De samenhang van het wel of niet in opleiding zijn en de ervaringsgraad van psychologen met hun redeneerstijl en de juistheid van hun diagnoses” Auteur: Janina Sarah Wolfgramm (s0096121) Universiteit Twente, Psychologie 2008


Het optreden van de verschillende redeneerstijlen en hun samenhang met ervaring



Dovnload 301.48 Kb.
Pagina2/5
Datum23.08.2016
Grootte301.48 Kb.
1   2   3   4   5

1.4. Het optreden van de verschillende redeneerstijlen en hun samenhang met ervaring
Over het algemeen weten mensen niet altijd een juist normatief model om problemen op te lossen en heuristieken en biases zijn niet altijd adequaat.

Uit onderzoek is gebleken dat afgestudeerde psychologiestudenten, die alle relevante statistiek-algoritmen tijdens hun opleiding geleerd moeten hebben, het goed deden bij eenvoudige problemen, maar waar het om complexe situaties ging, bleek dat zij vaker heuristieken dan algoritmen gebruikten (Ashcraft, 2006).

Ofschoon psychologen tijdens hun opleiding de juiste strategieën geleerd moeten hebben, zijn blijkbaar velen niet immuun voor het gebruikmaken van cognitieve vereenvoudigingsstrategieën, die aan het ontstaan van foute diagnoses kunnen bijdragen. Er hebben om deze reden ook een aantal onderzoeken op dit terrein plaatsgevonden die dit aantonen (zie bijvoorbeeld Harding, 2004; Wedding en Faust, 1989 en Garb, 1989).

Het onderzoek naar besluitvorming van psychiatrische verpleegkundigen (Lauri, Salanterä, Gilje, and Klose, 1999) betrekt zich op analytische en intuïtieve denkprocessen bij het maken van beslissingen. Het bleek, dat psychiatrische verpleegsters verschillende beslissingsmodellen gebruiken en dat het gebruik van deze modellen verschilt van land tot land. Het wordt gezegd, dat deze verschillen tussen de landen (Finland, noord-Ierland en de Verenigde Staten) misschien verklaard kunnen worden door een verschil in de opleidingen en in de dagelijkse werkervaring. De aanpak, dus het gebruiken van een analytische of een intuïtieve redenering, lijkt samen te hangen met een verschil in opleidingsrichtingen en ervaringen.

Uit onderzoek is gebleken, dat onervaren verpleegkundigen degene zijn, die eerder geneigd zijn om analytische beslissingen te nemen en dat ervaren verpleegkundigen degene zijn die eerder geneigd zijn om intuïtieve beslissingen te maken (Lauri at al,1999).

Met betrekking op hypothese-testende strategieën is uit een onderzoek gebleken, dat sommige psychologen vaak heel snel zijn bij het vormen van een indruk (Garb, 1989). Dit wijst op een intuïtieve redeneerstijl. Het zijn maar alleen sommige psychologen die dit doen. Er zijn dus blijkbaar ook psychologen die zich tijd laten bij het vormen van een indruk en dus de verkrijgen informatie afwegen, wat op een analytische werkwijze wijst.

Verder is door talrijke onderzoeken aangetoond dat er psychologen zijn, die gebruikmaken van heuristieken en biases en dus een intuïtieve redeneerstijl hebben ( zie bijvoorbeeld Harding, 2004; en Wedding en Faust, 1989). Er wordt vaak aangeraden om analytisch te werken (zie bijvoorbeeld Harding, 2004; en Wedding en Faust, 1989). Dit wijst erop dat er eveneens bij psychologen een verschil in de redeneerstijl (analytisch of intuïtief) bestaat.

Het zou kunnen dat dit verschil ook bij psychologen terug te voeren is op hun opleidingsniveau of ervaringsgraad en dat dus de resultaten van het onderzoek met psychiatrische verpleegkundigen generaliseerbaar naar psychologen is. Het kan dus zijn, dat ervaren psychologen diegenen zijn die eerder de neiging hebben om intuïtief te beslissen en dat onervaren psychologen of psychologen die nog met hun opleiding bezig zijn diegenen zijn die eerder geneigd zijn om analytisch te werken. Het is dus denkbaar, dat psychologen die veel werkervaring hebben met een voorlopige analyse genoegen nemen en snel en intuïtief beslissingen maken zonder gebruik van een normatief model en dus van de diagnostische cyclus te maken. Het is mogelijk dat zij dan vaker tot een foute diagnose komen. Psychologen met weinig werkervaring willen dan, als het zo is, gebruik van de diagnostische cyclus maken en komen om deze reden vaker tot een juiste diagnose.


1.5. Het verband tussen training, ervaring, redeneerstijl en de juistheid van een diagnose
Ervaring leidt niet altijd automatisch tot een goede diagnose en is dus geen garantie voor een juiste beslissing. Het blijkt zo te zijn, dat de eerder besproken “hindsight bias” (zie onder het kopje 1.2.2. Biases) gedeeltelijk ook verantwoordelijk is voor het beperkte (of zelfs niet-bestaande) effect van ervaring op het stijgen van de accuratesse bij beslissingen (Wedding en Faust, 1989). Een intuïtieve benadering kan dus ertoe leiden, dat foute dingen geleerd worden en dus ertoe bijdragen dat van de ervaring niet geprofiteerd kan worden, wat een belemmering van de accuratesse met zich mee kan brengen.

In het artikel van Wedding en Faust (1989) worden aanbevelingen gegeven om de accuratesse in beslissingen van (neuro)psychologen te verhogen en om oordeelsfouten (biases) te vorkomen. Het wordt onder andere aangeraden om zich bewust te maken van dit soort processen, literatuur over dit thema te bekijken, niet alleen op het “insight” te vertrouwen en om alternatieve diagnoses en opties op een lijst te zetten en naar evidentie te kijken. Met andere woorden wordt er aangeraden van een analytische redeneerstijl gebruik te maken om de fouten van een intuïtieve redeneerstijl te verminderen. Hieruit blijkt dat het bewustmaken van onbewust gekozen strategieën mogelijk is. Het is dus iets wat veranderd en getraind kan worden. Het is dus mogelijk dat men zich een intuïtieve redeneerstijl bewust maakt en deze door een analytische redeneerstijl vervangt.

Zoals al eerder genoemd, is uit onderzoek gebleken dat afgestudeerde psychologiestudenten bij complexe situaties vaker heuristieken dan algoritmes gingen gebruiken, ofschoon zij de passende algoritmen al geleerd hadden. Uit ander onderzoek is echter gebleken dat door relevante training een positief effect bereikt kan worden, dus een goede transfer en een verbeterde conclusie (Ashcraft, 2006). Door training en het aanleren van algoritmes is het mogelijk het gebruiken van heuristieken te voorkomen. Hieruit blijkt, dat het mogelijk is door het aanleren van normatieve modellen het gebruiken van een intuïtieve redeneerstijl te verminderen. Verder blijkt eruit dat de eerder al geleerde kennis van een normatief model verleerd of vergeten en door training weer terug gehaald kan worden. Dit kan een verklaring ervoor zijn uit welke reden ervaren verpleegkundige intuïtief en onervaren verpleegkundige analytisch beslissen (zie onderzoek van Lauri, 1999). Het zou dus kunnen dat de ervaren verpleegkundige de eerder al geleerde analytische redeneerstijl verleerd hebben. Onervaren verpleegkundige werken als het zo is vaker analytisch, omdat hun training nog niet zo ver terug ligt.

De resultaten uit het artikel van Garb (1989) ondersteunen niet de invloed van ervaring op het terrein van klinische diagnostiek, maar er is steun gevonden voor een invloed van training (hoewel beperkt). Verder is uit onderzoek gebleken dat de oordelen van ervaren psychologen niet betrouwbaarder zijn dan de oordelen van onervaren psychologen (Garb, 1989). Er wordt onder andere gezegd, dat een mogelijke reden daarvoor zou kunnen zijn, dat de opleiding en dus de training van ervaren psychologen langer geleden is (Garb, 1989). Wat de beoordeling van anderen betreft is maar ook uit onderzoeken gebleken dat training niet gerelateerd is aan de stijging van de accuratesse (Lichtenberg, 1997). Het moet dus opgehelderd worden of training een invloed op het stellen van een diagnose heeft of niet. Sommige onderzoeken spreken daarvoor en sommige daartegen.



1.6. Samenvatting
Er zijn veel variabelen die bij het maken van beslissingen een rol spelen kunnen. Training, werkervaring en de manier van aanpak (intuïtief en analytisch, of het gebruiken of niet gebruiken van de stappen van de diagnostische cyclus) kunnen een invloed op het stellen van een diagnose hebben en met de juistheid van een diagnose samen hangen. Deze variabelen (training/werkervaring en analytische/intuïtieve benadering) kunnen een verklaring geven, waarom één en de zelfde casus door verschillende psychologen verschillend opgevat en geïnterpreteerd kan worden.

Psychologen kunnen analytisch dan wel intuïtief te werk gaan bij het stellen van een diagnose en het lijkt zo te zijn dat het niet gebruik maken van een normatieve beslissingsmethode op een intuïtieve benadering wijst, die met het ontstaan van fouten gepaard kan gaan. Psychologen met een analytische werkwijze (dus de psychologen die gebruik maken van alle stappen van een normatief model, zoals de diagnostische cyclus) zullen volgens de theorie vaker een goede diagnose stellen.



1.7. Onderzoeksvragen en hypothesen
De theorie zegt dat een analytische redeneerstijl met minder fouten gepaard gaat (Dunwoody, 2000). In dit onderzoek wordt gekeken of dit ook weer te vinden is met betrekking op de redeneerstijl van psychologen en de juistheid van hun diagnoses.

Onderzoeksvragen: Is een intuïtieve redeneerstijl per sé slechter dan een analytische? Stellen dus de psychologen die veel stappen van de diagnostische cyclus gebruiken vaker een juiste dan een foute diagnose?

Hypothese 1: Psychologen die veel stappen van de diagnostische cyclus gebruiken en dus een analytische redeneerstijl hebben, stellen vaker een juiste diagnose dan een onjuiste.
Garb (1989) stelt het vermoeden op, dat de opleiding en dus de training van ervaren “clinicians” verder in de tijd terug ligt en dat zij om deze reden geen betrouwbaardere beslissingen maken dan de onervaren “clinicians”. In dit onderzoek wordt getoetst of training een rol gaat spelen bij de juistheid van de diagnoses. Er wordt van uit gegaan dat er ook bij de psychologen die veel ervaring hebben, psychologen te vinden zijn die zich (weer) in opleiding bevinden en dat om deze reden bij de psychologen die wel of niet in opleiding zijn een andere verdeling van juiste en onjuiste diagnoses te vinden is dan bij de psychologen die veel en minder veel werkervaring hebben. Er wordt verwacht dat er meer juiste diagnoses bij de psychologen die in opleiding te vinden zijn dan bij de psychologen die weinig werkervaring hebben. Verder wordt verwacht dat er meer foute diagnoses bij de psychologen die niet in opleiding zijn te vinden zijn dan bij de psychologen die veel werkervaring hebben.

Onderzoeksvragen: Stellen de psychologen in opleiding meer juiste diagnoses dan de psychologen met weinig werkervaring? Stellen de psychologen met veel werkervaring minder foute diagnoses dan de psychologen die niet in opleiding zijn?

Hypothese 2: Psychologen in opleiding stellen meer juiste diagnoses dan psychologen met weinig werkervaring.
Uit een onderzoek is gebleken dat onervaren verpleegkundigen eerder geneigd zijn om analytisch te redeneren, terwijl ervaren verpleegkundigen vaker intuïtief redeneren (Benner, 1984; Benner,Tanner, & Chesla, 1992, 1996 in Lauri at al (1999)). Nu wordt gekeken of de verhouding die bij de verpleegkundigen te voorschijn kwam, ook bij psychologen weer te vinden is.

Onderzoeksvraag: Kiezen de psychologen die weinig werkervaring hebben voor meer substappen van de diagnostische cyclus dan de psychologen die veel werkervaring hebben?

Hypothese 3: De psychologen die veel werkervaring hebben (minstens 5 jaar), hebben een intuïtieve redeneerstijl en kiezen dus voor minder substappen van de diagnostische cyclus dan de psychologen die minder werkervaring hebben.
Met betrekking op de eerder uitgelegde gedachte van Garb (1989), dat training van ervaren “clinicians” verder terug ligt en dat zij om deze reden niet meer valide beslissingen maken dan de onervaren “clinicians”, wordt in dit onderzoek nu verder onderzocht of training ook een rol gaat spelen met betrekking op de regeerstijl (analytisch of intuïtief).

Onderzoeksvraag: Zijn er onder psychologen die niet meer in opleiding zijn, meer die intuïtief werken dan analytisch?

Hypothese 4: Psychologen die in opleiding zijn hebben een analytische redeneerstijl en kiezen dus voor meer stappen van de diagnostische cyclus dan psychologen die niet in opleiding zijn.
Vervolgens wordt onderzocht hoe het zich in detail verhoudt. Nu wordt gekeken hoe zich de verschillen in werkwijze binnen de twee groepen van psychologen, die wel of niet in opleiding zijn, zijn verdeeld en of er een verband met de juistheid van de diagnose naar voren komt.

Het kan zijn dat bij psychologen waar de opleiding langer geleden is en die een intuïtieve redeneerstijl hebben, de eigen ervaring meer aanwezig in hun hoofd is, dan dat wat zij tijdens hun opleiding geleerd hebben. Het is mogelijk, dat zij snel tot een diagnose komen, omdat zij met een voorlopige diagnose genoegen nemen en geen gebruik maken van een normatief model (diagnostische cyclus).



Onderzoeksvraag: Stellen de psychologen die niet meer in opleiding zijn en een intuïtieve redeneerstijl hebben vaker een onjuiste diagnose dan de psychologen die een analytische redeneerstijl hebben?

Hypothese 5a: Onder psychologen die niet in opleiding zijn, zijn er meer die intuïtief redeneren dan analytisch en zij komen op grond van hun aanpak niet altijd tot een goede diagnose.
De psychologen die niet in opleiding zijn en een analytische redeneerstijl hebben, maken in dat geval gebruik van een normatief model (diagnostische cyclus). Het is te vermoeden, dat deze psychologen door de combinatie van de juiste aanpak en hun ervaring een voordeel hebben ten opzichte van de psychologen die nog in een opleiding zijn en een analytische redeneerstijl hebben.

Onderzoeksvraag: Zijn er onder psychologen die niet in opleiding zijn, minder vele die een analytische dan een intuïtieve redeneerstijl hebben?

Hypothese 5b: Onder psychologen die niet in opleiding, zijn er minder die analytisch dan intuïtief redeneren, maar op grond van hun aanpak en van hun ervaring is ervan uit te gaan dat zij het meest tot een goede diagnose komen.
Bij psychologen die in opleiding zijn of nog niet zo veel werkervaring hebben zou het kunnen, dat zij op grond van hun opleiding geneigd zijn om analytische beslissingen te nemen. Zij houden zich misschien strikter aan dat wat zij tijdens hun opleiding geleerd hebben, omdat zij nog niet zo veel “eigen” ervaring hebben.

Onderzoeksvraag: Komen de psychologen die in opleiding zijn en een analytische redeneerstijl hebben vaker tot een goede diagnose dan de psychologen die in opleiding zijn en een intuïtieve redeneerstijl hebben?

Hypothese 6a: Onder psychologen die in opleiding zijn, zijn er meer die analytisch dan intuïtief redeneren en deze komen op grond van hun aanpak vaak tot een goede diagnose.
Het zou echter kunnen dat er ook psychologen zijn die, ondanks dat zij in opleiding zijn, intuïtieve beslissingen nemen.

Onderzoeksvraag: Stellen de psychologen die in opleiding zijn en een intuïtieve redeneerstijl hebben vaker tot een foute diagnose dan de psychologen die in opleiding zijn en een analytische redeneerstijl hebben?

Hypothese 6b: Onder psychologen die in opleiding zijn, zijn er meer die intuïtief dan analytisch redeneren en op grond van hun aanpak en het ontbreken van ervaring stellen zij de minste goede diagnoses.
Er wordt dus onderzocht of het hebben van veel of weinig werkervaring en het wel of niet in opleiding zijn samenhangt met de redeneerstijl (intuïtief/analytisch) van psychologen. De redeneerstijl wordt gemeten aan de hand van het aantal activiteiten dat de psychologen uitvoeren of nodig vinden. De variabelen werkervaring en opleiding zijn in dit geval de onafhankelijke variabelen en de redeneerstijl de afhankelijke.

Er wordt bovendien bekeken of er een samenhang bestaat tussen de redeneerstijl (intuïtief/analytisch) en de kwaliteit van de diagnose (goed/fout). Verder wordt onderzocht of er een verband tussen werkervaring (veel/weinig), opleiding (in opleiding/niet in opleiding) en de kwaliteit van de diagnose is. De redeneerstijl, de ervaringsmate en het wel of niet in opleiding zijn, zijn in dit geval de onafhankelijke variabelen en de kwaliteit van de diagnose de afhankelijke.

Om alle hypothesen te kunnen onderzoeken, worden bij psychologen vragenlijsten afgenomen die extra voor dit onderzoek geconstrueerd worden. Deze vragenlijsten bevatten vragen over de noodzak van verschillende stappen van de diagnostische cyclus, demografische gegevens en er wordt ernaar gevraagd een diagnose op basis van een casus te stellen.
2. Methode
2.1. Respondenten
Alle respondenten die aan het onderzoek hebben meegedaan zijn Nederlandse psychologen met een NIP lidmaatschap. 4428 psychologen werden uitgenodigd aan het onderzoek deel te nemen. 456 psychologen deden aan het onderzoek mee. Niet iedere psycholoog heeft alle vragen beantwoord. Van de respondenten die aan het onderzoek meededen, waren 197 (63.1%) vrouwelijk en 115 (36.9%) mannelijk. De gemiddelde leeftijd van de respondenten was 44.4 jaar. 31 psychologen (34.4%) zijn in opleiding en 59 psychologen (65.6%) niet. 254 psychologen (81.4%) hebben veel werkervaring en 58 (18.6%) hebben weinig werkervaring.
2.2. Procedure
Het e-mailadres van de respondenten werd verkregen door het NIP en met behulp hiervan werden de respondenten via e-mail gevraagd om deel te nemen aan het onderzoek. Na een akkoordverklaring hebben de respondenten een tweede e-mail met een hyperlink gekregen, waar zij aselect aan één van twee online vragenlijsten toegewezen werden. De psychologen konden zelf bepalen wanneer en waar zij de vragenlijsten invulden, omdat dit via internet gebeurde. Er was geen tijdslimiet. De vragenlijsten zijn in totaal drie maanden voor de respondenten beschikbaar geweest.
2.3. Diagnostisch model
In dit onderzoek wordt voor de diagnostische cyclus als model gekozen omdat het een nauwkeurig en specifiek omschreven model is. Binnen het model wordt duidelijk tussen verschillende stappen onderscheid gemaakt, die weer in verschillende subactiviteiten onderverdeeld kunnen worden (zie bijvoorbeeld Vertommen, 2005 en de Bruyn, 2003). Door deze duidelijkheid kunnen de verschillende subactiviteiten eenvoudig worden geïdentificeerd en op een lijst gezet om naar gevraagd te worden. Dit gebeurde dan ook binnen de vragenlijsten die voor dit onderzoek gebruikt worden.

Hier wordt tussen 6 hoofdcategorieën of activiteiten onderscheid gemaakt. Dit zijn de aanmelding, het diagnostische scenario, de klachtenanalyse, de probleemanalyse, de verklaringsanalyse en de indicatieanalyse.

Onder het kopje aanmelding valt het formuleren van een beslissing om het diagnostische proces al dan niet voort te zetten. Onder het diagnostische scenario wordt het formuleren van een plan voor het beantwoorden van diagnostische (deel)hulpvragen verstaan.

Onder de klachtenanalyse valt het formuleren van een ordening van de klachten, zoals die door de cliënt omschreven worden en waarop diens hulpvragen betrekking hebben. De probleemanalyse heeft de objectivering van de subjectieve beleving van de klachten van de cliënt en het benoemen van het probleem van de cliënt tot inhoud.

De verklaringsanalyse heeft het vormen van een samenhangend beeld met een verklaring voor het probleem van de cliënt tot inhoud. Onder de indicatieanalyse valt het formuleren van een uiteindelijke aanbeveling voor een behandeling.

De 6 hoofdcategorieën werden binnen de vragenlijsten die voor dit onderzoek geconstrueerd worden in totaal tot 63 subactiviteiten of substappen onderverdeeld. Er werd naar 5 subactiviteiten binnen het diagnostische scenario, 10 subactiviteiten binnen de probleemanalyse, 11 subactiviteiten binnen de aanmelding, de verklaringsanalyse en de klachtenanalyse en 15 subactiviteiten binnen de indicatieanalyse gevraagd (om de enkele subactiviteiten te zien, zie bijlage 7.2.).

De vragen over de verschillende substappen van de diagnostische cyclus, worden gebruikt om de redeneerstijl van de psychologen te identificeren. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een analytische en een intuïtieve redeneerstijl. Psychologen die veel of zelfs alle stappen van de diagnostische cyclus gebruiken, worden als analytisch werkend beschouwd en psychologen die weinig of geen stappen gebruiken als intuïtief werkend.

Het scheiden van een analytische en een intuïtieve werkwijze gebeurt op deze manier, omdat ervan uit gegaan wordt dat de handelswijzen die tot een intuïtieve werkwijze behoren niet bewust zijn (zie inleiding). Om deze reden kan ook niet direct ernaar gevraagd worden. Er wordt nu indirect, dus door het uitsluiten van een analytische werkwijze, een intuïtieve werkwijze geïdentificeerd.


2.4. Casus
De casus (zie bijlage 7.1.) wordt in schriftelijke vorm aan de respondenten aangeboden. Deze geeft kort het verhaal van een vrouwelijke cliënt weer. De beschrijving van de cliënt is opgesteld naar aanleiding van het eerste gesprek met de behandelende psycholoog. Bij de cliënt werd door de behandelende psycholoog zowel een aanpassingsstoornis als een depressieve stoornis gediagnosticeerd. Deze twee stoornissen worden dan later bij de evaluatie/analyse van de data als criterium voor een juiste diagnose genomen, terwijl alle andere genoemde diagnoses als onjuist beschouwd worden.

Er wordt van uit gegaan dat de diagnose van de behandelende psycholoog voldoende is, omdat hij de cliënt zelf gezien en gesproken heeft en omdat de hij de cliënt nog verder begeleid heeft, heeft hij kunnen zien of de gestelde diagnose juist was of niet.


2.5. Meetinstrument
Als methode van onderzoek is gekozen voor twee gestructureerde vragenlijsten met zowel open als gesloten vragen die speciaal voor het onderzoek ontwikkeld zijn.

Om praktische redenen en vanwege sociale wenselijkheid is ervoor gekozen twee vragenlijsten met dezelfde vragen, maar met verschillende responsmogelijkheden te gebruiken. Er wordt van uit gegaan dat de data betrouwbaarder zijn als zij op twee verschillende manieren verkregen worden.

Alle twee vragenlijsten zijn met een begroeting begonnen. Verder wordt het doel van het onderzoek uitgelegd en de structuren van de vragenlijsten verklaard. De respondenten hebben toegang tot een lijst gehad, waar een uitleg van de in de vragenlijsten gebruikte concepten te vinden waren. Vervolgens hebben de respondenten de casus te zien gekregen.

Het eerste deel van de vragenlijsten heeft betrekking op de casus gehad. Er werd gevraagd naar een (voorlopige) diagnose, doelen voor de behandeling van de cliënt die ze zich voor kunnen stellen, en een mogelijke therapievorm. Deze vragen zijn bij beide vragenlijsten open vragen geweest.

Verder wordt naar de 6 hoofdcategorieën van de diagnostische cyclus gevraagd. Vervolgens wordt naar de verschillende substappen of subactiviteiten binnen deze hoofdcategorieën gevraagd. Beide vragenlijsten hebben hetzelfde aantal vragen over hoofdactiviteiten en subactiviteiten, behalve dat de responsmogelijkheden verschillend zijn.

Bij vragenlijst 1 moesten de respondenten met behulp van een vier punten Likert schaal (van absoluut onnodig tot absoluut nodig) meedelen hoe belangrijk zij de gegeven diagnostische subactiviteiten van de diagnostische cyclus vonden.

Bij vragenlijst 2 werd gevraagd om de gegeven diagnostische subactiviteiten van de diagnostische cyclus naar belang te rangordenen. De respondenten moesten dus aangeven wat zij als eerste, als tweede enzovoort zouden doen, door rangnummers te verdelen (van 1 opwaarts). De subactiviteiten die niet uitgevoerd werden, hebben een 0 gekregen.

Omdat hier naar de rangorde gevraagd wordt, worden in beide vragenlijsten de subactiviteiten wel per hoofdactiviteit, maar niet in de juiste volgorde aangeboden.

In het tweede deel van de vragenlijsten wordt naar demografische gegevens gevraagd.

Er werd gevraagd naar het geslacht, de leeftijd, het aantal jaren werkervaring, een GZ-registratie, fulltime of parttime werk, met welke doelgroepen gewerkt wordt, of na de opleiding een verdere specialisatie plaatsgevonden heeft, of er één of meerdere vakgebieden zijn waarop iemand gespecialiseerd is, op welke gebieden zich iemand gespecialiseerd heeft, welke psychologische benadering(en) het meest bij hun manier van werken aansluit, in welke setting iemand werkzaam is en de verdeling van werkzaamheden.

Beide vragenlijsten eindigen met een verzoek voor deelname aan verder onderzoek en de respondenten werden voor hun medewerking bedankt.



1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina