De roeping van Samuël : 1 Sam. 1-3



Dovnload 17.89 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte17.89 Kb.
De roeping van Samuël : 1 Sam. 1-3
Uit : Ziet, daar komt de dromer. Bijbelse verhalen over jongeren vandaag.

Geert De Decker)
‘Er was eens...’ zo begint het verhaal in onze vertaling (1 Sam. 1,1) Alsof het een sprookje was ! Maar dat is heel slecht vertaald. In feite staat er : ‘En het geschiedde’ – en dat is iets heel anders.

In die enkele woorden van het begin schuilt een hele wereld van bijbelse associaties en betekenissen die niets met een sprookje, en alles met het verhaal van God en mens te maken hebben. In die stam van het Hebreeuwse woord voor ‘geschieden’ (wajjehie – en het geschiedde) zitten immers dezelfde letters waarmee de naam van God (jahwe) wordt gespeld. Wie deze uitdrukking leest in het begin van een bijbels verhaal, hoort dus meteen dat hier verteld gaat worden over een geschiedenis waarin Hij aanwezig is die ooit gezegd heeft ‘Ik-zal-er-zijn, Ik zal geschiedenis maken mét mensen en vóór hen’.

‘En het geschiedde...’ zonder deze uitdrukking in het begin zou het verhaal van 1 Samuël 1 en al wat volgt op een sprookje lijken. Maar met deze uitdrukking als en wegwijzer voorop wordt het een profetisch, messiaans verhaal. Van in den beginne is het aldus gestempeld tot een bericht uit de hemel, een document uit het historisch archief van de Heer-God. Dit wordt een ‘Genesis-verhaal’ (‘en het geschiedde’ klinkt in het Grieks als ‘kai egenetoo’), een gebeurtenis die een ‘geboortenis’ zal zijn : Gods schepping die zich baanbreekt tussen de mensen.
...

En dan, midden in de nacht, hoort Samuël een stem die roept. Maar hij krijgt er niets bij te zien. Rondom hem is het even donker als in Eli’s ogen. Een stem van ver fluistert iets in het oor van dat boodschappertje, die kleine engel in dienst van de tempel. Zij schreeuwt niet, die stem, zij fluistert slechts zijn naam : ‘Samuël, Samuël, ...’ Het staat er tussen aanhalingstekens. Het noemen van je diepste naam staat immers altijd tussen aanhalingstekens ! Want je roep-naam horen fluisteren in het holst van de nacht kan alleen maar een teken zijn om je ‘aan te halen’ en gerust te stellen. En welke kleine jongen wil wanneer hij bang is in het donker, niet even worden aangehaald en op zijn wang gekust door Eén die zonder woorden zegt : ‘Ik-zal-ze-zijn-voor-jou’ ?

De kleine Samuël hoort in zijn diepste dromen niets anders dan het noemen van zijn eigen naam. Meer wordt er niet gezegd. Meer hoeft ook niet. Maar hij hoort die naam wel twee keer achter elkaar. En als je in de bijbel twee keer bij je roep-naam wordt genoemd, dan wordt er liefdestaal gesproken, zeggen de rabbijnen vanouds.

...


Ieder van ons wordt ooit geroepen bij zijn eigen naam. Je naam – dat is het diepste van jezelf, jij zoals je bent, je hele unieke persoonlijkheid. (zie naamlied+ bespreking) En wanneer de Heer ons aanspreekt in onze diepste dromen, dan is het altijd weer onze naam die Hij noemt. Wij worden in ons hart geraakt, verleid en verlokt om te worden zoals wij in aanleg zijn en zoals Hij ons ooit heeft gedroomd.

‘Sinds jij mij vroeg wie ik ben en waarom, besta ik niet meer buiten jou om...’ zegt Huub Oosterhuis ergens. En nog :


Dat doet niemand mij :
Ogen hebben en mij zien,
handen dragen en mij dienen
zoals jij.
Niemands mond noemt mij
met die scheve lippen
even onvermoeibaar
jij... Huub Oosterhuis
Over roeping weet ik niet veel meer dan dit : dat het altijd een liefdeshistorie is. Een droomverhaal dat werkelijkheid wordt. En ook : dat het mij aangaat. Dat ik het ben die geroepen word. Dat ik mijn eigen naam hoor, al weet ik niet waar ik dat aan verdiend heb.

Maar net zoals bij Samuël is het ook altijd een naam die vraagt om te horen, om ge-hoor-zaam te worden aan die stem. ‘Samuël, Samuël’ – in de stilte van de nacht komt dit fluisteren van de hemel als een rimpeling over het water, een zachte bries in het duister. Maar altijd ook als een echo, een herinnering aan het ‘Sjema’, het credo van Israël, het hart van de thora.

...
‘Samuël’ is een naam die te maken heeft met het werkwoord ‘sjama’, en dat betekent ‘horen’. Het is een hel innig en kostbaar woord in het Hebreeuws, een sleutelwoord in de Schriften. Want met dat woord wordt de unieke roeping van het joodse volk samengevat : ‘Sjema, Israël – hoor, Israël.’ Dat is de kortste geloofsbelijdenis, het credo dat elke gelovige jood van kindsbeen af kan opzeggen.

‘De Heer onze God is de enige God. Gij moet Hem liefhebben met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand. En Samuëls roep-naam rijmpt daarop. Dat brengt met zich dat deze kleine jongen alleen al door zijn naam te spellen, herinnert aan het enige waar het voor ieder jood om te doen is. En wanneer er in tijden van ‘niet meer’ in Israël niemand meer te vinden is die nog horen, wil, die ge-hoor-zaam aan de stem wil leven, dan zal hij daar staan : ‘Samuël, als een profeet, een wachter in de nacht ! Doordat het geheim van zijn leven, zijn wapenspreuk is samengevat in dat eenvoudige antwoord dat hij gaf op de drempel van de tempel : ‘Spreek, Heer, uw dienaar luistert.’

Dat is nu profeet-zijn : je wordt getest op je luisterbereidheid. (zie The Prophet van Pablo Gargallo)

Er wordt je een gehoortest afgenomen die je dan in naam van de Heer aan je medemensen doorspeelt. Profeet-zijn is een leven lang ge-hoor-zaam zijn en ver-antwoord-elijk zijn. Zoals zo mooi wordt verteld in het volgende joodse verhaal :


Op de avond voor Jom Kippoer, de Grote verzoendag, verzamelden de joden zich in het leerhuis om te wachten tot de rabbijn kwam. Er verstreek een uur, en de rabbijn kwam maar niet opdagen. Toen overwoog een van de aanwezige vrouwen bij zichzelf : het duurt nog wel een tijdje voor de rabbijn er is en we met het gebed beginnen, en mijn kind ligt alleen thuis. Laat ik maar even gaan kijken of het niet wakker is geworden. Ik kom dan meteen weer terug. De vrouw holde naar huis en luisterde aan de deur. Stilte. Heel voorzichtig draaide ze de deurkruk om en stak haar hoofd naar binnen. En... daar stond de rabbijn met haar kind in zijn armen. Onderweg naar het leerhuis had hij het kind horen huilen. Hij was naar binnen gegaan om wat met het kind te spelen en het in slaap te zingen.
Die rabbijn, zegt het verhaal, had begrepen waar het in alle synagogen, kerken en leerhuizen om gaat : hij wist te luisteren naar de stem van God.
...
‘Horen’, daar gaat het om in het leven van gelovige mensen, toen en nu. De blinde Eli heeft Samuël de oren leren spitsen. Zo zal hij de nieuwe ‘ziener’ worden in Israël. Ge-hoor-zaam worden en leren te leven naar Gods woord. Geen ander perspectief hebben dan ver-antwoord-elijk te leren zijn.

Wanneer er haast geen visie meer is in het land, moeten je oren maar je ogen de kost geven ! Als inzicht en doorzicht en uitzicht ontbreken, moet je des te meer leren luisteren waartoe je geroepen bent. Want weet je : ‘L’ essentiel est invisible pour les yeux. On ne voit bien qu’avec le cœur… (Le petit prince). Cor-do moet ik leren zeggen, credo : ik wil er mijn hele hart aan geven, aan die woorden van de thora, aan die roeping van mij…

En dan is er nog dat kleine achtervoegsel : ‘El’ in zijn naam : Sjemoe-el, Samuël. Voluit betekent dat : God hoort, God luistert. En dus vertelt die kleine jongen met zijn naam ook een heel verhaal over die God van ons. En ook dat is profetenwerk ! Onze God, zegt hij, is een God met grote oren die steeds opnieuw het schreien van zijn volk hoort (Ex. 3,7) En wanneer je het bijbelse portret van deze God helemaal wilt kennen : af en toe verschijnt er tussen die twee oren een brede glimlach, zoals ons de naam van die andere kleine jongen leert : ‘God heeft naar ons gelachen.’

...


Letten we dan ook nog even op wat Samuël doet Hij ‘staat op’, zegt de verteller telkens weer. En hij komt in beweging, hij ‘gààt’ naar Eli toe. Die twee werkwoorden – het paas-thema en het marsorder van de uittocht, het Jezus-woord en het Abraham-woord – worden voortdurend herhaald in dit roepingsverhaal. En niet toevallig, natuurlijk ! Geroepen zijn is : opstaan uit je slaap, uit het graf van erbij gaan zitten of erbij gaan liggen, onrustig worden, opstandig, en beginnen te gaan. Roeping is altijd Exodus-opnieuw, een verrijzenisverhaal, een Abrahamsroute om te gaan, met Gods woord als kompas. En wij die geroepen menen te zijn, moeten ons steeds weer afvragen of wij zo opstandig willen leren leven. En wie zich niet in slaap laat wiegen bij alles wat er in de wereld en de Kerk gebeurt, laat zich telkens weer midden in de nacht oproepen om mee te gaan en in beweging te komen.
...

Wanneer medeleerlingen en vrienden, opvoeders en ouders een beroep op je doen, dan word je een eerste keer geroepen. Wanneer geliefden elkaar vinden, dan roepen zij in elkaar onvermoede dingen op – het beste van zichzelf en van de ander komt naar boven. Zij roepen elkaar op tot goddelijke dingen : trouw en eerlijkheid, eenvoud en mildheid, geduld en tederheid. Of het kan ook gebeuren dat alles wat er in de wereld plaatsvindt, je opstandig maakt, je wakker houdt en op je netvlies gebrand blijft. Wanneer zoiets jou overkomt, dan leer je precies daarin je roeping verstaan om te ‘gààn’ en er iets aan te doen.

Zo werkt dat ook voor mij. Door de toewijding van vele lieve mensen, door hun handoplegging op mijn leven, heb ik ooit besloten priester te worden, en besluit ik nog iedere dag opnieuw om het een beetje meer proberen te worden. En dan moet ik verder een leven lang niet veel anders doen dan leren horen, ge-hoor-zaam worden aan wat de Heer mij door hen allen te zeggen heeft.

Mijnheer, roeping, wat is dat ? En hoe wist u indertijd dat u geroepen was om priester te worden ?’ Dat vragen jonge mensen mij af en toe in de klas. En ik vind het altijd een moment van genade, als die vraag er komt. Ook al is het antwoord meestal niet zo gemakkelijk te geven. En het is nog niet zó lang dat ik heb ontdekt dat jonge mensen, als ze zoiets vragen, niet zozeer iets over mij willen te weten komen maar wel onver zichzelf.



Hebt u ervaring met en God die roept, mijnheer ? Dat moet toch wel, anders zou u toch geen priester geworden zijn ? En als u die ervaring hebt, vertel ons daar dan alstublieft iets van, want wij hebben God nog nooit horen roepen ! Ja, roeping, hoe gaat dat in zijn werk, mijnheer ? En zou het kunnen dat wij daar ook ooit mee te maken hebben ?’

Zoiets en nog veel meer willen ze dan eigenlijk vragen. En natuurlijk moet je hen dan duidelijk maken dat roeping nooit zomaar uit de hemel komt vallen. Roeping wordt altijd bemiddeld door mensen, door gebeurtenissen, door feiten. Er klinkt geen stem direct van boven – dat is alleen een bijbelse manier om te zeggen wat niet te zeggen is. Er is veeleer een stem van binnen, in jezelf en in het hart van de mensen en in situaties op jouw levensweg; het ervaren van een sterk verlangen, een oproep, iets dat je niet meer loslaat, hoe zeer je het ook probeert te verdringen en te vergeten. Het komt helemaal van binnenuit, maar tegelijk overstijgt het je en voel je dat je moet stamelen : ‘Hebt u mij geroepen, Heer ?’ En je weet meteen dat je niet anders kunt dan zeggen : ‘Hineini, hier ben ik. Spreek, Heer, uw dienaar luister.’ Het overkomt je in je slaap, het overvalt je, het valt je in de schoot – je hebt het niet gepland, niet gevraagd en niet gewild. En toch ben je klaarwakker, als je antwoord geeft. Roeping is zo’n vreemd-bekend verhaal van God die bezig is met mensen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina