De oorzaken van de Argentijnse economische crisis



Dovnload 129.6 Kb.
Pagina1/4
Datum25.08.2016
Grootte129.6 Kb.
  1   2   3   4

De oorzaken van de Argentijnse economische crisis



  1. Het Latijnsamerikaanse ontwikkelingsdilemma

Het gangbare ontwikkelingsdenken gaat er van uit dat de ontwikkeling zichzelf voorthelpt. Een van de bekende exponenten van dit automatische vooruitgangsdenken is Walter Rostow1 geweest, die het pad naar de overvloed beschreef in vijf stadia, die elkaar op natuurlijke wijze zouden opvolgen: de traditional society, die stagneert, in de ingreep daarin door het vestigen van de preconditions for take-off, de take off voor de ‘reguliere’ groei, de consolidatie daarvan in de drive to maturity waarin de nationale markten een allesomvattende integratie zouden hebben bereikt, en als vijfde stadium de overschrijding van de drempel van the age of high mass-consumption. Het leidende criterium in dit betoog is, zoals ook voor het gangbare ontwikkelingsdenken, het inkomen per hoofd van de bevolking, dat, bij het scheppen van de juiste marktvoorwaarden, zal stijgen. Dat is dan ook de ‘ontwikkelings’doelstelling. De historie van de economieën van de Derde Wereld is anders uitgepakt dan die voorspelling van bloeiende en geïntegreerde nationale markteconomieën; Rostow – econoom en historicus van professie – bleek de gevangene van een ideologisch begrippenkader.


Argentinië behoorde aan het begin van de twintigste eeuw tot de zes rijkste landen ter wereld. Buenos Aires had zijn metro eerder dan New York. Nog in 1913 lag het vóór op Frankrijk en Duitsland, na drie decennia van een gemiddelde groei van 5% per jaar.2 Aangetrokken door de enorme natuurlijke hulpbronnen, waaronder de onafzienbare en vruchtbare pampas, vond in de negentiende eeuw een vloed van Europese immigranten en Engels investeringskapitaal zijn weg naar Argentinië. De weg is sindsdien niet omhoog maar naar beneden gegaan, ondanks het hoge culturele en onderwijsniveau van dit ‘meest Europese’ land in Latijns-Amerika.
Vanuit de Derde Wereld zelf zijn dan ook realistischer bijdragen geleverd aan het ontwikkelingsdebat. Zo kwam de Braziliaanse economist Celso Furtado in 1974 met zijn opstel De mythe van de economische ontwikkeling en de toekomst van de Derde wereld.3 Aanleiding was het rapport van Meadows c.s. voor de Club van Rome uit 1972 over De grenzen aan de groei4. Furtado wijst er op dat het gangbare marktdenken, waarin de VS de rest van de wereld als grenzeloos beschouwde, onder leiding van de hallucinatie van de vooruitgang in werkelijkheid heeft gezorgd voor de desorganisatie van de fysieke leefwereld.

Dank zij de Club van Rome behoort de illusie van de oneindigheid tot het verleden. Ook Meadows echter schijnt het onderontwikkelingsprobleem te beschouwen als een fase à la Rostow en niet als het een verschijnsel van de deformatie die de landen van het zuiden sinds de Industriële Revolutie hebben ondergaan. De ontwikkelingsfase van arme landen is in het geheel niet te vergelijken met die van Europa toen het zich op een vergelijkbaar niveau van het ‘inkomen per hoofd’ bevond5. In de landen van het zuiden kenmerkt zich het economisch model door import6 ten behoeve van de geprivilegieerde minderheden en uitbuiting van goedkope arbeidskracht in de export. De imitatie van de rijke levensstijl van het westen door de elites in de Derde Wereld vereist een zodanige concentratie van de inkomens dat een gespreide en evenwichtige economische ontwikkeling in die landen onmogelijk is. Het consumptiepatroon dat door de rijke landen wordt neergezet is gebaseerd op massaproductie van hoogwaardige technologie, tot stand gekomen op basis van een hoge kapitaalaccumulatie per hoofd van de bevolking. In het zuiden imiteren alleen de elites dit patroon; de bevolking groeit en verarmt, en kan niet migreren om te kunnen integreren.7 De massa’s hebben geen toegang tot de productiviteitsverhoging die zich voordoet in de rijke wereld. De wereldeconomie is dus allesbehalve homogeen van structuur. Het rapport van de Club van Rome – zoals alle gangbare economisch denken – ging voorbij aan het economisch-institutionele aspect van de ongelijke sociale structuur; in de landeigendom bestaan naast immense en onderbenutte latifundia talloze minifundia met een absoluut arbeidsoverschot, en landloosheid.


Voor de rijke landen echter bestaat er geen belemmering voor de exponentiële groei van de vraag, maar zij zijn afhankelijk van een ongelimiteerde invoer van grondstoffen uit de ontwikkelingslanden. De wereldeconomie groeit niet gelijk op – dat is een mythe -, maar zij groeit naar een voortdurend groter wordende ongelijkheid. Daarin ligt de oorzaak van het feit dat het voorspelde doemscenario8 van de Club van Rome zich niet op de verwachte wijze zal voordoen. Hiermee is tevens het lot van het overgrote en arme deel van de bevolkingen van de Derde Wereld getekend: voor hen doet zich de crisis wel degelijk voor, en in versterkte en versnelde mate.
Het is dan ook in lijn met deze visie op de globalisering, dat de economische politiek van de Argentijnse elite de laatste decennia in het teken heeft gestaan van de uitsluiting;9 deze term werd openlijk gebruikt, hoewel doorgaans vertaald in het positieve equivalent: concentratie van kapitaal en inkomen. Hoezeer het Argentijnse economische model beantwoordde aan deze ‘globale’ visie, blijkt uit de doelstelling van de Videla-junta, geformuleerd door de ministers Martínez de Hoz, Zorreguieta c.s.: Argentinië moest zich weer bepalen tot haar functie van grondstoffenleverancier (o.a. vlees, graan, suiker) voor de wereldmarkt. De eigen industrie –inefficiënt genoemd – moest worden afgebroken.
De Argentijnen stelden zich voor, met gebruikmaking van de hefboom van de militaire terreur, hun economie te ‘brasiliseren’.10 Inderdaad behoort de inkomensongelijkheid in Brazilië (waar de militaire coup reeds in 1964 plaats vond) tot de grootste ter wereld.11

Furtado wijst erop, dat er wel degelijk een economische politiek mogelijk is die de landen van de Derde Wereld kan doen delen in de vruchten van de economische ontwikkeling. Daarvoor is er echter een duidelijke vereiste: de consumptie van de elites moet worden teruggebracht, zodat de schaarse middelen volgens sociale criteria kunnen worden aangewend. Wil er van ontwikkeling sprake zijn, in de zin van een verhoging van de levenstandaard van brede lagen van de bevolking, dan is daarvoor het ongelijkheidssysteem waardoor de bestaande verschijningsvormen van het kapitalisme zich kenmerken12, volstrekt ongeschikt.13


Latijns-Amerika wordt dus gekenmerkt door wat Raúl Prebisch heeft genoemd een capitalismo imitativo.14 De ontwikkeling wordt ingeperkt door de consumptieve privileges van de economische elites. Zij produceert voor het overige een sociedad de infraconsumo, een onderconsumptiemaatschappij. De uitsluiting van de massa van de bevolking, die de essentie vormt van dit model, kan niet anders dan steeds conflictievere vormen aannemen, naarmate de samenleving meer zich meer ontwikkelt en meer democratiseert.15 Dit lokt gewelddadige inbreuken op in het democratisch proces. Het zijn de grote machtsverschillen in de samenleving die - economisch gezien op arbitraire wijze – de inkomensverdeling bepalen. Een crisis, zoals Argentinië laat zien, is niet maar een conjuncturele neergang, maar een onvermijdelijke uitkomst van de sociaal-economische opbouw van de samenleving. De opbrengsten van de vergroting van het kapitaal en de productiviteit bij de rijke klassen hebben nauwelijks of onvoldoende ontwikkelingseffect op de samenleving buiten deze kring; zij komen grotendeels ten goede aan de economieën van het centrum, waarmee deze klassen intensief in relatie staan. De sociedad consumista, de klasse van de luxe consumptie, heeft de neiging zich in het vrije spel van de marktkrachten steeds meer in zichzelf af te sluiten van de nationale samenleving. Daar doet zich een overschot voor van de factor arbeid, die doorgaans leidt tot overmatig grote tewerkstelling van ambtenaren.
Het gehele surplus van de nationale binnenlandse economie concentreert zich dus in handen van de toplaag. Toch zorgt het imitatiekapitalisme ervoor dat er positieve effecten optreden ten gunste van de middenklasse. De technische ontwikkelingen delen zich in zekere mate mee aan de samenleving als geheel. De werknemersbonden zullen zich krachtiger organiseren, gerechtvaardigde looneisen stellen en sociale voorzieningen eisen, ten koste van de geprivilegieerde elite, wier winsten sneller groeien dan het nationale en internationale gemiddelde groeicijfer. Er is dus ruimte voor herverdeling. Maar de Latijnsamerikaanse samenleving hanteren niet het gelijkheidsbeginsel. De elite verzet zich en kan dat, vanwege haar economische en politieke macht, doen door deze aanslag af te wentelen op de rest van de samenleving. Dit is de maatschappelijke oorzaak van de Latijnsamerikaanse inflatie. Economische chaos is het gevolg. Vroeg of laat grijpt de heersende klasse naar een ander politiek machtsmiddel: dat van het geweld. De militaire dictaturen kwamen dan ook de macht van de vakbeweging breken, omdat die het vrije spel van de markt zouden verstoren. De dynamiek van het geconcentreerde economische surplus wordt hersteld. Weliswaar kan dat leiden tot hernieuwde kapitaalaccumulatie, maar die is opnieuw en onverbrekelijk verbonden met het herstel en de veiligstelling van de sociedad privilegiada de consumo.
De politieke en sociale kosten van dit gewelddadig ingrijpen zijn immens. In dit type samenleving krijgt de democratie geen inhoudelijke kans. En het is juist – en alleen – de democratie die kan zorgen voor geleidelijke spreiding van de welvaart. Het economisch ’liberalisme’ wordt hersteld, in een variant die de heersende belangen welkom is, door het politieke liberalisme te verstikken. Hoewel die beide stammen uit dezelfde intellectuele bron en bijeen horen, worden zij in Latijns-Amerika tot tegengestelden.



  1. De militaire factor

Wanneer iemand die uit Nederland afkomstig is terecht komt in een Latijnsamerikaanse veiligheidsstaat en zich rekenschap geeft van de verbijsterende en totale terreur waarmee de regering van zo’n land het weefsel van de samenleving tot op de draad afbreekt, een onbeschrijflijke ellende zaait, en niettemin in de officiële propaganda rept van louter vooruitgang, kan hij moeilijk een logica of samenhang ontdekken tussen woorden en daden en tussen woorden en woorden. Iets helpt wanneer men zich een en ander herinnert van de Nazi-tijd: maar waarom, in Godsnaam, vermoordt een regering de besten van haar eigen volk ? Welke logica bezielt de Zuidamerikaanse militairen, wanneer zij met de aankondiging orde op zaken te stellen, in feite hun nationale industrie verwoesten, hun buitenlandse schuld verveelvoudigen, de onderwijs- en sociale voorzieningen decimeren ? De tegenstrijdigheden zijn legio, totdat men kennis neemt van de doctrine van de nationale veiligheidsstaat. Het is de perfecte logica van het verabsoluteerde geweld in de staatsstructuur. Als in een detective-roman wordt alles duidelijk, wanneer men het verhaal doorziet.16


In de doctrine van de nationale veiligheid heeft een beroepsvisie de gestalte aangenomen van een totale mens- en wereldbeschouwing. Een beroepsdeformatie wordt opgelegd aan de gehele maatschappij. De militairen – ooit de bevrijders van het vaderland – vereenzelvigen zich met het historisch belang van de natie. De schoolboeken zijn hun beste propaganda. Wat bleef van de koloniale periode is echter de oligarchische structuur van de samenleving. Wanneer de traditionele heersende klasse – waaruit in Argentinië behalve grootgrondbezitters en bisschoppen ook de leiding van leger, marine en luchtmacht afkomstig is – haar privileges17 bedreigd ziet, wordt de politieke oppositie tot subversie verklaard en aantasting van de staatsveiligheid. In Argentinië en de omringende landen werden de democratische krachten bestempeld tot ‘totale vijand van de christelijke en westerse samenleving’.
Natuurlijk was er in Argentinië in 1976 wel degelijk sprake van een gewapende subversie, waartegen een politieapparaat en zelfs een leger zal moeten optreden.18 De coup van 24 maart vond echter plaats opeen moment waarop die militaire strijd, na twee jaren van speciale volmachten voor het leger, reeds nagenoeg was beslecht. Het werkelijke doel was een ander: de vestiging van het ‘economisch model van de strijdkrachten’. De gewapende opstand was daarvoor het alibi, en werd breed uitgemeten voor de nationale en internationale publieke opinie. Nog jaren na de staatsgreep konden in de gecensureerde pers berichten verschijnen over incidenten van ‘gewapend treffen’, om dit besef van de onmisbaarheid van de militaire dictatuur levend te houden, terwijl het ging om gevangenen die ’s nachts werden vrijgelaten om op straat in de rug te worden neergeschoten. Het begrip ‘subversie’ moest echter in de propaganda present blijven, ter legitimering van de dictatuur.
De militaire staat hanteert een totalitair vriend/vijand schema. Ook hier kan Argentinië niet worden begrepen buiten de globale historische context. De doctrine van de nationale veiligheid heeft zijn wortels in Europa. De Latijnsamerikaanse militairen baseren zich op het denken van Hobbes en Macchiavelli. Bij Macchiavelli rechtvaardigt de staatsmacht zich door haar succes, waaraan de mens slechts dienstbaar is. De 19e-eeuwse theoreticus van de oorlog, Clausewitz,19 ontwikkelt de ‘pure’ idee van de oorlog. Oorlog is de ‘voortzetting van de politiek met andere middelen’, maar in de wetmatigheid van de oorlog rechtvaardigt het geweld zichzelf, al zijn er ‘toepassings’varianten. Staat bij Clausewitz de oorlog nog in dienst van de politiek, in de 20ste eeuw wordt de idee van de totale oorlog uitgewerkt. Dit gebeurt door twee militairen die beiden schrijven vanuit den beroepsfrustratie, de frustratie namelijk van een verloren oorlog.
De eerste is de Duitse maarschalk E. von Ludendorff.20 De catastrofe van de Eerste Wereldoorlog wordt door de historici vooral geweten aan het beroepsisolement van de Pruisische militaire kaste. Ludendorff volhardt na het verlies van de oorlog op rancuneuze wijze in het militaire extremisme; hij wijt de nederlaag (het is alsof men de Argentijnse militairen hoort !) aan het gebrek aan consequentie waarmee het militaire apparaat heeft gefunctioneerd. De politiek kreeg de schuld. Voortaan moest de politiek aan de oorlog ondergeschikt zijn. De ideale staatsvorm is voor hem de militaire dictatuur. Dit denken is via het nazisme verder ontwikkeld in de doctrine van de nationale veiligheid.
Nog veel ingrijpender invloed op het (noord-21 en) Zuidamerikaanse militaire denken hebben de Franse generaals Salan en Trinquier gehad. Beiden dienden in de jaren 30 in Indochina en werden vervolgens berucht wegens hun terreur tegen de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd na de Tweede Wereldoorlog.22 Frankrijk is het eerste westerse land geweest, dat door revolutionaire onafhankelijkheidsbewegingen is verslagen. De Fransen ontwikkelden het idee van de ‘contra-subversie’. Deze Franse doctrine vormt de directe overgang naar de theorie en de praktijk van de nationale veiligheidsstaat in Zuid-Amerika.23 Optredend als getuige à decharge in het proces tegen Salan in 1962, verklaart Trinquier: ‘De oorlog van tegenwoordig is de botsing van een aantal systemen – politiek, economisch, psychologisch en militair – dat er naar streeft de bestaande regering van een land ten val te brengen om die door een andere te vervangen’. ‘We moeten beginnen ons er van rekenschap te geven dat wij in de moderne oorlog geen strijd leveren geen strijd tegen een gewapende groep verspreid over een bepaald territorium, maar tegen een gevaarlijke en goed gewapende clandestiene organisatie die als voornaamste doel heeft zijn wil op te leggen aan de bevolking. De overwinning kan alleen worden bereikt wanneer wij erin slagen deze organisatie te vernietigen.’ 24 De Argentijnse militairen hebben voor binnenlands gebruik hun voorbeeld gezien in de wrede Franse koloniale oorlogen, die zich kenmerkten door tot dan toe ongekende misdaden tegen de menselijkheid en schending van het oorlogsrecht.
De grondstelling van het nationale veiligheidsdenken is dat het fundamentele wapen in de moderne oorlog – lees: in de moderne uitoefening van de militaire professie – het terrorisme is: uitoefening van terreur. Het zaaien van terreur wordt beantwoord met grotere terreur, en met marteling, om via aldus verkregen inlichtingen de organisatie van de vijand te vernietigen. Een geheel nieuw probleem is namelijk de identificatie van a de vijand: de scheidslijn is geen nationale grens, maar een ideologische. De vijand is overal ! Maar ook de vrienden van de vijand zijn vijand. Zelfs als een persoon of een of andere wijze, zelfs al is het de meest indirecte, de doelstellingen van de vijand zou bevorderen, of op een gegeven moment zou kunnen bevorderen, moet deze als verrader worden behandeld en ‘geëlimineerd’. Op deze wijze resulteren de tienduizenden verdwijningen in Argentinië. De staatsvorm die noodzakelijk wordt geacht voor deze ‘moderne oorlog’ – door de Argentijnse militaire ideologie veelal vereenzelvigd met de ‘Derde Wereldoorlog’ – is één grote projectie van de inlichtingendiensten. Ook in Argentinië gaat het tegen de ideologische vijand, de vrienden en de potentiële vrienden van de vijand, tot en met de ‘neutralen en de onverschilligen’.
Alle grenzen tussen volk, natie, staat, overheid en leger zijn uitgewist. Het leger treedt op in directe representatie van het volk. Immers, de ‘natuurlijke’ staat van de mens is die van oorlogvoerder (Hobbes!). Daar de militairen beroepshalve de dragers zijn van het geweld, zijn zij, krachtens het wezen van het menszijn, geen enkele verantwoording schuldig aan een parlement of welke instelling buiten het leger ook. Volgens de militaire theologie, heeft Comblin25 opgemerkt, is het militaire gezag het beeld Gods, niet de mens.
De nationale veiligheidsstaat deelt de hele wereld in in vriend en vijand. “Wie niet voor mij is, is tegen mij’, zo luidde de tekst van Argentijnse stationsposters, met daarop een gewapende soldaat. Daar de vijand moeilijk identificeerbaar is, wordt hij van een naam voorzien: marxist, atheïst, materialist, terrorist. De binnenlandse vijand is de vertegenwoordiger van de fictieve26 grote vijand buiten: het communisme. Dit is wat de militairen nodig hebben ter legitimering van hun optreden, daar het leger toch geacht wordt ervoor te dienen om het nationale territorium (de ‘nationale soevereiniteit’) te verdedigen tegen aanvallen van buiten.27
Daar de staat een vorm van oorlog is, en de oorlog tegen de ‘internationale subversie’ een totaal karakter draagt, moet ook de staat dus totalitair zijn. De scheiding der machten vervalt. Wetgevende en rechterlijke macht zijn door uitvoerende macht geabsorbeerd. In de nationale veiligheidsstaat bestaat niet allen geen verschil meer binnen de ‘trias politica’, maar evenmin tussen oorlog en vrede, buitenlandse en binnenlandse politiek, leger en politie, en tussen repressie en preventie. Ook de economie is strijdtoneel. Alle ‘nationale machten’: het onderwijs, de kerk, de cultuur, de economie en de massacommunicatie worden dienstbaar gemaakt aan de ‘nationale doelstellingen’, d.w.z de ‘nationale veiligheid’. De door de junta van Videla gevoerde economische politiek behoort dus geheel tot het ‘programma van de strijdkrachten’. In wat de Argentijnse dictatuur noemde het ’proces van nationale reorganisatie’ moest de samenleving – en met name de economie - structureel worden omgevormd.



  1. Het monetaristische model van de Argentijnse junta

In paragraaf 1 hebben wij gezien hoe de elite van Argentinië als gevolg van de binnenlandse economische ontwikkeling in conflict komt met de democratie. In dat conflict, dat zich sinds 1930 in de Argentijnse samenleving manifesteert, worden voortdurend politie en leger ingezet;28 de laatste militaire dictatuur (van 1976 tot 1983) moest dienen om het ‘nationale proces’ definitief te ‘reorganiseren’. Met ‘reorganiseren’ werd bedoeld: de oplegging van een economisch model dat de binnenlandse verhoudingen eens en voor altijd door een grondige aanpak, en onomkeerbaar, zou moeten vastleggen in het belang van de economische elite. Voorbeeld in geopolitieke en economische zin was de aartsconcurrent Brazilië, dat sinds de militaire staatsgreep aldaar 1964 eveneens dictatuur oefende over de ‘nationale machten’, en succes boekte met zijn concentratiepolitiek van inkomen en kapitaal.


De economische elite die samen met de militairen de coup had beraamd en daarvoor ook initiatief had genomen liet zich in de de facto regering vertegenwoordigen door de grootgrondbezitter Martínez de Hoz en een aantal staatssecretarissen, die zich, mede onder invloed van het Chileense model, bekenden tot de monetaristische school. Het intellectuele centrum daarvan was Chicago; de bekendste naam die van Milton Friedman.
Militarisme en monetarisme vormen een ideale combinatie. De militairen braken het weefsel van de samenleving af door een onbeschrijfelijke terreur jegens vakbondsleiders, ondernemers- en andere maatschappelijke organisaties, hoogleraren, studenten, advocaten, journalisten, medici en in het algemeen tegen democratisch gezinde opinievormers. De organisatiegraad van de samenleving werd tot een minimum teruggebracht of tot ineffectiviteit veroordeeld.29 Zoals de cohesie in de samenleving (c.q. het gebrek daaraan) afhankelijk werd gemaakt van de militaire dictatuur, zo beschouwt in economische zin het monetarisme zich als het enig organisatieprincipe van de samenleving. Ook Friedman houdt niet van vakbewegingen, die volgens hem alleen marktverstorend kunnen werken. De militairen op hun beurt wilden Argentinië tot zijn 19e-eeuwse status van landbouwexporterend land terugbrengen, om zodoende de economische basis onder zowel de vakbonden als de middenklasse weg te slaan.
Monetarisme in de economie en militarisme in de politiek zijn beide absolutismen, en verwant in hun mens- en maatschappijvisies: simplistisch en technicistisch. Het doel van beide is ‘efficiëntie’; wederzijds bevorderen zij elkaar. Beide erkennen schadeposten, ‘excessen’ genaamd, maar die worden als onvermijdelijk beschouwd.30 Friedman erkent in principe geen andere economische politiek dan monetaire politiek, beheersing van de geldhoeveelheid. De binnenlandse markt mag daarbij niet meer op enige wijze zijn afgeschermd van de internationale markt. Die laatste wordt bepalend voor wat binnenslands zal worden geproduceerd, op grond van de comparatieve kostenvoordelen in het internationale economische verkeer. De markt heerst totaal.
Het argument dat de nieuwe economische ‘orthodoxie’ gebruikte was dat Argentinië te klein zou zijn voor de ontwikkeling van een interne industriële markt. De bestaande industrie werd gezien als een onwelkome erfenis van de eerder gevoerde politiek van importsubstitutie. Aan de ‘inefficiëntie’ daarvan zou een einde moeten worden gemaakt. De discipline van de internationale markt zou enerzijds de kosten drukken, en anderzijds grote delen van de industrie weliswaar wegvagen, maar daartegenover zouden de traditionele landbouwexporten zorgen voor verhoging van de exportopbrengsten.
De Argentijnse econoom Aldo Ferrer heeft de economische merites van deze monetaristische politiek reeds in 1980 scherp geanalyseerd. Hij concludeert dat zij niet aan het doel (inflatiebestrijding) heeft beantwoord en ook niet kon beantwoorden. Dat juist de Argentijnse economie (in dit opzicht te onderscheiden van de Chileense) niet gebaat zou zijn bij een geïntegreerde omvangrijke binnenlandse markt, is volgens hem in tegenspraak met de realiteit. Hij bestempelt deze visie als sektarisch en ideologisch. Zelfs in Chili, waar onder Pinochet de politiek van de Chicago School in termen van de eigen doelstellingen successen boekte, en des te meer in Argentinië, diende het gehele monetaristische discours om uiteindelijk wetenschappelijke legitimiteit te verschaffen aan de bevordering van de belangen van de economische machtsgroepen. Het bezorgde deze landen de internationale erkenning die zij voor hun plannen behoefden. In feite heeft niet alleen de wetenschappelijke monetaristische pretentie, maar ook het Internationale Monetaire Fonds slechts in dienst gestaan van de restauratie van de hegemonie van de traditionele oligarchische groepen.31
De inconsequentie waarmee Friedman werd toegepast was groot, hetgeen niet te verbazen is omdat de werkelijke doelstellingen van de dictatuur een eigen was. Prijzen werden vrijgelaten, maar de prijs van de peso werd gemanipuleerd. Het wisselkoersbeleid was zelfs een sleutelvariabele in de schoktherapie die op de Argentijnse economie werd losgelaten en die de spiraal naar beneden inzette. In plaats van het ‘vrije spel der maatschappelijke krachten’, dat bij Friedman hoog in het vaandel staat, werden bedrijven en instellingen ‘geïntervenieerd’, d.w.z. van militair bestuur voorzien.


  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina