De romeinen in onze streek voordracht gehouden door dhr. Cuyt op 15/01/1991



Dovnload 20.64 Kb.
Datum14.08.2016
Grootte20.64 Kb.
DE ROMEINEN IN ONZE STREEK
VOORDRACHT GEHOUDEN DOOR Dhr. CUYT OP 15/01/1991

------------------------------------------------


De heer Guido Van Dyck, schepen van Cultuur, was verheugd het opstarten

van de geschiedkundige kring, plus minus een klein jaartje geleden

opgericht, te kunnen officialiseren.

Hij feliciteerde de geschiedkundige groep van Boom, die zijn eerste

stappen naar buiten zet met de voordracht over

"De Romeinen in onze streek". Hij introduceert vervolgens de

heer Cuyt, die als specialist ter zake een boeiende uiteenzetting

zal geven en zijn spreekbeurt illustreert met prachtige dials.


De heer Cuyt, als voorzitter van de A.V.R.A., de Antwerpse Vereniging

voor Romeinse Archeologie, belicht het belang der archeologie,

die sinds de oprichting van zijn vereniging, nu 27 jaar geleden,

baanbrekend werk heeft verricht. Hij deed ons inzien wat die

begeesterde mensen bezielt om zich belangeloos in te zetten om
1)overal in de bodem merkwaardige sporen van het verleden

op te zoeken,


2)onze beleidsmensen van steden en dorpen, die met steeds grotere

snelheid uitbereiding nemen, te doen beseffen dat zij in vele

gevallen deze sporen vernietigingen,zonder het zelf goed te beseffen,
3)deze sporen, die getuigen van het dagelijks leven van DE MENS uit

het verleden te beveiligen,


4)en om al deze gegevns voor de wetenschap te redden door

systematische archeologische opgravingen.


Archeologie is dus een zaak van "weten".

Wij zoeken naar sporen van het verleden, die veroorzaakt zijn door

de mens, of die een bepaalde levenssituatie van de mens in het

verleden kunnen helpen verklaren. Het komt er dus op aan alles te

bestuderen, te dateren en in zijn juiste context te plaatsen,

met als doel de kennis van de menselijke geschiedenis en de

beschaving.
Daar waar Prof. Prims 40 jaar geleden nog durfde stellen:

"Romeinen hebben wij hier niet gekend, er is immers niets gevonden,

dus zijn ze hier niet geweest, hebben de mensen van A.V.R.A.

na 25 jaar intensieve arbeid 35 sites gelokaliseerd en hun

bevindingen in boekvorm, ter gelegenheid van hun 25 jarig jubileum,

uitgegeven.


Een fraaie overzichtskaart toont ons de sites van Kontich, Rumst,

Wijnegem, Oelegem, Mortsel, Grobbendonk en Antwerpen stadsparking.

Het is echter wel zo dat de Antwerpse regio geen sporen toont,

die verwijzen naar de tijd van Julius Caesar (60-50 v.C).

De oudste sporen getuigen van de tijd van Claudius (2de eeuw n.C.),

wanneer onze streken mee mogen profiteren van de welbekende Pax Romana.


Wanneer in de derde eeuw na Chr. het economisch verval van het

Romeinse rijk begint, wordt het rijk uitgehold en kunnen de Romeinen

zelfs de invallen van de Germanen niet meer weerstaan.

De Romeinse legioenen waren aan de Rijn gelegerd, zonder binnenlandse

reserves. De Germanen moesten dus alleen maar de prachtige Romeinse

heirbanen volgen om Rome onder de voet te lopen, wat gebeurde in 260

n.Chr. Deze schok kwam Rome nooit te boven.
Alhoewel wij in het Antwerpse weinig of geen sporen vinden van de

Germanen (buiten een kelder te Rumst en een site te Mortsel)

en bijna ook geen sporen van brand of vernietigingen, stopt de

bewoning van onze streken als gevolg van de plunderingen en het

verspreiden van de bevolking naar het binnenland. Wij moeten wachten

tot de 10de - llde eeuw na Chr. om het leven te zien hernemen.


Keren wij even terug naar de heirbaan, die leidt van Bavais via Kester

,over Asse en wellicht zo naar Utrecht. Vraag is dan wat die Romeinen

hier kwamen zoeken in streken waar Kempische zandgrond enkel goed is

voor wat roggeteelt. Was het de economische aantrekkingskracht of

was het de economische uitstralingskracht van het binnenland?
De sites in het Antwerpse zijn typisch agrarische sites:
1)de bouwtrant in de Romeinse tijd wortelt volledig in de ijzertijd,

d.w.z. het is houtbouw.


2) men zoekt naar architectonisch perfectionismen, d.w.z. men zoekt

grotere ruimten.


3)de bevolking leeft zuiver agrarisch, niet industrieel en zeker

niet militair.


Hoe gaan archeologen te werk bij hun opgravingen ?
Allereerst bakenen de archeologen de sleuven af. De graafmachines

nemen dan de humus weg. Dan wordt geleidelijk de bodem geschaafd.

De site wordt opgemeten en nauwkeurig op millimeterpapier opgetekend.

Men haalt uit de grond wat er in zit.


Op deze manier konden, dankzij de sublieme verkleuringen in de

ondergrond, zowel een model van een tweeschepig gebouw te Ekeren,

als een model van een eenschepig gebouw te Wijnegem gereconstrueerd

worden. Dr. Lauwers ondekte zo ook te Kontich een Gallo-Romeinse

vicus met agrarische erven, Mr. De Boe groef te Mortsel een

woonstalhoeve op, terwijl in Wijnegem zeer interessante vondsten

gedaan werden. Bekijken we deze resultaten even van naderbij:
1) De opgravingen te Kontich-Kazerne:
---------------------------------
Op de noordoostelijke kant van de verhevenheid tussen de vallei van

Boutersembeek en het Broekbosmoeras vonden de archeologen sporen van

een bewoning uit de midden-ijzertijd (450 à 300 v.Chr.).

Op het einde van de late ijzertijd (eerste eeuw v.Chr. tot

eerste eeuw na Chr.) ontstond een kleine nederzetting,

geconcentreerd rond een mogelijk Keltisch heiligdom.


Vanaf het einde van de eerste eeuw na Chr. maakt deze

ijzertijdnederzetting plaats voor een Gallo-romeinse vicus binnen

een trapeziumvormige temenos. In zuidoostelijke richting loopt de

romeinse straat, geflankeerd door verschillende houten bouwwerken,

telkens met de korte zijden naar elkaar.

Daarachter verschillende boerenerven, bestaande uit een woning,

een stal of schuur, een graanzoldertje en een waterput.

Langsheen de zuidelijke rand van deze nederzetting concentreren zich

de artisanale activiteiten, zoals verschillende ijzerertssmeltoventjes

en een pottenbakkerijbedrijf. Te zelfdertijd werden de twee, door

de natuur gevormde, lagen ijzeroer in ontginning genomen.
2) De opgravingen te Wijnegem:
-------------------------
Ook Wijnegem leverde na systematische opgravingen zeer interessante

vondsten op. De streek was zeker bewoond in het begin van de

midden-ijzertijd (5de-4de eeuw v.Chr.). Hierop wijzen enkele kuilen

gevuld met scherven van inheems aardewerk, dat met de hand gevormd

werd. Er werden ook gebouwensporen uit de late ijzertijd

(1ste eeuw v.Chr. tot 1ste eeuw na Chr.).


Er werden tevens Romeinse gebouwen gevonden. Deze nederzetting

bestaat uit een groot vierkant gebouw (30 M. zijde) en een zestal

kleinere gebouwen. Over de juiste aard van het vierkant is nog geen

zekerheid. Mogelijk was het een kraal voor het vee. Doch,

vergelijkend onderzoek met andere vindplaatsen doet eerder denken

in de richting van een heiligdom; hierop wijze o.a. de talrijke

Romeinse munten en een aantal armbanden. De nederzetting heeft

bestaan van het beging van de 2de eeuw tot het midden van de

3de eeuw.
In Wijnegem werden zelfs middeleeuwse gebouwen gevonden.

Ook toen was alles houtbouw. Het betreft hier een woonkern uit

de 11de -12de eeuw met enkele woonhuizen, stallen, schuren en houten

waterputten. Kenmerkend voor deze gebouwen is de zogenaamde bootvorm.

Dit type was vooral verspreid in het Noordwesteuropa van de 9de tot

de 12de eeuw.


Aan de hand van mooie dia's onderlijnde de heer Cuyt het mooie

aspekt van de artisanale kunst met refertes naar pottenbakkersovens

te Kontich en te Rumst. Hij toonde ons de waterputten van Kontich,

waar een enige bronzen schotel gevonden werd en hij trok onze

aandacht voor het aardewerk waarin bijzonder de Romeinse innovatie

van de wrijfschotel echt luxueus aandoet.


Ook het godsdienstige aspekt werd onderlijnd en onze aandacht

spitste zich toe op de fundering van de Cella van de Gallo-Romeinse

tempel. Deze is opgetrokken in Doornikse steen, terwijl de zuilengang

gefundeerd is op Romeinse dakpannen. Op de plaats van het beeld van

de godheid en op de offerplaats werden er invloeden gevonden van

oosterse cultussen, die kunnen verklaard worden door de

wervingsmethoden van de Romeinen, die hun soldaten tot in het

Donaugebied gingen ronselen. Er werd een unieke inscriptie gevonden

van de godheid Serapis en een Onixsteen van Kontich met een

afbeelding van Mitras of Kibele.


Vergeten wij ook niet dat in Wijnegem een landelijk openlucht

heiligdom werd blootgelegd, waar munten, spelden en armbanden als

offergaven, gevonden werden.
De grote belangrijke vraag, die tot nu toe onbeantwoord is gebleven,

is deze: als die bezetters hier hebben geleefd, waar hadden zij dan

hun begraafplaatsen? Tot hiertoe werd daarvan niets gevonden.
Een laatste blik op de luchtfoto van de nederzetting van Wijnegem

toonde ons de verwoesting, aangericht door het aanleggen van de ring

langs Wijnegem. Hier hield Flanders Technologie geen rekening met

Flanders Archeologie en gingen schatten voor altijd verloren.


Een passend dankwoord van onze voorzitter Lode Somers en een

welgemeend applaus van de aanwezigen besloot deze leerrijke voordracht.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina