De rustende jager



Dovnload 57.7 Kb.
Datum26.08.2016
Grootte57.7 Kb.
PARKEERPLAATS “DE RUSTENDE JAGER”

Oude Bosschebaan, Biezenmortel.
KNOOPPUNTEN ROUTE: ca. 6,9 km

Start: Knooppunt: 84 Richting: 85

Knooppunt: 85 richting: 94

Knooppunt: 94 richting: 95

Knooppunt: 95 richting: 87

Knooppunt: 87 richting: 92

Knooppunt: 92 richting: 90

Knooppunt: 90 richting: 91

Knooppunt: 91 richting: 99
Verkorting: iets voorbij Giersbergen pad links af

Knooppunt: 99 richting: 98

Knooppunt: 98 richting: 96

Knooppunt: 96 richting: 81

Knooppunt: 81 richting: 82
Vervolg route:

Knooppunt: 99 richting: 78

Knooppunt: 78 richting: 97

Knooppunt: 97 richting: 79

Knooppunt: 79 richting: 35 (verkorting naar nr. 80)

Knooppunt: 35 richting: 34

Knooppunt: 34 richting: 83

Knooppunt: 83 richting: 82

Knooppunt: 82 richting: 85

Knooppunt: 85 richting: 84
Terug bij Rustende Jager.
Verkorting bij:

Knooppunt: 35 richting: 80

Knooppunt: 80 richting: 81

Knooppunt: 81 richting: 82

Start: Knooppunt: 84




Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen:

Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen is ruim 3.500 hectare groot en ligt tussen de steden Tilburg, Waalwijk en 's-Hertogenbosch. Sinds 2002 vormen de Loonse en Drunense Duinen, De Brand, het Landgoed Plantloon, Hengstven en omliggende bossen en cultuurgronden, het Nationaal Park.

Juist de veelzijdigheid zorgt voor een buitengewoon rijke natuur.

Het grootste deel van het park is in beheer van Natuurmonumenten.

Ten zuiden van de duinen ligt De Brand, een vochtig beek- en moeraslandschap is eigendom van Brabants Landschap.

In het noord/westen ligt het Landgoed Plantloon met zijn statige langen en boerderijen. Hengstven ligt rechts van de Rustende Jager richting Helvoirt.

De overige gronden zijn in handen van particulieren en gemeenten.

Plantloon


Dit fraaie landgoed in Engelse landschapsstijl heeft statige eiken- en beukenlanen, middeleeuwse hoeves en weilanden met houtwallen. Het kent een afwisseling van bos en landbouwgronden. In de bossen broeden uilen en roofvogels als buizerd en havik. Ook komen er zeldzame planten voor, zoals moerashertshooi. Bijzonder is ook de turfvaart die rond 1400 is gegraven en waarvan delen nog steeds in het gebied te zien zijn.

De Brand


De Brand is een van de laatste resten Brabants broeklandschap met vochtige graslanden en moeras. Het is een gevarieerd natuurgebied met boscomplexen, moerasgebieden en verspreid liggende natte graslanden. Het beekje de Zandley stroomt er dwars doorheen. De naam De Brand verwijst naar het veen dat hier in het verleden gewonnen en gedroogd werd. De zo ontstane turf werd verhandeld als 'brand', brandstof dus. Op veel plaatsen in De Brand borrelt er schoon en mineraalrijk grondwater uit de bodem omhoog. In het voorjaar en de zomer staan ontelbare planten uitbundig te bloeien in de bossen en weiden. Het gebied is ook een eldorado voor zeldzame vogels, amfibieën en reptielen.

Hengstven


Hengstven is een voormalig landbouwgebied dat samen met de Duinboeren natuurvriendelijk wordt beheerd zonder bestrijdingsmiddelen of kunstmest. Ook letten de boeren op het fosfaatgehalte van de bodem. Daardoor zijn de graslanden en graanakkers rijk aan akkerkruiden, vlinders en vogels. Vroeger lag hier een vennengebied dat door de landbouwontginningen is ontwaterd. Natuurmonumenten wil de drassige situatie weer herstellen en de vennen en heide laten terugkeren in het landschap.

Het voormalig militair terrein de Distelberg


De Distelberg is vanaf januari 2004 niet meer in gebruik door militairen. In 2007 is het terrein door de Dienst der Domeinen overgedragen aan Natuurmonumenten. Middenin het gebied ligt een prachtige zandverstuiving. Ook is er een ven te vinden. Er groeit op diverse plaatsen rendiermos, naast verschillende soorten heide en cladonia-korstmossen.

Kenmerkend voor de Loonse en Drunense duinen zijn de stuifzanden, die op zo'n uitgestrekte schaal nergens anders in Noordwest-Europa voorkomen. 1/3 deel van de Nederlandse stuifzanden ligt hier.

'Nationaal park' is een internationaal erkend begrip. Overal ter wereld worden waardevolle natuurgebieden en ecosystemen behouden, beschermd en ontwikkeld door ze als Nationaal Park aan te wijzen. In Nederland waren de Veluwezoom en de Hoge Veluwe de eerste nationale parken. Die zijn in de jaren dertig op particulier initiatief ingesteld. In 1980 is de Nederlandse overheid begonnen met de voorbereidingen van een heel stelsel van nationale parken in Nederland. Op het moment zijn er 20 gebieden die deze status verworven hebben. Deze parken zijn opgericht om de natuur te beschermen en waar mogelijk te ontwikkelen, maar ook om natuurgerichte bezoeker in het gebied welkom te heten.
Nederlandse nationale parken zijn aaneengesloten natuurgebieden van tenminste 1000 hectare (10 km2) met bijzondere natuurwaarden.


Zij zijn alle kerngebieden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)en Natura 2000.

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden (habitat), maar draagt ook bij aan soortenbescherming.

De Nederlandse nationale parken hebben vier doelstellingen:
• Natuurbehoud en -ontwikkeling
• Natuurgerichte recreatie
• Voorlichting en educatie
• Wetenschappelijk onderzoek

Knooppunt: 94

ONTSTAANSGESCHIEDENIS STUIFZAND EN ZWARTE BERG:
Het ontstaan van De Loonse en Drunense Duinen is een samenspel van natuurlijke processen én menselijk handelen.

In de barre winters van de ijstijden blies de westenwind dekzand uit het Maasdal en het Noordzeebekken, en deponeerde het als hoge zandruggen in Brabant. Een zacht glooiend landschap, met afwisselend hoge zandbulten en laaggelegen leemhoudende bodems, vormde het beeld van het toenmalige

landschap.

Dekzand kan zich vormen als er nauwelijks vegetatie aanwezig is, vanwege extreme kou. In deze omstandigheden heeft de wind vrij spel en kan zand dat aan het oppervlak ligt getransporteerd en opnieuw afgezet worden.

In grote delen van Noordwest Europa is dekzand afgezet tijdens de laatste ijstijd, toen een grote ijskap tot Denemarken kwam. In die periode lag de Noordzee droog, en vormden grote delen van Nederland, België, en Duitsland een soort toendra of poolwoestijn met ondiepe rivierbeddingen. Deze landen waren toen ijsvrij.

De vroegere dekzandrug was zo’n 25 á 30 meter hoog en liep van Noord-Frankrijk, België, Nederland, Duitsland naar Polen.

De Loonse en Drunense Duinen ligt op zo’n hoge zandrug. Toen de laatste ijstijd voorbij was en de bodem tot rust kwam, begonnen er planten en mos te groeien.

Later ontstond op de dekzandrug een loofbos met eik, iep, beuk en linde. Aan de rand vormde zich veen en kwamen bomen als els, populier en es.
Van bos naar heide:

In de brons- en ijzertijd kwamen de eerste jagers en nomaden in de

Loonse Duinen. De boeren brandden grote stukken bos plat om graan te verbouwen. Als de grond was uitgeput, verplaatsten zij hun akker door weer een stuk bos plat te branden Zo verdween op den duur het oerbos.

Bij de Eikenstoven zijn nog genen gevonden van Eiken van 9000 jaar geleden, afkomstig uit Spanje.

De eikenstoven werden vroeger gebruikt voor hakhout en geriefhout.

Op sommige plaatsen kun je nog restanten zien van hakhoutcultuur.

Stoof of boomstomp: ondereind van een afgekapte boom of struik.

De stam of stoof loopt steeds weer uit.

Eikels voor nieuw autochtoon plantgoed.
De eiken van Giersbergen passen merendeels in de migratieroute vanuit Spanje na de ijstijd. De voorouders zijn circa 13.000 jaar geleden vanuit Spanje richting Lage Landen gemigreerd. Waarschijnlijk behoort dus een groot deel van de oude boskernen in de Loonse en Drunense Duinen tot de eikenpopulaties die zich hier na de laatste ijstijd, circa 9000 geleden, hebben gevestigd. Uit het onderzoek blijkt overigens ook dat er in het verleden met eiken gesleept is, wat gezien de lange nederzettingsgeschiedenis niet zal verbazen.
Waar bos verdween, kwam heide.

De Loonse en Drunense Duinen werd één uitgestrekt heideveld.

Woeste gronden, waar niemand woonde.
Van heide naar zandverstuiving:

In de late middeleeuwen begon de landbouw zich op grote schaal te ontwikkelen.

De boeren uit de omgeving mochten van de hertog van Brabant de heidegronden gebruiken. Daar lieten ze hun schapen grazen.

Om hun voedselarme akkers vruchtbaar te maken, bemestten ze deze met een mengsel van heideplaggen en stalmest.

Door te veel plaggen en te intensieve begrazing kreeg de heide echter geen kans om zich te herstellen. Tegelijkertijd droogde de bodem uit door ontwatering bij de ontginningen en de turfwinning in de omgeving.

Op veel plaatsen verdween daardoor de zogenaamde podzollaag en kwam het zand aan de oppervlakte. De wind kreeg vat op het zand en het zand ging stuiven. Er was geen houden meer aan. De akkers en graslanden van de nederzettingen Venloon, Westloon en Efteling verdwenen onder het

zand. De Efteling kwam vermoedelijk aan zijn naam door een hoeve die gebouwd werd in de 16de eeuw en de naam "Ersteling" had. De hoeve verdween, maar de buurtschap kreeg de merkwaardige naam van de hoeve. "Ersteling" werd verbasterd tot "Essteling". De gotische s'en ging men op den duur uitspreken als een f waarna de buurtschap de naam "Efteling" krijgt.

De bewoners van die dorpen moesten op zoek naar nieuwe nederzettingen.

De nederzettingen zijn er niet onder verdwenen, maar de mensen hebben die plekken verlaten met een oorzaak. Op stuivend zand op hun akkers/ weilanden zou de oorzaak zijn geweest.
Uit oorkonden in de periode 1391 tot 1448 blijkt dat het stuifzandgebied

in deze relatief korte tijd is ontstaan. Vanaf de 14e eeuw werden er eiken geplant in een poging het stuifzand in te dammen.
De strijd tegen het stuifzand:

Rond de 18 de en 19 de eeuw slaagden de grondbeheerders erin om met houtsingels de opmars van het stuifzand te keren. Ook plantten ze helmgras. Dat is een plant die met zijn uitgebreide wortels het stuifzand vasthoudt. De pachters mochten geen hei meer plaggen en geen vee hoeden. Zo slaagde men er uiteindelijk in om de verstuiving de baas te worden.
Paraboolduin

U-vormige duin ontstaan doordat planten zand vastleggen.
Zwarte Berg(en)

Op sommige plaatsen is de dekzandlaag zelfs verdwenen en

is een roestbruine tot zwarte, humusrijke bodem te zien.

Een podzolbodemprofiel is herkenbaar door een toplaag van humusrijke grond, waaronder een bleekgrijze (uitspoelings)laag, daaronder een donkere (inspoelings)laag en geheel onderop de oorspronkelijke bodem. Een podzol is ontstaan door een eeuwenlang proces van uitspoeling en inspoeling in leemarm dekzandlaag.

Deze zwarte laag zijn de vroegere Podzolgronden.

Het restant van de vroegere bos- en heidebodems. Op andere plaatsen zijn door het wegstuiven van zand laagten ontstaan. Vaak met een leemhoudende bodem die weinig regenwater doorlaat. Daardoor ontstaan plassen die meestal weer van tijdelijke aard zijn.
Knooppunt: 95

En nu…

De zachtgele stuifduinen van nu bestaan uit langgerekte zandruggen en heuvels. Het gebied wordt omgeven door een gordel van wallen en bossen. Het duingebied heeft eerder de neiging tot dichtgroeien dan tot

uitbreiding van de verstuivingen, daarom zijn maatregelen nodig.

In 1950 lag hier nog 400 ha stuifzand en nu nog maar 270 ha.

Als er niets wordt gedaan dan groeit er 3 ha per jaar dicht.

Binnen 100 jaar is dit dan bos.

Kappen is niet alleen voor het stuifzand maar ook om windtunnels te creëren. De wind heeft 300 tot 400 meter nodig om op kracht te komen om het zand te laten stuiven.

Het meeste zand wordt verplaatst door water.

Doordat een druppel uiteenspat wordt het zand verplaatst.
Vormen in de duinen:

In De Loonse en Drunense Duinen komen fortduinen en randwallen.

Een fort is een langzaam opgestoven heuvel, waar zich steeds weer planten konden vestigen. Het resultaat is een volledig begroeide heuvel met oude zomereiken (eikenstoof), berken of grove dennen met ondergroei van bochtige smele en varens.

Langs de rand van het stuifzandgebied liggen lange, hoge wallen waar het zand wordt vastgehouden door boomwortels van oude zomereiken en ruwe berken. Op de wallen groeien veel mossoorten en zelfs bloeiende planten, zoals salomonszegel en grote muur.

Ook zie je hier gangen van de Rosse woelmuis waardoor het stuifzand weer zichtbaar wordt.

De meeste bospercelen in het park zijn saaie, donkere naaldbossen die ooit als productiebos aangelegd zijn. In de middeleeuwen echter lag hier een oerbos dat vooral bestond uit loofbomen en veel struiken, varens en bosbessen. Wij vormen een aantal van deze bospercelen om tot natuurlijkere bossen, met inheemse boomsoorten zoals zomereik, berk en grove den. Er komt meer variatie in de structuur en leeftijdsopbouw van het bos. Jonge en oude bomen van verschillende soorten, naast dode

staande en omgewaaide bomen. Op dood hout groeien mossen, varens en paddenstoelen, en krioelt het van de insecten. Deze insecten vormen weer een belangrijke voedselbron voor allerlei vogels en kleine zoogdieren. Ook

de bosranden en open plekken in het bos worden gevarieerder met struiken en bosplanten. Dat levert een interessantere omgeving voor planten en dieren op.
Naar een natuurlijker bos”
Stuifzanden:

De omstandigheden in het stuifzandgebied zijn extreem. De temperatuur kan ’s zomers hoog oplopen, de bodem is op de meeste plaatsen droog en bevat nauwelijks voedingsstoffen. Geen geschikt leefmilieu dus voor veel planten en dieren. De algengroei legt het zand vast. Op de open stuifzanden groeien pionierplanten, zoals zandzegge, buntgras en pijpenstrootje. Deze taaie soorten leggen met hun wortels het zand vast en maken de weg vrij voor mossen, zoals bekermos en rendiermos. Hierin kiemen zaden van grassen, planten en naald- en loofbomen.

Buntgras gaat kiemen als het onder gestoven is, dit zie je aan de rode kleur.

Zandzegge sterft aan de achterkant af en verplaatst zich in het stuifzand voorwaarts om het vast te leggen.
Overgang naar bos en hei:

Het meest interessante is de overgang van het kale zand naar bos of hei.

De afwisseling van oude en jonge heide is een belangrijke biotoop voor amfibieën. De oude heide gaat verhouten en daar komen er korstmossen op. De vele insecten die op de heide afkomen vormen weer een voedselbron voor de levendbarende hagedis, de heidekikker, rugstreeppad en bijzondere vogelsoorten, zoals de boom- en de veldleeuwerik, de nachtzwaluw, de gekraagde roodstaart en de roodborsttapuit.

Karakteristiek zijn de krekels, sprinkhanen, roofvliegen en zweefvliegen. Ook komen er spinnendoders, hommels, graafwespen en sluipwespen voor en bijzondere vlindersoorten als de heivlinder(Zandoogjes), de kleine nachtpauwoog en het klein groentje.
Voedselrijke heide:

In de heidegebieden is een rijke plantengroei.

Op de droge heideterreinen groeit vooral struikhei, met kruipwilg, korstmossen en haarmos.

De vochtiger terreinen zijn bedekt met gewone dophei, kruipwilg

Regelmatig zijn in het park sporen te vinden van de das. Zichtbare sporen van graafactiviteiten en wissels (vaste looppaden), maar ook geursporen. De hoge zandheuvels zijn heel geschikt voor het bouwen van dassenburchten.

s Nachts trekken ze naar de voedselrijke graslanden aan de rand van de duinen om daar hun belangrijkste voedsel te zoeken, de regenworm. Maar ook insecten, slakken en vruchten staan op het menu.


Bossen:

In de bossen rond de duinen leven de planten en dieren die de zanderige grond prettig vinden, maar beschutting zoeken voor het stuifzand. De vos en het ree komen hier voor. Ook de groene specht, de zwarte specht, de grote bonte specht en de boomklever hebben hier hun leefgebied.

In dichter begroeide delen leven vossen en kleine marterachtigen, zoals bunzing, wezel en hermelijn

Knooppunt: 91
Giersbergen:
Vermoedelijk komt Giersbergen van Gheeers en heette vroeger Gheersbergen.

In België liggen ook dorpen met die naam. Gheers betekent groep.

Het kan ook komen van Geren, de steile kant van een stuifduin.



Giersbergen ontstond in de eerste helft van de dertiende eeuw. De verste bronnen gaan terug tot 1244. In dat jaar bood de Brabantse edelman, Schout van Den Bosch, Hendrik van Herentals in opdracht van Hendrik ll, Hertog van Brabant, aan de abdij Ter Kameren in België, 150 bunder aan. De abdij werd in het begin van de twaalfde eeuw gesticht, in de omgeving van Brussel. Ze was samengesteld uit zusters, behorend tot de Cisterciënzer orde, die leefden naar strenge religieuze regels binnen de abdijmuren. Dit betekende dat de omliggende abdijgronden door anderen moesten worden bewerkt, wilden de zusters zich in afscherming volledig aan meditatie en gebed kunnen wijden. Een orderegel voorzag hierin door te gebieden dat de landerijen slechts door religieuze mannen konden worden bewerkt. Dit waren monniken, maar vooral lekenbroeders: leden die tot een religieuze gemeenschap behoorden maar geen priesterwijding kregen.
Voor landerijen die te ver van de abdij Ter Kameren aflagen, om nog gebruik te kunnen maken van haar faciliteiten, werden zogenaamde uithoven in het leven geroepen. Het waren geheel autonome agrarische bedrijfjes op het platteland, meestal bestaande uit een of meerdere boerderijen, die tot een kloostergemeenschap behoorden.


De uithof Giersbergen, bestond in oorsprong uit een tweetal boerderijen: de Poorthoeve en de Maaihoeve,(voor beheer). Het geheel werd door een gracht en wal omgeven. Een poort verschafte toegang in de omwalling, (is nog restant van te zien) Poorthoeve (afgebroken staat nu een landhuis). Het was een gemengd bedrijf, dat wil zeggen dat er zowel landbouw als veeteelt plaatsvond. De veeteelt vormde evenwel de voornaamste inkomstenbron. Daar het woeste gebied rondom Giersbergen grotendeels uit heidevelden bestond, werden er meest schapen gehouden. De producten die de uithof voortbracht dienden direct voor de abdij of werden verkocht in ’s Hertogenbosch.

Giersbergen is een gehucht ten zuiden van Drunen in de Noord-Brabantse gemeente Heusden. Het heeft ongeveer 70 inwoners en ligt aan de noordzijde van het Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen.

Giersbergen bestaat uit een aantal oude rietgedekte langgevelboerderijen.

In 1994 heeft Giersbergen zijn 750 jarig bestaan gevierd.

In 1929 heeft Natuurmonumenten de bossen en weilanden rondom Giersbergen aangekocht.

Na de terugslagen in de landbouw en veeteelt is de recreatie een voorname bron van inkomsten geworden. Giersbergen is vooral geliefd door de Loonse en Drunense duinen, maar ook omdat het vlakbij 's Hertogenbosch, de Efteling en de plaats Heusden ligt.
In 2006 is in Giersbergen een zorgboerderij gestart. Deze zorgboerderij is uiterst sfeervolle ingericht en bestemd voor ouderen in deze regio. De zorgboerderij is gevestigd in een eeuwen oude monumentale Vlaamse schuur, De Maaihoeve.

In 1934 heeft er een grote brand gewoed in Giersbergen en daarbij is café de drie Linden afgebrand en later herbouwd. De drie linden(bomen) hebben de brand overleefd. Die waren in 1910 aangeplant.

De sculptuur het boerinneke van Giersbergen is van Carla Vredenberg (1983)

Knooppunt: 35 (afsnijding mogelijk richting 80)

Knooppunt: 35 richting: 34 (kleverig koraalzwammetje)

Stilte moment

(hier kun je in de lage stukken nog steentjes vinden uit de oude maasvlakte)

Knooppunt: 34

Het beheer:
Plaggen van stukjes heide;

Deze winter, 2011-2012 wordt tussen de Roestelberg en Bosch en Duin heide geplagd.

Verspreid door het gebied worden kleine stukjes heide met struik en al verwijderd.

Hierdoor wordt weer zand blootgelegd dat kan gaan stuiven.

Daarnaast komt er meer variatie in de vegetatie.

Op de zandplekken krijgt de typische stuifzandvegetatie een kans en ontstaan weer mossen, korstmostapijten, waarin pollen buntgras en jonge

heideplantjes kunnen groeien.

Verspreid over het hele gebied, wordt totaal ongeveer 10 hectare heide

geplagd.
Herstelmaatregelen in fase 3

Kappen van 6 hectare bos . Op 4 ha. kan zich heide ontwikkelen



en op 2 ha. wordt zand blootgelegd dat weer kan gaan stuiven.

In 8 hectare bos worden de grove dennen gekapt ten behoeve



van de oude eiken, ‘Eikenforten’

Op een lager gelegen deel wordt een stukje natte heide hersteld.



Hiervoor worden de berken en andere begroeiing met wortel en al

verwijdert. In de zandbodem worden vervolgens heideplaggen uit de

Kampina geënt.

. Overdag laat men schapenkuddes grazen op de heide en het opschot van de eiken/berken kort houden. ’s Nachts staan de schapen in de stal om bemesting te voorkomen.
Stuifzand en heide groeien dicht

Het stuifzand en heide neemt steeds verder af.

Zonder ingrijpen verdwijnen deze plekken op termijn helemaal.

Het bos dat deze gebieden opslokt, bedreigt niet alleen het leefgebied van dieren en planten, ook verdrukt het de half ingestoven eiken, die zo karakteristiek zijn voor het stuifzandlandschap. In deze

fase van het LIFE+ project, krijgen deze ingesloten gebieden weer de ruimte.
Uit ervaring blijkt dat met het enten van heideplaggen de gewenste plantensoorten binnen drie jaar terug zijn. Met de plaggen komen namelijk ook allerlei schimmels en bacteriën mee, die nodig zijn om het zaad te laten ontkiemen.

Voor het herstel van natte heide in de duinen wordt heideplagsel van de Kampina gebruikt. Eind jaren negentig is langs het fietspad bij Bosch en Duin ook een stukje natte heide hersteld. Hier werd de ent techniek niet toegepast en het duurde meer dan tien jaar voor het zaad tot ontkieming kwam.
Eikenforten krijgen kans op ‘formaat van weleer’

De ingestoven eikengroepen (eikenforten) moeten

voor hun zonlicht tegenwoordig concurreren met de veel hogere grove dennen, die hier in de vorige eeuw zijn aangeplant. De eiken groeien nu

letterlijk naar boven om zo nog een beetje zonlicht op te vangen.

Maar hierdoor verliezen ze hun mooie brede groeivorm.

En die natuurlijke vorm maakt eikenforten nu juist zo majestueus en tot een echte blikvanger in het landschap. Door de dennen te verwijderen, kunnen de eiken weer naar het formaat van weleer groeien
Betrokken partijen

Natuurmonumenten geeft met dit stuifzandherstelproject invulling aan Europese, nationale en provinciale natuurbeschermingsdoelstellingen.

Het project wordt voor de helft gefinancierd met een LIFE+ Nature bijdrage van de Europese Unie. De andere helft kan worden uitgevoerd met steun van de Provincie Noord-Brabant, het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Natuurmonumenten.

Met respect voor de natuur


Alle werkzaamheden verlopen in drie fasen verspreidt over 5 jaar.

Daarbij vinden in het eerste jaar de ingrepen plaats en krijgt de natuur het daaropvolgende jaar de kans om tot rust te komen.

Om schade aan de natuur te beperken, worden de maatregelen in de winterperiode uitgevoerd. Dit is de minst kwetsbare periode voor verstoring. De werkzaamheden worden zodanig op elkaar afgestemd dat broedvogelsoorten, vlindersoorten en reptielen mogelijkheden hebben uit te wijken.

De drie fasen van het stuifzandherstelproject


Fase 1a (januari tot maart 2009)

Herstelwerkzaamheden op 23 ha: boomvrij maken van heideveldjes en op kleine schaal plaggen van stukken heide in het centrale deel van het stuifzandgebied.

Fase 1b (november 2009 tot maart 2010)

Herstelwerkzaamheden op 36 ha in het centrale duingebied: verwijderen van bos, weghalen van vegetatie aan de voet van duinhellingen en kleinschalig plaggen.

Fase 2 (2010-2011)

Herstelwerkzaamheden op 112 ha in het westelijke deel van het stuifzandgebied: voornamelijk verwijderen van bos en kleinschalig plaggen.

Fase 3 (2011-2012)

Herstelwerkzaamheden op 30 ha in het oostelijke deel van het stuifzandgebied: verwijderen van bos en verwijderen van bomen en stronken aan de voet van duinhellingen
4 Ha. bos wordt gerooid en de bodem daarna geënt met heideplagsel.

Ze verspreiden de heide met een meststrooier en zo brengen ze schimmels en bacteriën terug die ervoor zorgen dat de heide weer gaar groeien.

Knooppunt: 82
Wandelen, fietsen en paardrijden:
Wandelaars kunnen vrij door het open stuifzandgebied struinen.

Voor de honden zijn er losloopgebieden.

Voor fietsers ligt er een prachtige, brede fietsroute dwars door het natuurgebied. De duinen zijn ook erg geliefd bij mountainbikers.

Rond het stuifzandgebied is een aantrekkelijke route uitgezet van 26 kilometer lang.

Voor Paardrijders zijn de duinen een ware sensatie. Ruiters en menners hebben een parcours van bijna honderd kilometer tot hun beschikking.

Een deel van de tocht gaat over het open stuifzand.

Educatieve programma’s en groepsexcursies.

Om kinderen al vroeg kennis te laten maken met de natuur zijn er vier educatieve programma’s voor het basisonderwijs.

Speciale duingidsen maken een excursie in het Nationaal Park tot een leuke en leerzame belevenis.

Naast het scholenprogramma biedt het Nationaal Park zo’n twintig publieksexcursies per jaar. Ook zijn er excursies op maat mogelijk, bijvoorbeeld voor een familiereünie of personeelsfeest.

Deze programma’s en excursies worden verzorgd door ervaren duingidsen van het IVN, boswachters van Natuurmonumenten en boeren met hart voor hun bedrijf.

DE RUSTENDE JAGER:
De eerste op het pand verleende vergunning werd op 1882 vergund aan Wilhelmus Denissen, destijds herbergier.

Het cafeetje ‘de Rustende Jager’ lag gunstig op een kruispunt van wegen en aan de ingang door de duinen naar Giersbergen en Heusden.

Verbindingsroute Heusden – Oisterwijk – Brussel.

Toen de heer en mevrouw Klijn de Bresser in 1920 de Rustende Jager van de famlie Martens kochten om er de kost te verdienen, was het een klein boerderijtje met een zijkamertje waar een borreltje of frisdrank geschonken kon worden aan de jagers of passanten die er even wilde rusten. Ruim tien jaar later in 1934 werd het boerderijcafeetje aan Natuurmonumenten verkocht omdat mijnheer Klijn op vijftig jarige leeftijd was overleden en zijn vrouw geld nodig had om het hoofd boven water te houden. Marie Klijn stelde bij de verkoop enkele voorwaarden.

Ze zou er altijd mogen blijven wonen tot aan haar dood, en ten tweede haar enige zoon Jan Klijn moest in dienst van Natuurmonumenten mogen werken als bos-arbeider. Al snel daarna was Jan boswachter in de Loonse en Drunense Duinen.
Aan het einde van de oorlog werd de Rustende Jager door de Duitsers in brand geschoten en na de oorlog weer terug gebouwd. De nieuwbouw kwam in landelijke stijl terug, boerderij-woonhuis annex café, waar de jagers een borreltje konden kopen, maar ook de militairen die
in de duinen op bivak waren.
Jo Pijnenbrug en Nellie Klijn, de derde generatie Klijn, slaagden erin om in 1989 de Rustende Jager weer terug te kopen van Natuurmonumenten.


Zo kwam het naar 55 jaar weer in handen van de familie Klijn.

Een nichtje heeft het als vierde generatie tijdelijk gerund maar, Jo en Nellie zwaaien nu weer de scepter en het is al 85 jaar in de familie.
Het Nationaal park, heeft er samen met de horeca naar gestreefd om een zgn. parelsnoermix te laten ontstaan. Hierbij fungeren alle horecabedrijven rond het gebied als een bezoekerscentrum, waar je alle informatie en materiaal kunt verkrijgen i.v.m. het Nationaal Park.


Tevens is het de poort naar het park.

Bronnen: Brochure Nationaal Park de Loonse en Drunense duinen

Wikipedia nationaal Park de Loonse en Drunense duienen

De nationale Parken van Nederland Natuur om te koesteren.

Met dank voor medewerking door Ad Smits







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina