De vrouw in het sprookje Marie-Louise von Franz



Dovnload 129.69 Kb.
Pagina1/5
Datum24.08.2016
Grootte129.69 Kb.
  1   2   3   4   5
De vrouw in het sprookje

Marie-Louise von Franz


Hoofdstuk 7 – De mooie Wassilissa

Zie: www.kanzeon.nl/inwijdingsverhalen.doc

Deze vertelling is veel rijker dan de Duitse en andere versies van het
Assepoester-sprookje. Buitengewoon belang­rijk is hier het motief van het popje en de veelzijdige uitbeelding van het moeder­pro­bleem. De personen die in dit sprookje op­treden zijn de koopman, zijn vrouw en hun enige dochter. De vrouw sterft als het meisje acht jaar is. In veel sprookjes speelt de leeftijd van veertien of vijftien jaar een bij­zondere rol bij het meisje, als overgangsleef­tijd en einde van de eigenlijke kin­derjaren. Maar hier vindt de moeilijke ombui­ging in de ontwikkeling misschien wel eerder plaats om­dat de moeder werd vervangen door een stiefmoeder. Ik weet niet precies hoe oud Wassilissa op dat mo­ment was. Vóór het drama in de hut was de stiefmoeder er al een jaar en er staat dat de vader lang voor zijn vrouw heeft gerouwd. En wat is lang? Maar Wassilissa zou best eens zo’n twaalf à dertien jaar geweest kunnen zijn, toen zij het bos werd ingestuurd. Meestal worden de domi­nanten van het collectieve bewustzijn in sprookjes vertegenwoordigd door overheer­sende persoonlijkheden. Maar hier is er sprake van een doorsnee burgerlijk milieu. De vader van Wassilissa kan dan ook als symbool worden beschouwd van het ge­middelde, tra­ditionele, collectieve gedragspa­troon. De va­der speelt geen belangrijke rol; hij is goed noch slecht en verschijnt alleen aan het begin en het eind op het toneel. Het hele drama speelt zich af in de vrouwelijke sfeer. De vrouw van de koopman sterft on­verwacht. Uit het feit dat zij geen naam heeft, blijkt dat zij zeker het gemiddelde vrouwe­lijke type verte­genwoordigt, het type dat steeds weer in elk land voorkomt. Er zijn al­tijd vrouwen die in uiteenlopende vormen een doorsnee-leven leiden. Maar hier gebeurt plotseling een on­geluk; en het leven dat af­breekt en niet meer verder kan gaan, wordt door iets magisch ver­vangen: door de zegen van de moeder en het hulpvaardige popje.

In de Duitse versie van Assepoester sterft de moeder en wordt begraven. Op haar graf groeit een boom waarop een vogel zit of waaruit een stem komt die het meisje helpt en haar alles geeft wat zij nodig heeft. In de Ierse versie vindt zij een driekleurige kat die haar alles geeft. Het verbindende motief is hier dat er na de dood van de positieve moederfiguur iets van een goddelijk mysterie, iets dat geen deel uitmaakt van de werkelijke natuur, blijft leven. Het zou de geest van de moeder ge­noemd kunnen worden, of een fetisj waarin de goede geest van de moeder woont. Bij primi­tieve volken wonen geesten van gestorven voorouders vaak in dergelijke fetisjen, bij­voorbeeld in de kookpotten of in een masker, om van daaruit hun nuttige werk te doen. Maar wat betekent het psychologisch gezien als de plaats van een mens wordt ingenomen door een kat of een geest? Archetypische in­houden verschijnen nu eens in menselijke dan weer in een andere gedaante. Als zij het be­wustzijn naderen, nemen zij een menselijke gedaante aan. Een in menselijke gedaante ver­schijnende onbewuste inhoud staat vlak voor de integratie op menselijk niveau. Er bestaat al een zeker idee over wat er uit zou kunnen worden. Als bijvoorbeeld in een droom een animusfiguur als mens ten tonele verschijnt is het duidelijk dat er op de een of andere ma­nier mee kan worden omgegaan, en dat men er meestal als werkhypothese van kan uitgaan dat de droomster al een globale voorstelling heeft van het hoe en het wat. Maar als er uit een graf zoiets als een vreselijke stem klinkt, die ook een personificatie van de animus kan zijn, dan valt veeleer aan te nemen dat de droomster nog geen idee heeft. De stem klinkt van ver en is relatief autonoom, daarom ook des te mach­tiger en nog niet in het bewustzijn te integre­ren.



De dood van een archetypische gestalte is niet meer dan een soort verandering, want arche­ty­pen kunnen als zodanig niet sterven. Zij zijn eeuwig geldende, instinctmatige, aangeboren voorstellingen. Maar zij kunnen de ene sym­bolische verschijningsvorm voor een andere verruilen. Het verlies van hun menselijke ge­daante wijst er bijvoorbeeld op dat zij effecten sorteren, die niet meer zo eenvoudig in het raamwerk van het menselijke leven kunnen worden ingebouwd. In ons sprookje sterft de figuur van het positieve moederlijke arche­type. Maar bij het meisje blijft de pop, een beeld van het diepere wezen van de moeder, hoewel niet van haar menselijk bestaan. De meeste dochters die een goede relatie met de moeder hebben, identificeren zich met haar en spelen dezelfde rol tegenover hun pop. Vooral in de eerste kinderjaren als het kind dikwijls op precies dezelfde toon en met dezelfde woorden als de moeder tegen haar pop praat. Maar ook later gebeurt bij veel vrouwen met een positief moedercomplex de inrichting van de linnenkast, de manier waarop voor het ge­zin wordt gekookt en zelfs de opvoeding van de kinderen volgens het motto: ‘Zo deed mijn moeder het ook altijd.’ Dit is weliswaar een garantie voor een zekere continuïteit van de levensvorm, maar het nadeel is dat binnen deze vormen de individuatie van de dochter kan worden belet. Zij geeft de positieve vrou­welijke gestalte als type en niet als indi­vidu door en kan datgene in haar wezen waarin zij individueel van haar moeder ver­schilt, niet verwerkelijken.

De dood van de moeder is een symbolische uitdrukking van het feit dat de dochter deze identiteit voortaan moet loslaten, ook al blijft de fundamentele positieve relatie be­staan. Daarom is de dood van de moeder hier het begin van het individuatieproces. De dochter merkt daarna dat zij een positief vrouwelijk wezen wil zijn, maar in overeen­stemming met haar eigen wezen. En dat brengt met zich mee dat zij alle moeilijkheden moet doorstaan om dit wezen te vinden. De archaï­sche identiteit van moeder en dochter is ver­broken en hieruit ontstaat aanvankelijk een noodsituatie. Dit is steeds weer opnieuw het grote probleem in de vrouwelijke psycholo­gie. Bij vrouwen bestaat namelijk een tendens tot identificatie met de seksegenoten en nog veel sterker dan bij mannen tot vasthouden aan de archaïsche identiteit. De archaïsche participa­tion mysti­que is van grote invloed op vrouwen. Zij inte­resseren zich meer voor de Eros, de relatie. Het feit dat het voor vrouwen moeilijk is om een uitweg uit deze identiteit te vinden, is mijns inziens een belangrijke oor­zaak voor de veel voorkomende ‘gemeenheid’ van vrouwen onder elkaar. Juist omdat zij zo­zeer neigen tot identificatie met elkaar, spre­ken zij ter com­pensatie achter elkaars rug om kwaad van el­kaar. Zolang zij zich niet bewust zijn van hun eigen unieke persoonlijkheid, moeten zij dat soort praktijken te baat nemen om van elkaar los te komen.

De geest van de dode moeder leeft dus voort in de magische pop. In de bergen van Zwit­serland bestaat er een verband tussen pop en geest in de spookgestalte van het Doggeli of Toggeli. De eenzame man zonder vrouw wordt door het Doggeli lastiggevallen. Het kruipt door het sleutelgat naar binnen, gaat op zijn borst zitten en beneemt hem de adem; hij wordt met een nachtmerrie wakker en met seksuele aandrang. Hetzelfde Doggeli treedt ook als jachtspook op. Het komt eveneens door het sleutelgat en maakt kleine klopge­luidjes. Hier bestaat dus dezelfde relatie tus­sen pop en geest als in het Russische sprookje. De hieraan ten grondslag liggende archetypische idee is vermoedelijk die van de fetisj die im­mers overal ter wereld voorkomt. Veelal wordt de pop gezien als de projectie van de kinderlijke fantasie zelf kinderen te hebben. Maar dat lijkt toch niet het enige as­pect van de pop te zijn. In de eerste kinderja­ren is zij ei­genlijk het voorwerp dat een god­delijke be­schermgeest bevat. Veel peuters kunnen niet in slaap komen als zij hun todde­tje, een knuf­feldier of een andere fetisj met naast zich in bed hebben. Het moet op een bepaalde plaats liggen want anders kan het kind niet in slaap komen en is het aan de ge­varen van de nacht overgeleverd. Het is niet het kind van het kind, zoals de pop; het is veeleer de god van het kind; het is zoiets als de steen­ of object­zielen, die waarschijnlijk nog uit het stenen tijdperk stammen. In die tijd maakten de men­sen zoge­heten caches, waarvan er een paar in Zwitser­land gevonden zijn. Er werd een gat in de grond gemaakt, stenen van een bepaalde vorm werden verza­meld, soms beschilderd of inge­krast en er werd een nest ingericht waarin deze bewaard zijn. De plek werd geheimge­houden en was het symbool van de geheime, persoon­lijke le­venskracht van deze ene indi­vidu. Australi­sche inboorlingen hebben ook nu nog zulke caches, waarin zij hun zoge­naamde ‘tsjoeringa’s’ bewaren.

In zijn boek Aku Aku heeft Thor Heyerdahl verteld van dergelijke ‘caches’ op het Paasei­land. Nadat hij geleidelijk aan een relatie met de bewoners van de Paaseilanden had opge­bouwd, ontdekte hij dat individuele families over een onder een steen verborgen sleutel be­schikten, waarmee een deur geopend kon worden die toegang tot de aarde gaf. Slechts één lid van de familie was op de hoogte van dit aardgat of cache. Er lagen allerlei uit steen gehouwen voorwerpen van uiteenlopende aard: vele van de laatste tijd en niet bijzonder artistiek, maar ook goede geïmporteerde, oude Indische plastieken, verder stenen uit ver­schillende gebieden en een aantal dierplastie­ken.

Kreeftenvissers hadden een mooie stenen kreeft. Zij geloofden dat de stenen kreeft, mits goed behandeld, voor een goede kreeftenjacht zorgde. In het verleden werden dergelijke ste­nen vier keer per jaar gewassen en geborsteld. De eigenaren wachtten tot er niemand in de buurt was, haalden de stenen te voorschijn en maakten ze schoon, legden ze weer op het zand te drogen en verborgen ze daarna weer in de cache. De oorspronkelijke betekenis van het magische voorwerp was dus de belicha­ming van de goddelijke macht en de garantie op het voortbestaan van de clan. Deze stenen zijn volgens ons moderne spraakgebruik een symbool van het zelf. Zij belichamen het ge­heim van de uniekheid van een mens, maar ook van de eeuwigheid en het geheim van de kern van het menselijk leven dat het individu­ele te boven gaat.

Een dergelijke betekenis heeft de magische pop in ons verhaal waar­schijnlijk ook.

Het is belangrijk om te zien dat het beeld van het zelf (de magische pop) uitgaat van de erva­ring van de moeder, want dit biedt een verkla­ring voor het lastige probleem waarmee ik in mijn praktijk in een aantal recente ge­vallen ben geconfronteerd. Ik heb moeders moeten analyseren die niet van hun dochters los­kwa­men en dochters die zich niet van hun moeders konden losmaken. Zij hadden con­stant ruzie. Ook een huwelijk van de dochters bracht geen verandering; de wederzijdse af­hankelijkheid bleef voortduren.



De moeder kan in de tweede helft van haar le­ven geen vat krijgen op het eigen werk en de eigen creativiteit en weet meestal niet hoe dat komt; ergens is er zand in het raderwerk ge­komen. Een van deze moeders had de vol­gende droom: zij zag een grote aardappel en daaraan vastgegroeid een kleinere. Op de plaats waar de twee aardappelen aan elkaar vastzaten stak een paaltje omhoog waarom­heen zich een gekruisigde slang kronkelde. De slang had vleugels en op zijn kop een kroon die licht uitstraalde. Het leek op het symbool van een levensboom en was zeer in­drukwek­kend; maar deze twee aardappelen zaten on­deraan in de aarde. In haar bewustzijn hield de moeder zich krampachtig bezig met de pro­blemen van haar dochter, die volgens haar een verkeerde levensweg was ingeslagen. Zij pro­beerde het voortdurend met haar uit te praten. Zij spraken met elkaar, huilden met elkaar, maar zonder resultaat. Er klopt hier iets niet. De levensboom groeit weliswaar, maar de aardappelen zitten nog aan elkaar vast in de grond. De archaïsche identiteit van moeder en dochter is zo fundamenteel dat de twee vrou­wen zich een schier bovennatuur­lijke inspan­ning moeten getroosten om van elkaar los te komen; ieder moet zich bewust worden van de eigen persoon. De moeder moet alle projecties op de dochter terugne­men. Er wordt vaak ge­zegd dat moeders hun zonen ‘opvreten’, maar in veel gevallen is de verstrengeling met hun dochters nog rampza­liger. Het is een natuurfe­nomeen. Een typisch vrouwelijk probleem. Mij is gebleken dat in dergelijke gevallen de moeder een symbool van het zelf, van de hoogste inner­lijke waarde op de dochter heeft geprojec­teerd, en omdat de dochter voor haar het zelf vertegenwoor­digt, vindt zij geen uit­weg uit de binding met haar. Het zelf blijkt in de psyche van de vrouw een oudere of een jongere fi­guur te zijn, zoals er bij de man de oudere of de jon­gere man is, senex et puer, God de Va­der en God de Zoon, vader en jon­gen, dus de oudste en de jongste. Het zelf van de vrouw is de eeuwig oude of de eeuwig jonge vrouw; waarschijnlijk houdt dit verband met de tij­deloosheid van het zelf. Als het bij een vrouw ten tonele verschijnt in de gedaante van een jonge vrouw, dan staat deze voor het onlangs en bewust ontdekte zelf. Dan is het zelf als het ware ‘mijn dochter’ die ‘ik ge­baard’ heb. Maar aangezien het zelf van ouds­her en altijd in mij is, is het tevens mijn moe­der - het be­stond allang voor de bewust­wor­ding van mijn ik. Mijn ik-bewustzijn als vrouw berust op de onderbouw van het zelf, dat als eeuwige moe­der altijd in mij was. Als ik in mij het zelf ontdek, gaat het het volko­men natuurlijke deel van mijn leven uitmaken en is het mijn doch­ter. Dat is de reden waarom bij de man het zelf als vader en zoon ver­schijnt en bij de vrouw als moeder en dochter. Bij deze vrouw is het individuatie­proces in de tweede helft van haar leven be­gonnen, zonder dat zij haar taak uit de eerste helft, de vrijla­ting van haar dochter, heeft ver­richt.

Gewoonlijk begint het individuatieproces in de tweede helft van het leven. Maar het zet veel eerder in als de ontwikkeling verstoord is, zoals ook in talloze andere gevallen. Er kun­nen dan ook geen vaste regels voor wor­den gehanteerd. Het lot gaat zijn eigen weg: soms moeten heel jonge mensen bepaalde as­pecten van het individuatieproces al in de eer­ste le­venshelft volbrengen. Ik heb jonge men­sen gekend die met negentien, twintig jaar grote gedeelten van het individuatieproces moesten inbouwen. Zonder het bewuste in­zicht in be­paalde aspecten van het proces hadden zij niet verder kunnen leven. Het pro­ces heeft een an­dere loop dan bij volwassenen en eveneens een ietwat andere betekenis. De droomsym­bolen moeten net zo worden geïn­terpreteerd, maar bij een jong mens verloopt het opnemen van de psychische inhouden in het leven an­ders. Geen regel zonder uitzonde­ringen. Voor moeders speelt het probleem om zich van hun dochter te moeten losrukken al­tijd tussen de eerste en de tweede levens­helft, want het doet zich pas voor als de dochter volwassen begint te worden.



In ons sprookje is de archaïsche identiteit tus­sen moeder en dochter niet meer ter zake. Op het moment dat Wassilissa de magische pop van haar stervende moeder krijgt, be­gint zij in zichzelf als het ware een kiem van haar eigen persoonlijkheid te ontwik­kelen. Het eerste voorgevoel van het zelf dat een kind mis­schien ook werkelijk op een leeftijd van on­geveer acht jaar heeft. Het is de eerste ge­waarwording van de eigen persoon­lijkheid, hoewel men nog geen idee heeft welke ge­daante deze in het latere leven zal aannemen.

Daarna huwt de koopman de afschuwelijke vrouw met haar twee dochters, drie ja­loerse heksen die het meisje vervolgen. Dit is een archetypisch motief: waar de parel is, is de draak en omgekeerd; zij zijn onafscheide­lijk verbonden. Dikwijls dringen juist na de eerste intuïtieve ondervinding van het zelf de mach­ten der duisternis en verlatenheid naar binnen. Bij de geboorte van de held vinden vaak ver­schrikkelijke moordpartijen plaats, zoals bij­voorbeeld de moord op de onschul­dige kinde­ren in Bethlehem bij de geboorte van Christus. Direct begint de een of andere vernietigende macht het innerlijk gebeuren te verdelgen. De verschijning van het zelf in statu nascendi (geboren wordend) - ook al is het maar een voorgevoel - maakt degeen die het meemaakt tot een moeilijk en slecht aan zijn omgeving aangepast persoon. Hij stoort de onbewuste, instinctmatig gestelde orde. Het is alsof een kudde schapen het eenvoudig niet kan verdra­gen dat een schaap zijn eigen weg wil gaan.

Als een lid van het gezin wordt geanalyseerd, raakt meestal het hele gezin overstuur. Wij zijn nu eenmaal ook kuddedieren en dus dra­gen wij in onszelf het diepe conflict mee tus­sen de traagheid die in de kudde wil blijven en het storende iets, het voorgevoel of de mo­ge­lijkheid van zelfverwerkelijking. Een vrouw die in zichzelf een eerste voorgevoel heeft van het zelf, wordt direct aangevallen, en niet al­leen door ‘boze’ vrouwen, maar in haar in­ner­lijk door de innerlijke stiefmoeder, dat wil zeggen de traagheid van het oude col­lectieve rollenpatroon van het vrouwelijke, diezelfde regressieve traagheid die ons steeds weer te­rugtrekt naar de gemakkelijkste weg. Net als in veel andere vertellingen over Asse­poester, worden de stiefzusjes als lui afge­schilderd en moet Wassilissa vreselijk hard werken, zoals het uitzoeken van de aren. Het conflict tussen de stem die ons tot bovenmen­selijke inspan­ningen oproept en het verlangen op de ge­baande paden te blijven, ligt uitein­delijk in ons zelf besloten.



Zodra de koopman het land verlaat, ver­huist de stiefmoeder met het gezin naar de rand van het bos; dat wil zeggen zij trekt zich terug uit de menselijke manier van le­ven naar de gren­zen van de vegetatieve on­bewustheid (bos). Vrouwen kunnen op ver­bluffende wijze ve­geteren, veel sterker dan mannen, vooral als zij geen sterke animus hebben. Zij kunnen tien, twintig jaar lang als planten leven zonder een positieve of een ne­gatieve dramatische ervaring. Zij bestaan al­leen maar. Dit wegzin­ken in de traagheid is een kenmerkende vorm van onbewustheid en regressie bij vrouwen. Zo blijven zij op de gemakkelijke weg van de dagelijkse routine. Het staat bekend als de conservatieve houding van de vrouw: geen conflicten, maar ook geen leven. De stief­moeder is hier weliswaar vast van plan Was­silissa te verstoten, maar zij ver­huist niet ver­der dan de rand van het bos in de hoop dat het wel in orde zal komen. Zij ver­wacht dat de Baba Jaga Wassilissa zal opeten. De Baba Jaga is meestal boosaardig, maar als zij hoort dat het meisje een ‘gezegende doch­ter’ is, zegt ze alleen maar dat ze haar niet in haar huis wil hebben. En zo is zij in het ver­borgene niet volkomen boosaardig en in het geheim zelfs hulpvaardig. Zij verbeeldt op volmaakte wijze de ‘Grote Moeder’ in haar tweeledig aspect.

Er is een Russisch sprookje De maagd Tsa­rina, waarin de Baba Jaga in een klein rond huisje woont dat op kippepoten staat. Wie naar binnen wil moet een toverwoord zeggen. De zoon van de tsaar gaat naar binnen en vindt haar terwijl ze met haar lange neus in de as port. Ze kamt haar haar met haar klauwen, hoedt de ganzen met haar ogen en zegt tegen de jonge held: ‘Mijn lieve knaapje, ben je uit vrije wil aan dit avontuur begonnen of tegen je wil?’

Hier is een van de grote trucs van het moeder­complex bij de man aan het werk: het zaait twijfel en roept de vraag bij hem op of het niet beter zou zijn de andere weg te nemen; hij wordt erdoor verlamd. Maar de jongeman in het verhaal zegt: ‘Je moet een held niet zo­veel vragen, oudje, geef hem liever wat te eten en te drinken. Of je krijgt een trap tegen je kont, dan wordt je gat de ovenmond!’ Daarop kookt de Baba Jaga een heerlijke maaltijd voor hem en geeft hem goede raad en het functioneert! Het ligt dus aan de houding van de jongeman of zij goed of kwaad is. Zij probeert hem in­fantiel te maken, maar als zij merkt dat hij te­gen haar is opgewassen, helpt zij hem.

De Baba Jaga kan dus goed of kwaad zijn, net als de mannelijke voorstelling van de godheid (wiens donkere zijde bij ons gescheiden wordt voorgesteld in de duivel). Voor de vrouwen is deze godin met haar licht- en schaduwzijde een beeld van het zelf. In rooms-katholieke landen is de lichtzijde van deze figuur op de Maagd Maria geprojecteerd. Zij belichaamt de lichtzijde van de Grote Moeder en van de anima van de man; maar de schaduwzijde ont­breekt bij haar. De Baba Jaga belichaamt een meer archaïsche figuur waarin licht en schaduw nog niet gescheiden zijn. In haar zijn alle machten van vernietiging, vertwij­feling en chaos aanwezig, maar tegelijker­tijd is zij een hulpvaardige natuurmacht. Haar godde­lijke rang wordt duidelijk bewezen door het feit dat zij drie ruiters ter beschik­king heeft: ‘mijn dag’, ‘mijn nacht’ en ‘mijn zon’. Zij is de kosmische godheid. Verder zijn nog bij haar de drie paar handen, dat onuit­spreke­lijke, verschrikkelijke geheim waar niemand naar mag vragen, en die waarschijn­lijk het myste­rie van de absolute vernietiging en de dood vormen. De Baba Jaga zit in een vijzel, be­stuurt hem met een stamper en, zoals het een heks betaamt, wist zij alle sporen met een be­zem uit. Heksen in mensengedaante doen vaak hetzelfde met de befaamde ‘Heb je het al gehoord?’-techniek - ‘maar laat mij er alsje­blieft buiten!’ ‘De natuur houdt ervan zich te verbergen,’ heeft een Griekse wijsgeer eens gezegd. Vijzel en stamper ben ik in nog geen enkele andere heksenvertelling tegenge­ko­men. Als vat is de vijzel natuurlijk het vrou­welijk symbool. De Maagd Maria wordt wel Vat van Genade genoemd en de Heilige Graal is ook met Maria in verband gebracht. De Baba Jaga had eveneens een rond vat, maar daarin wer­den de stoffen tot poeder fijn­ge­wreven, dat wil zeggen tot hun uitgangsstof teruggebracht. De speurtocht naar de uitein­delijke bouwsteen heeft de menselijke geest altijd al beziggehou­den, maar vooral natuur­wetenschappers. De oude alchemisten, maar ook moderne natuur­kundigen vermoedden dat aan alles een oer­materie ten grondslag ligt.



Het gaat om wat wel Gods eigenlijke geheim heet, het materiaal waaruit hij de werkelijk­heid heen opgebouwd. Velen beschouwen dit materiaal daarom eveneens als goddelijk of geloven dat het een goddelijk geheim in zich draagt. Vóór de splijting van het atoom was de eenvoudigste methode ter verkrijging van dit materiaal, de verbranding tot as. Deze as werd dan uitgangsmateriaal genoemd; of het werd in een vijzel zo fijn mogelijk gestampt. In de poederstof werd vervolgens de voor­stelling van de prima materia geprojecteerd, de oor­spronkelijke oermaterie. Men hoopte met deze beide methoden het geheim te kun­nen ont­raadselen. Tero is Latijn voor fijnwrij­ven - en er is een interessant verband tussen dit woord tero en kerkelijke taal: namelijk met het woord contritio, dat wroeging of vermor­zeling bete­kent. Als men zich zijn zonden bewust wordt, komt het berouw en de boete­doening. Maar wie tot op de bodem gaat en zich door de zonde verpletterd voelt, is ‘stof’ en ‘as’, en dat is de toestand van contritio, het diepste be­rouw, die tevens de allerhoogste verdienste in zich draagt - de contritio heelt alle wonden. Zij is een verwe­zenlijking van de schaduw­zijde die zo diep reikt,dat er geen woorden meer voor zijn. Net als alle moei­lijke situaties heeft ook deze het voordeel dat men op de bo­dem van het gat zit en niet die­per meer kan zinken, waardoor zij tevens het keerpunt in­houdt. Het ego met zijn vroegere verkeerde in­stelling is tot stof ge­worden, aan het einde van zijn egocentrische halsstarrig­heid en moet zich aan grotere machten on­derwerpen.

De Baba Jaga heeft de vijzel en stamper, de werktuigen van de vermorzeling. Zij sym­boli­seert dan ook de levensmacht die door haar uiterste waarheid de mens naar zijn innerlijk­ste waarheid leidt. Daarom bestaat er ook een archaïsch verband tussen haar en de dood. Veel mensen blijven net even bo­ven hun don­kere zijde en bereiken het sta­dium van vol­komen contritio pas in het aan­gezicht van de dood. Wij zijn als kurken. Als God ons niet al te zeer onderdompelt, blijven wij aan de op­pervlakte drijven, maar als de dood na­dert, worden de mensen plotseling stil en zin­ken weg in een zuiverder werkelijkheid. Op het sterfbed verandert de gelaatsuitdruk­king en voor de eerste keer heeft men dikwijls het ge­voel dat zij kalm en zichzelf zijn en dat alle kouwe drukte van het ego voorbij is. De Baba Jaga is dus ook de demon van de dood; zij bewerkstelligt deze uiterste vermorzeling. Maar zij is tevens een groot alchemiste die al het onwezenlijke tot het wezenlijke terug­brengt. In voorgaande hoofdstukken is over de wrekende functie van de natuur en van de go­din Themis of Nemesis gesproken, over de natuur als een geest van de uiterste waarheid en gerechtigheid, die op haar eigen manier het wezenlijke uit de mens te voorschijn maalt.


  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina