De vlaamse regering


HOOFDSTUK 2.Inventarisatie en registratie



Dovnload 1.15 Mb.
Pagina3/12
Datum23.07.2016
Grootte1.15 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

HOOFDSTUK 2.Inventarisatie en registratie


Art. 5. Het instituut coördineert de inventarisatie van de soorten die onder het toepassingsgebied vallen van dit besluit, met het oog op:

1° het toezicht op de staat van instandhouding van inheemse soorten;

2° de opmaak van rode lijsten betreffende inheemse soorten, waarbij die soorten worden ingedeeld in onder meer de klassen “uitgestorven”, “met uitsterven bedreigd”, “bedreigd”, “kwetsbaar” en “zeldzaam”;

3° het opvolgen van de toestand van invasieve soorten en potentieel invasieve soorten.

Rode lijsten worden door of onder coördinatie van het instituut opgemaakt, waarna ze door de minister worden vastgesteld.

Bestaande rode lijsten moeten ten minste om de tien jaar worden geëvalueerd, met het oog op een eventuele aanpassing aan de veranderde staat van instandhouding van de soorten die er in zijn opgenomen. Aanpassingen worden doorgevoerd op voordracht van het instituut, waarna de aangepaste rode lijst opnieuw door de minister wordt vastgesteld.

De termijn van tien jaar is een termijn van orde.

Art. 6. Het agentschap registreert de toevallige vangst of doding van soorten waarbij categorie 3 is aangekruist in bijlage 1.

Het agentschap registreert de afwijkingen die toegestaan worden op basis van artikel 20 tot en met 23, evenals de meldingen die worden gedaan op grond van bijlage 3.



Art. 7. Elke administratieve overheid stelt, op eenvoudig verzoek of uit eigen beweging, alle nuttige informatie en kennis waarvan ze eigenaar is ter beschikking met het oog op de opmaak van in dit hoofdstuk bedoelde inventarisaties en registraties.

Art. 8. Een overzicht en synthese van de op grond van dit hoofdstuk verkregen informatie wordt, als onderdeel van het natuurrapport, zoals vermeld in hoofdstuk III, afdeling 2 van het decreet, elke twee jaar openbaar gemaakt. Deze informatie wordt op permanente wijze consulteerbaar gehouden voor het publiek.

Op basis van de op grond van dit hoofdstuk verkregen informatie, en rekening houdend met de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het verdrag van Bern of andere voor de soortenbescherming relevante internationale verdragen betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, voert het agentschap ten minste elke vijf jaar een evaluatie uit van de lijsten, opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit of van de categorisering van de soorten die er in is opgenomen, en van bijlage 3 bij dit besluit.

De eerste van deze evaluaties wordt doorgevoerd binnen het jaar na vaststelling van dit besluit. De termijn van vijf jaar is een termijn van orde.

Die evaluaties worden bezorgd aan de minister, die op basis daarvan voorstellen van aanpassing van voormelde bijlagen voordraagt.


HOOFDSTUK 3.Soortenbescherming

Afdeling 1. Beschermde soorten


Art. 9. De beschermde soorten zijn de soorten waarbij categorie 1, 2 of 3 is aangekruist in bijlage 1.

Tot de beschermde soorten worden eveneens de andere soorten gerekend dan de soorten die als dusdanig zijn opgenomen in voormelde bijlage, als het gaat om van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie in het wild voorkomende vogelsoorten zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, om andere uitheemse soorten dan vogels, die zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, of om andere uitheemse soorten dan vogels, die zijn opgenomen in bijlage II van het verdrag van Bern.

De beschermingsbepalingen van dit hoofdstuk die van toepassing zijn op specimens van de beschermde soorten, gelden ongeacht de levensfase waarin die specimens zich bevinden.

Afdeling 2. Verbodsbepalingen

Onderafdeling 1. Verbodsbepalingen ten aanzien van specimens of eieren van beschermde soorten


Art. 10. §1. Ten aanzien van specimens van beschermde diersoorten zijn de volgende handelingen verboden:

1° het opzettelijk doden;

2° het opzettelijk vangen;

3° het opzettelijk en betekenisvol verstoren, in het bijzonder tijdens de perioden van de voortplanting, de afhankelijkheid van de jongen, de overwintering en tijdens de trek.

Het is verboden de eieren van beschermde diersoorten opzettelijk te vernielen, te beschadigen of te verzamelen.

§2. Ten aanzien van specimens van beschermde plantensoorten of andere soorten organismen zijn de volgende handelingen verboden:

1° het opzettelijk plukken of verzamelen;

2° het opzettelijk afsnijden;

3° het opzettelijk ontwortelen;

4° het opzettelijk vernielen;

5° het verplanten.

Art. 11. §1. Conform artikel 9 van het decreet, mogen de verbodsbepalingen, bedoeld in artikel 10, voor wat betreft de soorten waarbij categorie 1 is aangekruist in bijlage 1, geen beperkingen inhouden die absoluut werken, of die handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, of die absoluut de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen of de realisatie van de algemene bestemming betekenisvol in het gedrang brengen.

De verbodsbepalingen van artikel 10, §2, gelden niet voor beheerwerkzaamheden die geen nadelige invloed hebben op de staat van instandhouding van de populaties van de soorten in kwestie.

§2. Een handeling zoals beschreven in artikel 10 wordt onder meer geacht onopzettelijk te zijn wanneer de verantwoordelijke voor deze handeling niet wist en redelijkerwijze niet hoorde te weten dat deze handeling kon leiden tot de in artikel 10 beschreven negatieve gevolgen voor specimens van beschermde diersoorten of plantensoorten.

Onderafdeling 2. Verbodsbepalingen betreffende het onder zich hebben, het vervoeren en het verhandelen


Art. 12. Het onder zich hebben, het vervoeren, het verhandelen of ruilen of het te koop of in ruil aanbieden van specimens of eieren van beschermde diersoorten of van specimens van beschermde plantensoorten of andere organismen is verboden.

Art. 13. De verbodsbepalingen van artikel 12 gelden niet:

1° voor het onder zich hebben of het vervoeren van opgezette specimens van beschermde dieren, als het om zeer kleine aantallen specimens gaat, die bestemd zijn voor educatieve of wetenschappelijke activiteiten in onderwijsinstellingen, in educatieve centra die beheerd worden door instanties die duidelijk educatieve activiteiten met de soorten in kwestie tot doel hebben of in openbare onderzoeksorganismen, of als ze vermeld zijn op een inventaris die voor 1 november 1972 werd geviseerd door de burgemeester van de gemeente waar de dieren in kwestie onder zich worden gehouden;

2° met betrekking tot specimens van soorten waarbij categorie 5 is aangekruist in bijlage 1, op voorwaarde dat er kan worden aangetoond dat ze op geoorloofde wijze werden verkregen buiten het Vlaamse Gewest, maar op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, en dat die specimens er op een geoorloofde wijze zijn gedood of gevangen of op een andere geoorloofde wijze zijn verkregen.

Onderafdeling 3. Verbodsbepalingen ten aanzien van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van beschermde dieren


Art. 14. §1. Het is verboden de nesten van beschermde vogelsoorten of de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van andere beschermde diersoorten dan vogels opzettelijk te vernielen, te beschadigen of weg te nemen.

§2. Het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde diersoorten wordt onder meer geacht onopzettelijk te zijn wanneer de verantwoordelijke voor deze handeling niet wist en redelijkerwijze niet hoorde te weten dat deze handeling kon leiden tot de in §1 beschreven negatieve gevolgen voor nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen.

Ten aanzien van de diersoorten waarbij categorie 3 is aangekruist in bijlage 1 is evenwel ook het onopzettelijk vernielen of beschadigen van de voortplantingsplaatsen of de rustplaatsen verboden.

§3. Onder nesten worden begrepen de bewoonde nesten, de nesten die in aanbouw zijn als voorbereiding op het komende broedseizoen, alsook de nesten die in de regel jaar na jaar tijdens het broedseizoen hergebruikt worden.



Art. 15. Conform artikel 9 van het decreet, mogen de verbodsbepalingen, bedoeld in artikel 14, voor wat betreft de soorten waarbij categorie 1 is aangekruist in bijlage 1, geen beperkingen inhouden die absoluut werken, of die handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, of die absoluut de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen of de realisatie van de algemene bestemming betekenisvol in het gedrang brengen.

Onderafdeling 4. Verbodsbepalingen betreffende middelen, installaties en methoden voor het doden of vangen van dieren


Art. 16. §1. Het is verboden om voor het doden of vangen van in het wild levende dieren in het kader van dit besluit gebruik te maken van de middelen, installaties of methoden, vermeld in bijlage 2, A.

Het is eveneens verboden om voor het doden of vangen van die dieren andere middelen, installaties of methoden te gebruiken dan die welke vermeld zijn in bijlage 2, A, als die middelen, installaties of methoden er op gericht zijn om dieren te vangen of te doden op een massale of niet-selectieve wijze, of om bij dat vangen of doden vermijdbaar leed te veroorzaken.

§2. Het is verboden om voor het doden of vangen van in het wild levende dieren in het kader van dit besluit de vervoermiddelen te gebruiken, vermeld in bijlage 2, B.

§3. Het is verboden om de middelen, vermeld in bijlage 2, C, onder zich te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen, te koop aan te bieden of in ruil aan te bieden.


Onderafdeling 5. Verbodsbepalingen betreffende het introduceren in het wild


Art. 17. Het is verboden om specimens van soorten die onder het toepassingsgebied vallen van dit besluit, opzettelijk te introduceren in het wild.

Art. 18. De verbodsbepaling van artikel 17 geldt niet ten aanzien van:

1° specimens van plantensoorten die gezaaid, geplant, geteeld of anderszins ingezet worden in het kader van wettige bosbouw-, landbouw- of tuinbouwactiviteiten of in het kader van tuin- of parkbeheer;

2° specimens van inheemse soorten die worden gebruikt met het oog op bestuiving, op biologische bestrijding of geïntegreerde bestrijding;

3° specimens van vissoorten die gepoot worden in vijvers, visputten of andere afgesloten viswateren, waarbij de vissen die er leven zich, als gevolg van permanente, natuurlijke of van kunstmatige hindernissen, niet vrij kunnen bewegen tussen deze wateren en openbare wateren.

Wie gebruik maakt van de uitzonderingsmogelijkheden van dit artikel neemt alle redelijke voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat de geïntroduceerde specimens zich kunnen verspreiden of verbreiden in het wild.

Onderafdeling 6. Afwijkingsmogelijkheden


Art. 19. Het agentschap kan, op basis van een aanvraag, specifieke handelingen toestaan die afwijken van de verbodsbepalingen, vermeld in onderafdeling 1 tot en met 5, onder de voorwaarden, vermeld in deze onderafdeling.

Bovendien kunnen handelingen die afwijken van de in artikel 10 geformuleerde verbodsbepalingen betreffende doding of vangst van beschermde soorten, of van het vervoersverbod van artikel 12, uitgevoerd worden op basis van een melding, indien deze handelingen specimens betreffen van soorten vermeld in bijlage 3, onder de daar vermelde voorwaarden.



Art. 20. §1. Met betrekking tot de beschermde soorten kunnen er specifieke afwijkingen verleend worden van de bepalingen in onderafdeling 1 tot en met 4 om een of meer van de volgende redenen:

1° in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

2° in het kader van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale en economische aard, en voor het milieu gunstige effecten;

3° in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

4° ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of aan andere goederen in eigendom of gebruik;

5° ter bescherming van de wilde fauna of flora, of ter instandhouding van de natuurlijke habitats;

6° voor doeleinden in verband met onderzoek of onderwijs, repopulatie of herintroductie, alsook voor de daartoe benodigde kweek;

7° om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt en vastgesteld aantal van bepaalde specimens te vangen, te plukken of in bezit te hebben.

§2. Ten aanzien van de beschermde soorten, waarbij categorie 1 is aangekruist in bijlage 1, kunnen er bovendien ook afwijkingen verleend worden om redenen van economische, sociale of culturele aard, of vanwege regionale of lokale bijzonderheden.

§3. Ten aanzien van de vogelsoorten vermeld in bijlage 1, zijn de volgende mogelijkheden tot afwijking niet van toepassing:

1° de mogelijkheid vermeld in §1, 2°;

2° de mogelijkheid vermeld in §1, 4°, wat de voorkoming aangaat van belangrijke schade aan andere goederen dan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren.

§4. Afwijkingen op grond van dit artikel kunnen alleen maar toegestaan worden als de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° er mag geen andere bevredigende oplossing bestaan;

2° de afwijking mag geen afbreuk doen aan het streefdoel om de populaties van de soort in kwestie in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, op lokaal niveau of op Vlaams niveau.

Art. 21. §1. Specifieke afwijkingen van het in onderafdeling 5 vermelde verbod tot introductie kunnen, met betrekking tot inheemse soorten, alleen verleend worden in het kader van een soortenbeschermingsprogramma, zoals vermeld in artikel 26, derde lid.

§2. Voor de introductie van uitheemse soorten kunnen er specifieke afwijkingen verleend worden ten aanzien van het verbod tot introductie in het wild, vermeld in onderafdeling 5, op voorwaarde dat er, op basis van een voorafgaand impactonderzoek, wordt aangetoond dat er geen kans bestaat op ongunstige gevolgen voor de in het Vlaamse Gewest voorkomende natuurlijke habitats in hun natuurlijke verspreidingsgebied of voor de diersoorten of plantensoorten die van nature in het wild voorkomen in het Vlaamse Gewest.

Tijdens het onderzoek, vermeld in het eerste lid, vinden het overleg en de informatie-uitwisseling plaats, vermeld in artikel 3 van beschikking M (83) 27 van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 17 oktober 1983. Er wordt ook overleg gepleegd met de Europese Commissie als de aanvraag betrekking heeft op vogelsoorten die niet van nature in het wild leven op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie.

Art. 22. §1. De aanvragen met betrekking tot de in artikel 20 en 21 vermelde specifieke afwijkingen worden naar het agentschap gestuurd met een aangetekende brief.

Het agentschap neemt de nodige organisatorische maatregelen door een standaardaanvraagprocedure in te stellen.

§2. Het agentschap moet een gemotiveerde beslissing nemen over aanvragen tot afwijking binnen de volgende termijn, te rekenen vanaf de ontvangstdatum van de aangetekende brief:

1° binnen een termijn van vijf werkdagen voor aanvragen tot afwijking als vermeld in artikel 20, §1, 1°, 3° of 4°, op voorwaarde dat er sprake is van gemotiveerde hoogdringendheid. Deze termijn kan bij gemotiveerde beslissing eenmaal met vijf werkdagen worden verlengd;

2° binnen een termijn van twintig werkdagen voor andere aanvragen tot afwijking op grond van artikel 20 dan die, welke zijn vermeld in 1°. Deze termijn kan bij gemotiveerde beslissing eenmaal met twintig werkdagen worden verlengd;

3° binnen een termijn van drie maanden, voor de aanvragen tot afwijking, vermeld in artikel 21, §2. Die termijn kan bij gemotiveerde beslissing eenmaal verlengd worden, voor ten hoogste nog eens drie maanden.

§3. Een beslissing die een afwijking toestaat bevat de volgende onderdelen:

1° de beschermde soorten waarvoor op grond van artikel 20 mag worden afgeweken van beschermingsbepalingen, dan wel de uitheemse soorten waarvoor op grond van artikel 21 mag worden afgeweken van het verbod op introductie;

2° de personen die de afwijking mogen doorvoeren;

3° de middelen, installaties of methoden die mogen worden gebruikt om de afwijking door te voeren;

4° de omstandigheden van tijd en plaats waaronder de afwijking mag plaatsvinden;

5° in voorkomend geval, de voorwaarden en de lasten waaronder de afwijking mag worden doorgevoerd, in relatie tot de reden waarvoor de afwijking wordt toegestaan;

6° de controles die zullen worden uitgevoerd.

§4. Het agentschap betekent de beslissing aan de aanvrager.

§5. Tegen een weigering tot het verlenen van een afwijking, kan er binnen een termijn van dertig kalenderdagen beroep worden ingesteld bij de minister. De minister neemt een beslissing binnen een termijn van twee maanden..

Art. 23. Bepaalde vergunningen, ontheffingen of plannen kunnen eveneens specifieke afwijkingen bevatten als vermeld in artikel 20 of 21, als aan de drie volgende voorwaarden is voldaan:

1° op voorwaarde dat het beoordelingskader, opgelegd in artikel 20 of 21, in acht wordt genomen;

2° op voorwaarde dat de bedoelde vergunningen, ontheffingen of plannen de elementen bevatten die vermeld zijn in artikel 22, §3;

3° op voorwaarde dat er, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met het advies van het agentschap.

Onder vergunningen, ontheffingen en plannen wordt verstaan:

1° een natuurvergunning, verleend op grond van artikel 13, §3, van het decreet van 21 oktober 1997, voor een handeling, werk of gebruikswijziging, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in de vergunning of afwijking;

2° een ontheffing, verleend op grond van artikel 25, §3 van het decreet van 21 oktober 1997, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in in de individuele ontheffing;

3° een beheerplan van een erkend of een Vlaams natuurreservaat, vastgesteld op grond van in artikel 34 van het decreet van 21 oktober 1997, voor specifieke activiteiten die uitdrukkelijk in dat plan zijn opgenomen, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in het plan;

4° een projectuitvoeringsplan van een natuurinrichtingsproject, vastgesteld op grond van artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997, voor de in dat plan opgenomen acties en maatregelen waarvoor er tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en de lasten, vermeld in het plan;

5° een natuurrichtplan, vastgesteld op grond van artikel 48 tot en met 50 van het decreet van 21 oktober 1997, voor de activiteiten die uitdrukkelijk in dat plan zijn opgenomen, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in het plan;

6° een beheerplan van een erkend bosreservaat, vastgesteld op grond van in artikel 25 van het Bosdecreet, voor specifieke activiteiten die uitdrukkelijk in dat plan zijn opgenomen, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in het plan;

7° een bosbeheerplan, vastgesteld op grond van artikel 43, §1 tot en met §3, van het Bosdecreet, voor specifieke activiteiten die uitdrukkelijk in dat plan zijn opgenomen, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in het plan;

8° een milieuvergunning, verleend op grond van artikel 4 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunningen, voor een werk of activiteit, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in de vergunning of afwijking;

9° een stedenbouwkundige vergunning, verleend op grond van artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voor een werk of een gebruikswijziging, waarvoor tevens een afwijking krachtens de bepalingen van dit besluit nodig is, in voorkomend geval onder de voorwaarden en lasten, vermeld in de vergunning of afwijking.





1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina