De oorlogstragedie van florent siebens



Dovnload 88.09 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte88.09 Kb.
DE OORLOGSTRAGEDIE VAN FLORENT SIEBENS

Voorwoord
Florent Siebens werd geboren op 12 oktober 1904 als zoon van Jan Baptist Siebens (1861-1932) en Maria Borms (1864-1954) in de Kapelstraat, een klein gehucht van Puurs vroeger gekend onder de naam “Luiaardshoek”. Hij was de 9e uit een gezin van 10 kinderen. In augustus 1914 vluchtte de familie voor de invallende Duitsers naar Veurne. Eind 1918 zijn ze allen teruggekeerd naar hun huis, dat leeggeplunderd bleek, maar niet door de Duitsers. Samen met zijn broers Frans en Michel trad hij in de voetsporen van zijn vader door ook kuiper te worden. Op 29 mei 1935 huwde hij Ludwine Verspreet (1903-1997). Het echtpaar ging inwonen in het ouderlijk huis van Florent (tevens café), naast de kuiperij waar voornamelijk houten vaten gemaakt werden, bestemd voor de vele regionale brouwerijen.
De verzetsbeweging De Zwarte Hand
Ontzet door de brutale Duitse inval, en gefrustreerd door de nieuwe machtsstructuren met inbreng van collaborerende VNV-ers die onder andere burgemeestersposten bekleedden, ontstond eind juni 1940 in Tisselt een kleine verzetshaard tegen de bezetter, met koster Marcel De Mol als inspirator. In die periode werd ook een kern van verzet opgericht te Puurs, met Clement Dielis, Louis Hofmans en Joris Van Lent als drijvende krachten. Clements vader had als legerofficier de Duitsers bekampt in de Eerste Wereldoorlog. Hij had daarbij een gasaanval overleefd, maar was in 1927 op 36-jarige leeftijd overleden als nasleep daarvan. Dat liet diepe sporen na bij zijn weduwe en bij Clement, die na de Duitse inval in mei 1940 naar Engeland wou vluchten om van daaruit de bezetter te bestrijden. Een hoge legerfunctionaris overtuigde hem echter dat het nuttiger was een ondergrondse beweging op te richten. De link tussen de Tisseltse en Puurse groepen werd gelegd door Staf Vivijs en Albert De Bondt. Korte tijd later zijn ze samengesmolten en werd Puurs de thuisbasis. Op de stichtingsvergadering begin augustus 1940 werd een bestuursploeg gevormd. Clement Dielis ontpopte zich als leider, de overige leden waren Emiel De Cat, de broers Albert en Robert De Bondt, de broers Marcel en Remy De Mol, Louis Hofmans, Jan Maris en Joris Van Lent, op Marcel De Mol na allemaal inwoners van Puurs.

Als doelstellingen werden vooropgezet:

-verzamelen van informatie over collaborateurs met de bedoeling hen ter verantwoording te roepen bij een gunstige afloop van de oorlog;

-vlugschriften en verzetsbladen verspreiden in de streek;

-wapens verzamelen die nuttig konden zijn tijdens het verdrijven van de bezetter door de geallieerden;

-een zender installeren om militaire informatie naar Londen door te seinen en om de bewoners van de regio via dat kanaal moed in te spreken en te motiveren om zich niet neer te leggen bij de Duitse overmacht.


Na enige tijd breidde de groep verzetsmensen zich uit tot 111 leden, hoofdzakelijk woonachtig in Tisselt, Londerzeel, Boom, Niel en gans Klein-Brabant.

Als naam voor de beweging werd “De Zwarte Hand” gekozen. Deze naam was overgenomen van de Servische verzetsbeweging Crna Ruka, die met de aanslag op de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand op 28 juni 1914 het vuur aan de lont stak van de 1e Wereldoorlog. De benaming “De Zwarte Hand” was dus ook een doorn in het oog van de Duitse bezetter.

De groep werd verdeeld in cellen van 4 personen, waarbij één verantwoordelijke, en die wisten niet wie in de andere actief waren. De jongste leden waren 15 jaar, het op één na oudste lid was 46 jaar. Bijna de helft was 20 jaar of jonger. Florent behoorde met zijn 36 jaar dus tot de ouderen. Niet verwonderlijk was dat er vaak familiebanden waren (broers, neven, enz.). Zo werd Florent lid op vraag van zijn neef Clement Dielis, de zoon van zijn zus Irma. Op 3 november 1940 gebeurde de eerste opzienbarende activiteit: twee leden bekladden talrijke Puurse muren met Victory-tekens.

Bijeenkomsten werden gehouden op de hoeve van de familie Hofmans in Puurs. Dit werd na enige tijd een “aangebrande plek”, zodat verhuisd werd naar een tentoonstellingsgebouw in de Hoogstraat (het actuele gemeentehuis), waar zogezegd culturele activiteiten werden ontplooid.


In de beginperiode was de hoofdactiviteit het verspreiden van het sluikblad “VRIJ” en van pamfletten, die ongemerkt gedrukt werden op de zolder van dat gemeentehuis. Toen dat te gevaarlijk werd, gebeurde dit bij drukker Callaerts in de G.Gezellelaan. Leden kregen 7 à 10 exemplaren per beurt en verdeelden ze in hun woonomgeving. Vanaf juni 1941 kreeg Florent ze van Clement Dielis. Bakker Albert Suykens, ook een neef van Florent, hielp hem voor de verspreiding in Eikevliet. Ze werden enkel bij betrouwbare personen onder de deur gestoken, o.a. bij Frans Van Meulder, Frans Hermans (echtgenoot van Rosa De Decker) en Florent Caluwaert. Het verspreiden van sluikbladen werd door de Duitsers als een zeer ernstig misdrijf bestempeld.

In zijn dossier bij de Archief- en Documentatiedienst van de Oorlogsslachtoffers te Brussel zitten na de oorlog afgelegde getuigenissen van deze personen. Mede daardoor bekwam hij de titel van Weerstander van de Sluikpers.
Vuurwapens werden ook ingezameld, met o.a. Lippelo-bos als bergplaats.

Een sluikzender werd aan de beweging geschonken en op de Nationale Feestdag 21 juli 1941 hebben ze met deze zender een patriottische boodschap voor de plaatselijke bevolking uitgezonden. Via pamfletten was deze uitzending vooraf aangekondigd. Begin september 1941 werd een kleine sabotagedaad gepleegd door een kerosinetank van 5000 liter op het vliegveld van Hingene te doorboren. Ook werden plannen gemaakt voor nieuwe sabotagedaden.

Een kapitale fout van de verzetsgroep was het feit dat ze van elk lid een steekkaart met foto maakten. Toen verschillende leden hierover hun argwaan lieten blijken, werd gezegd dat deze steekkaarten naar Londen zouden worden verstuurd. Dit is niet gebeurd, ze werden verborgen achter het altaar van de kerk in Tisselt. Iedereen besefte natuurlijk dat hun lidmaatschap aan de Zwarte Hand zware gevolgen kon hebben, maar wie kon voorzien dat die catastrofaal en voor de meesten dodelijk zouden zijn?
In het najaar van 1941 nam de druk op de verzetsbeweging toe en op zaterdagnacht 20 september 1941 werden in Ruisbroek twee leden die sluikbladen aan het verspreiden waren door de Duitse Feldgendarmerie opgepakt en zwaar ondervraagd. Op 28 september werd Louis Houthooft opgepakt na verklikking. Tien dagen later, na ontzettend brutale ondervragingen, wist hij via een list te ontsnappen. Zijn intrigerend verhaal bewees zijn groot incasseringsvermogen, en toonde aan hoe moedig en vindingrijk hij wel was.

Uit niet bevestigde bron vernamen we dat een collaborateur een bijeenkomst van de kernleden had kunnen gadeslaan na het boren van gaatjes in de rolluiken van de Puurse woning waar ze bijeenkwamen. Misschien kwam het daardoor dat van 8 tot 18 oktober nog 18 leden, merendeels bestuurs- en celverantwoordelijken waarbij leider Clement Dielis, werden aangehouden en naar de stedelijke gevangenis in Mechelen overgebracht.

Clement was zich voor zijn aanhouding niet bewust van de gevaren die hij en de andere leden liepen. Zo zei hij op een keer tegen zijn tante Mit (zus van Florent): “We zullen die Duitsers eens laten zien wie we zijn, en hun een lesje leren”.
In die laatste dagen van oktober vond de SS in de Tisseltse kerk steekkaarten. Het is niet bekend hoe ze de bergplaats wisten. Een eerste veronderstelling is dat zwaar gefolterde leden onder de druk begaven, een tweede is dat de aanhouding van de koster van Tisselt de SS deed besluiten de kerk aldaar grondig te inspecteren. Feit is dat op één dag, 27 oktober, alle overige leden van De Zwarte Hand, de jongsten zelfs op hun schoolbank, werden gearresteerd, behalve de 19-jarige Bernard Caremans uit Boom die de Duitsers ontglipte omdat ze verward waren door zijn naamgenoot en twee jaar oudere neef, tevens lid.

Zowel deze Bernard als Louis Houthooft leefden gans de oorlog ondergedoken.


We vermoeden dat de nog vrije leden in de korte periode voor 27 oktober niet onderdoken omdat ze hoopten niet gekend te zijn bij de Duitsers; een andere reden kon zijn dat ze niet wilden dat leden van hun familie als gijzelaar zouden worden opgepakt, zoals dat gebeurde na de ontsnapping van Louis Houthooft op 8 oktober 1941.

Maria Moens uit Schaarbeek, de contactpersoon voor de weerstandskranten, werd ook opgepakt. Ze werd na 9 maanden vrijgelaten.



De lijdensweg van Florent Siebens
Op woensdag 22 oktober 1941, vijf dagen voor de ultieme razzia, stopte een grijze Volkswagen aan het huis van Florent.

Twee Feldgendarmen stapten uit, samen met de vier dagen voordien aangehouden Clement Dielis. Tijdens diens brutale ondervragingen kon hij het bestaan van een radiozender moeilijk loochenen.

Clement had die begin oktober afgegeven aan Frits Tersago uit Kalfort, schoonbroer van Florent en nonkel van Clement. Die vertrouwde het zaakje echter niet, en gaf de zender terug aan Clement, die vervolgens het tamelijk grote toestel bij Florent bracht. Beiden verborgen het tussen de in de bollebaan gestapelde vaten.

Buiten medeweten van Clement had Florent de zender 200 meter verder naar een andere bergplaats gebracht, in een nabijgelegen bosje, vermoedelijk omdat hij het te riskant vond op zijn eigendom. Clement kon de Feldgendarmen dus niets aanwijzen, en daarop besloten de twee Duitsers Florent, die in Puurs was gaan informeren over de recente 21 aanhoudingen van Zwarte Hand-leden, tegemoet te rijden. Al na circa 200 meter merkte Clement de naar huis fietsende Florent op. De Duitsers stopten meteen en sleurden met geweld Florent van zijn fiets. Hij werd samen met Clement, die tijdens die vier dagen gevangenschap al bont en blauw was geslagen door zijn ondervragers, naar zijn woning geleid. Toen ze ook aan Florent wilden “beginnen” zei Clement meteen: “ Nonkel, spreek de waarheid, beken maar want de Duitsers zijn van alles op de hoogte, doe het voor mij”. Florent leidde zijn ondervragers dan naar de bosjes, waar de zender werd in beslag genomen. Naar verluidt zaten in die koffer ook nog lijsten van Zwarte Hand-leden uit de Rupelstreek.

Florent werd meegenomen en opgesloten in de Mechelse gevangenis (andere leden werden eerst voor één of enkele dagen overgebracht naar het Fort van Breendonk).

Ludwine, die totaal niets afwist van zijn lidmaatschap, bleef achter met 4 kinderen (Leo 5, Jan en Annie 3 en Jeanne 1 jaar). Bovendien was ze in verwachting van een vijfde kind, dat zou geboren worden op 9 december (Nora). Aan haar kinderen vertelde ze dat hun papa in “de grote stad” tonnen maakte voor een brouwerij...


De 77-jarige moeder van Florent woonde bij haar in en moest eveneens met lede ogen aanzien hoe haar zoon het huis werd uitgeleid door de Duitsers. Zowel de echtgenote als de moeder van Florent hebben zich gans de oorlog kranig gehouden ondanks hun immens verdriet; ze zijn gelukkig niet in een depressie geraakt.

Omdat Florent als zelfstandige werkte in de kuiperij naast hun huis, viel Ludwine zonder inkomen. Dank zij de steun van familie en van geburen, vrienden en kennissen heeft het gezin zonder honger te lijden de oorlog overleefd; de moeder van Florent bleef kippen en konijnen kweken. Oudere neven zorgden gans de oorlog voor de grote moestuin. Florents zus Mit had een beenhouwerij en neef Albert een bakkerij, beiden droegen hun steentje bij. Voor de psychologische gevolgen was geen adequaat antwoord. De oudste kinderen bleven vragen wanneer hun papa terug zou komen, en waarom hij niet meer bij hen was... De jongsten vroegen vanaf het ogenblik dat ze konden praten wie hun papa was... In die tijd was quasi elk Vlaams gezin katholiek; de moeder van Florent riep elke dag iedereen die in huis was bijeen om samen te bidden voor de terugkomst van haar zoon.



Tijdens zijn eerste jaar gevangenschap (1942)



vlnr: Leo, Jan, Moe, Jeanne, Annie, Ludwine, Nora

Verloop van zijn gevangenschap

22 oktober 1941 – 20 november 1941: Gevangenis Mechelen.
Zoals de andere leden verbleef hij daar in volledige afzondering en kreeg hij een barslechte behandeling. Vele leden werden voor verhoor overgebracht naar het Fort van Breendonk, waar via folterpraktijken getracht werd bekentenissen af te dwingen en anderen te verklikken.


20 november 1941 – 16 maart 1942: Gevangenis Begijnenstraat Antwerpen.
Naar Antwerpen werden regelmatig voedselpakketten gebracht, meestal door Mathilde, dochter van zijn broer Frans. Ook zijn vrouw Ludwine en zussen Gusta en Mit kwamen meermaals aan de gevangenispoort om hem het “broodnodige” te bezorgen. Deze pakken werden op zondag (“familiedag bij Moe”) samengesteld en 's maandags in de Begijnenstraat afgegeven. In de eerste periode van zijn verblijf was er wekelijkse briefwisseling toegestaan met het thuisfront. Twaalf brieven van Florent zijn in ons bezit. In die brieven is er één constante: het 2-wekelijks pakket van max. 6 kg zo oordeelkundig mogelijk samenstellen met vooral etenswaren, kledij en tabak. Het voedsel in de gevangenis was schaars, te veel om er van te sterven, en te weinig om te leven”. Zo weinig zelfs dat Belgische gevangenen van gemeen recht hen wat “extra” eten toestopten. Niet te verwonderen dus dat Florent steeds naar brood, boter, confituur, aardappelen, broodsuiker en zout vroeg in zijn brieven. Later vroeg hij ook naar zeep, pen en inkt, scheergerief en een kerkboek. Dagelijks mocht er een half uur gewandeld worden, de rest van de dag zat hij in een cel samen met drie anderen. Hij schreef steeds met goede moed, en was zeker niet wanhopig. Hij was ervan overtuigd dat zijn gevangenschap van korte duur zou zijn, al vroeg hij in een latere fase wel om smeekbrieven te schrijven naar de burgemeester en de Kriegscommandatur. Aan de Duitse gevangenisaalmoezenier vroeg hij om voorspraak, gezien zijn gezinssituatie. Ook stelde hij voor contact op te nemen met bepaalde advocaten. Net op de geboortedag van zijn vijfde kind vroeg hij in een brief aan zijn vrouw hoe het kinderbed verlopen was, of het een jongen of een meisje was, en welke naam het kind kreeg. Hij drukte zijn spijt uit er niet bij te kunnen zijn.
Vanaf januari werd het gevangenisregime strakker, brieven werden lang ingehouden, slechts om de 2 weken mocht hij een brief versturen, roken werd verboden, en … het eten werd zo mogelijk nog slechter. Hij begon zich ook zorgen te maken om de thuissituatie: wie zou het land bewerken, kreeg het gezin steun van Winterhulp? Op zijn vraag nam zijn schoonbroer Frits ook foto's van zijn gezin, en die werden hem opgestuurd. Een brief van Ludwine naar haar man, geschreven op 20 maart, werd via Antwerpen en Brussel opnieuw thuis afgeleverd. De reden van terugzending werd vlug duidelijk.

16 maart 1942 – 29 juni 1942: Gevangenis Vorst-Sint-Gillis
Alle Zwarte Hand-leden werden ondergebracht in een vleugel van de vrouwengevangenis van Vorst. De leefomstandigheden waren vergelijkbaar met Antwerpen: cellen van vier personen, dagelijks een half uurtje wandelen, even schaars voedsel.

Maar … hier mochten geen voedselpakketten meer worden afgeleverd. Dus kwam de honger meer en meer op de voorgrond. Het eentonige leven in een cel begon ook sporen na te laten. Erg pijnlijk was ook dat briefwisseling met het thuisfront verboden was, en dat in beide richtingen. Vandaar dat Ludwines brief van 20 maart teruggestuurd werd. Gelukkig kon religieus bewakingspersoneel van de vrouwengevangenis voor sommige leden als koerier optreden. Op die manier werd het thuisfront ook ingelicht over de nakende overplaatsing naar Wuppertal.



29 juni 1942 – 6 juli 1943: Gevangenis Wuppertal (Duitsland)
Vanaf nu werd niets meer vernomen van de gevangenen. Ze werden ondergebracht in aparte cellen, de eenzaamheid sloeg toe. Hier werden ze voor het eerst ingeschakeld in de oorlogsindustrie, als opdracht moesten ze dagelijks 11 paar soldatenbeenkappen voorzien van gespen via naaiwerk. Dat bood enigszins verstrooiing in hun eentonig bestaan. Op 14 januari 1943 werden 25 leden van De Zwarte Hand voor de rechtbank gedaagd. Eén advocaat verdedigde hen, maar … daar mochten ze vooraf geen contact mee hebben. Nazi-rechter Freisler was speciaal van Berlijn naar Wuppertal gekomen.

N.B.: Deze Freisler zou later ook het proces voeren tegen de Stauffenberg-samenzweerders, die op 20 juli 1944 een mislukte aanslag op Hitler pleegden.

Zestien van de 25 Zwarte Hand-leden werden ter dood veroordeeld. Alle ter dood veroordeelden hebben een genadeverzoek ingediend. Aan vier van hen werd genade verleend: Joris Van Lent, Camiel Bastaens, Pieter Van Obbergen en Louis Meeus. Op welke gronden dit de ene wel en de andere niet gegeven werd is nooit opgehelderd.

De terdoodveroordeelden Marcel en Remy De Mol, Henri Pauwels, Achiel Daes, Emiel De Cat, Jozef Verhavert, Albert De Bondt, Jozef Peeters, Louis Hofmans, Edmond Maes, Jean-Pierre Vincent en Clement Dielis werden er afgezonderd, en leefden enkele maanden in doodsangsten. Stilaan begonnen ze hoop te koesteren dat de uitvoering van het doodvonnis zou uitblijven.
In Wuppertal was Jozef Peeters uit Lippelo de eerste van de groep die overleed. Hij stierf ten gevolge van TBC op 11 maart 1943.

Op 29 mei 1943 werd de stad zwaar gebombardeerd door de Britse luchtmacht. Er vielen duizenden doden. Ook de gevangenis werd beschadigd. In de nacht van 24 op 25 juni volgde een tweede zwaar bombardement. Dat vernielde de ganse gevangenis-infrastructuur. De Zwarte Hand-leden overleefden allen dit bombardement, meerdere andere gevangenen niet.



Overplaatsing naar een andere locatie drong zich op en die gebeurde twee weken later.

7 juli 1943 – 15 maart 1944 Kamp Esterwegen-Börgermoor (Noord-Duitsland, dicht bij Nederland)
Hier kwam een eind aan het eentonige gevangenisleven. Alle leden werden ondergebracht in barakken die plaats boden aan circa 125 bewoners. Voortaan droeg iedereen ook de voorgeschreven kampkledij. Die bestond uit een zwarte vest met gele mouwen, een zwarte broek, grijze muts, Russische” kousen (vierkanten lappen flanel op speciale wijze om de voeten gewikkeld) en klompen.
De twaalf terdoodveroordeelden waren vijf dagen eerder reeds overgebracht naar dit kamp en werden verspreid over diverse barakken. Ze ondergingen hetzelfde regime van de anderen, zodat meer en meer gehoopt werd dat de doodvonnissen niet zouden worden uitgevoerd. De twaalf vroegen wel uitdrukkelijk aan de andere makkers om niet over de toekomst te praten. Maar korte tijd later werden alle terdoodveroordeelden van het kamp verzameld in één barak, omgeven door prikkeldraad. Dat voedde opnieuw de angst voor een fatale afloop.
In dit kamp werd iedereen aan het werk gezet. Florent, als kuiper vertrouwd met houtbewerking, werkte er in de schrijnwerkerij. De meeste andere kampbewoners moesten metalen recycleren uit lege kogelhulzen en uit puinhopen afkomstig van gebombardeerde fabrieken. Enkele bekwame gevangenen slaagden erin uit dat afval een radio in mekaar te knutselen. Daardoor konden zij heel belangrijke informatie verspreiden over de militaire toestand. Zowel Duitse zenders als de BBC konden gecapteerd worden, waaruit een tamelijk realistisch beeld kon gepuurd worden.
Het dagelijks stramien was als volgt: om 6 uur opstaan, dan zich wassen, zich aankleden, W.C.-bezoek, eet- en slaapzaal vegen en bedden opmaken. Als ontbijt kreeg men Ersatz-koffie of een bekertje soep van slechte kwaliteit. Na het appel om 7 uur begon men een uur later met gelukkig niet al te zware arbeid (recycleren van metaal, en soms ook touwen maken uit geolied papier). 's Middags werd één liter afschuwelijke soep van bietenloof of koolrapen uitgereikt, nadien ging men terug aan de slag, en om 17 uur kreeg ieder het dagrantsoen brood, zijnde 130 gram, aangevuld met een soeplepel marmelade en een kwartliter dunne soep. Wekelijks kreeg men 130 gr margarine. 's Avonds had men een betrekkelijke vrijheid, men kon met de kameraden praten, wat schaak spelen en men kwam ook tot een gemeenschappelijk gebed. Na het avondappel was het tijd om de in de winter ijskoude en pikdonkere slaapzaal op te zoeken. Vaak kreeg men daar ongewenst bezoek van ratten. Honger was ook een dagelijkse gezel.
Op de avond van 6 augustus 1943 werden de twaalf terdoodveroordeelden weggevoerd naar de gevangenis van Lingen. Daar werden ze 's anderdaags, op 7 augustus gefusilleerd met een nekschot.

De andere Zwarte Hand-leden zouden pas een hele tijd na de bevrijding vernemen dat de doodvonnissen effectief werden uitgevoerd.

Samen met hen werden ook 7 Luxemburgse jonge mannen afgemaakt.



N.B.: Het Groothertogdom werd door de nazi's geannexeerd zoals Oostenrijk. Daardoor werden die jonge mannen verplicht om in het Duitse leger dienst te nemen. Ze doken onder, maar werden gevat, ter dood veroordeeld en in Lingen vermoord.

In hun laatste ogenblikken voor hun terechtstelling werden de Zwarte Hand-leden bijgestaan door priester Hilling.


Begin maart 1946 wist men nog niets af van hun lot. In de loop van die maand ontving de Puurse burgemeester vertrouwelijke brieven van het “Belgisch Commissariaat voor Repatrieering” met het verzoek de betrokken families in te lichten over de executies. Kort daarop werden zielemissen opgedragen voor de twaalf vermoorde leden.

Het duurde nog tot maart 1947 vooraleer de begraafplaats ontdekt werd. Een Belgische delegatie kon via Esterwegen-cipier Wessels, priester Hilling (die de biecht afnam en de laatste Sacramenten toediende) en priesters Lüning en Müller (die aanwezig waren bij de teraardebestelling) de graven lokaliseren in een bos achter de begraafplaats Teufelsberg te Esterwegen. Irma Siebens is het lijk van haar zoon Clement daar gaan identificeren. Op 7 december 1947 werden acht lijkkisten van de Puurse gefusilleerden, alsook deze van Frans Van Beneden (op 18-12-1944 overleden in Wolfenbüttel) opgebaard in de trouwzaal van het Puurse gemeentehuis. Nadien volgde een officiële begrafenisplechtigheid met militaire eer.

De 13 andere leden die voor de rechtbank waren verschenen in Wuppertal en veroordeeld tot gevangenisstraffen, werden uit Esterwegen verwijderd en naar het concentratiekamp van Sonnenburg overgebracht.

Elf andere Zwarte Hand-leden werden op 10-11-1943 overgebracht naar Wolfenbüttel.

Zo viel de groep gaandeweg uit mekaar, en dat gebeurde nog meer na de ontruiming van Esterwegen. Dat verklaart waarom ze later op verschillende data en plaatsen overleden of bevrijd werden.

In Esterwegen overleden Bernard Caremans uit Boom (kerstnacht 1943) en Willem Van Hoof (14-1-1944), beiden als gevolg van difterie.

15 maart 1944 – 21 september 1944 : Gevangenis Gross-Strehlitz (Polen)
Een deel van de verzetsgroep, waaronder dus Florent, belandde opnieuw in een gevangenis. Geen kampkledij meer, ook niet meer die al te grote klompen, maar opnieuw burgerkleren met dikke sokken en sandalen.

In vergelijking met de vorige, was deze zeker de minst slechte: in de eerste maand kreeg men voldoende voedsel, de cellen waren proper en goed verlucht, de bewakers waren niet haatdragend, en van eenzame opsluiting was geen sprake. Integendeel, door ontruimingen van kampen uit voor de Duitsers verloren gegane gebieden ging de celbezetting snel omhoog. Dat kwam uiteraard niet ten goede aan de kwaliteit en de hoeveelheid van het uitgereikte voedsel.

De gevangenen kregen opdracht boodschappentasjes te maken, of moesten netten vlechten. Hoopgevend frontnieuws bereikte hen: de landing in Normandië op 6 juni was een feit!
Op 10 juni 1944 is Florent voor zijn verzetsdaden samen met andere lotgenoten verschenen voor het Sondergericht-Oppeln”. Dit proces werd gevoerd in de tot Nazi-rechtbank omgebouwde kapel van de gevangenis. De zwaarst uitgesproken straf was 10 jaar, er waren ook vrijspraken, en voor anderen, waaronder Florent, werd de strafbepaling voor onbepaalde tijd uitgesteld. Maar hij bleef natuurlijk een “Nacht und Nebel- gevangene, dus gedoemd om nooit meer vrij te komen (deze speciale strafklasse werd in opdracht van Hitler ingesteld om verzetsmensen spoorloos te laten verdwijnen).

21 september 1944 – 22 januari 1945: Kamp Laband (Duitsland, op 30 km van Poolse grens)
Laband was een klein bijkamp van Gross-Strehlitz. Vele concentratiekampen hadden zulke bijkampen om slavenarbeid te verrichten. In dit geval ging het om een “nieuw” kamp, barakken waren nog in opbouw. Niet toevallig lag ernaast een wapenfabriek, waar kanonnen en obussen werden vervaardigd, dit vereiste vooral draai- en freeswerk. Er bestond een tweeploegenregime = van 6 tot 18 u. en van 18 tot 6 uur. Voeding kregen ze haast uitsluitend onder de vorm van soep en ongenietbare pap van roggemeel.
Wegens de oprukkende Russische troepen besloten de Duitsers in januari het kamp te ontruimen. Maar ook de meeste kampen buiten de directe gevarenzone waren al overbevolkt, zodat besloten werd de gevangenen ten allen prijze naar Buchenwald te leiden, meer westwaarts gelegen.

Bij de ontruiming op 22 januari hebben sommige gevangenen hun leven op het spel gezet door zich te verbergen op onmogelijke plaatsen (oa. een beerput). Zo werden Jozef Suykens (zoon van Florents zus Gusta) en Alfons Dinant de eerste Zwarte Hand-leden die bevrijd werden, want hun riskante onderneming lukte. Gezien de situatie op de fronten konden ze pas na twee maanden vanuit Odessa met een Engels schip vertrekken naar Marseille, waarna ze per trein op 28 april 1945 in Brussel arriveerden en een dag later thuis kwamen.


De bevrijding van de andere concentratiekampen verliep van 11 april tot 11 mei 1945.
Alle overige kampbewoners (circa 400 mannen, waaronder dus ook Florent), gehuld in schamele dekens en Laband-uniformen, en met sandalen aan de voeten, begonnen die 22e januari aan een voettocht van 140 kilometer die 10 dagen zou duren. Onder temperaturen van – 25 °C 's nachts en – 15 °C overdag en met circa 25 cm sneeuw een onmenselijke opdracht. Wie neerviel of even wou rusten, werd - zelfs in het centrum van een dorp - met een nekschot afgemaakt. Meerderen verloren ook die sandalen en moesten blootsvoets verder. Indien er 's nachts geen schuur werd gevonden om te bivakkeren, sliepen ze onder de blote hemel aan de kant van de weg in de sneeuw. Andere nachten verkozen de Duitsers door te stappen om bevroren tenen en hielen te vermijden. Voedselbevoorrading was er amper (enkele malen één snede brood, en éénmaal warme soep), om de dorst te lessen waren ze aangewezen op gesmolten sneeuw. Aangekomen in Neisse konden ze overnachten in een geëvacueerde gevangenis, daar vond men in een opengebroken cel gelukkig voldoende gevangeniskledij. Circa 100 mensen hebben de tocht niet overleefd. Vervolgens ging het naar het station van Neisse waar een 580 km lange treinrit begon van twee dagen op open wagons, ook al in erbarmelijke omstandigheden, om uiteindelijk op 5 februari met 285 overlevenden in Buchenwald aan te komen.

5 februari 1945 – 9 april 1945: Kamp Buchenwald (Duitsland)
Hier kwam men terecht in een overvol kamp. Van Oost en West kwamen transporten toe, op de vlucht voor de Russen en de Amerikanen. Minstens 55.000 gevangenen troepten er samen in de barakken, circa 3000 SS'ers zorgden voor orde, tucht … en terreur. Het voedsel was er schaars: 's morgens één snede brood, en 's avonds de gebruikelijke soep van raapkool of bietenloof. Werkcommando's hadden de opdracht lijken en puin te ruimen in het 5 km verderop gelegen en gebombardeerde Weimar. De daarbij gevonden voedselresten waren voor velen levensreddend. Andere buitencommando's bouwden een deel van de autostrade om tot landingsplaats of herstelden de spoorweg. Op zondag werd niet gewerkt, dan was er luizencontrole en werden de barakken schoongemaakt.

Elke morgen om 6 uur was er appel op het enorm grote binnenplein. Sommige appels duurden 2 tot 3 uren, iedereen moest heel die tijd onbeweeglijk blijven staan, en in die winterse omstandigheden was dat onmenselijk zwaar en voor velen dodelijk. In die eerste maanden van 1945 lieten ongeveer 14.000 mensen het leven.


Begin april 1945 waren de Amerikanen tot op 50 km van Buchenwald genaderd. Eerste gevolg was dat buitencommando's werden afgeschaft. De spanning steeg met de dag. De kampoverste vreesde voor opstand en wanorde. Bovendien wou hij vermijden dat de gevangenen in handen van de vijand zouden vallen. Dagen werd er tussen de SS, die het kamp wilde ontruimen, en de barakoversten gediscussieerd. Voor de eerste maal werd een bevel van de kampleiding niet opgevolgd: Joden weigerden het kamp te verlaten voor een andere bestemming.

Met brutaal geweld begonnen de SS’ers vanaf zaterdag 7 april 23.000 gevangenen op marsroute te zetten, de beruchte dodenmarsen richting Dachau en Flossenburg. Minstens de helft van de ongelukkigen overleefden dit niet.

Op maandag 9 april werd even hardhandig een konvooi van 5.500 man (waarbij ongeveer 100 Belgen) gevormd. Daarbij waren 12 leden van de Zwarte Hand, waaronder Florent. In tegenstelling tot de andere evacuaties werd dit contingent naar het station van Weimar geleid, waar een goederentrein hen opwachtte.

Amper twee dagen later, op woensdag 11 april, werd het kamp bij het naderen van de Amerikaanse voorhoede omstreeks 14u30 van binnenuit bevrijd. Twee uren later arriveerden de eerste militairen onder leiding van generaal Patton.

Die twee dagen betekenden voor ongeveer vijfduizend lotgenoten van Florent het verschil tussen leven en dood, want wat toen volgde was waarlijk de hel.

9 april 1945 – 6 mei 1945 De dodentrein van Buchenwald naar Theresienstadt (Terezin) Tsjechië
Eerst wordt een moeizame voettocht van 5 km afgelegd naar het station van Weimar, zij die het marsritme niet kunnen volgen worden meedogenloos doodgeschoten. De gevangenen zijn ervan overtuigd dat de Amerikanen hen binnen enkele uren of enkele dagen zullen inhalen... Vervolgens wordt de ganse karavaan op een trein gezet. Die bestaat uit 50 open goederenwagons. Elke wagon is bedekt met een laag van 5 cm steenkoolgruis, en wordt overvol gepropt met circa 100 gevangenen, onder vuur gehouden door twee tot op de tanden gewapende SS’ers.
Vrienden zoeken bescherming bij mekaar, de zwaksten van lichaam en geest worden opgevangen door de makkers. Wie het alleen moet redden, haalt het niet en sterft eerst. Hygiëne is onbestaand, enkele conservenbussen dienen als WC en worden aan mekaar doorgegeven. Maar ieder moet rechtstaand zijn behoefte doen, en velen hebben buikloop… De gevolgen laten zich raden.
Eten en drinken is er nauwelijks (dagelijks eenmaal soep of wat voor soep moet doorgaan, en soms een stukje brood). Niet zelden wordt het karige eten dan nog gestolen door hongerige groepen Polen en Russen. Ruziënde gevangenen worden zonder pardon neergekogeld door de bewakers. De trein rijdt her en der doelloos rond, dan naar het noorden, dan naar het zuiden. Ze zitten tussen de twee frontlinies en de SS weet niet waarheen. Vaak staat de trein stil, soms gedurende meerdere dagen, en dan mogen de ineengekronkelde gevangenen uitstappen. Onder schot gehouden krijgen ze een strook van enkele meters naast de wagon. Velen aarzelen niet om gras, brandnetels, klaver en bladeren van de bomen op te eten. En naarmate de dagen vorderen, bezondigen Polen en Russen zich zelfs aan kannibalisme… hart, lever, longen... Sommige SS'ers zeggen smalend: “Nu beginnen ze mekaar op te eten...”.
Drinkwater is er niet, daarom wordt gehoopt op regen... De monden gaan dan ver open.

In een Humo-interview met de Antwerpse lotgenoot Charles Brusselairs zegt deze: “Op een keer kregen we het idee om een deken boven ons hoofd te houden en nadien het regenwater uit te wringen in een gamel. Dat water zag zwart van de kolen, en de luizen dreven er op als insecten in een beek. Drink gij maar eerst, zeg ik tegen Florent Siebens. Die tikte die luizen weg en zette dat spul gewoon aan zijn lippen. Ik heb het ook gedronken: lauw en vettig water. Met de smaak van kolen. Een smaak die nu nog altijd op mijn tong ligt”.



Een lid van de Zwarte Hand heeft eenmaal zijn eigen urine gedronken. “Dit was verschrikkelijk, nooit meer”, vertelde hij later.
Elke dag sterven er mensen, dat heeft bepaalde voordelen… kleding en plaats… Want de doden worden simpelweg van de trein gegooid. Maar wanneer de SS’ers vaststellen dat er vele lege plaatsen zijn op de wagons, wordt keer op keer een wagon afgekoppeld… Telkens dus 100 die het niet overleefd hebben.

Plotseling, tijdens de vierde week rondtoeren, houdt de trein, met daarop nog een 1000-tal overlevenden, halt in een Tsjechisch station. Nog een dertigtal SS'ers houden alles onder controle. Hun collega’s werden ofwel opgeëist aan het front, of zijn gedeserteerd. Honderden burgers staan op en rond de rails en blokkeren de trein. Na enig onderhandelen, verkrijgen ze dat alle Tsjechen mogen uitstappen. Voor de achterblijvers hebben ze grote manden met wit brood. Ieder krijgt een snee brood en … de trein vertrekt weer.



De bevrijding
Op zondag 6 mei rijdt de trein een stad binnen. Overal bevlagde huizen en lachende burgers die stukken brood, koekjes en suikerklontjes naar de gevangenen werpen. De trein stopt en de SS-bewakers vluchten.

Theresienstadt (Terezin) in Tsjechië wordt de plaats van bevrijding. De trein heeft 575 km afgelegd tijdens die 28 hallucinante dagen en nachten.

De dag voordien was het verzet in Praag in opstand gekomen en de SS'ers hadden in allerijl de citadel en het Joods getto van Theresienstadt verlaten.

De wagondeur wordt geopend, een fotograaf schiet meteen in actie, een man in uniform vraagt de nationaliteit van de havelozen en zegt daarop “Guerre finie”. In de wagon reageert niemand, er heerst een… doodse stilte.

Van de circa 5500 vertrekkers blijven er nog 974 over, levende skeletten…

Daarvan zouden er van uitputting nog ongeveer 500 sterven na hun aankomst, ondanks de vlugge medische en materiële hulp van Tsjechische dokters en verplegers, die door het Praagse verzet opgevorderd waren. Van 7 tot 11 mei bracht men bijna alle zieken over naar provisoire ziekenhuizen. Ze werden eerst ontluisd, gewassen, en geneeskundig verzorgd. De vele door vlektyfus, TBC en andere ziekten aangetaste overlevenden hebben in die week verscheidene Tsjechische dokters en verplegers dodelijk besmet.

Op dinsdagavond 8 mei trokken troepen van het 1e Oekraïense leger, op weg naar Praag, door de stad. Ze boden ook hulp aan. Drie dagen later is het Russisch leger er toegekomen en dat heeft het toezicht op de stad overgenomen. Ermee samen arriveerde een veelkoppige en goed uitgeruste groep Sovjet-artsen en geneeskundig personeel.

Op maandag 14 mei werd een quarantaine van 2 weken ingesteld en veranderde de stad in één groot infectie-ziekenhuis. Pas eind mei slaagde men erin de epidemie een halt toe te roepen.

Na zovele jaren van ellende in de kampen beleefd te hebben zijn zeer vele gevangenen in de laatste dagen van de oorlog nog gestorven. Zo overleden tijdens die helse treinrit Jan Daelemans (15 april) en Georges Verholen (1 mei). En al even tragisch was het overlijden in Theresienstadt van Jozef Hermans (7 mei) en Gustaaf Baeckelmans (11 mei), beiden pas bevrijd…

Florent kreeg op 20 mei hevige koorts en diarree, en werd een tiental dagen opgenomen in de infirmerie.

De “gezonde” gevangenen mochten dan stelselmatig naar huis terugkeren, maar die terugkeer verliep heel traag: het merendeel was totaal verzwakt, hulpverleners stierven, en de infrastructuur was grotendeels verwoest. Florent kreeg de toelating om vanaf 1 juni de stad te verlaten. Hij is dan per camion overgebracht naar Pilzen (eveneens Tsjechië) en daar in een door Amerikaans medisch personeel bemand hospitaal opgevangen. Daarna volgde een lange treinrit naar Luik, en van daar eveneens per trein naar Mechelen. Ook Petrus De Mul, Louis De Roeck, Flor Meskens, Luc De Geyter, Toon De Wachter, Robert De Bondt en Frans Van Muylder, zijn andere makkers tijdens die uiterst benarde laatste weken, konden huiswaarts keren. Laatstgenoemde was er echter zo erg aan toe dat hij op 22 juli in Antwerpen stierf.
De 2e Wereldoorlog begon op 1 september 1939 en eindigde op 8 mei 1945. Tijdens de laatste 10 maanden, vanaf de aanslag op Hitler (20 juli 1944) lag de dodentol even hoog als in de eerste 58 maanden.
Van de 109 opgepakten van de Zwarte Hand waren er 37 overlevenden. Ze kwamen op ongelijke tijdstippen terug bij hun familie. De eerste teruggekeerden werden vanzelfsprekend overstelpt met vragen hoe de overige makkers het stelden. Dat leidde soms tot frustraties indien geen sluitende antwoorden konden gegeven worden over hen die sinds 15 maart 1944 her en der in Duitse kampen verspreid zaten en over de op 7 augustus 1943 in volstrekte geheimhouding gefusilleerde leden. Dankzij Florents neef Jozef Suykens (eveneens Zwarte Hand-lid en al eerder bevrijd) kende de familie van Florent diens tragedie tot 22 januari 1945, toen hun wegen scheidden. Op de radio werden geregeld namen van bevrijde gevangenen omgeroepen. Florents echtgenote Ludwine en oudste zoon Leo gingen in bevriende huisgezinnen naar de radio luisteren. Florent hebben ze nooit horen afroepen. Dagelijks ging het gezin bidden in het kapelletje in de Kapelstraat. Ondertussen was het al juni geworden en de angst om een fatale afloop steeg met de dag. Een behouden thuiskomst werd meer en meer twijfelachtig.

De Thuiskomst
Op dinsdag 12 juni 1945 kwam Florent, samen met Antoon De Wachter, in Mechelen toe. Hij werd daar opgevangen door de toen 36-jarige Maria Teck, de dochter van zijn oudste zus Anna. In die weken kwamen vele ex-gevangenen in Mechelen toe, en Maria ging vaak naar het station in de vage hoop Florent er op een dag te kunnen begroeten. De eerste vraag die hij haar stelde was: “Leven ze thuis nog allemaal?”.

Nu kwam het erop aan echtgenote Ludwine zo vlug mogelijk in te lichten. Na lang overleg heeft Maria getelefoneerd naar Dokter Maes in Puurs. Van daaruit werd gebeld naar Louis en Lina Teck die in de Kapelstraat een kruidenierswinkel hadden. Louis heeft dan bij Ludwine aan de toog in het café op een heel voorzichtige manier het heuglijke nieuws meegedeeld dat hij in Mechelen aangekomen was.


Zonen Leo en Jan waren die namiddag bij Moeke Puurs (Ludwines moeder, wonend in de Eeuwfeeststraat) toen ze plots lawaai en geroep hoorden in de straat. Daar zagen ze Jozef Suykens voorbij fietsen, roepend “Nonkel Reng is in Mechelen”. Leo en Jan zijn dan onmiddellijk te voet naar de Kapelstraat gegaan, waar ook Feri Szapinszki vanuit Kalfort met zijn auto was aangekomen. Feri, een goede bekende van de familie, had de voorbije jaren meermaals beloofd Florent eender waar op te halen. Met Florents achtjarige zoon Leo is hij naar Mechelen gereden om hem samen met Antoon af te halen.
Het bericht van hun terugkeer verspreidde zich als een lopend vuurtje, en in Kalfort en Puurs stond iedereen op straat om hen uitbundig te verwelkomen.

De thuiskomst van Florent was een emotioneel gebeuren: zijn echtgenote, zijn moeder en zijn vier overige kinderen Jan, Annie, Jeanne en Nora stonden hem als eersten op te wachten. Florent zag voor het eerst zijn dochtertje Nora (geboren anderhalve maand na zijn aanhouding, en ondertussen drie en een half jaar). Voor Jan (7 jaar), Annie (6 jaar) en Jeanne (5 jaar) was het een eerste bewuste kennismaking met hun vader, “een wrak van een mens”.

Een massa volk was ook aanwezig, en de fanfare van Eikevliet kwam een welkomstserenade geven.

9 dagen na thuiskomst

Vlnr: Florent, Arthur Clerbaut,
Jozef Suykens


Foto op dezelfde dag (21/06/1945)
Florent met achter hem zijn echtgenote Ludwine, naast hem zijn moeder, 5 kinderen en schoonmoeder; Arthur Clerbaut eveneens zittend;

Rechtstaand: familieleden Siebens-Verspreet


Het genezingsproces
Het spreekt voor zich dat Florent in België heel vlug aan geneeskundige onderzoeken werd onderworpen. Daarbij werd TBC aan de linkerlong vastgesteld. Ook had hij een blijvend letsel aan de pees van zijn linkerpols als gevolg van afgeweerde slagen.

Vermits er in die tijd weinig of geen medicatie was, is Florent op 15 oktober 1945, vier maanden na zijn thuiskomst, naar Leysin in Zwitserland vertrokken voor een zuurstofkuur. Zijn verblijf in residentie Mont-Riant “zou” maar van korte duur zijn, maar het werd 21 augustus 1947, dus bijna twee jaar later, vooraleer hij terug bij zijn gezin was.

Om een bezigheid te hebben, begon hij geldbeugels en portefeuilles te maken. De prijs van leder was in Zwitserland aanzienlijk lager, zodat er een mooie cent aan verdiend was. Via allerlei wegen geraakten de afgewerkte lederwaren in Puurs, en daar werden ze – meestal aan familie – verkocht. Florent verstuurde ook talrijke Zwitserse horloges en chronometers naar geïnteresseerde familieleden.
Zeker de laatste maanden hunkerde hij naar zijn terugkeer, en hij wou ten allen prijze thuis zijn tegen Kalfortkermis… Zoon Jan heeft het ganse jaar 1946 ook in Leysin doorgebracht, dit in een kinderkolonie. Ludwine en Florents zus Irma zijn hen eenmaal gaan bezoeken, omstreeks 21 juli 1946.

De oorlog heeft hem dus in totaal 5 en een half jaar gezinsleven gekost.

Op 28 mei 1948 werd het gezin Siebens-Verspreet nog verblijd met de geboorte van een zesde kind, Louis.

N.B.: Tijdens Florents verblijf in Zwitserland werd hij door toedoen van zijn neef, bakker Albert Suykens, verkozen tot bestuurslid van de Eikevlietse fanfare. Deze taak heeft hij met dank aanvaard.


Florent arm in arm met


zijn moeder Maria Borms (1945)


Werk en overlijden
Florents langdurig verblijf in Zwitserland had vanzelfsprekend een helend effect, maar desondanks liet zijn algemene gezondheidstoestand niet meer toe om in de kuiperij verder te werken. Bovendien was er ook een gebrek aan basismateriaal en kwamen er ijzer- en aluminiumvaten op de markt.

Op 1 juli 1948, 10 maanden na zijn definitieve thuiskomst, is Florent opnieuw in het beroepsleven gestapt. Hij werd gids in het Fort van Breendonk. Voor fysische arbeid kwam hij niet meer in aanmerking, en deze nieuwe job gaf hem opnieuw een toekomstperspectief en een vast inkomen. Hij bleef zo gewild in de sfeer van gevangenis en concentratiekamp, wat aantoonde dat zijn moreel niet geknakt was door alle wreedheid en geweld.

Florent kon vlot praten over wat hij meegemaakt had tijdens die verschrikkelijke opsluiting in de diverse concentratiekampen, dit in tegenstelling tot andere teruggekeerden. Door het feit dat zijn moeder inwoonde en 10 kinderen en 35 kleinkinderen had, was er tot haar dood in 1954 quasi dagelijks bezoek. Vooral tijdens de zondagse familiebijeenkomsten kon Florent zijn verhaal kwijt. Mogelijk heeft dit in zijn verder bestaan mee bijgedragen tot een redelijke verwerking/plaatsing van die dramatische periode. Slachtofferhulp bestond toen helaas nog niet.

Florent was eerder een rustige persoonlijkheid met een positieve instelling, en kon nog intens genieten van het leven.



In 1951 verhuisde het gezin Siebens-Verspreet naar het laatste huis van de Eikse Amer, aan het bruggetje over de Vliet, met aan de andere kant de Eikevlietse woonkern.
Op Kerstdag 1964 had het fel gesneeuwd en Florent is toen met zijn bromfiets uitgegleden op de terugweg van zijn werk in het Fort van Breendonk, met een beenbreuk tot gevolg. Terwijl hij nog bedlegerig was, kreeg hij op zaterdagnacht 9 januari thuis een zware hartaanval, en op 14 januari 1965 is hij daar op 60-jarige leeftijd overleden.


Florent omringd door naaste familieleden waarvan sommigen nauw verbonden met de Zwarte Hand aan woning Eikse Amer (1953)

Vlnr staand: Henri Suykens (vader van Jozef), Ludwine (echtgenote van Florent), zoon Jan, zussen Irma (moeder van Clement Dielis) en Gusta (moeder van Jozef), Jean Dielis (broer van Clement) en zijn echtgenote Gaby Ceunen, Florent in gids-uniform van Fort van Breendonk, dochter Annie;

Vlnr zittend: dochter Nora, zoontje Louis, zijn moeder Maria Borms en dochter Jeanne

Hoe kon je overleven in zulke hel?


  • Elke dag jezelf moed inspreken: “Ik wil naar huis terugkeren”. Gevangenen die de moed verloren kwijnden weg en stierven.

  • Niet als gijzelaar terechtgesteld worden. Indien er een gevangene ontsnapte, werden willekeurig gijzelaars genomen die ter plaatse afgemaakt werden.

  • Ontsnappen aan de willekeur van de bewakers.

  • Bij appels (elke dag tweemaal) in het midden van de groep staan. Stond je aan de buitenkant, dan had je veel kans om slaag te krijgen.

  • Een dokter-medegevangene in uw naaste omgeving hebben die u bij ziekte kon helpen. En bovendien niet het slachtoffer worden van een erge aandoening. Een tandarts-medegevangene heeft bij Florent zonder verdoving een tand getrokken. Hij heeft toen verschrikkelijke pijn geleden (“dit nooit meer” heeft hij gezegd.).

  • Tijdens dodenmarsen, bij uitputting, hulp krijgen van medegevangenen.

  • Lange tijd kunnen verblijven in een kamp waar het regime niet zo streng was.

  • Heelhuids uit vluchtpogingen geraken.

  • En... de nodige portie geluk hebben, al klinkt dat woord erg wrang in deze context.

Slotwoord
De Zwarte Hand was een van de eerste verzetsbewegingen in ons land. De groep nam dan ook meerdere risico's: opmaak van steekkaarten, aansluiting van jeugdige leden, ontplooien van activiteiten in een omgeving met veel sociale controle. Er werden ook wapens verborgen, die later door de Duitsers ontdekt werden. De leden waren onervaren en werden dan ook vlug aangehouden, zodat er weinig kwalijke gevolgen waren voor de bezetter. De straffen die ze later kregen (12 doodstraffen en nog 60 overlijdens) en de zware lijdensweg waren niet in verhouding tot de verzetsdaden die ze pleegden. In de ogen van de bevolking waren het wel moedige mensen die het niet namen dat ons land voor de tweede maal in korte tijd bezet werd door de Duitsers.

N.B.: Voor de overlevenden was het, toen ze thuiskwamen, een zware ontgoocheling te vernemen wie er allemaal met de Duitsers gecollaboreerd had.


November 2011


Opgesteld door Leo Siebens, met de hulp van zijn broer Louis.+


Aanzet was de inzage van Leo in het oorlogsdossier van zijn vader op 8 juni 2011 op de “Dienst Archief en Documentatie Oorlogsslachtoffers”. Deze dienst is gevestigd in het oude gebouw van de verzekeringsmaatschappij “ Prévoyance Sociale/Sociale Voorzorg”, Luchtvaartsquare 31 te 1070 Brussel (een zijplein van de Poincarréstraat, dicht bij het station van Brussel-Zuid/Midi).

De leeszaal is open van maandag tot vrijdag van 9 tot 12 en van 13 tot 17 u.

Een afspraak kan worden gemaakt via Mevr. Sylvie Van der Elst: tel. (02)528.91.19.- fax (02)528.91.22. - Website: www.warvictim.fgov.be – E-mail: warvictim@minsoc.fed.be


Bronnen

De kinderen van Florent Siebens

Familie Siebens – Borms

Dienst Archief en Documentatie Oorlogsslachtoffers te Brussel

Dirk Michiels, Bornem, webmaster www.dezwartehand.be

Boek “Als ik het nu niet opschrijf komt het er niet meer van” van Charles Brusselairs (Privé uitgave 1983)

Boek “Onder Duitse Knoet” van Staf Vivijs (Uitgeverij De Cuyper 1985)

Boek “De Zwarte Hand” van Tjen Mampaey (Uitgeverij EPO 1993)



Contactpersoon: Jeanne Siebens Quarteerstraat 4
2627 Schelle
Tel. 03 293 83 32
gsm : 0495 83 19 48 / e-mail : jeannesiebens@gmail.com

Addendum: Twee brieven, geschreven door Florent vanuit de Antwerpse gevangenis

(we stellen vast dat hij zijn situatie positiever voorstelde dan ze in werkelijkheid was, om zijn echtgenote Ludwine en de overige familieleden niet te verontrusten).

Antwerpen, 14 december 1941,


Beste mama, moeder, kinderen en familie,
Het heeft mij weeral veel genoegen gedaan uw brief van 4-12-1941 op vrijdag de 12e te ontvangen, waarop ik ook niet langer wacht U een antwoordje terug te sturen want U zult wel begrijpen welk plezier het mij doet van U, de kinderen, moeder en gans de familie wat nieuws te vernemen.

Ik dacht zeker in uw brief de geboorte te vernemen van ons vijfde kindje want U zult natuurlijk begrijpen dat ik daar kurieus naar ben en graag zou weten of het een jongen of een meisje is, of het een gezond snolleke is, welke namen het U gegeven hebt, hoe alles verlopen is en bijzonder beste mama hoe gij het stelt of gesteld hebt want het spijt mij natuurlijk dat ik U in die omstandigheden niet heb kunnen bijstaan en helpen verzorgen. Toch is het mij een troost dat ge zo goed door de familie geholpen wordt en heb maar veel moed en vertrouwen want eens komt toch de dag dat we terug verenigd zullen zijn en veel plezierige dagen met ons klein mannen zullen kunnen beleven.

Als U een volgend pak mee geeft beste mama stipt alle veertien dagen is het niet nodig zulle dat ge mijn blauwe broek mee geeft, die kan ik nog missen. Proper wasgoed is voldoende en voorts eten: drie broden, 40 à 50 schoon zuiver patatten, confituur, een weinig boter, zout, doosje sagarin broodsuiker, tabak, sigaretten en stekjes. Voorts wat U zoal hebt of kunt krijgen, ook wat peeën naar 't gewicht moet ge niet nauw zien zulle, ook postpapier en enveloppen want dat is hier tamelijk duur, ook mijn vulpen die ligt in 't schuifken van de glazen kas, ook een flesje inkt dat is beter voor te schrijven dan potlood, denk er ook eens aan van mijn kerkboek mee te geven.

Met mij gaat het hier nog altijd goed zulle, ik zit hier niet te wanhopen. 'k Heb goeie moed want zo gauw de zaken voorkomen zal ik denkelijk wel rap terug thuis zijn. Ook hebben we deze week mogen te biechten en te communie gaan en 'k heb die gelegenheid natuurlijk niet laten voorbij gaan.

Ook beste mama en moeder denk er eens aan van tegen de Job te zeggen van die pand land die Pierre nog heeft dat we die zelf nodig hebben en dat we die na Kerstmis zelf in gebruik zullen nemen. Ik had er hem in de zomer al van verwittigd en dan komt dat wel in orde.

In de volgende pakken die ge mee geeft beste mama, schrijf dan liever hetgeen er in is op een briefje, niets anders opschrijven zulle want dan zou het mij kunnen geweigerd worden. Daar wordt hier strenge controle op gehouden en ge legt dat er boven op maar naam en celnummer goe duidelijk op het pak schrijven en ook maar naar bezoek vragen als er iemand komt.

Ook beste mama, moeder, kinderen en gans de familie wens ik U een zalig Kerstmis, want denkelijk zal ik die feestdagen hier moeten doorbrengen daar er hier nog weinig verandering te bespeuren is maar ook aan alles komt toch een einde hé.

In de hoop kortelings weeral veel en goed nieuws te mogen verwachten eindig ik met vele groeten en kussen aan u beste mama en moeder en ons klein gasten Leo, Jan, Annie, Jeanne en gans de familie, van uw beste papa Florent.

Antwerpen, 30 december 1941,
Beste mama, moeder, kinderen en familie,
Met veel genoegen heb ik zojuist uw brief ontvangen alsook de nieuwjaarsbrief van ons klein gasten want evenals U graag wat nieuws van mij ontvangt tracht ik ook gedurig om wat nieuws van u, de kinderen, moeder, en gans de familie te vernemen.

Met mij gaat het hier ook nog altijd heel goed zulle en daar ge me schrijft dat het met u allen ook heel goed gaat ben ik toch gerust en zit ik hier niet te wanhopen en te treuren zulle want eens komt toch de dag dat we terug allen te samen zullen zijn en nog veel vreugde en plezier zullen kunnen beleven.

Over mijn pak was ik toch zeer tevreden zulle beste mama, dat z'er een weinig hebben moeten uitdoen heb ik wel gedacht aan het pak te zien, maar toch was ik nog heel tevreden zulle en zorg er voor dat het volgende weeral goed voorzien is hé want eten kan men hier best gebruiken, ge neemt dan maar terug twee grote broden, aardappelen doet u er dan maar bij gelijk het kan, maar boter en confituur of al eens bruine suiker moogt ge zeker niet vergeten, al eens een grote pot confituur en de volgende keer mag het dan een kleinere zijn met wat bruine suiker, en zo wisselt u dat dan af, voorts wat broodsuiker, wat vlees want dat is hier ook raar, en voorts wat u zoal kunt doen of denkt wat ik hier kan gebruiken. Brood en smeersel is toch het voornaamste zulle, maar ook niet laten van wat aardappelen, als er niet veel bij kunnen dan maar wat minder om er de smaak niet van te verliezen, wasgoed niet te veel, maandelijks is genoeg want we maken hier bijna niets vuil, en maak er dan een pakje apart van, aan het andere aangebonden terwille van het gewicht, maar goed naam en adres duidelijk op vermelden, ook beste mama wat smoorgerief niet vergeten zulle want roken mogen we hier van 's morgens tot 's avonds, en een paar gebreeën handschoenen moogt g'er ook bijdoen en kousen want ik heb hier een paar goei blokken verwisseld van een jongen die hier is weggegaan voor een pakje tabak dus gemakkelijk en goedkoop bediend hé.

Het doet me ook genoegen beste mama dat u nu zelf ook heel tevreden zijt over de steun die ge nu geniet van Winterhulp en hoe het nu bijzonder in deze toestand van pas komt, daarom u niet generen als ge van iemand of iets kunt genieten meepakken want met verlegen te zijn hebt ge niets en we hebben er toch zoveel recht toe als eender wie.

Nu beste mama hoe staat het met die smeekbrief die ik hier geschreven had en die ik u gestuurd heb, ge zult daar toch wel gevolg aan gegeven hebben zeker want ge moet maar proberen zulle, het zal in geen geval mijn zaak verslechten of vertragen want hoe eerder ik hier vrij geraak hoe liever wat we natuurlijk allemaal zo haast mogelijk betrachten hé.

Ik ga nu eindigen beste mama en moeder want meer nieuws weet ik voor 't ogenblik ook niet, en hoop kortelings toch weeral eens een bezoek te mogen ontvangen wat me natuurlijk heel aangenaam is en zeg aan ons klein gasten dat ik voor hen van alles zal meebrengen als ik kortelings zou mogen terug naar huis weerkeren.



Nog vele groeten en kussen aan u allen beste mama, moeder, kinderen Leo, Jan, Anny, Jeanne, Nora en gans de familie.

Uw beste papa die nog altijd veel aan u denkt. Florent




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina