De randen van Biscaje (2) Langs de Spaans-Atlantische kust, van Arcachon naar La Coruña



Dovnload 24.19 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte24.19 Kb.
De randen van Biscaje (2)

Langs de Spaans-Atlantische kust, van Arcachon naar La Coruña


Voor Marc Fontaine

Schipper van Grinfolet


Na twee dagen passagieren verlaten we Arcachon, de stad vol zuidelijke zwier van deze enige haven in het midden van het ruim 120 mijl lange, dodelijk saaie traject langs de stranden, duinen en pijnboombossen van Les Landes. Met op drie mijl uit de kust een even lang militair schietgebied. Alleen bij de uitvaart van het Bassin d´Arcachon kun je via een smalle corridor naar het westen, naar de Golf van Biscaje. Maar die route nemen we niet, we zijn immers van plan helemaal langs de randen van Biscaje te varen. Dus nog eens 70 mijl naar het zuiden langs de eindeloze stranden naar de monding van de Adour, de rivier waaraan stroomopwaarts de stad Bayonne ligt. De afgelopen dagen hing er een vochtige, drukkende hitte in de stad, maar vannacht viel er wat aarzelende regen. Het is bewolkt als we bij de aanvang van het afgaand tij de haven uitvaren. De tijstroom stuwt ons met 2,5 knopen het Bassin in. In het zuiden zien we bliksemflitsen boven de duinen van Pyla, met honderd meter de hoogste van West-Europa. Zonder veel wind in de zeilen spoelen we over de drempel het Bassin uit en wenden de steven. Opeens is er wind! Een ideale Noordoostenwind tussen 5 en 6 Beaufort stuwt ons met ruim 8 knopen naar het zuiden. Een enkele keer zie ik zelfs 8,7 knopen op de meter. Super…maar helaas, na twee uur heerlijk zeilen zakt de wind volledig in, de wolken zijn volledig verdwenen en een slome blakte hangt over een roerloze zee met de mokerende zon erboven. Het opzetten van de bimini boven de kuip is pure noodzaak. We motoren verder. Na 15 mijl zien we boven het van hitte trillende strand een aantal bolvormige gebouwen. Het is Range Control, dat ons eraan herinnert dat aan stuurboord nog steeds het schietgebied ligt. Vijf mijl verder komen we langs het mondaine badplaatsje Mimizan, nog eens 10 mijl verder de vuurtoren van Contis. Het zijn de enige onderbrekingen in het oneindige strand.


Verwaaid in Port Anglet

Een uur voor de monding van de Adour verduisteren snel groeiende wolkencomplexen de hemel. Binnen een paar minuten waait het opeens Bf 6 – 7 pal uit het westen. We hadden het koufront niet zo snel hier verwacht. De zee bouwt snel op en we stormen de Adour binnen en zijn blij dat we, met wind en zeegang op de kont, het haventje van Port Anglet binnen kunnen steken en tegen de gierende wind in kunnen aanmeren aan de ponton d´acceuil. Een vriendelijke havenmeester staat ons toe er te overnachten en rolt behulpzaam een lange stroomkabel uit van zijn kantoortje naar de steiger. ´s Avonds dineren we voortreffelijk in het kleine Vietnamese restaurant tegenover de ingang.


De volgende dag is het nog steeds bar weer. We liggen een dag verwaaid. Op de andere oever van de Adour, tegenover de jachthaven, is een grote veevoerfabriek en daarnaast een groot bedrijf dat enorme hoeveelheden oud ijzer en metaal verwerkt. Dag en nacht varen grote zeeschepen af en aan. De havenmeester vertelt dat ze op grote schaal staal exporteren naar de gistende economieën van India en China. Tegen de avond vaart een Engels jacht moeizaam binnen. Ze hadden tijdens hun oversteek van La Rochelle naar het Spaanse Gijon de volle mep van de storm over zich heen gekregen, 55 knopen (Bf 10) uit het westen, vertelt de schipper, en besloten uit te wijken naar de Adour. Bij de monding kregen ze met hoge grondzeeën te maken. Ik twijfel of het zo verstandig was om naar de lage wal uit te wijken, maar ze hebben het gered. Dat geldt – zo blijkt dagen later – niet voor het Franse jacht Grinfolet dat, in dezelfde storm onderweg van La Coruña naar Brest, naar het westen gaat voorliggen en de ruimte zoekt om de storm uit te rijden. En zoek raakt in de drukke scheepvaartroute.
Na een dag willen we weer verder, er is in Port Anglet niks te beleven. Na de storm van gister is de wind helemaal weg. We rekenen op een dag motoren en niet op de forse zeegang die er nog staat. Stom. Het kost moeite om voor wat meer stabiliteit het grootzeil te hijsen op het stampende schip. Hadden we dat nu maar in de riviermonding gedaan! Gelukkig steekt er later een aangenaam noordenwindje op en zo zeilen we rustig Frankrijk uit. In de verte zien we de hoge bergtoppen van de Pyrreneeën en de groenblauwe bergen van Baskenland. Een schip van de Franse douane komt nieuwsgierig kijken, maar draait plotseling weer weg. Overtuigd van onze onschuld? Uit een raampje zwaait een geüniformeerde arm. We zeilen langs een kust met schilderachtige groene dalen, diepe kloven en kleine stadjes naar de eerste Spaanse haven op deze reis, Getaría. Het is een mooi stadje, tegen de steile hellingen opgebouwd bij een hoge rots, San Antón, die het haventje bescherming biedt tegen de meeste winden. Ik heb onderweg het Spaanse gastenvlaggetje gehesen en niet die van Baskenland. Ik vind het onzin om mee te doen aan al die bekrompen, nationalistische gestes. We leven in Europa, per slot. Je leest wel eens dat je in Baskenland dan erg onvriendelijk behandeld zou worden, maar de havenmeester neemt met een galant gebaar onze touwtjes aan en is ook verder zeer voorkomend. We passagieren hier een dag. Er is een oude kerk tegen de helling bij de haven gebouwd, de Yglesia de San Salvador. Een tunnel met donkere kapellen voert onder de kerk door naar het stadscentrum. Op veel plaatsen wappert de Baskische vlag, die je ook al veel in Anglet zag, in Frans Baskenland dus. Op de muren staan leuzen gekalkt die autodeterminacíon eisen. De nauwe steegjes, met talrijke restaurantjes en tapas-bars, hangen vol kleurig wasgoed, zoals wij toeristen het graag zien.
Geen zin de wal op te gaan

Op het traject naar Bilbao staat helemaal geen wind, nou ja, Bf 1 uit het oosten. We motoren door diepblauw water langs een aantal indrukwekkende kapen. De laatste is Cabo Machichaco. Even verder staat een indrukwekkend en eenzaam klooster op een rotspunt, vlak boven de brekende golven van de branding. Het is het klooster van San Juan de Gaztelugache, alleen bereikbaar via een smalle, opgemetselde weg aan de landzijde. Na 44 mijl varen we de grote baai van Bilbao in en leggen aan in de Marina de Getxo. Die ligt weliswaar 15 kilometer van de stad af, maar om de grote marina hebben projectontwikkelaars een enorm uitgangscentrum gebouwd met talloze restaurants, kroegen, bioscopen, winkels en een Casino. In de haven zelf is het niet druk maar in dit centrum des te meer. Eigenlijk zouden we de bus moeten nemen om in Bilboa naar het wereldberoemde Guggenheim Museum te gaan, maar het is net of we liever varen en steeds minder zin hebben om de wal op te gaan.

De tocht naar Santander, de volgende dag, is saai. In de baai laten we in de luwte achter het eilandje Mouro het zeil vallen en motoren langs het schiereiland Magdalena. Er ligt een voormalig koninklijk paleis bovenop (nu een universiteit) en daarachter strekt de stad zich majestueus uit langs de westelijke rivieroever. De oostelijke oever is een gebied van zandbanken en ondiepe kreken. We varen hoopvol de Darsena de Molnedo in, een jachthaven die tegen het stijlvolle stadcentrum ligt. Het blijkt er niet diep genoeg voor onze twee meter diepgang. Dus varen we verder, de rivier buigt naar het oosten af, en vinden na een kleine drie mijl de groene boei die de smalle geul aangeeft naar de riante Marina del Cantabrico.
We zijn vroeg uit de veren voor het lange traject naar Gijon, bijna 90 mijl. Er zijn wel allerlei haventjes op dat stuk, maar die zijn allemaal te ondiep voor ons schip. Zelfs Ribadesella, dat halverwege ligt, vertrouw ik niet. De beide pilots, zowel de Reeds als de Pilote Cotier, waarschuwen voor gevaarlijke swell bij het inlopen en voor de geringe diepte bij de kade, waar geen pontons zijn. Het is bewolkt als we uitvaren. De rivier is roerloos en spiegelt volmaakt de schuchtere ochtendhemel. Ook vandaag helaas nauwelijks wind, Bf 1 – 2 uit het oosten. We zetten de stuurautomaat op een waypoint bij Cabo de Olivo, 70 mijl verder. Dat voert ons ver uit de kust, saai maar wel het kortst. We motoren met de blik op oneindig. Lezen in de kuip terwijl de uren verstrijken. Om half twaalf is het of een enorme hand in één keer de hemel helemaal schoonveegt. De zon schijnt stralend aan de diepblauwe hemel boven een diepblauwe zee. Een uur later is de zee zwart van kleur. Wat bepaalt de kleur van de zee, in aanmerking genomen dat de zon schijnt, de hemel blauw is en de diepte niet anders? Chemische samenstelling? Ik weet het niet. Om half twee rijst er in het verre zuiden een hooggebergte op, de Picos de Europa met toppen van meer dan 2600 meter. Ze zijn in wolken gehuld. We motoren gedurig verder over de rimpelloze zee en om 18.00 uur zijn we bij het waypoint. De Navtex piept en meldt de verdwijning van een Frans zeiljacht, 9,60 meter lang, genaamd Grinfolet, “white hull, white sails” en vraagt alle schepen in de Golf van Biscaje “to keep a sharp lookout” We denken aan het onfortuinlijke scheepje en zijn bemanning. Het werd al tien dagen geleden in Camaret-sur-Mer, Bretagne, verwacht.

Om half acht lopen we de baai van Gijon binnen. Als we de stootwillen hangen, valt er één overboord. Hij drijft snel naar het strand. Supersnel improviseren we een man-over-boord-manoeuvre en slagen na een paar pogingen erin hem tijdig met een pikhaak op te halen. De haven blijkt te bestaan uit drie bassins, langs het centrum van de oude stad.. De capitania zit in een gerestaureerd gebouw midden in de haven. Het is een schitterende plek! Overal is vertier aan de wal, mensen flaneren langs de terrassen en studenten zitten op de muren langs de kade en eten zonnebloempitten en drinken cider. Op de kade is een expositie van prachige foto´s uit het tijdschrift National Geographic. Alleen blijkt deze haven de tot dusver meest bureaucratische. Ze maken kopieën van onze paspoorten, van het eigendomsbewijs van de boot (het ICP) en de verzekeringspapieren (Later op onze reis langs de Spaanse en Portugese kust is het een vaste gewoonte geworden)


Een nat kruis

Het weer verslechtert snel in de volgende dagen. Het is begin september. De reddingsboot brengt op één van de verwaai-dagen een jacht binnen, dat in moeilijkheden is geraakt. Vermoedelijk motorpech want vreemd genoeg zit de huik nog om het opgedoekte grootzeil. Het waait dagenlang hard en er staat een beroerde zeegang. Het is niet erg want we vermaken ons uitstekend in Gijon. De zon schijnt en er is veel te zien in de Cimadevilla, de oude stad naast de haven, vroeger een eiland voor de kust waar al in Romeinse tijd een vesting stond. Bij de oude Igreja de San Pedro Apostol zijn goed geconserveerde Romeinse thermae, de Campo Valdès. Ze zouden in gebruik zijn geweest tot in de 5e en 6e eeuw. In de restaurants en kroegen rondom drinken de mensen de plaatselijke drank, een troebele cider, die nergens naar smaakt. Bovendien schenken alle obers hem op een dwaze manier in: ze houden je glas voor hun kruis en heffen de fles boven het hoofd, richten hun ogen op de hemel en schenken de wijn vaak niet in het glas maar over hun broek. Alles volgens het spreekwoord dat, wie te hoog mikt, een nat kruis krijgt.


Surfen met de golven mee

Na vijf dagen kunnen we verder. Er staat nog een forse zeegang en nauwelijks wind. We motoren door velden vol krieuwelende krabbetjes, willoze slachtoffers van talrijke meeuwen. Gelukkig trekt de wind tegen de middag aan tot Bf 5 uit Noordoost. We zeilen gerieflijk om de indrukwekkende Cabo de las Penas, de Kaap der Smarten. Trouw bestudeer ik de lay-out van alle haventjes onderweg. Je weet immers nooit wat er gebeurt en als je bij problemen moet uitwijken, dan ken je de omstandigheden tenminste. De wind ruimt verder en neemt toe. Het scheepje surft met de oplopende golven mee en haalt ongekende snelheden, dan rolt de golf bruisend eronder door, het achterschip zakt naar beneden en de snelheid neemt weer af. Zo gaat het urenlang, de stuurautomaat kan het goed aan. Tegen zeven uur varen we op volle snelheid de Ria de Ribadeo binnen, de eerste van de oostelijke fjorden van Noordwest Spanje. In de luwte van de Punta de la Cruz laten we het zeil zakken. Je moet hier goed op de diepten in de aanloop letten. Over de monding is een 32 meter hoge brug. Voorzichtig motor ik in de richting van de meest rechtse doorgang. Direct na de brug ligt aan stuurboord een haventje, erachter een pittoresk dorpje tegen een steile helling. Het landschap om ons heen is lieflijk, met glooiende heuvels, dichte bossen, groene weiden en huisjes met rode pannendaken. Het lijkt de Moezelstreek wel. We leggen aan aan de Pantalàn de Espero, de wachtsteiger. Ik loop over de steigers naar de capitanía, maar er is niemand. Zaterdagavond. Een Britse zeiler zegt dat er pas maandag iemand zal komen opdagen. Dat is vervelend, want voor de toegang tot de steigers heb je een sleutel nodig. We kunnen dus wel naar buiten, maar niet weer naar binnen. We blijven aan de wachtsteiger liggen en eten aan boord, maar ´s avonds slenteren we toch maar het dorpje in. Er zijn twee restaurants en twee hotels. Voor het ene restaurant staat een lange rij wachtenden, je moet er een volgnummertje trekken. In het andere drinken we koffie, spotgoedkoop, € 1,60 voor twee koffie. Het plaatsje is erg verwaarloosd maar zó schilderachtig, dat het meer verdiende. We zien verveloze huizen met fraaie loggia´s, sierlijke balkonnetjes, verwilderde siertuinen en prachtige bomen. Zonde! Bij de toegang naar de steiger wil ik net aan een heroïsche beklimming beginnen als er een gezelschap nadert, dat eruit wil. Aan boord zie ik op de Navtex een waarschuwing voor een dode walvis, “dead whale, adult, 12m”, die ergens in Het Kanaal drijft.

In de ochtend varen we toch maar weg, al hebben we geen liggeld betaald. We kunnen toch moeilijk tot maandag wachten. Voor de hoge verkeersbrug hijsen we het grootzeil. Buiten de Ría staat dezelfde hoge zeegang als gisteren. De zon gaat gedeeltelijk schuil achter hoge sluierbewolking. We steken de Golf van Foz over, passeren de grote industriehaven van Burela en komen in een kennelijk visrijk gebied. Overal is beweging in het water en er zijn talrijke vissers, dat wil zeggen vissersboten en vissende vogels. En visnetten, dus goed uitkijken! Opeens zien we ze, in het kielzog van ons schip, ver achter ons: kleine, zwarte vinnen met een concave achterkant. Dolfijnen! Die vissen hier ook. Helaas komen ze niet dichterbij. We passeren onder vol zeil een groep mooie rotseilandjes, Los Farallones, die vlak voor de lelijke industriehaven San Ciprianu liggen. Het kleinste is El Pie, 35 meter hoog en volledig kaal en ondergescheten door meeuwen. Bij de Punta Rondacoira varen we de Ría de Viveiro binnen. Rond de kaap haalt de wind sterk aan en is zomaar 35 knopen. Het beruchte kaapeffect. Dulce helt zwaar over en snelt vooruit als een jonge meid. Dat is ze trouwens ook. Eenmaal achter de rots van Faro valt de wind weg. We laten het zeil vallen en motoren het riviertje de Landro op. Het stadje Viveiro ligt beschut in een dal tussen hoge heuvels. In de kleine haven ontmoetten we diverse bekenden van de Vertrekkersgroep 2007, die we eind maart tijdens de bijeenkomst van Zeilen in Enkhuizen leerden kennen.
Viveiro is een aangenaam, oud stadje. Ook een beetje verwaarloosd, zoals bijvoorbeeld de wonderschone, besloten kloosterhof naast de Iglesia de San Francisco. Door toeval kwam ik er terecht, als je het niet weet loop je er zo voorbij. Er liggen kerkbanken, een wijwatervat, planken en stenen van een nooit serieus begonnen poging tot restauratie. Maar in een nis stuit ik op een prachtige beeldengroep die Het verraad van Judas voorstelt. Ook beklim ik één van de heuvelruggen naar een uitkijkpunt, de 353 meter hoge San Roque. Het pad voert door dichte eucalyptusbossen, de hoge bomen met hun schilferige, zilverbruine bast. Eronder groeien varens, bramen en bremstruiken. Hagedisjes ritselen snel voor mijn voeten weg. Boven word ik beloond met een wijds uitzicht over de hele Ría. Er staat een kleine kapel. Je kunt een muntje in een gleufje doen en dan gaat er een kunstkaarsje branden op een standaard. Heb ik dat gedaan? Ja, kan toch geen kwaad?
Bijna thuis in La Coruña

Het is half september als we vertrekken naar La Coruña. Om half acht is het nog donker, pas tegen half negen wordt het hier licht. We ronden dan net de noordelijkste kaap van Spanje, de Estaca de Bares. Er zijn veel visserschepen. Tien mijl verder is de 100 meter hoge Kaap Ortegal, met beruchte scherpgepunte rotspunten ervoor, Los Agujilones. We bewaren een respectvolle afstand. Na de kaap waait de wind uit het noordoosten, we varen vlot voor de wind zeilend naar de 25 mijl verder liggende Punta Candieira. Nog steeds roept de Franse kustwacht op om uit te kijken naar het zeiljacht Grinfolet, nu al drie weken zoek. Er is nog een tweede jacht zoek, van 30 voet, “red hull, white sails with a red flash of lightning”, een week geleden vertrokken uit La Coruña. Als we verderop Cabo Prior ronden zien we opeens dat de harpsluiting van de halshoek van de genua verdwenen is. Voorzichtig rollen we hem in om klapperen te vermijden, straks scheurt hij nog los. Het waait nu Bf 6 uit het noordoosten. Alleen op het grootzeil stuiven we met ruim 7 knopen de Ría del Ferrol voorbij en de wijde Ría de La Coruña binnen. Aan bakboord duiken we in de luwte van de grote rotswand van Punta Mera om het zeil te strijken. We motoren door de haven naar de Darsena de la Marina, helemaal aan het eind tegen de binnenstad. Voor La Coruña hebben we een groot zwak. Het is een levendige stad met veel allure en gezelligheid. Met een gevoel van grote vreugde lopen we na het afmeren naar het vlakbij gelegen Plaza de Maria Pita, het mooie stadsplein omringd door terrassen en hoge huizen met de karakteristieke, geblindeerde loggia´s. Verspreid over het plein is een schitterende expositie van de indrukwekkende, bizarre mythische beelden van de Poolse beeldhouwer Igor Mitoraj. De smalle straatjes herbergen talloze restaurantjes. In één daarvan strijken we neer. Een dik jaar geleden waren we hier voor het eesrt. We voelen ons bijna thuis.


Tien dagen later, we liggen dan al in Portosín, in de Ría de Muros, vernemen we van het droeve lot van Grinfolet. Het schip is een Bongo, een snelle racer van 9,60. De schipper is Marc Fontaine, een 44-jarige advokaat uit het Franse Rennes, een zeiler met veel ervaring in grote races, onder andere de Vendée Globe. Na zijn vertrek op 26 augustus uit La Coruña is er niets meer van hem vernomen. Franse, Spaanse en Portugese vliegtuigen hebben wekenlang naar hem gezocht. Op 11 september zag een vliegtuig van de Franse marine op 300 mijl noordwestelijk van La Coruña een wrakstuk van een jacht drijven. Het was het voorste deel van een romp, half onder water. Het achterste deel was compleet verdwenen, alsof het er met veel geweld was afgerukt. Bij latere zoekacties rond dezelfde plek werd niets meer aangetroffen. Men veronderstelt dat Fontaine op 28 augustus, toen er een harde noordoostenwind stond, de ruimte heeft gezocht en verder naar het noordwesten is uitgeweken. Zo zou hij in de drukke scheepvaartroute naar Het Kanaal door een zeeschip zijn overvaren. Op 12 september werd het zoeken gestaakt. Op 28 augustus lagen wij na een plotselinge weeromslag verwaaid in Port Anglet. Die dag kwam Marc Fontaine om.
Tom Zijlstra

SY “Dulce”

www.sailing-dulce.nl

Vilamoura, 29-02-2008









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina