De sociale controle van achterstandswijken



Dovnload 10.56 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte10.56 Kb.

De sociale controle van achterstandswijken

Onderzoekers en politieke en ambtelijke beleidsmakers lijken in gescheiden werelden te leven als het gaat om stedelijk beleid en beleid ten aanzien van achterstandswijken. Beleidsmakers blijven hameren op de noodzaak van woningdifferentiatie als instrument voor sociale menging. Onderzoekers tonen echter aan dat het simpele naast elkaar wonen van verschillende bevolkingsgroepen niet tot onderlinge communicatie hoeft te leiden. Ook de opvattingen over de wijk als sociaal integratiekader lopen uiteen. Voor wetenschappers en onderzoekers is het duidelijk dat het herstructureringsbeleid niet gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten. Dit beleid komt voort uit voorkeuren van beleidsmakers. Deze opvatting vindt Justus Uitermark echter te kort door de bocht. In "De sociale controle van achterstandswijken" zoekt hij naar de oorsprong van de beleidsmatige aandacht voor deze wijken.

Het bestaan van maatschappelijke problemen op zich is onvoldoende reden om tot overheidsoptreden te besluiten. Daarvoor moet eerst een concrete dreiging actueel worden. Zo werd in Nederland het immigratie- en integratievraagstuk pas goed in het centrum van het politieke debat gezet door de politieke aantrekkingskracht van Pim Fortuyn. In Vlaanderen heeft de opkomst van het Vlaams Blok gezorgd voor politieke prioriteit van leefbaarheid in achterstandswijken. Niet het feitelijke armoedeprobleem is aanleiding geweest tot sociale interventie, maar de politieke concurrentie van het Vlaams Blok.

Uitermark verklaart de kloof tussen onderzoek en beleid uit twee gebreken in het Nederlandse beleidsonderzoek. Ten eerste hanteren onderzoekers impliciet de veronderstelling dat de staat de belangen van haar ingezetenen optimaal dient. Het tweede gebrek is dat zij de beleidsdoelen niet ter discussie stellen, maar als gegeven accepteren.

Uit de kloof tussen de conclusies van onderzoek en de genomen beleidsmaatregelen leiden onderzoekers af dat beleidsmakers de complexe werkelijkheid niet goed begrijpen. Meer kennis zou tot beter beleid moeten leiden. Het tweede gebrek komt voort uit de afhankelijke positie van onderzoekers ten opzichte van de overheid. Daardoor blijft de vraag naar het waarom van het beleid buiten beeld.

Uitermark beschrijft de staat als een relatief autonoom orgaan met een veelheid aan relaties met verschillende groepen in de samenleving. Overheidsoptreden, in de vorm van beleid maken, is in een concrete situatie afhankelijk van de invloed die verschillende belanghebbende groepen op de overheid uitoefenen. De mate waarin een groep daarin slaagt, is afhankelijk van haar machtspositie op een bepaald beleidsterrein. Omdat die machtspositie per onderwerp kan verschillen, voldoet het overheidsoptreden vaak niet aan de verwachtingen van al die verschillende groepen. Daardoor wordt de overheid door zowel achtergestelde als bevoorrechte groepen niet beschouwd als een orgaan dat hun belangen dient.

Uitermark beschrijft met behulp van de ontwikkeling van het stedenbeleid in België en in Nederland het beleidsproces aan de hand van de twee eerdergenoemde gebreken in het Nederlandse beleidsonderzoek. België heeft door de geringe vertegenwoordiging van de stedelijke belangen op het centrale niveau tot begin jaren negentig bewust een antistedelijk beleid gevoerd. De machtsbasis van de katholieke zuil lag immers vooral op het platteland. De opkomst van het Vlaams Blok in de achterstandswijken in de steden, en de bedreiging die daarvan uitging voor de gevestigde politieke partijen, brachten de stedelijke armoede opeens in het centrum van de publieke en politieke belangstelling. Anders dan sociaal en economisch beleid kent het stedelijk beleid in België weinig instituties. Dat betekent dat politici die met stedelijk beleid aan de slag willen, niet snel door gevestigde belangen voor de voeten worden gelopen. De voortdurende groei van het Vlaams Blok leidde begin jaren negentig tot de opdracht van de centrale regering aan de Vereniging van Belgische Gemeenten en welzijnsinstellingen om gezamenlijk een 'Algemeen verslag over armoede' op te stellen. Daarin zocht men naar een strategie die moest inspelen op de belevingswereld van de kansarme groepen die mogelijk sympathie hebben voor het Vlaams Blok. Doel van het Verslag was om in dialoog tussen overheid, organisaties en burgers de algemene condities te creëren voor een maatschappij zonder schrijnende armoede: 'Wij willen geen speciale rechten voor de mensen die in armoede leven, wij willen een samenleving waarin wij als volledige burgers worden erkend'. Het Verslag concludeerde dat armoede voortkomt uit het onvoldoende respecteren van algemene rechten voor alle burgers.

Armoede is echter ook een relatief probleem. Beleid kan armoede niet doen verdwijnen. De discussie verschuift van armen als object van beleid naar armen als actoren in een maatschappelijk debat. Hulpverleners krijgen daardoor het gevoel dat zij bezig zijn met het reguleren van de armoede in plaats van haar op te lossen.

Na de verkiezingswinst van het Vlaams Blok in 1994 werd de wantoestand in de stadswijken niet meer gekoppeld aan de armoede, maar aan de concentraties van achterstanden in die wijken. Daardoor, zo constateerde men, groeien hele generaties op die de dominante waarden en normen niet leren. Als het probleem een concentratieprobleem is, dan ligt in sociale menging de oplossing. Daarmee kwam de wijk als schaalniveau voor beleid in beeld. In Nederland worden vergelijkbare beleidsconclusies getrokken, al is de weg waarlangs het GSB zich heeft ontwikkeld een andere dan het stedenbeleid in Vlaanderen. Bij ons is het initiatief genomen door de burgemeesters van de Grote Vier, die voor een deltaplan voor de grote steden pleitten.

In Nederland en in België zijn de centrale staat en het stedelijke gebied van elkaar afhankelijk bij de uitvoering van het stedelijk beleid. Die afhankelijkheid creëert een gezamenlijk belang om sociale controle in achterstandswijken te realiseren, waarmee men een hogere beleidsefficiency beoogt. Daartoe worden obstakels van beleid geïdentificeerd en verwijderd – bijvoorbeeld de verkokering. Of ze worden omzeild, bijvoorbeeld door het buiten het GSB plaatsen van het beleidsterrein van het ministerie van SZW.

Daarnaast worden maatregelen genomen die het beleidsproces bevorderen, zoals de bouw van dure woningen in achterstandswijken of het bieden van beperkte autonomie aan bewoners in achterstandsbuurten, bijvoorbeeld door toekenning van een wijkbudget.

De conclusie van de studie is in grote trekken dat stedelijk beleid op zich armoede niet kan opheffen, maar wel kan beheersen. Geen spectaculaire conclusie, maar deze interessante publicatie biedt inzicht in de totstandkoming van beleid en in de politieke context waarin dat gebeurt. Uitermark presenteert inzichten die goed van pas komen bij het formuleren van allerlei meetbare resultaatsafspraken tussen Rijk en steden in het GSB.


Dit is een recensie op het boek ‘De sociale controle van achterstandswijken; een beleidsgenetisch perspectief’ van Justus Uitermark.
Auteur: Theo Hagendoorn

Uit: Vitale Stad, apr 2004

KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing www.kei-centrum.nl





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina