De samenhang van het wel of niet in opleiding zijn en de ervaringsgraad van psychologen met hun redeneerstijl en de juistheid van hun diagnoses” Auteur: Janina Sarah Wolfgramm (s0096121) Universiteit Twente, Psychologie 2008



Dovnload 301.48 Kb.
Pagina1/5
Datum23.08.2016
Grootte301.48 Kb.
  1   2   3   4   5
De samenhang van het wel of niet in opleiding zijn en de ervaringsgraad van psychologen met hun redeneerstijl en de juistheid van hun diagnoses”

Auteur:

Janina Sarah Wolfgramm (s0096121)

Universiteit Twente, Psychologie 2008

Titel: De samenhang van het wel of niet in opleiding zijn en de ervaringsgraad van psychologen met hun redeneerstijl en de juistheid van hun diagnoses

Auteur: Janina Sarah Wolfgramm (s0096121)
Begeleider: 1ste begeleider en beoordelaar: Marleen Groenier

2de begeleider en beoordelaar: Casper Hulshof


Instelling Psychologie, Gedragswetenschappen. Universiteit Twente

Plaats: Enschede

Datum: 01-02-2008

Samenvatting:
Doel van deze studie is inzicht in de werkwijze van psychologen te krijgen. Er wordt onderzocht wie analytisch en wie intuïtief werkt en er wordt desbetreffend nagegaan welke effecten dit op de juistheid van de diagnoses heeft.

Om erover opheldering te kunnen krijgen wordt met behulp van vragenlijsten naar diagnosen met betrekking op een casus gevraagd, gegevens over het gebruik van de diagnostische cyclus en demografische gegevens verzameld.

Er kwam onder andere naar voren dat het gebruiken van de probleemanalyse significant met het stellen van een juiste diagnose samenhangt. Verder wordt gevonden dat de ervaringsgraad van psychologen geen invloed op hun redeneerstijl heeft. Het wel of niet in opleiding zijn heeft wel een invloed op de redeneerstijl en het blijkt dat een analytische werkwijze aangeleerd en getraind kan worden, maar ook verleerd kan worden.

Dit onderzoek levert helaas niet genoeg materiaal om in alle onderzochte gevallen algemeen geldige uitspraken te kunnen maken.

Het is gevonden dat de psychologen die een juiste diagnose gesteld hebben wel de hoofdactiviteiten nodig geacht hebben die ook deel van de diagnostische cyclus uitmaken, maar omdat hier in meeste gevallen geen significante verschillen gevonden worden kunnen desbetreffend uit de gegevens geen algemeen geldige conclusies getrokken worden.

Verder is gevonden dat de psychologen die een juiste diagnose gesteld hebben globaal gezien ook voor iets meer subactiviteiten van de diagnostische cyclus gekozen hebben, maar het gevonden verschil is klein en niet significant.

Daarom moeten er dus nog verder onderzoek in dit domein plaatsvinden om alle opgestelde hypotheses ondubbelzinnig te kunnen bekrachtigen of weerleggen.
Inhoudsopgave
Blz.
1. Inleiding 5

1.1. Het ontstaan van foute oordelen en diagnosen 6

1.2. Redeneerstijlen die tot foute oordelen kunnen leiden 7

1.2.1. Heuristieken 7

1.2.2. Biases 8

1.2.3. Intuïtieve redeneerstijl 10

1.3. Redeneerstijlen die minder vaak met foute oordelen in verbinding staan 11

1.3.1. Algoritmen 11

1.3.2. De diagnostische cyclus 11

1.3.3. Analytische redeneerstijl 13

1.4. Het optreden van de verschillende redeneerstijlen en hun samenhang met ervaring 14

1.5. Het verband tussen training, ervaring, redeneerstijl en de juistheid van een diagnose 15

1.6. Samenvatting 17

1.7. Onderzoeksvragen en hypothesen 17

2. Methode 21

2.1. Respondenten 21

2.2. Procedure 21

2.3. Diagnostisch model 21

2.4. Casus 22

2.5. Meetinstrument 23

2.6. Data-analyse 24

2.6.1. De dataset 24

2.6.2. De analyse 26

3. Resultaten 29

4. Discussie 39

5. Referentielijst 44

6. Bijlagen 46

6.1. Casus 46

6.2. Vragenlijst 46
1.Inleiding
Als men één en dezelfde casus door verschillende psychologen laat beoordelen, kan men ervan uit gaan dat ze niet allemaal tot dezelfde conclusie komen.

Dit onderzoek poogt de reden ervoor te vinden. Er wordt in kaart gebracht welke fouten bij het nemen van beslissingen voor kunnen komen, welke factoren bij het stellen van een diagnose een rol spelen en welke redeneerstijl tot een goede diagnose leidt. Het doel van het onderzoek is inzicht te geven in de verschillende manieren waarop psychologen aan het werk gaan bij het stellen van een diagnose, met welke factoren dit samenhangt en te bepalen welke werkwijze met de minste fouten verbonden is.

Tijdens de opleiding leren diagnostici de procedures die tot een goede diagnose voeren, maar toch lijkt niet iedere diagnosticus altijd tot een juiste diagnose te komen (zie bijvoorbeeld Wedding en Faust, 1989; Garb, 1989; McKinlay, Potter en Feldman, 1996). Er hebben vele onderzoeken plaatsgevonden die zich bezig houden met het proces van diagnosestelling over het algemeen (zie bijvoorbeeld Potter, Miller en Weyrich, 1990; Clancey, 1984; Udell en Hornstra, 1976; Smith en Gilhooly, 2006), met foute diagnoses (zie bijvoorbeeld Kutz, Garb en Kuritzky, 1983) en mogelijke redenen ervoor (zie bijvoorbeeld McKinlay, Potter en Feldman, 1996; Faller, 1999).

Het stellen van een diagnose is een ingewikkeld proces, omdat er in een beperkte tijdruimte vele dingen tegelijk gedaan moten worden. Tijdens een gesprek met een cliënt bevindt de diagnosticus zich in een complex proces waarin hij alle gegeven informatie moet verzamelen, interpreteren en afwegen om conclusies te kunnen trekken en beslissingen te kunnen maken. Als inspiratiebron voor het denkproces van de diagnosticus dient zijn theoretische, methodologische, instrumentele en ervaringskennis, die slechts zelden leveranciers van een kant-en-klare oplossing zijn. Verder zijn alledaagse diagnostische situaties voorbeelden van slecht gedefinieerde beslissingsproblemen (De Bruyn, 2003).

Het stellen van een diagnose kan met een “ill-structured problem” vergeleken worden. “Ill-structured problems” zijn problemen waar de parameter van het probleem niet duidelijk gedefinieerd zijn. Verder zijn er geen klaar gedefinieerde oplossingen of eindpunten (Lichtenberg, 1997). Uit deze reden kan men zeggen dat het diagnostisch proces ook met onzekerheid gepaard gaat.

Het diagnostisch proces is dus gekenmerkt door tijdsdruk, de complexiteit van de situatie en onzekerheid. Elk van deze kenmerken kan bij het ontstaan van foute diagnoses bijdragen.



1.1. Het ontstaan van foute oordelen en diagnosen
Mensen hebben over het algemeen moeilijkheden bij het afwegen van kansen. Hun valt het zwaar op basis van de informatie die zij tot hun beschikking hebben een correcte conclusie te trekken, omdat zij vaak slecht daarin zijn van de juiste of passende informatie gebruik te maken. Het komt dan voor dat relevante informatie weggelaten en irrelevante informatie gebruikt wordt (De Bruyn, 2003). Verder zoeken mensen vaak niet naar bewijzen die hun aannames en beslissingen steunen. Hun conclusies berusten vaak op de eerste impressie of op het eerste voorbeeld dat hun in het hoofd komt (Ashcraft, 2006).

Het maken van schattingen en het afwegen en herzien van kansen, het gebruiken van de passende informatie en het trekken van conclusies maakt substantieel deel uit van het werk van de diagnosticus. Dit zijn alles dingen die bij het stellen van een diagnose belangrijk zijn. Als ook diagnostici last van dit soort dingen hebben en dan nog de eerder al genoemden kenmerken van het diagnostisch proces (tijdsdruk, complexiteit van de situatie en onzekerheid) erbij komen wordt duidelijk hoe zwaar het is om tot een juiste diagnose te komen. Ook als het moeilijk is een juiste diagnose te stellen, zo is het toch mogelijk en het is niet ervan uit te gaan dat het stellen van een juiste diagnose op toeval berust.

Vele fouten bij het stellen van diagnoses hangen met bepaalde handelswijzen tijdens denk- en beslissingsprocessen samen (zie bijvoorbeeld Wedding en Faust, 1989 en Ashcraft,2006). Er bestaan manieren van aanpak die meer met foute oordelen en dus diagnoses in verbinding staan dan andere. Voorbeelden ervan zijn heuristieken, biases en een intuïtieve redeneerstijl (zie bijvoorbeeld Ashcraft, 2006; Wedding en Faust, 1989 en Dunwoody, 2000). De manieren van aanpak die minder tot foute oordelen leiden, zijn een analytische redeneerstijl en het gebruiken van een normatief model, zoals algoritmen en de diagnostische cyclus (zie bijvoorbeeld Ashcraft, 2006 en Dunwoody, 2000).

Er bestaan dus een aantal modellen die het nemen van beslissingen in kaart proberen te brengen. Er zijn verschillende normatieve als ook descriptieve modellen (hierover later meer). Het descriptieve model geeft een beschrijving van hoe een kwestie beantwoordt wordt en hoe mensen beslissingen maken (heuristieken). Normatieve modellen volgen de methode of formule van wiskunde en waarschijnlijkheid (algoritmen) of schrijven stap voor stap voor hoe mensen het moeten doen om tot een goede conclusie te komen (diagnostische cyclus).




1.2. Redeneerstijlen die tot foute oordelen kunnen leiden

1.2.1. Heuristieken
Heuristieken behoren tot de descriptieve modellen. Heuristieken zijn snelle informele regels, die niet systematisch zijn. Het zijn vaak gebruikte cognitieve vereenvoudigingsstrategieën. Heuristieken zijn vuistregels voor het verwerken van complexe informatie (De Bruyn at al, 2003).

Ze zijn nuttig omdat de cognitieve verwerkingscapaciteit van de menselijke hersenen beperkt is (Shanteau, 1988) en ze kunnen dus nuttig zijn om complexe informatie samen te vatten (Harding, 2004).

Op het eerste gezicht blijken heuristieken voor het stellen van diagnoses goede strategieën te zijn omdat ze mogelijkheid geven om met de kenmerken van het diagnostisch proces (tijdsdruk, complexiteit van de situatie en onzekerheid) om te gaan. Het zou kunnen dat ze op grond van de bestaande onzekerheid gebruikt worden. In een diagnostisch proces is de tijd vaak beperkt en heuristieken zijn snelle strategieën. Tijdens het diagnostisch proces bevindt zich de diagnosticus in een situatie die vaak heel complex is en waar hij veel informatie (van de cliënt) moet verwerken en heuristieken bieden hulpen om complexe informatie samen te vatten.

Het probleem bij heuristieken is dat zij tot vertekening, onnauwkeurigheid en veronachtzaming kunnen voeren. Verder zijn het richtlijnen of oplossingsmethoden, die niet altijd een correcte oplossing of antwoord opleveren (Ashcraft, 2006).

Men kan verschillende soorten heuristieken onderscheiden, zoals bijvoorbeeld de representativeness heuristiek, de beschikbaarheidsheuristiek en de simulatieheuristiek.

Bij de representativeness heuristiek wordt een uitkomst als waarschijnlijk geacht wanneer het als representatief voor de categorie geschat wordt (Ashcraft, 2006). Het zou kunnen dat een diagnosticus een behandeling adviseert, omdat de cliënt in zijn ogen goed beantwoordt aan het beeld van een andere cliënt die doorgaans bij die behandeling baat vindt. Daarom denkt hij dan dat de kans heel hoog zal zijn dat deze behandeling ook bij de nieuwe cliënt succesvol is (De Bruyn at al, 2003). Het is mogelijk dat de diagnosticus foute conclusies trekt. Het zou kunnen dat hij te snel en te veel generaliseert en dus de individuele verschillen tussen de cliënten buiten beschouwing laat en daardoor dan een foute verwachting heeft.

Bij de beschikbaarheidsheuristiek wordt de kans op een gebeurtenis hoger geschat naarmate met minder moeite voorbeelden van het gebeurtenis voor de geest gehaald kunnen worden (Ashcraft, 2006). Als de diagnosticus bijvoorbeeld theoretisch georiënteerd is op de gezinssysteemtheorie, dan kan hij zich om die reden voorstellen dat kindproblemen het gevolg van gezinsfactoren zijn (De Bruyn at al, 2003). De gezinsfactoren worden dan als de meest waarschijnlijke verklaring naar voren geschoven, terwijl er ook andere oorzaken of verklaringen mogelijk zijn.

De simulatieheuristiek heeft het voorspellen in welke mate bepaalde uitkomsten anders kunnen zijn tot inhoud (Ashcraft, 2006). Het zou kunnen dat een diagnosticus te snel concludeert dat de slechte mentale toestand van een cliënt door het optreden van een bepaalde levensomstandigheid veroorzaakt werd. Om deze reden denkt hij dan dat als deze levensomstandigheid niet er geweest zou zijn, de slechte gemoedsaandoening ook niet opgetreden zou zijn, terwijl de oorzaak ervan misschien ergens anders te vinden is.

Heuristieken kunnen dus bijdragen aan het ontstaan van foute oordelen en ook een verklaring ervoor geven, waarom bijvoorbeeld verschillende psychologen uit één en dezelfde casus verschillende conclusies kunnen trekken. Het doel van een diagnostisch proces is een juiste diagnose, maar als de juistheid van de diagnose niet gewaarborgd kan worden is het niet verstandig gebruik van heuristieken te maken.

In alledaagse situaties, waar terug koppeling en correctie mogelijk is, zijn deze vuistregels van groot nut, maar in de klinische praktijk is de kans echt groot dat zij het oordeel vertekenen (De Bruyn at al, 2003). Heuristieken zijn dus voor het diagnostisch proces minder bruikbaar, hoewel ze op de eerste gezicht nuttig blijkt te zijn om met de kenmerken van het diagnostisch proces om te kunnen gaan.



1.2.2. Biases
Biases zijn de resultaten van fout toegepaste strategieën. “Hindsight bias”, “confirmation bias” en “failure to analyze co-variation” kunnen aan foute diagnoses bijdragen (Wedding en Faust, 1989).

“Hindsight bias” is de tendens om te geloven, wanneer de uitkomsten van gebeurtenissen al van tevoren bekend zijn, dat de uitkomsten gemakkelijk te voorspellen waren als het inderdaad het geval was (Wedding en Faust, 1989). Het is dus denkbaar dat de kennis van een uitkomst achteraf tot een latere simplificatie van het gedane diagnoseproces kan leiden. Dit kan weer een negatieve invloed op een latere aanpak hebben. Het is dus bijvoorbeeld mogelijk dat door deze foutieve inschatting de noodzaak van het gebruikmaken van de stappen van een normatieve beslissingsmethode (zoals de diagnostische cyclus) onderschat wordt. Normatieve beslissingsmodellen leiden, als ze correct gevolgd worden, tot een goed resultaat (zie onder het kopje 1.3. Redeneerstijlen die minder met foute oordelen in verbinding staan).

“Confirmation bias” is het verschijnsel dat de voorlopige of voorafgaande hypothese van een persoon invloed op het maken van een beslissing heeft, doordat er een duidelijke voorkeur voor de voorafgaande hypothese bestaat (Wedding en Faust, 1989). Mensen hebben dus vaak de neiging alleen dat te zien wat hun voorafgaande mening bekrachtigt. Een voorafgaande mening kan dus het diagnoseproces selectief beïnvloeden. Als een psycholoog een voorafgaande mening of hypothese heeft, kan het dus zijn dat hij/zij alleen op die dingen let die met zijn/haar hypothese overeenkomen. Als dan de psycholoog heel sterk in een bepaalde richting gaat, kunnen daardoor andere mogelijke richtingen worden veronachtzaamd. Dit kan dan tot een foute diagnose lijden.

Met “Failure to analyze co-variation” wordt bedoeld, dat het voor mensen soms moeilijk is de relatie tussen variabelen correct te bepalen. Zelfs ervaren psychologen bedenken illusoire correlaties, die valide lijken maar dit niet zijn (Wedding en Faust, 1989). Als een psycholoog bijvoorbeeld een bepaalde voorgeschiedenis of symptoom of “sign” vaak in een samenhang met een as I stoornis ziet, kan hij /zij om deze reden tot de conclusie komen dat er een relatie tussen dit “sign” en de as I stoornis bestaat, terwijl het in werkelijkheid niet zo is. Aan de kennis van de psychologen die tijdens hun opleiding is verworven, wordt dus nieuwe (op de eigen ervaring gebaseerde) informatie toegevoegd, die niet altijd correct is.

Uit onderzoek van Meeks (1990) is gebleken, dat psychologen zich vaak niet van hun eigen beslissingsstrategie bewust zijn. Zij zijn niet in staat accuraat te beschrijven welke “cues” bij het maken van hun beslissingen het meest gewichtig geweest zijn. Er wordt vermoed dat biases buiten het bewustzijn gebeuren.

Psychologen kunnen dus bij het stellen van een diagnose op verschillende manieren te werk gaan en niet alle gebruikte strategieën zijn bewust gekozen strategieën.

Het gebruiken van verschillende heuristieken leidt tot verschillende oordelen en derhalve tot verschillende diagnoses. Dit zou de bestaande verschillen tussen psychologen verklaren. Sommige psychologen simplificeren het diagnoseproces. Niet iedere psycholoog houdt zich aan alle stappen van een normatieve beslissingsmethode of model (zoals de diagnostische cyclus). Sommige psychologen nemen met een voorlopige theorie genoegen en toetsen deze niet verder.

Het is verder mogelijk, dat de informatie die een ervaren psycholoog tijdens zijn of haar praktijkervaring verzameld heeft, onbewust niet altijd op een objectieve manier is verzameld. De informatie berust dan op een intuïtieve inschatting en niet op een objectieve beoordeling, maar dit wordt dan meestal niet waargenomen. Deze informatie heeft invloed op verdere beslissingen en kan dus tot fouten leiden.


1.2.3. Intuïtieve redeneerstijl
Een intuïtieve benadering is een proces, waarbij beslissingen of ideeën geen bewuste, “stap voor stap” manier hebben en waartoe een snelle informatieverwerking behoort. Intuïtieve denkprocessen zijn niet methodisch. Er is weinig cognitieve controle en er zijn weinig bewuste strategieën (Dunwoody, 2000).

Bij de psychologen die last hebben van oordeelsfouten zoals bijvoorbeeld de “Confirmation bias” (psychologen die alleen met een voorlopige analyse genoeg nemen), lijkt het alsof zij zonder een methodische strategie beslissingen nemen. Het kan aangenomen worden dat zij tot een oordeel komen zonder gebruik te maken van een normatieve beslissingsmethode. Dit neemt minder tijd in beslag dan wanneer zij bijvoorbeeld gebruik zouden maken van alle stappen van een normatief model. Er lijkt dus een snelle informatieverwerking plaats te vinden. Verder kan bij hun geen sprake zijn van een duidelijke “stap voor stap” of op methodiek gebaseerde werkwijze. Hun aanpak wijst dus op een onbewuste informatieverwerking en een intuïtieve redeneerstijl die dan ook vaak met fouten samen kan gaan.

De kenmerken van een intuïtieve redeneerstijl en van heuristieken vertonen dus overeenkomsten. Samenvattend krijgt men het volgende model:


Weinig methodiek, geen systeem, snelle en weinig bewuste strategieën spreken voor een intuïtieve benadering en voor het gebruik van heuristieken en biases.

Het ontstaan van fouten staat in verbinding met bepaalde beslissingsstrategieën. Een intuïtieve aanpak, en dus het gebruiken van heuristieken kan dus vaak tot een slecht resultaat leiden. Psychologen die geen (normatieve) methode gebruiken en intuïtief te werk gaan bij de beoordeling van een casus, kunnen blijkbaar vaak tot een foute diagnose komen.

1.3. Redeneerstijlen die minder vaak met foute oordelen in verbinding staan
1.3.1. Algoritmen
Bij conclusies, bewijsvoeringen en probleemoplossingen kan tussen twee manieren van aanpak onderscheid worden gemaakt, met name de algoritmische benadering en de eerder al genoemde heuristieke benadering (Ashcraft, 2006). Deze twee staan in tegenstelling tot elkaar, omdat er een heel groot contrast tussen de twee onderliggende benaderingen aan ten grondslag ligt.

Algoritmen zijn normatieve modellen, terwijl heuristieken descriptieve modellen zijn.

Een algoritme is een specifieke formele regel of oplossingsprocedure die systematisch, gedetailleerd en complex is, zoals bijvoorbeeld een formule (bij heuristieken is het helemaal niet zo). Als de procedure correct gevolgd wordt, levert deze gegarandeerd het juiste resultaat op, terwijl heuristieken riskant zijn omdat ze geen juiste resultaten garanderen (Robertson, 2003).

Het is wel zo dat heuristieken met het stellen van diagnoses en dus met het diagnostisch proces in verbinding gebracht kunnen worden, maar hetzelfde geldt blijkbaar niet voor algoritmen (hoewel deze de tegenhanger van heuristieken zijn). Volgens de Bruyn (2003) is het implementeren van een strikt algoritmisch model van het diagnostisch proces in de praktijk nagenoeg onmogelijk.


1.3.2. De diagnostische cyclus
De diagnostische cyclus is ook zoals algoritmen een normatieve beslissingsmethode of model. De diagnostische cyclus geeft stappen aan die tot een juiste diagnose zou moeten leiden.

Ook als er van auteur tot auteur enkele detailverschillen wat de diagnostische cyclus betreft te vinden zijn, staat daarachter toch hetzelfde methodische systeem. Het gemeenschappelijke kenmerk is dat ze op de empirische cyclus van De Groot gebaseerd zijn (Vertommen, 2005 en de Bruyn, 2003). Deze cyclus is een model voor het wetenschappelijk verantwoord beantwoorden van vragen en bestaat uit de volgende vijf stappen: observatie, inductie, deductie, toetsing en evaluatie.

Binnen de diagnostische cyclus worden de meeste vragen van zowel cliënten als ook verwijzers en psychodiagnostici tot basisvragen samengevat. Terwijl de Bruyn (2003) tussen vier basisvragen (verheldering, onderkenning, verklaring en indicatie) onderscheidt, onderscheidt Vertomen (2005) tussen vijf basisvragen (onderkenning, verklaring, predictie, indicatie en evaluatie).

Een combinatie van verschillende hulpvragen vereist een bepaalde volgorde van onderzoekstypen. Het diagnostische scenario is de geordende sequentie van de onderzoekstypen (De Bruyn at al, 2003). In een diagnostisch scenario worden dus de vragen (van de aanvrager, de cliënt en de diagnosticus) geordend. Het opstellen van een diagnostisch scenario bevat verder een voorlopige theorie (beschrijving van de problemen en mogelijke verklaringen) over de cliënt (Vertommen at al, 2005). Het onderbouwen van deze theorie vereist volgens Vertommen (2005) vijf diagnostische handelingen en volgens de Bruyn (2003) vier diagnostische handelingen.

Alle eerder genoemde onderdelen of stappen maken samengevoegd de diagnostische cyclus uit.

De richtlijnen van de diagnostische cyclus kunnen een aanleiding geven hoe met de complexiteit van de situatie omgegaan kan worden. De structuur van de diagnostische cyclus biedt ook een mogelijkheid om met de onzekerheid (ill-structured problem) van het diagnostisch proces om te gaan. Het zou maar kunnen dat het zorgvuldige afmaken van de stappen van het diagnostische cyclus tijd kost, dus biedt de diagnostische cyclus geen oplossing om met de tijdsdruk om te gaan. Het is mogelijk dat door het herhaalde gebruiken van de diagnostische cyclus een geroutineerde inzet van de diagnostische cyclus mogelijk is.

Zowel heuristieken als ook de diagnostische cyclus leveren oplossingen om met de kenmerken van het diagnostisch proces om te gaan, maar het doel van het diagnostisch proces is het stellen van een juiste diagnose. Dit wordt door de diagnostische cyclus gewaarborgd, terwijl het bij de heuristieken niet het geval is. Verder verlangt diagnostiek nauwkeurigheid. Heuristieken zijn niet nauwkeurig en er zou dus meer met normatieve modellen gewerkt worden, omdat daardoor nauwkeurigheid gewaarborgd kan worden.
1.3.2. Analytische redeneerstijl
Normatieve modellen zijn gedetailleerd en complex en ze vereisen een systematische aanpak. Het gebruik van normatieve modellen (zoals algoritmen en de diagnostische cyclus) laat diagnostici tot bewuste, objectieve beoordelingen komen, in plaats van intuïtieve.

De analytische benadering staat in tegenstelling tot de intuïtieve benadering. Bij een analytische benadering gebeuren weinig fouten (Dunwoody, 2000). Onder een analytische benadering valt een bewuste, “stap voor stap” beslissingsproces, die met een langzame informatieverwerking gepaard gaat. Analytisch denken is gebaseerd op een methodische aanpak, een hoog niveau van bewuste controle en op een langzame “processing rate”, omdat informatiebronnen bewust in het beslissingsproces geïntegreerd worden (Dunwoody, 2000).

Zoals eerder al besproken zijn algoritmen oplossingsprocedures die systematisch, gedetailleerd en complex zijn, en als de procedure correct gevolgd wordt levert deze het juiste resultaat op. Bij het gebruik maken van algoritmen kan dus van een analytische aanpak gesproken worden.

Bij psychologen die de stappen van de diagnostische cyclus volgen is ervan uit te gaan, dat zij op een bewuste manier en volgens een bepaalde volgorde zoveel mogelijk informatie willen verzamelen voordat ze een definitieve diagnose stellen. Bij het gebruik maken van de stappen van deze cyclus laat de aanpak op een bewust ingezette strategie sluiten. Men kan duidelijk van een bewuste, “stap voor stap” benadering spreken en dus van een methodische aanpak. De psychologen die gebruik maken van de diagnostische cyclus gaan dus op een analytische manier te werk en het kan zijn dat zij om deze reden minder foute diagnoses stellen.

Een analytische aanpak en het gebruiken van normatieve modellen (zoals algoritmen en de diagnostische cyclus) vereisen per definitie dezelfde handelwijzen. Samenvattend krijgt men het volgende model:

Het gebruiken van een normatief model wijst op een analytische benadering. Het is dus mogelijk van het gebruiken van de stappen van de diagnostische cyclus op een analytische aanpak te sluiten en omgekeerd.

Het is verder mogelijk bepaalde handelswijzen te identificeren die tot weinig fouten leiden. Een analytische benadering en dus het gebruiken van een normatief model, zoals de diagnostische cyclus, leidt dus meestal tot een goed resultaat. Psychologen die de stappen van de diagnostische cyclus gebruiken als zij conclusies uit een casus trekken, komen dus blijkbaar met grotere waarschijnlijkheid tot de juiste diagnose dan de psychologen die dat niet doen.



  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina