De tafel voor Gods Aangezicht en de Gemeente naar Gods gedachten



Dovnload 34.81 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte34.81 Kb.


1De tafel voor Gods Aangezicht

en

de Gemeente naar Gods gedachten
Wanneer het gaat om de (h)erkenning van andere groepen gelovigen, heeft ooit een zekere broeder Andre Gibert hierover enkele behartigenswaardige dingen opgeschreven.1 Hij schreef: “Laten we het geval nemen, dat er in één plaats twee tafels gevonden worden, die onafhankelijk zijn van elkaar. Beide te erkennen als de “Tafel van de Heer”, zou betekenen, dat men met opzet weigerde de eenheid van de Geest te bewaren en het zou gelijk staan met het ontkennen van de eenheid van het lichaam. Het is dus absoluut noodzakelijk alles nauwkeurig te onderzoeken. Zo’n tweeslachtigheid kan het gevolg zijn van valse leringen, waarvan de getrouwe gelovigen zich moesten reinigen. Het kan echter ook gaan om een scheuring, ontstaan door persoonlijke meningsverschillen, of door een geval van tucht. Of nieuw gekomenen hebben ten onrechte hun tafel opgericht, zonder rekening te houden met die welke al bestond. Men kan niet neutraal of onverschillig zijn.
Aan de ene kant zou men hierdoor een schuldige ongevoeligheid tonen t.o.v. de heiligheid van de Naam van de Heer. Anderzijds zou het betekenen, dat we ons met sektarische activiteit hadden verbonden. Ook kan de Tafel van de Heer niet in één plaats bestaan en onafhankelijk blijven van die, welke in àndere plaatsen op dezelfde grondslag zijn. Men kan b.v. niet iemand ontvangen, die ergens anders is uitgesloten, of iemand weigeren die er ontvangen is, zonder dat men daardoor de eenheid van het Lichaam ontkent:”
Toch blijven er, na alles wat we hebben gelezen en beluisterd over het samenkomen rond de Heere Jezus aan Zijn tafel vragen over. Eén van die vragen heeft te maken met de vraag waar in onze verwarrende tijd dan wel die “tafel voor des Heeren Aangezicht”, zoals die beschreven is door de profeet Ezechiël, te vinden zou zijn. Er waren immers in de profetie van de nieuwe tempel meerdere tafels waar de Koning der ere met de Zijnen van wilde eten? 2
Wellicht kunnen we een antwoord vinden in de geschiedenis van de godvruchtige koning Josia en daaruit onze lessen trekken voor vandaag. We leren dat deze koning, in tegenstelling tot zijn voorgangers, geen behoefte had aan een nieuwe geloofsverklaring of belijdenis geschrift of een soort samenwerkingsverband of Alliantie tussen hem en zijn afgescheiden geloofsgenoten!
In zijn dagen waren er immers verschillende altaren waar de Heere God werd aanbeden. Die altaren werden ook in zijn tijd “tafels” genoemd, al werden die - dikwijls door de verbinding met afgodendienst en verkeerde allianties - negatief beoordeeld. 3 De woorden van koning Josafath, de voorganger van Josia, geven weer hoe men in die tijd omging met dit soort samenwerkingsverbanden: “Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in deze krijg.”4 Josafath vertrouwde weliswaar niet geheel op eigen kracht, maar helaas, óók niet voor de volle 100% op Gods kracht en Woord alleen, zoals Josia wèl deed! Josia zocht zijn kracht niet in de een of andere Alliantie tussen van elkaar gescheiden kinderen van God, maar in het teruggevonden Woord van God!

De jonge Josia zocht zijn kracht dus in God en Zijn Woord alleen. Hij had - in navolging van zijn voorganger Hizkia - zijn medegelovigen uit de van hem afgescheiden stammen schriftelijk op de hoogte gesteld van het feit dat de oorspronkelijke gedachten van God door het teruggevonden wetboek waren herontdekt. En dat hervinden van Gods oorspronkelijke gedachten was de grondslag van zijn reformatorische vernieuwingsijver, niet het samenkomen op grondslag van de eenheid van Gods volk, of in deze tijd het lichaam van Christus, wat in de praktijk geloochend werd en wordt.5


Voor ons christenen zou die grondslag “de leer van de apostelen en profeten” van het Nieuwe Testament moeten zijn. Een grondslag waar we blijmoedig - zoals de koningen Hizkia en Josia deden - tegenover medegelovigen van mogen getuigen.6 In feite is er dan ook maar één “tafel die voor Gods Aangezicht staat”, een tafel zoals die beschreven wordt door de profeet Ezechiël, waar alle wedergeboren gelovigen hun plaats hebben en behoren in te nemen. Zelfs zij “in wie een gebrek zal zijn, blind, te kort of te lang, of kreupel in voet of hand” of wat wij volgens ons eigen (vaak traditie- en historisch gebonden inzicht) een “gebrek” zouden noemen. We hebben het dan natuurlijk niet over de dienst die zo iemand al of niet zou mogen verrichten temidden van de gelovigen. Dáár gelden andere normen voor. 7

Je zou tegenwoordig kunnen zeggen dat we medegelovigen uit andere kringen vrijmoedig op de hoogte stellen van de door ons uit genade hervonden waarheden en het feit dat er tenslotte maar één altaar voor aanbidding kan zijn. Het altaar waarop al onze lofoffers van dank en aanbidding kunnen worden gebracht. Dát altaar is het altaar “wat voor Gods Aangezicht staat.”8 Het zal echter een gewetensoefening zijn om na te gaan of wijzelf deze bijzondere plaats hebben gevonden. Of moeten we belijden dat de Heere reeds aan de dorpel van onze geloofsgemeenschap staat en klopt op de deur van ons geweten, opdat we Hem opnieuw ons levenshuis laten vervullen!? 9
Uit de beschrijving van de nieuwe Tempel zoals Ezechiël die schetst, leren we dus dat er meerdere tafels binnen het geheel van het grote Godsgebouw waren te vinden, allemaal vlakbij de diverse ingangen van Gods huis.10 In gezinsverband konden daar, toegepast naar ónze tijd, z.g. “liefde- en gemeenschapsmaaltijden” gehouden worden. De Vorst wil Zich ook aan die tafels vertonen, als de gedachten van de gelovigen maar op Hem en Zijn heilig Woord alleen geconcentreerd zijn en niet op menselijke systemen en hulpmiddelen, zoals het schrijven van een nieuwe geloofsbelijdenis!
Toch doet alle informatie die we nu hebben over de tafel des Heeren niets af van het feit dat er slechts één plaats is waar we die “tafel des Heeren die voor Gods Aangezicht staat” moeten zoeken. 11 Maar, is dat de tafel waar wij aanzitten? 12Dát zou voor ons allen een ware gewetensvraag moeten zijn in deze verwarrende tijd! 13

"Gemeentelijke onafhankelijkheid"

J.N. Voorhoeve
De bekende J.N. Voorhoeve heeft, toen hij terugblikte op zijn eigen geschiedenis, eens aangegeven hoe men verlost zou kunnen worden van schuld uit het verleden die tot scheuring had geleid. Hij schreef: “Nu hebben wel in later jaren velen van hen, die toen verkeerd gingen, de dwaalleer geoordeeld; en anderen, die in de loop destijds in gemeenschap kwamen met deze broeders, te kennen gegeven dat zij met zo’n leer niets te doen wilden hebben; maar daarmee hebben zij nog niet het eens ingenomen onafhankelijkheidsstandpunt prijsgegeven. Integendeel blijkt uit alles, dat zij dit niet willen verlaten, wat dan ook treurige gevolgen heeft. Zij zijn pas vrij van gemeenschap aan de dwaalleer, waarmee hun vaderen verbonden bleven, als zij openlijk erkennen, dat vroeger door dezen verkeerd is gehandeld tegenover degenen, die met de valse leraar één weg gingen. Aldus kunnen zij zich reinigen van het kwaad door verootmoediging en belijdenis, hetgeen altijd moet plaatsvinden, al is het kwaad nog zo lang geleden geschied.”14
Met de Heer aan Zijn tafel

J. v.d. Bijl
Een andere bekende schrijver schreef over de beoefening van praktische gemeenschap met gelovigen uit de kerken: “Men kan niet half in gemeenschap zijn aan de tafel van de Heer. Ieder die is toegelaten, wordt geacht te blijven aan de tafel waar de Heer hem hebben wil. Hij valt onder de zorg en tucht van de vergadering, zoals wij allemaal. Het hoort niet dat wij iemand laten gaan nadat hij heeft aangezeten aan de tafel van de Heer. Eigenlijk moet dit zo'n overweldigende indruk op hem maken, dat hij er altijd wil blijven... We vragen van hem niet de belofte om te blijven, maar we geven hem evenmin de vrijheid om te gaan waar hij wil. Wij stellen geen voorwaarden, maar aanvaarden ook geen voorwaarden...We zullen een kind van God, ondanks z'n gebrekkig inzicht, met liefde ontvangen, maar hem eveneens iets meegeven van de kostbare waarheid omtrent het vergaderen in de Naam van de Heer Jezus. We zijn blij om een oprecht medegelovige te ontvangen, maar we zijn bang iemand te aanvaarden die onreinheid aan de tafel van de Heer zou brengen...15 Laten we niet op ons gevoel afgaan en ook niet op ons verstand vertrouwen, maar alleen de beginselen van de Schrift toepassen... In een andere gemeenschap brood breken, moet zeer beslist afgekeurd worden... De tafel van de Heer mag niet gelijk gesteld worden met andere tafels. Een tafel die niet alle kenmerken heeft die we in de Schrift gevonden hebben over de tafel van de Heer, kunnen en mogen wij niet erkennen. Dat doet men in feite wel als men daar aanzit.” En ten opzichte van een mogelijke “geestelijke verontreiniging” voegt hij eraan toe: “Er bestaat gevaar in dat andere milieu verontreinigd te worden door boosheid of valse leer, want we weten immers niet of daar tucht naar de Schrift wordt uitgeoefend?” 16 Ook wees hij er nog op dat “Een broeder of zuster die zijn of haar plaats aan de tafel van de Heer inneemt en toch wel eens elders brood breekt, tegen de wil van de Heer handelt en het getuigenis verzwakt dat we hebben af te leggen en het vertrouwen beschaamt van de broeders en zusters. “ 17

Kennelijk hangt deze broeder ook de Oudtestamentische “verontreinigingsleer” aan… Wie zou nog rein zijn in deze verwarrende tijd?



Omgaan met geestelijke verontreiniging
In een recent gesprek over de onderlinge relaties tussen gelovigen, kwam het onderhavige onderwerp "geestelijke verontreiniging” opnieuw ter sprake. Het ging om de vraag of en in hoeverre deze geestelijke vervuiling door de onderlinge contacten en gesprekken met andersdenkende gelovigen ook ons denken zou kunnen verontreinigen. De vraag spitste zich toe naar de overweging of het nu wel of niet wenselijk was dat men een soort z.g. "occasional fellowship" zou aangaan met gelovigen waarvan men zich eerder om allerlei leerstellige redenenen en vanwege “klerikale verontreiniging” had afgezonderd.
Zonder in dit verband dieper te willen ingaan op de vraag of Gods Woord zoiets leert als een (onbeperkte) “keten van verontreiniging”, kunnen we wèl spreken over eventuele effecten die dit zou kunnen hebben. Maar dan spreken we wel over mensen waarvan de Bijbel zegt dat zowel hun verstand als hun geweten zijn “bevlekt”.18 Of we dit kunnen toepassen op gelovigen die een andere kerkelijke weg dan wij gaan, is nog maar de vraag, want welke lezer zal in deze verwarrende tijd vol scheuringen nog durven beweren dat hij niet verontreinigd is geworden?
In het Oude Testament zien we dat de zonden van de vaderen inderdaad een bepaald effect hadden op het nageslacht en dat dit effect kan hebben in de gewetens van medegelovigen en de omgang met hen. Dat heeft David en zijn volk ervaren toen er, vanwege een ongeoordeelde zonde van zijn schoonvader Saul, een grote hongersnood onder Gods volk was uitgebroken. Deze werd pas opgeheven toen er gerechtigheid en verzoening tussen de Gibeonieten en Gods volk was gekomen en de zonde van Saul door David inderdaad als zonde was erkend. Het was het gebed en de gerechtvaardigde onderzoekingsdrang van David welke een sleutelrol vervulden in de oplossing van het probleem. Als antwoord op het gebed bracht God de (onbeleden) zonde uit het voorgeslacht aan het licht, zodat verzoening kon plaatsvinden door voldoening en erkenning van schuld. 19
In het Nieuwe Testament, speciaal de tijd na Pinksteren, leven gelovigen echter vanuit de éénmalige en unieke verzoening die de Heere Jezus op Golgotha heeft volbracht. In dát opzicht zijn wedergeboren christenen mét Christus aan de wet, inclusief de reinigingswetten, de macht van de zonde en de wereldgeesten gestorven en niet meer verantwoordelijk te houden voor de zonden van het voorgeslacht. Zij zijn immers ook ten opzichte van het (wellicht werelds levend) voorgeslacht met Christus gestorven, begraven en in nieuwheid des levens opgestaan? In feite zijn zij niet meer van deze wereld, hoewel nog wel in de wereld als getuigen van Christus en als Zijn gezanten en burgers van de hemel. De dood van Christus en hun eigen gestorven en opgewekt zijn met Christus staat tussen hun voorgeslacht en de veroordelende Wet van Mozes in, zodat de vloek van die Goddelijke Wet hen niet meer kan raken. Dit alles gezien vanuit de Nieuwtestamentische positie in Christus Jezus, welke uniek is t.o.v. de oude bedeling van de wet. Laat staan dat men als opgestaan met Christus - gezien vanuit die nieuwe positie - door de zonden van anderen die in hun denken en handelen nog vanuit het Oude verbond leven verontreinigd zouden kunnen worden. Uiteraard kan het wel eens nodig zijn dat we duidelijk de zonden van ons voorgeslacht benoemen en er met erkenning en belijdenis openlijk afstand van nemen, zodat het als in Ez. 18:19-22 en Neh. 1:5-11 beschreven is.
Al de genoemde effecten van de zonde der vaderen, of hen die ons nog omringen en met wie we spreken of aan wie we ons getuigenis geven, hebben een door God bepaalde grens. In óns geval ligt de grens bij het kruis van Golgotha en het graf van de Heere Jezus, waarin wij met Hem begraven werden. De Schrift kent dus wel een soort “ketenverontreiniging”, maar dan wél gezien vanuit een Oudtestamentisch gezichtspunt. Voor ons christenen geldt: het einde der wet is Christus.
De verwarring in onze tijd begint dan ook wanneer we Oudtestamentische typen, regels en wetten, gaan vermengen met onze Nieuwtestamentische positie, woorden en begrippen. Of erger, woorden en begrippen uit het Oude Testament gaan gebruiken en toepassen in Nieuwtestamentische situaties. In feite zijn woorden als “keten verontreiniging” alsmede de vraag “verontreinigt verbinding met kwaad” of “wat is verbinding met ongerechtigheid”, filosofische en theologische vondsten die vanuit het Oude Testament de Nieuwtestamentische Gemeente zijn binnendrongen. Bovendien blijken ze voor velerlei uitleg vatbaar zijn, afhankelijk vanuit welke positie men deze begrippen bekijkt. Vandaar dat in het verleden dit soort filosofische vaktermen van “raak niet en smaakt niet en roert niet aan” vaak een eigen leven zijn gaan leiden, met als gevolg verwarring, woordenstrijd, twist, tweedracht en scheuring. En dat is precies wat Satan als engel des lichts in de loop der eeuwen middels intelligente Bijbelleraren en filosofen heeft weten te bereiken!
Een broeder schreef ooit in een verhandeling over dit onderwerp: “Laten we ervoor waken dat onze gedachten niet worden vervuld met het kwade, maar dat ze met het goede vervuld zijn; dan is er geen gevaar om verontreinigd te worden... De Heilige Geest laat ons - wanneer wij door zonde verontreinigd zijn - het lijden van Christus zien en brengt het ons in herinnering... Wij zondigen - soms onbewust - en we worden daardoor verontreinigd. We zijn in aanraking en verbinding gekomen met de wereld en met de dingen van de wereld. Misschien hebben wij onder de goddelozen verkeerd en niet de Heere Jezus beleden; we hebben misschien wel meegedaan met hun dwaze gepraat en zijn op die manier verontreinigd geworden. Wat doet de Heilige Geest dan? Hij herinnert ons eraan hoeveel de Heere Jezus heeft geleden om ons te verlossen van deze zonde die we hebben begaan. En wat is daar het gevolg van? Het resultaat is dat we beschaamd zijn over onszelf; we zijn bedroefd en hebben berouw over dat wat we hebben gedaan en we gaan naar de Heere Jezus en belijden het Hem.” 20
Het is goed om in dit soort moeilijke uitlegkundige kwesties nederig te erkennen dat we de draagwijdte van onze eigen interpretaties vaak niet hebben overzien en dat we de Heere moeten vragen ons weer een evenwichtige houding te geven, “in het midden van de paden des rechts”.21 Dat evenwicht is alleen te vinden bij het onderwijs van de Heere Jezus Zelf en dat van de apostelen en Nieuw-Testamentische profeten, door deze gelovig en gehoorzaam na te spreken.22 Maar de oplossing ligt niet in het opnieuw formuleren van ons geloof of een omschrijving van onze positie t.o.v. medegelovigen die op een andere wijze tot de naam van de Heere Jezus samenkomen. De oplossing ligt ook niet in het schrijven van aanbevelingsbrieven waarin wordt uitgelegd waar we ons allemaal van hebben afgezonderd en wat er veroordeeld is als niet Schriftuurlijk. De zinsnede dat men “op de grondslag van de eenheid van het lichaam van Christus en volgens Mat, 18:20 tot de naam van de Heere Jezus samenkomt, wordt dan een verkeerde grondslag. Eenheid verkrijgt men wanneer men zich houdt aan wat er beschreven is in Hand. 2:42 en vervolgens. Eenheid is het gevolg van bouwen op het enige Fundament wat gelegd is, de Heere Jezus en Zijn Woord alleen, en die eenheid dient bewaard te worden!


1) “De Gemeente naar Gods gedachten”, blz. 55, uitg. H.L. Heykoop, Winschoten

2) Ez. 41:22b; 40:41

3) Mal. 1:7; 1 Kon. 13.

4) 2 Kron. 18:3

5) Zie b.v. 2 Kron. 30:5-13

6) Luk. 12:8; Ef. 2:17-22.

7) Lev. 21:16-23; 2 Kon. 23:9; Ez. 44:9-16.

8) Ez. 41:22.

9) Rom. 14:16-23; 1 Kor. 11:17-32; Opb. 3:20; Ez. 8:6; 9:9; 10:4;22-25.

10) Ez. 40:40, 41.

11) Ez.40:39-46; 41:22; 43:18; 44:3-5,15,16; 46:2,9,10; Ef. 4:1-6; Dt. 12:11-15; Hnd. 2:46; Mat. 18:20

12) 1 Kor. 11:20; 1 Kon. 2:7; Ps. 23:5.

13) Klaagliederen 3:40-42; 2 Kor. 8:8; 13:5.

14) blz. 13. Zie voor dit beginsel ook Dan. 9:20; Neh. 1:6,7 en Ez. 4:5

15) blz. 52

16 ) blz. 53

17) blz. 54. Noot van de bewerker: De vraag is altijd geweest hoe te handelen wanneer men geconfronteerd wordt met nieuwe groepen gelovigen die geen weet hebben van historische ontwikkelingen onder “de broeders.” Als nieuw gevormde geloofsgroepering hebben zij dikwijls afscheid genomen van het systeem waar zij door traditie aan waren verbonden. Het hanteren van een z.g. “Adreslijst” kàn in zulke gevallen een gemeenschappelijke geloofsoefening verhinderen en legalisme in de hand werken.


18) Tit. 1:15; 2 Pet. 2:2:2,13,18; Judas:12.

19) 2 Sam. 21:1, 1 Kon. 8:35-40, zie ook Ezr. 9:6-13.

20) R.F. Kingscote in “Uit het Woord der waarheid” jrg. 57, No.2. comm. by Num. 19:11

21) Spr. 8:8:20,21; Kol. 2:6-23.

22) 1 Pet. 4:10,11.











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina