De standaard weekend ( 26/08/2006) -pp. 20-21 Recensie door Peter Mestach



Dovnload 10.85 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte10.85 Kb.
DE STANDAARD WEEKEND ( 26/08/2006) -pp. 20-21 
Recensie door Peter Mestach

Bob Dylan: "Modern Times" (Sony Music)

 

Nooit eerder waren de verwachtingen voor een nieuwe Dylan-plaat zo gespannen als voor deze.



Geen nood, op "Modern Times" klinkt de meester als herboren.

 

Hoewel Dylan in de afgelopen vijf jaar geen nieuwe plaat heeft uitgebracht stond hij haast voortdurend in de spotlights. Zo verscheen twee jaar geleden het eerste deel van "Chronicles", zijn autobiografie, en vorig jaar zorgde de release van de schitterende Scorcese-film "No Direction Home" voor een ware Dylan-rage.



Dylan was opnieuw hot, maar dan vooral omwille van zijn opgefrist cv uit het verre verleden. Live ging het de krasse knar niet altijd voor de wind.. De vraag stelde zich dus of de 65-jarige troubadour van het trieste levenslied nog voldoende inspiratie had om een nieuw studio-album tot een goed einde te brengen.

 

Op "Modern Times", zijn vierenveertigste album, zingt Dylan als herboren. Al is dat maar deels de waarheid. In 1997 bewees hij met "Time Out Of Mind" dat “ouder worden” hem op het lijf geschreven was. Die dikwijls pijnlijk ontroerende teksten maakten vier jaar later op "Love And Theft" plaats voor een zelden gehoorde levensvreugde. Op die plaat was het nog zoeken naar een juiste frasering en muzikale omkadering, maar "Modern Times" is een schot in de roos. Al vanaf de eerste regels van opener "Thunder On The Mountain" kraait hij met de energie van een verliefde puber. ""Well there's hot stuff here and that's where I go" zingt hij terwijl Alicia Keys meermaals in niet mis te verstaan proza wordt geciteerd. De spetterende drums en vrolijk vonkende gitaren versterken die drang naar levenslust, terwijl zijn verroeste stem zich een weg baant door de ronkende baslijnen.



 

Waar hij op zijn vorige plaat nog te veel zocht naar metaforen uit de sixties pakt Dylan het op "Modern Times" anders aan. Meer met minder. Op "Spirit On The Water" keert hij terug naar de popmuziek waarmee hij opgroeide: vooroorlogse jazz met niet mis te verstane verwijzingen naar de gore cabaret-sfeer van de Depressie-jaren. In tegenstelling tot flauwere vingeroefeningen als "Bye And Bye" en "Moonlight" op "Love And Theft" klinken Dylan en zijn tourband als een hecht combo met één missie: de ultieme verleidingstruc in een volle hoerentent ("Let me see what you got, we can have a whoppin' good time!"). Die dubbelzinnigheid en zwarte humor maken van "Modern Times" één van de grappigste albums die hij ooit schreef.


Rootsmuziek 

Muzikaal gezien heeft Dylan uiteraard het roer niet compleet omgegooid. Sinds "Time Out Of Mind" grijpt hij steeds nadrukkelijker terug naar de rootsmuziek waarmee hij opgroeide: de countryblues van Hank Williams, de sound van de Sunstudio’s uit de fifties en rurale Chicago-Blues. Niet toevallig zijn dat net de genres die het meest aan bod komen in zijn eigen radioshow waar Bob als vrolijke discjockey wekelijks zijn favoriete thema's behandelt.  Howlin' Wolf was dan ook ongetwijfeld zijn grootste inspiratiebron voor het heerlijk stomende "Rollin' And Tumblin" waarin Dylan het refrein en het twaalfmatenakkoord met tonnen enthousiasme nieuw leven inblies. Als een volleerde gigolo verhaalt hij zijn lusten in seksueel rauw taalgebruik dat wonderwel aansluit bij het rollend drumpatroon uit Elvis' "That's Allright Mama". De "Young slut who charmed away my brains" transformeert Dylan hier als een jonge Big Joe Turner, die in een donkere kroeg zijn demonen uit zijn tengere knoken speelt.

Opvallend is dat Dylan voor zijn jongste twee platen enkel beroep doet op zijn eigen band en bovendien de productie onder het pseudoniem Jack Frost voor eigen rekening neemt. Daardoor klinkt vooral "Modern Times" als een live in de studio opgenomen verzameling 'road songs'. Alle credits gaan daarbij  naar de ritmetandem van drummer George Recelli en bassist Tony Garnier (al sinds 1989 in vaste loondienst bij Dylan). Maar ook de twee gitaristen Stu Kimball en Denny Freeman zorgen samen met multi instrumentalist Donnie Herron voor de muzikale rijkdom van drie onvervalste meesterwerken.

Eén daarvan, "Workingman's Blues #2", behoort tot het allerbeste wat Dylan in vijfenveertig jaar geschreven heeft. Verwijzend naar een gelijkaardig nummer van zijn Amerikaanse supportact Merle Haggard grijpt Dylan schijnbaar moeiteloos terug naar zijn Blonde On Blonde - schrijfstijl. In deze epische, op een wals slepende klassieker observeert hij de rol van de kostwinner in economische recessie én verhaalt hij tussendoor de zwalpende liefdesperikelen vanuit de derde persoon. Zulke messcherpe frasering en duizelende muzikale omkadering zijn zelden gehoord sinds zijn sixties-hoogdagen. Ook het afsluitende "Ain't Talkin'" grijpt terug naar die glorieuze mid sixties via een snapshot naar het rappende "Subterranean Homesick Blues". Bijna negen minuten lang kruipt Dylan in de huid van een sociale criticus en filosoof zonder moraalprekerig te worden. De woorden zijn harmonieus gewikt en gewogen, de toonaard is bezwerend. In tegenstelling tot de Rolling Stones op "Sweet Neo Con" noemt hij de boosdoeners van de ondergang in de States niet bij naam, maar de nuance is des te groter.

Als er al mindere momenten zijn op "Modern Times", dan zijn ze toch schaars. Het vrij banale "Beyond The Horizon" borduurt wat routineus verder op zijn Sinatra-eske stijloefeningen, terwijl de bluesrocker "Someday Baby" niet meer dan een goedkope remake van "Unbelievable" uit "Under The Red Sky" (1990) is.

 

Met "Modern Times" heeft Dylan geen nieuwe geschiedenis geschreven, wel zijn eigen visie op liefde, lust, relaties en het sociaal patronaat een nieuwe, briljante wending gegeven. Even indrukwekkend als ruim veertig jaar terug, zij het vrolijker, scherper en wijzer.



 

 

 



 

 

 



 

 



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina