Maar die mogen niet in de kampen voor de blanken. Dus komen er aparte ‘zwarte’ kampen, waarin de toestanden even ten hemel schreiend zijn als in die van hun voormalige meesteressen. Die toestanden zijn niet toevallig. De kampen worden beheerd door burgers. Voor elk van de 24 kampen komt één beheerder, één arts en een paar verpleegsters. Misschien zou dat niet tot zulke dramatische toestanden hebben geleid als de mensen erin goed te eten hadden gekregen. Maar er wordt een twee-rantsoenensysteem ingevoerd. De vrouwen en kinderen, van wie de man en vader ‘op commando’ is, krijgen geen vlees. Daarnaast zijn de rantsoenen erg laag en wordt geen verse groente verstrekt en evenmin verse melk. Dit is de belangrijkste reden dat er zoveel jonge kinderen en babies sterven. Zelfs nadat de rantsoenen wat zijn verhoogd zijn het (Engelse) pond meel en het halve pond vlees per dag niet in staat ziekten onder de opeengepakte geïnterneerden te voorkomen.

 



Kinderen sterven bij duizenden door ondervoeding.

In maart 1901 bereiken de eerste berichten over de toestand in de kampen London. Als de staatssecretaris van Oorlog, sir John Brodrick, om inlichtingen erover vraagt krijgt hij een geruststellend telegram van Kitchener: ‘De bewoners zijn happy en de kampen, die nog niet zo goed zijn als zou moeten, zullen op korte termijn verbeterd worden’. Maar de staatssecretaris laat zich daarmee niet afschepen. In een brief legt hij Kitchener uit dat er verontrustende rapporten zijn binnengekomen over het kamp in Bloemfontein: onvoldoende water en melk, aanwezigheid van tyfusgevallen, zieke kinderen, geen zeep, geen voer voor koeien en onvoldoende medische zorg. Die berichten over de toestanden in de kampen in Zuid-Afrika komen van Emily Hobhouse. In februari heeft ze op voorspraak van Milner een bezoek aan de kampen kunnen brengen. Maar als haar rapporten daarover verschijnen krijgt hij er spijt van als haren op zijn hoofd, dat hij haar heeft geholpen. Zo bereiken hem talloze protesten van regeringsgetrouwe dames die haar voor een Boerenaanhangster uitmaken, maar haar verhalen over de kampen maken indruk in Engeland. Meer dan 60.000 mannen, vrouwen en kinderen zitten al opgesloten in Kitcheners concentratiekampen. En hoe! Allang wordt er gewacht op voldoende doktoren, verzorgsters en hulpkrachten; op kleren en dekens; op medicijnen en gewatteerde dekens voor de winter. Geen wonder dat er epidemieën uitbreken die zich met een verschrikkelijke snelheid uitbreiden.

 



Twee vrouwen en zeven kinderen in één tent.

De vrijgezellin uit Cornwall wordt begin juni op het ministerie van Oorlog ontvangen door Brodrick, maar die verplicht zich tot niets. Dan gaat Emily naar de leider van de liberalen, Sir Henry Campbell-Bannerman. Die luistert met verbijstering naar de gruwelverhalen van zijn bezoekster en kan een methods of barbarism niet onderdrukken. Diezelfde term gebruikt deze leider van de liberale oppositie als hij op 14 juni 1901 een vergadering van de Nationa1 Reform Union toespreekt. Hij moet als politiek leider van de liberalen, die verdeeld zijn in pro- en contra-Boer-vleugels, de eenheid zien te bewaren en kan in het Lagerhuis daarom geen aanval op de regering openen. Die taak wordt overgenomen door de jonge Welshman David Lloyd George, die tot de linkervleugel van de liberalen behoort. Ook twee radicale lagerhuisleden, C.P. Scott en John Ellis vallen de regering aan over de toestanden in wat zij als eerste Britten ‘concentratiekampen’ durven te noemen. Het is Ellis, die een familielid uit Zuid-Afrika vraagt om hem te rapporteren over de toestanden in die kampen. Maar Kitchener weigert hem toe te laten en Brodrick houdt in het Lagerhuis vol dat de bewoners van de kampen daar op vrijwillige basis als vluchtelingen zitten. Ellis heeft, net zo min als Lloyd George, voldoende informatie over de kampen. In april krijgt het Lagerhuis wel gegevens over de aantallen mensen daarin: in Transvaal 21.105, in de Orange River Colony 19.680 en in Natal 2,524. Het aantal doden in Transvaal bedraagt 284 en in de O.R.C. 382.

 



Emily Hobhouse

Hoe weinig de politiek verantwoordelijke bewindsman werkelijk weet over de situatie in de kampen blijkt wel uit zijn mededeling dat het goed geleide vluchtelingenkampen zijn, die er alleen toe moeten dienen om de Boeren te verleiden zich over te geven. Als Lloyd George en Ellis dit complete onzin noemen, verandert Brodrick zijn verdediging. Hij geeft nu toe dat de kampen zowel een militaire als morele noodzaak zijn en dat er aanvankelijk wel wat problemen zijn geweest, maar dat nu alles wordt gedaan om die op te lossen. Het is niet de ‘onafhankelijke’ Britse pers, die de waarheid naar boven brengt. Een correspondent van de Times kabelt op 16 juni in een lang verslag vanuit Bloemfontein dat het dodenaantal in het kamp bij Bloemfontein snel daalt. Emily Hobhouse kan die leugen ontzenuwen want zij is zelf in dit kamp geweest en heeft geconstateerd dat de meest elementaire voorzieningen ontbreken. De tenten zijn veel te klein voor de acht tot twaalf mensen die erin moeten wonen en de lucht daarin is ondraaglijk. Er is geen zeep, haast geen brandstof, bedden of matrassen ontbreken en de rantsoenen zijn net te groot om niet van honger te sterven.

Na Bloemfontein bezoekt Emily nog de helft van de andere kampen in de voormalige Vrijstaat en treft overal dezelfde toestanden aan. Vanuit de trein ziet zij dat honderden vrouwen en kinderen in open wagons, soms blootgesteld aan ijskoude regen, naar de kampen vervoerd worden. Soms moeten zij dagenlang zonder eten of drinken bij een station wachten op verder vervoer. Het is het resultaat van de nieuwe operatie van de troepen van Kitchener om het ‘veldt’ schoon te vegen. Dit is nog veel erger om te zien dan de toestanden in de kampen waar teminste nog een zekere orde heerst. Dit is een oorlog in al its destructivenes, cruelty, stupidity and nakedness. Zo wordt dat, wat zij ziet, omschreven in het boek dat pas in 1929 over haar verschijnt.

In april is zij weer in het kamp van Bloemfontein en moet dan tot haar ontzetting constateren dat door de verdubbeling van het aantal bewoners de toestanden er nog erger zijn dan toen zij er in januari was. Het aantal sterfgevallen is dan ook nog groter. Elke dag moeten 20 tot 25 doden worden weggebracht. ‘Sinds de pest in de Middeleeuwen is dat niet meer voorgekomen’, zegt ze. Ze heeft nu genoeg gezien en wil zo gauw mogelijk naar Engeland om haar landgenoten in te lichten. In een rapport dat ze aan de leden van het Lagerhuis stuurt en dat al eind juni 1901 gepubliceerd wordt, meldt ze haar bevindingen. Lloyd George wil daarover een debat in het Lagerhuis. Voordat dit gehouden wordt moet Broderick in het vragenuurtje al toegeven dat er veel meer blanken en zwarten de kampen bevolken, om precies te zijn 63.127. Zijn dodencijfer maakt nog veel meer indruk. In mei zijn alleen al in de Transvaalse kampen 39 mannen, 47 vrouwen en 250 kinderen gestorven. Maar cijfers voor de drie andere kolonies zijn nog niet beschikbaar, beweert hij. De 336 mei-doden in Transvaal betekent een sterftecijfer van 12% en dat is heel wat hoger dan het cijfer (5%) tijdens de tyfusepidemie in Bloemfontein.

 



Vrouwen en kinderen in open kolenwagons op weg naar een concentratiekamp.

 



Abraham Carel Wessels in het concentratiekamp in Bloemfontein.

Lloyd George gaat in het Lagerhuis ongemeen fel tekeer. Hij beschuldigt de militaire autoriteiten in Zuid-Afrika ervan, dat zij willens en wetens een uitroeiingspolitiek tegen de vrouwen en kinderen voeren. Why make war against women and children? zo vraagt hij. De mannen zijn toch hun vijanden. Hij zegt opzettelijk niet ‘onze vijanden’, maar bedoelt met ‘hun’ duidelijk de generaals in Zuid-Afrika, die tegen elke regel van ‘beschaafde oorlogvoering’ in handelen. We want to make loyal British subjects of these people. Is this the way to do it? zo vraagt hij de regering.

Dan durft ook de liberale leider, Campbell-Bannerman, het kabinet aan te vallen. Hij heeft maar één woord voor het systeem, dat het leger hanteert: ‘barbarous’. Brodrick blijft hardnekkig Kitchener c.s. verdedigen want, zoals hij zegt, de guerillas hebben hem zelf gedwongen om het hele land schoon te vegen en hielpen sommige vrouwen de vijand en zijn anderen door hun mannen verlaten. None of them could be simply left on the veld to starve, zo verdedigt hij de methoden van Kitchener. En dat er niet genoeg gedaan is om de kampen hygiënisch genoeg te maken, ontkent hij ook al. De meerderheid in het Lagerhuis accepteert dat en een motie van Lloyd George wordt met 252 tegen 149 stemmen verworpen, waarbij de Limps zich van stemming onthouden.

In augustus 1901 blijkt dat de vrees van Emily Hobhouse bewaarheid wordt. De cijfers die dan eindelijk loskomen geven aan dat het steeds erger wordt. Er zijn al 93.940 blanken en 24.457 zwarten in wat nog steeds vluchtelingenkampen worden genoemd. Ook het dodencijfer loopt schrikbarend op: in mei geen 336 maar 550, in juni 782 en in juli 1675! Op dezelfde dag dat ze bekend worden gaat het parlement voor vijf maanden met reces, en niemand valt Brodrick nog lastig met vragen. Er is echter een belangrijk man die ook fel gekant is tegen deze methode van Kitchener. Lord Milner is eind mei naar London afgereisd en probeert het kabinet ervan te overtuigen, dat zijn eigen methode om de oorlog te winnen de voorkeur verdient boven die van Kitchener. Hij weet het kabinet ervan te overtuigen dat de politiek van de bevelhebber in Zuid-Afrika erger dan misdadig is. Hij noemt die ook een blunder omdat hij er niets mee bereikt, zeker geen sneller einde van de oorlog. Het kabinet, waarin Chamberlain de voorstellen voor een nieuwe politiek van harte steunt, gaat om. De nieuwe politiek, die eind juni wordt bedacht, is in feite gebaseerd op Milners gedachte om districtsgewijs de twee nieuwe kolonies te pacificeren en niet met geweld het verzet erin te breken. Kitchener wordt daartoe niet direct gedwongen.

Op 2 juli krijgt hij een lang telegram, waarin hem wordt gezegd dat als hij de oorlog niet voor het einde van de winter daar, dus in september, kan beëindigen, hij de nieuwe politiek moet gaan volgen. Dat is niet alleen een politiek van localizing the war, maar ook een protection policy. Met name de goudindustrie in de Witwatersrand moet weer op volle toeren gaan draaien en ook andere delen van het land, die economisch van belang zijn, moeten beschermd worden. Vanuit die beschermde streken kan het land eromheen dan ook geleidelijk tot vrede gebracht worden. Kitchener krijgt ook te horen dat het leger daar met 110.000 man verminderd kan worden, want het kost de Britse schatkist al geruime tijd 1,25 miljoen pond per week.

De reactie van Kitchener is geen negatieve. Hij praat niet over de nieuwe politiek maar discuteert wekenlang over de (on)mogelijkheid om zijn leger in te krimpen. Hij heeft het kwart miljoen soldaten nodig voor zijn mobiele kolonnes om grote aantallen Boeren te doden, gevangen te nemen of zich te laten overgeven. En hij moet zorgen dat zij geen versterkingen krijgen, vooral niet van Afrikaners uit de Kaap. Eind juni 1901 komt dan het bericht dat de vredespogingen van Kitchener zijn mislukt. De kans op een einde van de oorlog op korte termijn is nu verkeken en dus is er alle reden de nieuwe politiek te gaan uitproberen. Voor Kitchener is vooral de houding van president Steyn, die per se wil doorvechten, een argument om aan te tonen hoe gevaarlijk het is om van zijn ‘schoonmaak’-methode af te stappen. Ook de noodzaak om de Kaapkolonie van de invasielegertjes van Kritzinger en Hertzog te ontdoen gebruikt hij als argument tegen de verkleining van zijn leger. Hij komt met een heel nieuw idee: lage straffen voor de Kaapse ‘rebellen’ die zich vrijwillig overgeven, maar handhaving van de doodstraf voor de gevangengenomen gewapende ‘rebellen’ en een zachtaardige behandeling van burghers, die zich vrijwillig overgeven. Als ze dat niet doen dienen ze eerst een boete te krijgen, waarna hun bezittingen verbeurd verklaard worden. De Boerenleiders ten slotte dienen verbannen te worden. Het Britse kabinet laat zich op die manier helemaal in de verdediging drukken. Wel houdt het de meest wilde plannen van Kitchener tegen. Zo gaat het deporteren van vrouwen en kinderen naar de krijgsgevangenkampen in het buitenland, waar hun mannen en vaders zitten, niet door. Ook een alternatief daarvoor, het verkopen van alle bezittingen van de commando’s om met de opbrengst daarvan de concentratiekampen te betalen, wordt afgeketst. De regering protesteert met name tegen het feit dat de bevolking van Dordrecht gedwongen is om toe te zien hoe generaal French Kaapse rebellen executeert. Het kabinet waarschuwt de Boeren wel in een bekendmaking dat zij na 15 september zwaardere maatregelen kunnen verwachten. Als dat geen effect heeft zal het kabinet geen troepen uit Zuid-Afrika terugtrekken. Dat heeft natuurlijk wel tot gevolg dat het parlement extra geld voor de oorlog beschikbaar zal moeten stellen.

Om terug te keren naar de concentratiekampen. Er wordt in London eindelijk iets gedaan om de toestanden daarin te laten onderzoeken. Een commissie bestaande uit louter vrouwen, bezoekt de concentratiekampen. Deze ‘Fawcett Commission’ gaat ervan uit dat de oorlog voor de burgers nu eenmaal bepaalde onprettige gevolgen heeft. Op 18 september hebben de dames zeven van de kampen in de Orange River Colony bezocht, maar hun bevindingen verschillen wel wat van die van Emily Hobhouse. Zo zien ze dat er tennis in de kampen wordt gespeeld! In december 1901 overhandigt Mrs. Millicent Fawcett, de voorzitter, het rapport. Daarin wordt een tiental aanbevelingen gedaan, waarvan de belangrijkste zijn het onmiddellijk sturen van 40 ervaren verpleegsters, het verhogen van de rantsoenen met anderhalf pond rijst per dag, verstrekking van hout voor bedden zodat de geïnterneerden niet meer op de grond hoeven te slapen. Ook apparatuur om linnengoed van tyfuspatiënten te steriliseren, waterkokers en groenten dienen er te komen. In het algemeen constateert de commissie dat de rantsoenen te laag en veel te weinig gevarieerd zijn. Er wordt wel geconstateerd dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de kampen, maar dat slaat alleen op die voor de blanken. Opvallend is dat de vrouwen niet één van de 31 kampen voor Afrikanen in de O.R.C. bezoeken.

Vooral van de toestand in het hospitaal van Bloemfontein schrikt de commissie. Er is niet eens sterilisatieapparatuur voor het besmette linnengoed van tyfuspatiënten en in Brandfort hoort zij dat er in de eerste drie weken van oktober 337 doden zijn gevallen. De meeste kritiek gaat echter uit naar het smerige kamp in Mafeking, waar de vrouwen kleren moeten wassen in met uitwerpselen bevuild water. Vooral de staf van dit kamp krijgt er in het rapport van langs. De sterftecijfers in dit rapport zijn ook veel hoger dan die eerder van overheidswege bekendgemaakt zijn. In augustus 1901 zijn 1878 van de 105.347 blanke ‘vluchtelingen’ en 467 van de 32.272 gekleurden gestorven; in september zijn dat er 2411 van het tot 109.418 aangegroeide aantal geïnterneerde blanken en ongeveer 600 van de 38.549 Afrikanen en oktober spant de verdrietige kroon met 3156 van de 111.619 blanken en 698 van de 43.780 niet-blanken.

 



Concentratiekamp in Krugersdorp.

 



Beroofd van hun boerderijen opeengepakt in tentenkampen.

Milner krijgt van Mrs. Fawcett te horen dat dit grote aantal niet te wijten is aan omstandigheden die de Britten niet in de hand hebben. Haar commissie vindt weliswaar dat de epidemieën gedeeltelijk te wijten zijn aan de onhygiënische toestanden, die in de Zuid-Afrikaanse oorlog voorkomen en dat ook de Boerenvrouwen de tenten niet ventileren, maar de belangrijkste oorzaak daarvan is de militaire bureaucratie. Men had kunnen voorzien dat er epidemieën zouden uitbreken, in de rantsoenen had groente moeten zitten en bij de eerste uitbraak van een epidemie hadden als de weerlicht doktoren en verpleegsters naar de kampen gestuurd moeten worden. Chamberlain heeft de boodschap begrepen. Omdat Milner formeel verantwoordelijk is voor de kampen krijgt hij een berisping en de opdracht om alle noodzakelijke stappen te ondernemen voor het omlaag brengen van de dodencijfers. Nu dalen die dan ook eindelijk. Was het percentage in oktober nog 34.4, in februari 1902 bedraagt het nog slechts 6,9 en kort daarna 2. Wel zijn er, sinds de kwestie voor het eerst in het parlement ter sprake kwam, tien maanden voorbijgegaan voordat die verbetering bereikt werd. In die tijd zijn er tussen de 18.000 en 20.000 blanken en 12.000 zwarte Afrikanen gestorven, waarvan de meesten het slachtoffer waren van mazelen en van tyfus. Dat er een commissie nodig was om aan te tonen dat de militaire leiding in Zuid-Afrika die epidemieën had kunnen en moeten voorkomen, is des te wranger nu het ging om weerloze vrouwen en kinderen.

 

Hoofdstuk 17

NEDERLAND EN DE BOEREN

Bij het uitbreken van de Boerenoorlog is het meer dan een eeuw geleden dat de Nederlandse Republiek het in de vierde Engelse oorlog (1780-1784) tegen de Britten heeft durven opnemen. Bij de Vrede van Parijs beëindigde ons land voor de laatste keer in de geschiedenis een oorlog met het land aan de andere kant van de Noordzee. In de 19de eeuw speelt Nederland onder zijn nogal autocratische koningen een steeds minder belangrijke rol in Europa. In 1899 heeft de tot koninkrijk geworden staat niet meer de kracht om het land, waartegen zij in de 17de eeuw tot drie keer toe op voet van gelijkheid een zeeoorlog heeft gevoerd, te laten weten dat het zijn handen moet afhouden van de twee republiekjes in Afrika, waar tienduizenden nakomelingen van Nederlanders hun onafhankelijkheid willen behouden. In het parlementaire systeem, waarin sinds 1848 de koning geen beslissende invloed meer op de besluitvorming kan uitoefenen, zijn achtereenvolgende kabinetten tot de slotsom gekomen dat alleen een strikte neutraliteitspolitiek Nederland kan behoeden voor een herhaling van wat in 1798 is gebeurd, de verovering van het land door een andere grote Europese mogendheid, toen Frankrijk. Zelfs een coalitie met een nabuur, die zich garant stelt voor de Nederlandse onafhankelijkheid, komt niet ter sprake. Aan het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw voelt de regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich politiek noch militair sterk genoeg om de Britse regering dat te laten weten, wat de grote meerderheid van de Nederlanders vindt van de houding van Groot-Brittannië ten opzichte van de twee Boerenrepublieken in Zuid-Afrika: keep your hands off!

Die neutrale politiek heeft een eeuw lang het beoogde effect. Zelfs in 1914 respecteren de Duitsers die neutraliteit, niet omdat zij het volkenrecht willen eerbiedigen, maar omdat ze het Nederlandse grondgebied niet nodig hebben voor hun aanval op Frankrijk. In 1940 ligt dat anders. Niet alleen Frankrijk is het doelwit van de Duitsers, heel Europa moet één groot Duits Rijk worden. In de jaren rond 1900, waarin de twee Boerenrepublieken in Zuid-Afrika enige politieke steun uit Nederland goed kunnen gebruiken, viert de neutraliteitspolitiek, die zo lang onze vrijheid moest verzekeren, hoogtij. De bevolking voelt zich echter alles behalve neutraal. Zij uit haar gevoelens tijdens de Boerenoorlog door de oprichting van Boerenhulpcomité’s en het uitbreiden van de behartiging van de culturele banden met Zuid-Afrika. Hoewel er op velerlei terrein een betrokkenheid tussen de drie landen bestaat en een aantal Nederlanders zich zelfs geroepen voelt om in een Nederlanderkorps aan de kant van de Boeren mee te vechten, is er in het parlement geen meerderheid te vinden om het kabinet Pierson te dwingen de beide Zuid-Afrikaanse Republieken uit te nodigen voor de Eerste Haagse Vredesconferentie van 1899. De oppositieleider in de Tweede Kamer, dr. Abraham Kuyper, beschuldigt daarom de minister van Buitenlandse Zaken, De Beaufort, van een ‘onvergeeflijke zwakheid’, waardoor hij heeft meegewerkt aan ‘de internationale doodverklaring’ van de Boerenrepublieken.

Een van de onderwerpen waarover men het in de Haagse Vredesconferentie eens werd was nota bene de vreedzame beslechting van internationale geschillen. In 1899 is er nu net een geschil tussen onafhankelijke staten, dat in aanmerking komt om dat resultaat van Den Haag aan te wenden om een dreigende oorlog te voorkomen. Hoewel het voorstel van Paul Kruger om het geschil tussen zijn land en dat van zijn tegenspeler Lord Milner aan een onafhankelijk commissie voor te leggen helemaal in de lijn van de – door Groot-Brittannië onderschreven – conclusies van de Haagse Vredesconferentie ligt, wordt het door de Britse onderhandelaar Milner, hooghartig van de hand gewezen. En nu, in 1902, weigert het Permanente Hof zich erover uit te spreken!



Paul Kruger krijgt bij zijn aankomst in Den Haag een brief van de voorzitter van de Eerste Kamer waarin hij de oorlog ‘opgedrongen en onrechtvaardig’ noemt en de manier waarop zij gevoerd wordt, ‘barbaars’. Maar de Nederlandse regering haast zich de Britten te laten weten dat zij hiervoor niet verantwoordelijk is. En de Kamervoorzitter krijgt te horen dat hij de Nederlandse neutraliteit uit het oog heeft verloren.

Als de Boerenoorlog op zijn einde loopt en duidelijk wordt hoe verschrikkelijk de toestanden in de kampen zijn, worden in Nederland verkiezingen gehouden. Dat is het moment waarop de Nederlandse bevolking haar mening over de regeringspolitiek van premier Pierson c.s. kan geven. Ze doet dit door het kabinet een verpletterende nederlaag toe te brengen. De kiezers hopen dat Abraham Kuyper in staat zal zijn een voor de Boeren gunstige vrede te bewerkstelligen. Zij zorgen ervoor dat de ARP de verkiezingen wint, maar daarin worden zij teleurgesteld. Al snel stelt de nieuwe minister-president zich in feite op hetzelfde standpunt als zijn bekritiseerde voorganger. Ook hij wil zich niet laten verleiden tot uitspraken die Engeland onwelgevallig kunnen zijn en verklaart zonder omwegen dat hij het met de neutraliteitspolitiek van de vorige regering volledig eens is. Net als de Boerendeputatie al tevergeefs bij het Hof van Arbitrage in Den Haag had bepleit om Engeland te dwingen in te stemmen met een arbitrage, probeert Kuyper het Hof tot een uitspraak over de kwestie te bewegen, maar dat verklaart zich onbevoegd. Alleen al de weigering van Groot-Brittannië om welke vorm van arbitrage dan ook te aanvaarden is daarvoor blijkbaar voldoende. Eenzelfde poging van de Verenigde Staten is hetzelfde lot bezworen. Wel probeert Kuyper nog via een onderhandse conceptnota de bereidwilligheid van de Britten te peilen om een aanbod van goede diensten te aanvaarden, maar die leidt tot niets. Het grote probleem is dat de Boeren alleen willen onderhandelen op basis van het behoud van hun zelfstandigheid, iets dat voor de Britten onbespreekbaar is. Ook Kuypers reisje naar Parijs levert niets op; de Fransen zien helemaal niets in zijn bemiddelingspoging. Hoewel onze minister van Buitenlandse Zaken begin januari 1902 via de gezant in London zich ervan heeft vergewist dat de Britse regering een Nederlands voorstel tot het uitnodigen van gedelegeerden van beide partijen niet als een onvriendelijke daad zal beschouwen, gaat Kuyper in zijn eentje op een andere manier te werk. Hij krijgt de Boerendelegatie, die in Europa is, zo ver dat zij de eis van het behoud van zelfstandigheid niet zullen noemen. Met dat resultaat gaat hij naar London maar wordt niet eens toegelaten tot een van de betrokken bewindslieden. Daarmee willen de Britten nog eens duidelijk aangeven dat de Boerenoorlog voor hen een binnenlandse aangelegenheid is. De persoonlijke problemen die Kuyper blijkbaar heeft met het bloedvergieten in deze oorlog, zijn er kennelijk de oorzaak van dat hij buiten Van Lynden om coûte que coûte probeert tot vredesonderhandelingen te komen. In feite speelt hij op deze manier de Britten in de kaart. Van Lynden boekt meer resultaat. Zijn nota wordt door de Britse regering naar Kitchener gestuurd om haar aan de Boerenleiders te geven. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de onderhandelingen tussen beide partijen en de Vrede van Vereeniging. De Nederlandse regering wil op dat verdrag niet reageren omdat de Britse regering, die de Vrede van Vereeniging als een capitulatie beschouwt, daarover geen bericht heeft doen uitgaan. Dat doet zij evenmin op de annexatieverklaring die door de Amerikaanse regering wel uitdrukkelijk wordt verworpen.

Voor Nederland blijven er na de Vrede van Vereeniging heel wat problemen over. Het grootste probleem is wat er met gevangengenomen Nederlandse vrijwilligers en het Nederlandse personeel van de Nederlands-Zuid Afrikaanse Spoorwegmaatschappij moet gebeuren. Die zijn voor de Britten ‘personae non gratae’. Daarnaast is er een groot financieel vraagstuk. Niet alleen zijn alle Nederlandse eigendommen in de beide voormalige republieken, met name die van de NZASM, genaast, belangrijker is de vraag of niet alleen de Nederlanders in de concentratiekampen op kosten van onze regering naar Nederland mogen repatriëren, maar ook of onderdanen van de voormalige republieken naar Nederland kunnen komen. Wat de eersten betreft, zij krijgen de vrijheid naar Nederland terug te keren, als zij tenminste geen krijgsgevangenen zijn. Maar wel op eigen kosten! Alleen als zij de terugkeer niet kunnen betalen mogen zij zich tot een van de consulaten wenden. De Zuid-Afrikanen worden van overheidswege niet geholpen want dat wordt aan het particulier initiatief overgelaten. Dat brengt geen geweldig bedrag op, ƒ650.000, terwijl in Nederland berekend was, dat er voor de overtocht van 117.000 vrouwen en kinderen twaalf miljoen gulden nodig was. Een vijftal Kamerleden diende op initiatief van de Utrechtse bankier en SDAP-er Van Kol wel een motie in om alle vrouwen en kinderen die dat wilden naar elders te laten overbrengen, maar die actie heeft geen succes.

Ook de voormalige Boerenleiders doen nog een poging om aan geld voor humanitaire hulp te komen. Louis Botha, Koos de la Rey en Christiaan de Wet gaan naar Europa. Zij willen vooral bewerkstelligen, dat het schadevergoedingsbedrag ex artikel 10 van het vredesverdrag van 3 miljoen Engelse ponden verhoogd wordt. Maar hoe zij ook betogen dat de totale particuliere schade, inclusief de bouw van nieuwe boerderijen en de aanschaf van vee op 69 miljoen moet worden berekend, wil Chamberlain niets van enige verhoging weten. Geen wonder, want de oorlog heeft de Britse schatkist £217 miljoen gekost, wat de bevolking door elk jaar hogere belastingen heeft ervaren. Wel stemt Chamberlain later tijdens zijn bezoek aan Zuid-Afrika in met een lening aan de getroffen boeren van £35 miljoen.

 

Hoofdstuk 18



KONINGIN WILHELMINA EN DE BOERENOORLOG

Ze was nog maar negentien jaar en net één jaar koningin toen de Boerenoorlog uitbrak. Die strijd van haar en mijn stamverwanten hield Wilhelmina toen al erg bezig. Reeds in november 1899 ging zij voor zichzelf na hoe de kansen voor de Boeren lagen. Ze woog niet alleen de voor- en nadelen van de beide partijen tegen elkaar af, maar bekeek ook de oorlogskansen in het kader van de politieke verhoudingen in de wereld. Ze wist toen al zoveel van de situatie in Zuid-Afrika dat ze tot de conclusie kon komen dat het de Engelsen vooral om ‘de goudmijnen van Johannesburg’ te doen was en voor zichzelf noteerde ze ‘daarom hebben zij tot den oorlog gedreven’. Haar persoonlijke opvattingen kon zij vanzelfsprekend in onze parlementaire democratie niet naar buiten brengen, maar zij had er kennelijk behoefte aan om die toch ergens vast te leggen, al was het maar voor een van haar latere onderdanen. Zij deed dat in persoonlijk geschreven aantekeningen, waaruit duidelijk blijkt dat zij voor zichzelf tot de conclusie was gekomen dat de Uitlanderkwestie voor de Britse regering alleen een voorwendsel was om de Engelsen ervan te overtuigen dat ‘hun belang meebracht op te treden in Zuid-Afrika’.

Wilhelmina zag duidelijk dat de kans van de Boeren om hun onafhankelijkheid te bewaren vooral zou afhangen van de steun van andere grote mogendheden. Ze wist ook dat het vooral de overmacht ter zee van de Britten was, die een interventie van Frankrijk, Duitsland en Rusland zou verhinderen. De beste mogelijkheid lag volgens haar nog bij Rusland, dat weliswaar ook geen sterke marine had, maar wel in staat was Engelands positie in Azië aan te tasten. Met name in Perzië, Afghanistan en China hadden de Britten belangen die door Rusland met lede ogen bezien werden.

Over de Verenigde Staten zegt zij eerst dat die ‘geen punt van beschouwing kunnen uitmaken’ omdat – en dat is wel een heel opvallende gedachte – er ‘nooit zekerheid over hunnen staatkunde kan bestaan’. Opvallend omdat die onzekerheid volgens haar veroorzaakt wordt door de verkiezingen en ‘de stroomingen welke zeer snel kunnen aanwassen en afnemen’. Toch vindt zij blijkbaar dat de beste kans voor een interventie bij de V.S. ligt vanwege de vele handelsbetrekkingen met Engeland en de Britse belangen in Canada.

Dat het inderdaad de geweldige Britse militaire macht, met name ter zee, is geweest die heeft verhinderd, dat ook maar één van de grote mogendheden probeerde om de Britten te bewegen af te zien van de oorlog of die eerder te beëindigen, heeft de jonge koningin al vóór het uitbreken van de Boerenoorlog ingezien.

Al voordat zij haar gedachten erover aan het papier toevertrouwde heeft de jonge Wilhelmina geprobeerd de dreigende oorlog te voorkomen. Op 8 september 1899 schreef zij aan Queen Victoria een persoonlijke brief waarin ze een beroep op haar deed om haar ‘powerful influence’ aan te wenden. Zij was tot het versturen van deze brief gekomen nadat de minister van Buitenlandse Zaken, De Beaufort, haar twee dagen tevoren had geschreven dat hij van de Engelse wijsgeer Frederic Harrison een brief had gekregen. Daarin gaf die als zijn mening te kennen dat een eigenhandig geschreven privébrief van koningin Wilhelmina aan Queen Victoria zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van de op handen zijnde oorlog. Hoewel de regering zich op geen enkele manier wilde mengen in het geschil tussen Engeland en de Zuid-Afrikaanse Republiek wilde zij het aan de koningin overlaten of zij een dergelijke brief wilde schrijven. Als daarin alleen haar persoonlijke gevoelens blootgelegd zouden worden zou het kabinet niet in verlegenheid hoeven te komen. Wilhelmina hoefde niet lang na te denken of zij zo’n brief wilde schrijven. Het is inderdaad een strikt persoonlijke brief geworden, waarin het nichtje van de bejaarde Britse vorstin in keurig Engels en heel diplomatiek een beroep doet op haar gevoelens van menselijkheid en grootmoedigheid. Tevergeefs, nog in dezelfde maand, krijgt zij een kort briefje terug, waarin koningin Victoria haar duidelijk maakt dat het in feite van de redelijkheid van Paul Kruger afhangt of er al dan niet een oorlog komt.

Het kabinet Pierson heeft inmiddels wel koude voeten gekregen. Het laat De Beaufort een persoonlijk briefje schrijven waarin hij de koningin bezweert aan deze briefwisseling geen openbaarheid te geven. Als Kruger of Leyds er de lucht van zouden krijgen zou dat volgens hem de bewoners van de Zuid-Afrikaanse Republieken nog kunnen ‘stijven in hun ongewenste houding van onverzettelijkheid tegenover het overmachtige Engeland’.

 



Tegeltableau in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam

Hoe de kaarten er, vanuit Nederland gezien, voor de beide Boerenrepublieken bij lagen, was dus al direct duidelijk. Op enige officiële hulp hoeven zij niet te rekenen. Dat de oorlog in oktober 1899 niet meer te voorkomen is heeft Wilhelmina, anders dan vele Britse en andere historici, niet aan Paul Kruger geweten. Zij wist het zeker: Engeland noopte door zijn steeds dreigender wordende houding president Kruger het ultimatum te zenden, waardoor de oorlogsverklaring werd uitgelokt (onderstreping auteur).

Het viel de fel meelevende Wilhelmina toen dan ook moeilijk het regeringsstandpunt van strikte onthouding te respecteren. Zij moet in twee jaar tijd haar opvatting wel ingrijpend hebben gewijzigd want in 1901 kreeg Kuyper pas een formatie-opdracht nadat hij haar verzekerd had dat ten aanzien van de Zuid-Afrikaanse kwestie de Nederlandse neutraliteitspositie strikt gehandhaafd zou blijven.

Voor de Vredesconferentie die in de zomer van 1899 in ’s-Gravenhage werd gehouden, heeft Wilhelmina zich bijzonder geïnteresseerd. Maar dan in negatieve zin. Dat blijkt duidelijk uit haar in 1902 geschreven ‘Regeringsherinneringen’. Van die op initiatief van tsaar Nicolaas gehouden conferentie had zij al direct geen hoge hoed op: ‘Omdat de geschiedenis geleerd heeft dat een vredescongres een voor de onderlinge verstandhouding zeer gevaarlijke zaak is, was het beter het niet bijeen te roepen op het grondgebied van een der grote mogendheden’. Dat beseft zij wel en ook dat ‘daarom werd eerst gedacht aan Denemarken en België’. Maar dat Nederland gevraagd werd vond zij maar een zeer twijfelachtige eer, omdat daardoor op ons land een stempel van minderwaardigheid gedrukt zou worden. ‘Wij wisten toen ook nog niet in welk wespennest wij ons staken’, zo bedenkt zij drie jaar na de conferentie. Omdat andere ruimtes, waaronder de Trèveszaal, niet geschikt bleken, stelde zij het Huis ten Bosch beschikbaar. In haar schriften kunnen we ook nog iets lezen over de onderlinge verhoudingen toen. Hoewel Rusland ruim wilde zijn met de uitnodigingen weigerde Italië een afgevaardigde te zenden als de Paus een delegatie naar Den Haag zou sturen. Dus werd het Vaticaan niet uitgenodigd. Dat Engeland weigerde zijn afgevaardigde te laten plaatsnemen naast die van een suzereine staat, zoals het de Zuid-Afiikaanse Republiek placht te noemen, grieft Wilhelmina duidelijk waar ze schrijft: ‘onze stamverwanten werden dus van de conferentie gebannen’. En over Tsaar Nicolaas II, die het initiatief voor deze conferentie genomen had, schreef zij: ‘neen voorwaard, Keizer Nicolaas had zich moeilijk iets kunnen uitdenken dat mij meer ergerde dan in mijn eerste regeeringsjaar zijn vredewoord te spreken en voor te stellen het laten bespreken in mijne residentie’.

Dat een eeuw geleden de wereld (nog) niet klaar was voor wereldwijde afspraken over de beslechting van internationale geschillen en de gebruiken van de oorlog zag onze jonge koningin toen al in. Wat cynisch gaf zij uiting aan die overtuiging toen ze wat later aan zichzelf schreef dat ‘men van al die hooggeroemde vredesplannen nu, na tweeënhalfjaar jaar nooit meer hoort spreken.’ Ook de tweede Haagse conferentie, die in haar tiende regeringsjaar werd gehouden, had geen enkel praktisch effect getuige de Eerste Wereldoorlog die zes jaar later zou uitbreken.

 



Hr. Ms. Gelderland. (Inst. Voor Maritieme Historie)

De Boerenoorlog was nog geen half jaar aan de gang toen Wilhelmina een poging ondernam om er een einde aan te maken. Zij schreef op 20 maart 1900 aan Kaiser Wilhelm II: ‘Euer Majestät, Lieber und sehr verehrter Vetter!’ het verzoek om ‘das schlimmste von den Buren abzuwenden durch eine Intervention bei England mit den andern Mächten’. Voor het geval dat dit niet zou kunnen vroeg zij: ‘Oder kannst Du mir beruhigen indem Du mir einen andern Ausweg zeigt?’ Na een week geeft haar bloedverwant in een brief van elf kantjes een afwijzende reactie, waarop Wilhelmina met een kort bedankbriefje reageert.

Van tsaar Nocolaas weet ze inmiddels al dat van hem geen enkel initiatief te verwachten is om te proberen aan de Boerenoorlog een einde te maken. Haar minister van Buitenlandse Zaken, De Beaufort, heeft al op 13 maart een telegram van de gezant in Petersburg gekregen dat de Russische minister van Buitenlandse Zaken, hem gezegd heeft dat zijn regering geen initiatief tot een interventie zal nemen, maar dat zij wel hoopt dat de grootmachten het erover eens zullen worden een bemiddeling aan te bieden om een einde aan de oorlog te maken. Toch stuurt ze hem nog een aanbevelingsbrief in de Franse diplomatieke taal dat de Boerendelegatie, die door Europa en Amerika reist om de zaak van de Boerenrepublieken te bepleiten, ‘rencontrera chez Votre Majesté la haute bienveillance dans laquelle je me permets de la recommander’. In augustus 1900 krijgt ze van haar ‘bonfrère’ een afwijzend antwoord omdat hij vindt dat ‘le moment actuel n’est sans aucun rapport favorable à une démarche dans ce but auprès l’Angleterre’.

Uit haar ‘Regeeringsherinneringen’ komen we over de Nederlandse houding tegenover Paul Kruger niet zo heel veel te weten. Anders dan de verhalen, die daarover de ronde deden, is het niet aan haar initiatief, maar dat van marineminister J.A. Roëll te danken dat Paul Kruger met een oorlogsschip uit Mozambique naar Europa gehaald is. De precieze datum weet zij zich na meer dan een jaar niet meer te herinneren, maar wel dat het eind augustus, begin september geweest is, dat de regering aan haar voorstelde een schip te zenden om hem op te halen. Daar was zij natuurlijk meteen voor, maar vond het alleen jammer dat dit niet met de ‘Friesland’ kon. Zo goed was zij op de hoogte van de bewegingen van ‘Harer Majesteits schepen van oorlog’, dat zij nog wist dat dit pantserdekschip in Lourenço Marques had gelegen om eventueel hulp te verlenen aan Nederlandse vluchtelingen uit de beide Boerenrepublieken. Het schip was al naar Nederlands-Indië vertrokken wegens de slechte gezondheidstoestand van de bemanning. Hr. Ms. Gelderland, al op weg naar Indië, kreeg opdracht om koers te zetten naar de Delagoa baai.

Dat Paul Kruger in de Portugese kolonie in feite de gevangene van de gouverneur was, weten we ook pas uit deze herinneringen. De president had eerst zijn intrek genomen bij de Nederlandse consul Pot, maar werd door de Portugese gouverneur ‘uitgenodigd’ bij hem te komen wonen. Zo kon hij verhinderen dat Kruger door zijn aanhangers bezocht zou worden. De koninklijke schrijfster weet het niet zeker, maar heeft toch het sterke vermoeden dat Portugal met de Britse regering heeft onderhandeld over zijn uitlevering. Dat de Britten daar geen behoefte aan hadden zou betekend hebben dat hij zonder hun bezwaar hier kon komen.

Wilhelmina heeft Kruger dus persoonlijk leren kennen, want niet alleen heeft zij hem, samen met haar moeder, op 8 december 1900 in een korte audiëntie ontvangen, enige dagen later kwamen Kruger en Leyds bij haar eten. Zij had dus kennelijk behoefte om ook buiten een officiële audiëntie met hem te praten. Maar over haar indrukken over deze opvallende politicus krijgen we niets te lezen; ‘het is hier niet de plaats om een schets te geven van den Grijsaard, noch van de indruk die zijn persoonlijkheid maakt, noch van zijn karakter, deze punten ga ik dus met stilzwijgendheid voorbij! Waarschijnlijk was de jonge koningin erg teleurgesteld in de uitgebluste, invalide man, die zij uit de verhalen als een beroemde oorlogsheld dacht te kunnen ontmoeten.



Op 3 februari 1902, de oorlog is bijna voorbij, vindt de koningin het ogenblik gekomen om die krijg, zoals zij hem noemt, eens uit een algemeen oogpunt te bezien. Ze begint met aan zichzelf de vraag te stellen waarom Engeland die oorlog begonnen is en komt tot de slotsom dat het imperialistisch gezinde kabinet zich door zijn kapitalistische gezindheid heeft laten verlokken tot de goudmijnen. Daarnaast is het volgens haar ook een rassenkwestie geweest en een duidelijke expansiepolitiek. Over de gevolgen van de oorlog laat zij zich wat minder duidelijk uit.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina