De verlossende liefde



Dovnload 31.04 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte31.04 Kb.
DE VERLOSSENDE LIEFDE

Aan vele levens knaagt de vrees
Met de uitdrukking 'Verlossende liefde' hebben wij willen aanduiden, dat ook op het terrein van de zielzorg en het religieuze alle vruchtbaarheid te danken is aan de liefde. Ik moet dus laten zien, hoe de pastorale arbeid gedragen wordt door de liefde. Maar een behoefte aan scherpe begrippen dwingt mij ertoe om eerst een andere vraag te stellen: In welke verhouding staat de genezing, die de therapeut bewerkstelligt, tot de verlossing, waarvan de bijbel spreekt en in wier dienst de priester is gesteld?

Genezing en verlossing. Wie geneigd is om tussen beide een scherpe grens te trekken, ontdekt met verbazing, dat de bijbel en de therapie grotendeels een zelfde woordenschat gebruiken. Wat in de verlossing geschiedt, wordt in de Schrift aangeduid met namen als: hergeboorte (Joh. 3, 3), hernieuwing (Ez. 36, 26; 2 Kor. 5, :17), genezing en gezondwording (Jes. 53, 5 en passim), bevrijding

(2 Kor. 3, :17 en passim) en zelfs volwassenwording (Ef. 4, 17), allemaal termen die ook voor het effect van een geslaagde therapie kunnen worden gebruikt. Slechts enkele benamingen zal de therapeut niet gemakkelijk in de mond nemen, omdat zij een uitsluitend religieuze betekenis hebben, zoals rechtvaardigmaking, vrijkoping, ingaan in het Verbond, deel hebben aan het Koninkrijk Gods en bekering. Als er verschil is tussen genezing en verlossing, er is in ieder geval ook verwantschap, anders is het onverklaarbaar dat in de therapie zovele termen aan de bijbel zijn ontleend. In de richting van een verwantschap tussen beide wijst ook de etymologie van het woord 'heil', de

naam bij uitstek voor de verlossende werking Gods. 'Heil' is verwant met 'heel' , en 'heilig' is dus de mens die 'heel' is geworden. Het Latijnse 'salus' en 'salvus' schijnt rechtstreeks verwant te zijn met het Griekse 'haplous', dat de betekenis heeft van : enkelvoudig, innerlijk één, niet in zichzelf verdeeld, dus wat wij vandaag noemen: geïntegreerd. Deze 'haplotès' , deze onverdeeldheid, wordt in het

Nieuwe Testament bij herhaling aangeduid als kenmerkend voor het christelijk bestaan. Men leest er over de onverdeeldheid van het hart (:1 Petr. 1, 22), de onverdeeldheid der communicatie met anderen (2 Kor. 9,13), over de onverdeeldheid in Christus Jezus (2 Kor. 1:1). En nergens

wordt de integratie zo indrukwekkend geleerd als in het evangeliewoord: 'Gij zult de Heer uw God beminnen uit geheel uw hart en geheel uw ziel en uit al uw krachten en uit geheel uw verstand' (Luc. 10,27).

Dat een psychotherapie op herintegratie van de gespleten mens aanstuurt, behoeft hier geen betoog. Als wij de inhoud van die integratie, hergeboorte, vrijwording, genezing, voorlopig onbepaald laten, kunnen wij dus zeggen, dat de bijbelse verlossing en de activiteit van de therapeut op hetzelfde doel zijn gericht. Is het wonder, dat de psychotherapie in sommige oog het karakter krijgt van een geseculariseerde godsdienst, die op wetenschappelijk niveau presteert wat de religie op primitief populaire manier poogde te geven? Die oplossing willen wij als christenen niet kiezen, maar des te dringender wordt de vraag naar klaarheid in de verhouding tussen beide. Het antwoord is lang en moeilijk. Want het hangt samen met antropologische vragen, waarover nog veel onzekerheid is. Maar laat mij pogen, een richting aan te duiden waarin men zou kunnen verder denken.

De Schrift maakt geen onderscheidingen. Zij spreekt over gezondheid, vrijheid, heel-heid, als kenmerken van de nieuwe, uit God geboren mens. Onze moderne vraagstelling, die onderscheid maakt tussen het psychische en het religieuze, en tussen wat uit kunst en wetenschap stamt en wat uit genade en geloof, is haar vreemd. Er is vrijheid, gezondheid, heel-heid, zonder meer, die komt van God. De geest Gods maakt vrij, heel en nieuw. Sindsdien is de wetenschap gekomen en heeft geleerd, genezingen te verrichten die vroeger rechtstreeks op God werden teruggevoerd. Wij hebben dus de tussen-oorzaken in onze hand gekregen. De therapeut kan zelf genezen en vernieuwen en heeft het gevoel, dat hij daarbij God niet nodig heeft. Hetzelfde probleem keert overal in de moderne wereld terug, waar de wetenschap haar zegetocht is begonnen. Er is, om zo te zeggen, een deel van de goddelijke werkzaamheid afgesplitst en gedelegeerd aan de mens. Wat blijft er nog over voor God zelf? Heeft de mens ook de verlossing van God overgenomen en verlost hij zichzelf en anderen? Hij kan immers genezen, vrijmaken en vernieuwen? Men kan daar verschillend op antwoorden. De humanist zal zeggen: inderdaad, zo is het. Wat vroeger áán God werd toegeschreven, doen wij nu zelf. De tijd van de mens is aangebroken: de mensheid is zichzelf genoeg. Het blijft nog wel een warboel op aarde, maar eens zullen wij de mens volledig kennen en hem tot echte volwassenheid kunnen voeren.

Wat zegt de gelovige therapeut? Van één ding is hij zeker: de bijbelse verlossing is méér dan therapie. De hergeboorte en vrijheid, die door de therapie worden bewerkstelligd, zijn van een andere orde dan de geboorte uit Geest en water, en de vrijheid der kinderen Gods. Met deze laatste wordt een geheel nieuwe dimensie geopend, een kwalitatief ander niveau betreden. Een moeilijke vraag blijft echter: Is dit verschil ook in de ervaring gegeven en zo ja, waarin bestaat het dan? Zijn de liefde en de vrijheid, die uit de genade stammen, ook tastbaar anders of kan dat alleen worden geloofd ? In hoever verandert de genade een mens niet alleen ontologisch, metafysiek, maar ook zó dat

hijzelf en anderen het kunnen ervaren? De theoloog Karl Rahner heeft er onlangs op gewezen, dat men zich niet moet verwonderen over de ongeïnteresseerdheid van de moderne mens voor genade en verlossing, zolang de theologie de uitwerking daarvan verwijst naar het gebied van het louter metafysieke. Het is ook wel moeilijk, zich te interesseren voor iets waarvan men nooit wat 'merkt'. Hier doet zich dan het thans weer zeer actuele probleem voor, dat zo oud is als het gnosticisme, namelijk in hoever het geloof ook ervaring is. Ik kan daarop nu niet ingaan. Alleen dit: wanneer de Schrift met zoveel nadruk spreekt bijvoorbeeld over de vrijheid in de heilige Geest, ligt het dan eigenlijk niet voor de hand, dat zij daarmee iets grijpbaars, iets ervaarbaars bedoelt? Als de vrijheid een kenmerk is van het verloste bestaan, dan moet zij toch ergens te bespeuren zijn. Maar daarover is nog weinig systematisch nagedacht.

De verlossing is dus meer en anders dan de genezing. Het heil en de heiligheid zijn meer en anders dan de gezondheid. Als wij nu vragen, wat dan het eigene is van de therapie, doen zich weer moeilijke problemen voor, bijvoorbeeld wat er in de therapie eigenlijk gebeurt en wat psychische gezondheid is. Daarover is veel meningsverschil. Misschien zijn de volgende twee gedachten bruikbaar. Vooreerst: de therapeutische wetenschap en vaardigheid hebben haar eigen autonomie. Men mag haar dus niet

verwarren met zielzorg en men mag de godsdienst ook niet voortijdig in de therapie binnenhalen. En ten tweede: de therapie doet alleen voorbereidend werk. Zij ruimt hindernissen op en maakt de weg vrij Voor godsdienst en heiligheid. Zij helpt de cliënt om vat te krijgen op de onbewuste, dwangmatige mechanismen die zijn vrijheid blokkeerden. Zij maakt de onzichtbare vijand zichtbaar, zodat hij niet meer in de rug kan aanvallen. Als u ooit op een zomerdag een zoemende bij, die per ongeluk naar binnen was gevlogen, eindeloze malen tegen het onzichtbare vensterglas hebt zien botsen, dan weet u wat neurotische onvrijheid is.

De therapie schept dus mogelijkheden, reële mogelijkheden, die zich uiten in gevoelens van te kunnen en te durven, maar ook niet meer dan dat. Wie is genezen, kan weer effectief willen, maar of hij nu het goede of het kwade zal willen en of hij een leven van middelmatigheid zal gaan leiden, dan wel zal voortgaan te groeien in de liefde, dat is nu zijn eigen zaak en die van zijn zielzorger. Hij

is psychisch gezond, geïntegreerd, maar wat het middelpunt zal zijn van die integratie, welke de waarden zullen zijn waaruit hij gaat leven, dat is afhankelijk van zijn keuze. Hij kan nu tenminste kiezen.

Voor de keuze zelf heeft hij de verlossende genade nodig. Men zou de therapeutische arbeid dus kunnen beschouwen als een voorbereiding op de verlossing. Maar hierover moet ik nu nog een derde opmerking maken. Het zou niet juist zijn, zich dat zo voor te stellen als zou de verlossing eerst na de therapie beginnen. De genade is niet een dak, een bovennatuurlijke etage, gebouwd op de rez-de-chaussée der natuur. Zij is niet een soort super-structuur die het gebouw der natuur voltooit. Zij komt niet achter de natuur aan, maar doordringt haar geheel. Ja, zij gaat voorop, zij is gratia praeveniens. Zij is niet alleen op het dak, maar ook in de kelder. Eigenlijk is het hele beeld van kelders en etages vals. De verlossende genade is eerder te vergelijken met de inspirerende kracht die iemand ertoe drijft om een huis in tekening te ontwerpen, aan de bouw te beginnen en de moeizame en dure onderneming te voltooien. De genade is overal waar de natuur is. Niet alleen in de kerk, maar ook in de spreekkamer van de therapeut. Niet alleen op de lichte toppen van de zichzelf klaarbewuste geest,

maar ook in de onbewuste diepten. 'Uit de diepten heb ik tot U geroepen.' Maar ook al wordt zij niet aangeroepen -en dat is vaak het geval, omdat voor het neurotische beleven God vaak onwerkelijk lijkt geworden -zij behoeft niet als zodanig te worden herkend om machtig te kunnen zijn.

De therapie is dus reeds verlossing, eerste aanzet daarvan, want de genade is overal. In die zin zou men met een woord uit Bernanos' Journal d'un curé de campagne kunnen zeggen: Tout est grace. Dus toch weer verwarring van wetenschappelijke arbeid en geloof? Neen, therapie blijft mensenwerk en op haar eigen terrein autonoom. Maar zij staat in dienst der verlossing. De therapeut is instrument der genade. Het is genade en geen toeval dat iemand een therapeut vindt. Of liever: het is tegelijk toeval (voor onze blik) en genade. Want niets ontsnapt aan de genadige voorziening van het goddelijk bestier. Het is genade dat iemand de moed vindt om een therapie door te zetten (al behoeft men hem dat voorlopig niet te zeggen). Het is genade wat aan hem gebeurt, want alle goede dingen die aan een mens geschieden, zijn tekenen van het Koninkrijk, hebben een verwijzende functie.

Trouwens, iets van dat genadekarakter wordt altijd zichtbaar, al wordt het lang niet altijd met God in verband gebracht. Wat in de therapie ontstaat aan vrijheid en nieuwe levensvreugde, wordt altijd ervaren als geschenk. Geschenk van wie? Van de therapeut? Eerder als het openbreken van de onvermoede krachten uit de eigen diepe grond. En dán is de mogelijkheid gegeven, dat het groeiende geloof de eigen grond eens herkent als gekregen door Dé Grond.

Op deze regels van de mysticus Jan Luiken heeft Rümke zijn boek over karakter en ongeloof gebouwd:
Maar in de grond van mijn gemoed

Daar wierd het liefelijk en zoet.

Daar kwaamt Gij uit der diepten herwaarts dringen

en als een bron mijn dorstig hert bespringen.

Zodat ik U, o God, bevond

Te zijn den grond van mijnen grond.


Schoner is het sindsdien nooit meer gezegd.

Zo is dus de therapie autonoom-menselijke arbeid en tegelijk aanzet der verlossing. Kan het nu nog verwonderen, dat zij ten dele dezelfde taal spreekt als de Schrift? En kan het verwonderen, dat therapie en verlossing ontspringen uit dezelfde bron, namelijk de liefde? Ook daarin zijn zij verwant. De therapeuten stemmen in met het woord van Ferenczi: de liefde van de arts geneest de patiënt, en met dat van Hans Trüb: Heilung aus der Begegnung.

De genezing groeit uit de liefde: uit helderziende, kundige, de ander in zijn objectieve werkelijkheid kennende en erkennende liefde. Bij de zielzorg is het niet anders. Zelfs de naam hebben zij gemeen: 'therapeuo' betekent: zorgen voor, dienen, vriendelijk omgaan met. Wil men het woord 'psychotherapie' vertalen, dan kan dat dus alleen maar met: zielzorg. Nu is met de psyche van de therapie weliswaar niet hetzelfde bedoeld als met de ziel van de zielzorg. De ziel waarmee de herder te maken heeft, is volgens bijbelse spreekwijze de gehele mens. Maar blijkens de naam wordt de beroepsethiek van therapeut en zielzorger bepaald door de zorgende liefde.

Over die pastorale liefde moet ik nu verder spreken. Door de liefde zijn wij eens verlost, toen de Heer ons bestaan binnenging en van binnenuit de knoop waarin wij waren verstrikt, ontwarde. Hij heeft ons niet verlost zoals de man langs de waterkant, die de drenkeling een touw toegooit. Hij is in het water gesprongen en drenkeling met de drenkeling geworden. Wij zijn gered, maar het heeft aan de

Redder de dood gekost. En ook de pastor kan alleen iets uitrichten en instrument der verlossing zijn door de liefde. Laat mij vandaag bijzonder de nadruk mogen leggen op die liefde voor de individuele mens, op de liefde die zo objectief is dat zij de subjectiviteit van de individuele mens, datgene wat hij voelt, lijdt en nastreeft, geheel ernstig neemt. Dit pleidooi is misschien op zijn plaats, omdat in het katholicisme sterk de nadruk wordt gelegd op de meer objectieve heilmiddelen van sacramenten en prediking, op de objectieve orthodoxie. Dat is goed en nodig, want er is een objectieve orde en zij moet met eerbied bejegend worden.
Men heeft óók de katholieke kerk nooit verweten dat zij niet goed kan opereren met kerkelijke planning, met grote groepen en met objectieve maatregelen. Daarin is zij virtuoos. En dat is goed en wijs. Want ook dát behoort tot de liefde: het algemeen welzijn behartigen. In het belang van de geestelijke gezondheid en van de godsdienst moeten wij echter thans grote aandacht hebben voor de individuele menselijke subjectiviteit en voor de wijze waarop de mens ertoe gebracht wordt, de objectieve scheppingsorde te beamen en te verwerkelijken. In die zorg voor de individuele mens is de psychotherapie, al is zij zelf in dit opzicht nog lang niet vlekkeloos, toch een uitdaging aan de zielzorg.

Waar zij op haar best is, daar kan zij ons Ieren wat zorg voor individuele mensen is, in haar trouw, haar geduld, haar eerbied en haar vertrouwen.

Wie daarvoor een lans breekt, klopt eigenlijk bij geen enkele priester aan dovemansoren. Hij wil niets liever. Hij is er priester voor geworden. Als hij zich vooral met algemene bestuursfuncties bezighoudt, is het opgelegde noodzaak of pijnlijk gevoeld onvermogen om met de individuele mens klaar te komen. Het is ook moeilijk. En dat bewijst, dat wij grote behoefte hebben aan een goed doordachte en voor de praktijk van het huidige leven bruikbare pastoraal-wetenschap. Wellicht ook aan een praktische klinische vorming van de clerus. In Amerika hebben reeds meer dan 10.000 protestantse, katholieke en joodse zielzorgers deze ontvangen.

Men kan zonder twijfel de pastorale praktijk niet kopiëren van de psychotherapie. Bij alle verwantschap zijn er verschillen in doel en methode, die nadere bestudering vragen. Maar laat mij enkele dingen mogen noemen, waarin de beide praktijken verwantschap hebben: het zorgvuldige gesprek, waarin ruim gelegenheid wordt gegeven tot zich uitspreken, met alle tijd, geduld en vermogen tot echt luisteren en beluisteren,die zulks vraagt; de kunst om niet overhaast te beleren en te verkondigen aan mensen bij wie dit averechts werkt; het begrip voor de psychologische zin van vreemde of immorele gedragingen (men moet dus de inbreker niet op het dak zoeken als hij in de kelder bezig is) -hetgeen impliceert dat men niet uitsluitend werkt met de categorieën goed en kwaad, maar ook met die van gezond en niet gezond, echt en onecht; de erkenning van de innige samenhang tussen vitaliteit en geest; de eerbied voor de groei, ook in het zedelijke en religieuze; de onderscheiding tussen volwassen godsdienst en die welke vooral projectie is van onbewuste behoeften; de erkenning dat de evangelische moraal iets anders is dan de gedrevenheid door een dwangmatig moeten, die in de vakliteratuur bekend staat als de Ueberich-moraal.' Maar bovenal de aanvaarding. In de therapie wordt de mens aanvaard.

Ik kan niet zien dat dit minder geldt voor de zielzorg. De tollenaars in de tempel en bij het tolkantoor werden door Jezus aanvaard. En omdat zij zich bemind wisten, konden zij ophouden met tollenaars te zijn: 'Heden is dit huis heil wedervaren.' Het is voor de meeste tollenaars erg moeilijk te geloven dat zij aanvaard worden. Dikwijls is de veroordeling, die zij over zichzelf uitspreken, nog de onbarmhartigste. Zij durven niet te accepteren dat zij geaccepteerd worden. Dat kan alleen de geduldige liefde van de ander bereiken. Wij spreken terecht van beminnen, maar laat ons ook eens spreken van bemind worden, van liefde ervaren, van de vreugde, de bevrijding en de hoop die het geeft, bemind te worden. Alleen uit liefdeservaring kan een mens groeien, ja zelfs: in het leven blijven. God heeft ons het eerst bemind, zegt de Schrift. Ook de therapeut en de zielzorger beminnen het eerst de mens, niet het eerst de kerk, niet de beginselen, niet het bonum commune, maar de mens. En in die liefde groeien zij zelf. Ook dat is een ervaring van de therapie. Van iedere liefde, aan een mens bewezen, worden wij beter en rijper.

Er is, dunkt me, geen andere weg waarlangs de kerk waar kan maken dat zij liefdesgemeenschap is, dan langs de liefde van de eenling voor de eenling. Al het andere dat ik zo juist noemde, is afgeleid en secundair. De liefde van God voor de mensen blijft voor velen een leeg woord, omdat zij te weinig liefde van de mensen hebben ondervonden en zich niet eens kunnen voorstellen wat het is, bemind te worden. Onlangs hield een theoloog voor de aalmoezeniers der gevangenissen een lezing over het begrip zonde in de hedendaagse theologie. Dat kwam hierop neer, dat de zonde bestaat in het zich losmaken van het Verbond. Iedereen zweeg eerbiedig. Het Verbond! Nieuwer dan deze nieuwe theologie kon het wel niet. Toch voelden sommige aalmoezeniers zich wat onbehaaglijk als ze daarbij aan hun gedetineerden dachten. Totdat een collega priester-psycholoog hun bezwaar vertolkte door te vragen, wat hij met die beschouwing over het Verbond moest doen tegenover mensen die nog nooit of nauwelijks enige verbondenheid met wie dan ook hebben mogen ervaren.

Houdt men wel lezingen over hardlopen voor de jaarvergadering van oorlogsinvaliden? Ik vertel dit verhaal, omdat het een uitnodiging, ja, een uitdaging is aan de theologie. In naam van de liefde van het individu vragen, smeken wij haar, om in haar beschouwingen over de verplichtende kracht der objectieve orde, het individu te betrekken. Er is behoefte aan een concrete fenomenologie van

het moeten. Dat is een moeilijke materie, waarin psychologen en theologen alleen samen verder komen.

Maar wij zijn ertoe verplicht, uit liefde voor de concrete mens. Doen wij dat niet, dan blijft, ondanks alle nieuwe theologie, de nu reeds oude klacht van de priesters bestaan, dat zij met hetgeen zij op het seminarie hebben geleerd zo weinig in de praktijk van de zielzorg kunnen aanvangen.

Het past niet op elkaar.


Zo kunnen psychologie en therapie aan de zielzorg misschien deze dienst bewijzen, dat zij haar helpen een concrete interpretatie te vinden van wat de objectiviteit der liefde gebiedt. Maar die pastorale liefde heeft één grote, machtige vijand. Dat is niet het egoïsme of de agressiviteit,

maar de vrees of, beter gezegd, de angst. Laat mij daarom u tenslotte nog dit als werkhypothese mogen voorleggen. Het is echt niet meer dan een hypothese, die dus verder moet worden getoetst -ofschoon het wel een hypothese is waarvan ik tamelijk zeker ben.

Wat doet de angst? Hij richt een verdediging op tegen het geweld der liefde. De Schrift zegt: de liefde bant de vrees uit, maar men mag dat ook omdraaien: de vrees bant de liefde uit. De angst maakt haar onmogelijk. Hij vertroebelt de blik en vermenigvuldigt de reële gevaren te land en ter zee en van valse broeders met imaginaire. De angst projecteert. Hij verhindert om nog verder te leren, dat wil zeggen: open te staan voor nieuwe ervaringen en daar iets mee te doen. En hij belemmert de aansluiting. Hij maakt dat wij alleen nog de sluwheid der slangen begrijpen en niets van de weerloosheid der duiven. Welnu, ik heb mij reeds lang afgevraagd, of bij alle aarzelende pogingen om de dialoog met deze moderne wereld, die reeds lange tijd is verstomd, weer op gang te brengen, de angst toch nog niet te veel de katholieke gemeenschap beheerst. Dan wordt het onmogelijk om de wereld van vandaag met de objectiviteit der liefde te zien, haar daarmee te doorschouwen in haar diepste intenties. Er is de moed der liefde voor nodig om het vele nieuwe dat naar boven komt uit deze onrustige wereld -onrustig en verward als een geniale maar schizoïde jongen in zijn puberteit -kalm op zich af

te laten komen, het serieus te nemen en het werkelijk te doorzien. Maar zonder dat knapt de draad van het gesprek onherroepelijk af. Zo kan het gebeuren, dat men soms al in de verdediging is vóór men begrepen heeft waar het over gaat. De angst verhinderde, het te zien. De kerk kan op haar militante zonen rekenen, maar zij kan er niet altijd zeker van zijn, dat er niet in plaats van een vijand

een vriend wordt getroffen. Wie angstig is, weet immers niet precies meer waar hij slaat. De angstige is een gevaar voor zijn omgeving.
Het is ook vaak de angst, die ons ertoe drijft om het gedrag der individuen tot in kleinigheden te willen regelen. Er ontstaat dan een soort christelijk behaviorisme a Ia Watson en Pavlov: de christelijke levenshouding wordt gereduceerd tot een enorme hoeveelheid voorwaardelijke reflexen, die ieder afzonderlijk moeten worden aangebracht. Dit legalisme, dat gedrag zonder meer identificeert met gezindheid, is door Jezus zelf aan de kaak gesteld, toen hij degenen die op de stoel van Mozes zetelden, verweet dat zij uit pure vroomheid ondraaglijke lasten op de schouders der mensen legden. Paulus heeft de strijd ertegen voortgezet, toen hij de judaizanten openlijk afviel. Zijn de judaizanten

vandaag wel allen dood? '0 dwaze Galaten, wie heeft u betoverd? ...Dit alleen wil ik van u weten, hebt gij de Geest ontvangen door de werken der wet of door te gehoorzamen aan het geloof?' (Gal. 3, :1-2). Het is nog altijd moeilijk om geen Galaat te zijn.

Een Amerikaanse pastoraal-psycholoog van Reformatorische huize schreef onlangs, dat zoveel preken meer zijn gericht op de super-ego's van de verzamelde gemeente, hetzij om te veroordelen, hetzij om gerust te stellen, dan op de persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover God. Men moet zo'n uitspraak niet als een grote kop boven een krantenverslag zetten. Daarvoor is ze te massief. Zij wordt dan onwaar en grof. Maar zij kan een prikkel zijn om ons weer te herinneren, dat wij als zielzorgers altijd met een delicaat werk bezig zijn. De kerk heeft nog steeds een onvoorstelbaar grote macht over de harten en de gewetens. Geen verpleegster mag zachtere vingers hebben dan de herder. Olie

en wijn op de wonden, geen paardenmiddelen voor de moderne mens! De rauwe misdadigers zijn al zo kwetsbaar. Wat dan te zeggen van de bezorgde, gedrukte ouders, de struikelende jongelingen, de weerloze kinderen? Zij zijn alleen geholpen met een even weerloze, maar tegelijk helderziende liefde.

De genade is waarlijk overvloediger dan de zonde (Rom. 5, 20). Zielzorgers mogen daarop vertrouwen en dus verder bedenken, dat nog niemand is gered door zijn eigen gevoelens en driften te vrezen. Het geloof overwint de wereld. Laat mij dat hier mogen vertalen als: juist als kerk moeten wij de zwakte van het toevallige culturele milieu doorzien en het trotseren. De Victoriaanse vrees voor het

gevoel, de drift en het lichaam, is onchristelijk. Wij zijn te veel van deze wereld, als wij jonge novicen Ieren dat zij hun' gevoelens niet mogen kenbaar maken’, of als wij tevreden zijn met een deugdzaam gedrag van jeugdigen en ons niet interesseren voor de vraag op hoeveel ongezonde verdringingen het soms berust. Charles Odier heeft met een overvloed van casuïstisch materiaal laten zien, dat

neurotisering juist in die milieus dreigt, waar hoge achting wordt betoond aan de waarden van de geest, ,dans les milieux cultivés et idéalistes'. Daar immers bestaat bij uitstek het gevaar, dat de elementaire behoeften niet worden verwerkt, niet innerlijk opgevoed, maar weggedrongen en zo

godsdienst en moraal perverteren. Dat bewijst niet, dat wij de geest niet moeten hoogachten, maar wel, dat wij het menselijk gevoelsleven ook met omzichtigheid moeten behandelen. Want verdringen van onze donkere zijde helpt even weinig als iemand te onthoofden omdat hij last van migraine heeft.

Excuseer mij, dat ik daar nu al wéér over spreek. Maar menige karakterdeformatie van overigens hoogstaande mensen gaat op die verwaarlozing terug. Zij is vaak zelfverdediging tegen de angst, die daardoor werd opgeroepen. Kan men wel eerlijk ontkennen, dat onder onze goede gelovigen, priesters en leken, veel bange mensen zijn? Dat er meer vrees is dan vanuit de condition humaine onvermijdelijk is en meer dan het Evangelie ons toestaat te hebben? Ik ken de Schriftuurteksten over de vrees natuurlijk ook wel. Maar ik meen, dat het accent in de Schrift anders ligt: vreest niet, en: in mijn God, zegt de Psalmist, spring ik over de muur. Maar ik zie om mij heen, dat aan vele levens de vrees knaagt, een vrees waartegen de evangelische boodschap machteloos is, omdat die een gezonde bodem voor het zaad der prediking veronderstelt; omdat de mens muren kan bouwen, die alleen door een formeel wonder der genade kunnen worden geslecht.

Maar niets geeft ons het recht om te pogen God tot een wonder te dwingen.


Han Fortmann, in: Heel de mens. Reflecties over de menselijke mogelijkheden, Bilthoven 1972 p. 17-28







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina