De waarheid is een druif. Vers in de zon geplukt



Dovnload 140.51 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte140.51 Kb.
De waarheid is een druif.

Vers in de zon geplukt

in het licht, smaakt ze warm en zoet.

Bewaard in de koelkast

voor morgen

is ze pijnlijk koud op de tanden,

maar voedzaam

Onder de juiste omstandigheden

geperst, gerijpt en gegist,

bottel je

er een heerlijk wijntje van,

Santé


Ik word nu al dronken,

alleen al bij de geurige gedachte eraan.

Maar wie zegt

dat deze afdronk

mij niet teveel zal zijn?

De waarheid is

Zoeter dan een druif

Zachter dan ’t geritsel van duiven,

Een tortel koert en draait

Ik hoor het teder lied

De waarheid is een mantel

Vol warmte tegen kou en regen

Een huis vol vuur

Wie haar ontmoet vergeet ze niet

Wie haar dragen kan steunt ze

De waarheid

Wie haar wil ontdekken

Moet zich naakt kunnen beschouwen

Weten wat hij dragen kan

Wie teveel waarheid wil

Hoedt zich voor zijn eigen leugen

Spiegelt zich alleen

Een schijnbeeld voor

De waarheid , wie zegt niet ze te zoeken?

 

Liefste weet je nog



hoe we samen wandelden

steeds maar langs de stroom,

wij, starend in de verte

en jij, zo dicht, zo vlakbij.

 

Langs de rivier,



waar wij zo vaak wandelden,

zie ik je steeds weer.

 

leo


Limoenen,

al bij aanvang smaakt

het woord van zoet naar zuur

li-moe-nen,

de geur alleen al in

klank gedragen

tekent zich een venster

waar, geen koeien grazen

nee, bijna ontsnapte , ach of nee

met een diepe zucht

verdwaald blijven hangen

aan een blad, een groen

lente blad, met dauwdruppels

overladen en waarom ook niet

een zon twinkelend in duizend

druppels


limoenen,

zoeter woord als

zoenen maar dan

met een zure nasmaak.

Ach,

hoe onverdroten



speurt mijn hart

naar tekens van jou

en vindt geen sporen

dan fel brandende groeven

mijn handen

graven in de krul van je lenden

honger en dorst

noodt mijn mond

de felbegeerde nectar te zoeken

drinken als een woeste

uit dorre tuinen gevluchte

de oase eindelijk zo

nabij,

mijn tong proeft al



het woord waar liefde woont : jij.

Wanneer, liefste

lenden

geen lenden meer zijn



maar bronnen van vuur

en knieën

niet langer op slot

wijken,


mijn armen niet langer blijven

maar om je heen

als duidend maal duizend zijn,

je omarmen

en jij

alleen


jij, bestaat
als dwaze liefde

passie wordt

liefste
alle lucht van jou

gevuld, betinteld is

en woorden

nahollen telkens weer te laat


liefste,

liefste,


laat dan

dwaasheid

liefde zijn.

Een zee,


Een zee van warmte

je kwam


Je bracht een geur

Zoeter


Wilder

Dan mijn stoutste dromen


Zachter waren

Jouw lippen

Dan een warme zomervrucht

Ook dromen

Voerden ze mee

Ja een zee,

Een zee van liefde.

Wit, een zee

Een zee van warmte

Je kwam


Je geur

Zoet


Wild

Mijn stoutste dromen voorbij


Zachter nog

Jouw lippen

Een warme zomervrucht

Dromend


Voeren ze me mee

Wit de zee,

De zee van liefde.
Toen ik je zag

Brak de aarde open

Slokte me op

Ik kiemde

En zie

Daar is de zon



Mijn eerste blad

Gaat al open


Putje winter,

Lente, roept mijn hart,

Net als de merel.

Is het de merel,

Nog lang voor het lente is,

Maakt hij al zijn nest.

Liefste, hoor je ook mijn hart,

Hoe het zingt als de merel?

Onhoorbaar

Breekt

De liefde



Sijpelt

Langzaam


De breuklijn uit.
Plots

Is er alleen nog

Een spoor

Een herinnering

Aan wat ooit

Vruchten droeg


Rest nog

De lijn


De breuklijn

De laatste

Rode draad

Naar een rijk verleden


Zie mijn bladeren

Verwelken

Mijn takken

Worden broos en droog

Net als mijn aarde
Veel te sterk

Is het huis gemaakt

Geen drup

Kan erdoor

Water geven

Helpt ook al niet meer.

Wanneer je

zacht,


niets in mijn oor fluistert

dan


een ademstoot

een kreun

of net op je lippen

een woord

onhoorbaar geboren wordt

in de plooi van je lach

een nieuw woord

voor liefde,

schoonheid,

verlangen,

en pijn

de zoete pijn



van minnen.
Met

je ogen dicht

open

voor me,


wanneer ik

je dan blindelings

volg

liefste


met je

verdrink


in een zee

van licht

en lucht

en warmte

voel ik

hoe je


naar me kijkt

waar op je lippen

het halfgesloten

woord


van zoete pijn

verschijnt.


Jaques

zie


ik lig hier nu

zovelen


zijn me komen groeten,

zoveel


bekende gezichten

nu

wil ik hen nog eens



toelachen,

mijn hand geven

of opstaan

en mee gaan,

een ijsje eten of een blauwe bastos roken,

zie


ik lig hier nu

voor altijd

na mijn laatste zucht

zie


het licht roept,

stil nu


tot ziens.

Hoor hoe de wind huilt

vannacht zal het gebeuren

dan lopen op zachte poten

zeven draken door het bos
hun groene ogen loeren

de oren spits, beducht

om ieder geritsel op te nemen

hun tong zoekt de einder af


wanneer ik naar de bron kom

liefste zullen zij waken

hun klauwen gescherpt en klaar

kom en fluister in mijn oor


jouw diepste geheimen breken

de muren om ons heen

geen leger blijft bestaan

en enkel bloemen zullen dromen.

als ik jou niet had

rimpelde alles naakt voorbij

maar dan zonder kleren
niet dat dit veel zou maken

maar de kleur werd dan

als rozen zonder geur
als jij niet plots voorbij

was gekomen rinkelden

alle bellen niet langer
was er geen vogel meer

om de morgen in te luiden

geen gekwetter of geschetter nee
je weet wel, ik overdrijf

zoals altijd, zo doen mannen dat

ik ben niet alleen, gelukkig maar.
Als het nu vandaag

eens nieuwjaar was, zo geheel

onverwacht zomaar nieuwjaar,

zou het buiten dan minder

grijs zijn? zou er iets

tintelend in de lucht hangen,

de geur van cadeautjes,

het ritselen van feestkleren,

en, en, ?

Zie, de lente kruipt al

in de plooien van dit blad,

de vlinders in mijn buik

ontpoppen, hun trillende vleugels

drogen in de bloemengeur

van morgen

ik voel jouw hand al,

jouw warmte vindt de mijne

ze dansen samen de salsa,

rood, geel, oranje, groen,

violet en blauw doen vrolijk mee.


als ik aan jou denk

schijnt plots de zon weer

een palet van kleuren en geuren

komt binnengewaaid

als stond het venster open

op een mooie lentedag

zoals jij naar me kijkt

wordt aarde vruchtbaar

krijgen dorre takken bloemen

in jouw handen leg ik mijn zijde

aan alle kanten neer

jouw woorden openen deuren

die lang gesloten bleven

nieuwe kamers van mezelf

krijgen kleur, vullen zich

met de geur van een trage ochtend

zie, zelfs de morgen trekt

de ogen open en lacht ons toe

als ik aan jou denk

schijnt plots de zon weer

een palet van kleuren en geuren

komt binnengewaaid

als stond het venster open

op een mooie lentedag

zoals jij naar me kijkt

wordt aarde vruchtbaar

krijgen dorre takken bloemen

in jouw handen leg ik mijn zijde

aan alle kanten neer

jouw woorden openen deuren

die lang gesloten bleven

nieuwe kamers van mezelf

krijgen kleur, vullen zich

met de geur van de ochtend

zie, zelfs de morgen trekt

de ogen open en lacht me toe




Lieveling

Ik fluister je naam voor me uit

hoor het steels schuifelen van de wind

die de letters vormt, onbezorgd

dansen ze om ons heen

maken capriolen, lokken ons mee

voor ik het weet bloeien

alle krullen in de werveling

van je naam

lieveling


steels zoeken je lippen

me de adem te benemen; proeven

hoe ze (teer) me (innig)kunnen

omhelzen, stout en onbevreesd

gaan ze op pad met de mijne

draaien een tango en een wals

fluisteren uitdagend erop los

zie, je geur mengt zich in de strijd

lieveling
op voorhand verloren, geef ik

me over, neem je mee

op de klop van mijn hart

in de diepte roept een zee

in je armen opent een woud

en in je aarde roept

de zon, breekt open

koestert ons eens te meer


lieveling
will you, will you

please remember me

with a glimpse of love we used to share
remember me, even if you never hear

no more of me, remember

the days you thought they never end
look at the see, listen to the sky

hear, the wind whispers of times

and days long ago
look what’s coming soon

the glory of another day

another sun ‘s rising
even if you see only

clouds and rain ‘s falling

all over now
will you, will you

please remember me

with a glimpse of love we used to share
lightnings and thunders roll over us now

the icy wind who cuts us apart

wont stay
if you please, if you

please remember me

with a glimpse of love we used to share
I have to go now

you know it will last

but please
will you, will you

please remember me?

with a glimpse of love we used to share

al zit ik hier

in mijn tuin te dromen

van jou, je ogen, je handen, je huid,

je lippen, je woorden, je geur, je adem,

je haren, je stem, je benen, je plooien,

je oren, alle plekjes, alle beetjes van jou

en voert dit

alles, je ogen, je handen, je huid,

je lippen, je woorden, de klank van je huid, je

geur, je tanden, je adem, de glans van je haar,

je nagels, je benen, alles, dat alles van jou,

voert me naar de hoogste toppen

zwevend kijk ik om me heen

alle kleuren en geuren

worden nog mooier

het regent bloemblaadjes

het zonlicht straalt in duizend tinten,

alle vogels zingen een lied

een lied voor jou

in duizend talen, in duizend tonen

lieveling; lieveling; lieveling; lieveling;

altijd door

wanneer in de geur van de dag de nacht verdwijnt

de nevel in zonlicht verdwaalt en de roep van de uil

enkel in de ziel weerklinkt kom dan liefste kruip

onder mijn huid graaf je in als de endel die aan wortels knaagt

wacht niet op mei om je bourdon te laten zingen klinkend


hef het glas nip aan de zoete bron met of zonder ijs

gedenk hoe je huid blonk in de avond en je geur

jachtig op zoek ging verdwaalde in de dalen van mijn heupen

en je keer op keer doorboorde met verlangen

je handen en de letters van je lippen hoe ze zongen
van duizend tongen verstoten kreten oeverloos stoomden

in de hall van de avond er geen einde kwam geen einde meer

noch de loze kreten of de vispan konden de honger blussen

hoe je ook draaide of keerde je keerde steeds terug en ik

naar jou als de aarde naar de zee de vrucht naar de mond
als dan de bleke avond zichzelf gewonnen gaf voortijdig

weliswaar, voel ik nog de kreet van de wolf in mijn handen

hoe mijn klauwen zich begroeven in de dampen van je schoot

hoe het lam won en vluchtte, nog voor de jacht geopend was

tijger en leeuw verweesd achterlatend als muizen in de val.
hoor je het huilen het verschuilt zich niet langer rukt aan zijn touw 

Het spinnetje weeft

zo vanzelfsprekend zijn draad

en vliegt zomaar mee.

Het spinnetje

weeft zijn draad

en vliegt dan mee.

Telkens ik je zie

barst de dag open

enkele kussen later

gloeit jouw huid

in mijn handen

zoeken jouw lippen

de brand van mijn lenden

te verzengen, even

lijkt de wereld te vergaan

jouw hartslag danst

met de mijne, steeds wilder

tot je mij leidt naar

de valei waar we samen

liggen en stapsgewijs

in wolken verdwijnen.


Hondje, een stokje!

ik steek het door de haag

pak het dan hondje

pak het dan dommerdje

kom hondje kom

kijk en tak oei krak

je bijt veel te hard

je bijt het stuk

hondje hondje hondje toch!

hondje kijk nu heb jij

een stokje en ik een stokje

dag hondje met de stok

daag ik ga verder spelen

met mijn stokje hondje

speel jij maar mooi

met jouw stokje daag!!

Het gedicht van de eeuw

zal over jou gaan

daarvoor zal, onvermijdelijk,

de dichter(es) van de eeuw

jou leren kennen en

liefhebben, wat zij/hij (vanzelfsprekend) op slag

zal doen zodra zij/hij jou

vindt. Zij/hij zal in haar (zijn) liefde

voor jou branden als

geen ander mens, de

onvervulbare pijn ook, doorstaan

niet in staat zijn

te verwoorden wat zij/hij voelt.

Tot dan, ik weet het,

het is schamel vergeleken

met wat jou te wachten staat,

waar jij als enige recht op hebt,

tot dan, povere ik,

kan ik niet méér dichten dan
Jij bent zo mooi, zo mooi

Jij bent zo mooi, zo mooi

Jij bent zo mooi, zo mooi
ik hou van je, ik hou van je,

ik hou van je, ik hou van je,

ik hou van je, ik hou van je,
ik hou van je, ik hou van je,

ik hou van je, ik hou van je,

ik hou van je, ik hou van je,

ik hou van je, ik hou van je,


Jij bent zo mooi, zo mooi

Jij bent zo mooi, zo mooi

Jij bent zo mooi, zo mooi

Jij bent zo mooi, zo mooi.


.

rode rozen

vlinders alom

en in de bochten van mijn dromen

jij

net om de hoek



koekoek

zon


alom

massas warmte

tot straks

leo


 

Het is stil

ondanks het brullen van de zee

het is stil, ijzig stil.

Gedachten lossen op

vóór de geur ervan

enig spoor kan laten.

Tijd, breder dan de monding

van alle rivieren, de gele, de rode, de grijze,

stroomt maar door.

Rimpelloos,

geen welling of golf

alleen de donkerste diepte

het zwart vergeten zijn

de onpeilbare leegte

het ontbreken

van zelfs dit

laatste


als ik jou zie verbleekt de zon,

venus, in al zijn morgenschittering

aarzelt bij de glans van je ogen

 

en jij wandelt daar onwetend,



lijkt het, van wat je teweegbrengt,

zo onschuldig lach je naar me

zou je geen moord doen voor zo'n vrouw?

 

toch is je droefheid voelbaar



je tranen aarzelen, vatten moed,

zoeken de schouder die je vertrouwt

 

laat me de zon zijn die je verwarmt



al verbleek ik dan, en de maan die je troost,

de bleke maan die stil is en luisteren kan.

 

 

warme groetjes



 

Leo


Plots is de wereld

klein en leeg als je belt

dat je moeder stierf.
Intensif care -

langzaam wordt de blauwe lucht grijs

straks regent het.

In mijn hart vliegen

honderd bijen.

Twee meeuwen krassen

de avond stuk.

Ondertussen het geluid

van de autostrade.

Het vuur knettert -

niet vanbinnen.

Waarom brengen ze hun honing niet naar jou?

Waarop wachten ze?

Ik zet de deur

wagenwijd open

ze blijven binnen

de honderd bijen

in mijn hart.

Ik zend ze

één voor één

om al jouw bloemen

te drinken.

De honing

offer ik


aan jou,

koningin van al

mijn nachten.

De morgen gloort.


Hoe zoet is de honing

die ik drink met jou.

Hoe zacht de adem

aan jouw zijden.

Hoe licht de wind

van je strelen.

Hoe teder het

licht van je ogen,

je woorden, daarbovenop

ze lonken, trekken, heffen,

helpen me op stap,

ik die blind langs de

muren van mijn doolhof

dwaal


ik volg je draad

zo ijverig gesponnen

en speur de geur al

van jouw zoetste honing,

ik kom.

pas zie ik je niet of ik mis je al,



je geur hangt tussen de bomen

of zijn het viooltjes die ik ruik

je lach klimt in de bomen

of zijn het vogels die ik hoor?

het licht in je ogen glinstert

of is het een zonnestraal op het water?

de zachte aanraking van je handen

of is het een vlinder die me streelt?

de zachtheid van je lippen

of is het de wind die me aait?

ach je bent er niet

je bent er niet

kom nog een warme zoen

 

Leo



Hoe graag schuif ik bij jou naar binnen

voel je douwzachte lippen over mijn kloppend verlangen gaan,

terwijl je borsten spelen als vlinders

met mijn gulzige mond.

Jou nat bezwete dijen en moessonhete rug

rusten in mijn handen, eventjes maar om

haastig op zoek, te verglijden in nog dieper voelen,

tot je bijna ruw verrast, opengescheurd

jezelf overspoelt

met golven bevrijding als

een donderende bliksem in zee,

nieuw leven scheppend

een ode

in miljoenen kleuren aan die allereerste verbinding:



leven dat zichzelf telkens opnieuw

begroet, herschept, opent en sluit, verbindt

in alle eeuwen der eeuwen...
Toen je vanmorgen uit bed stapte,

een wolk van jouw geur achterlatend,

nipte ik drup na drup van halfwakkere blikken, (droombeelden misschien?)

Jouw hemd over je huid glijdend, als een strelende vinger,

de stof zacht over je borsten,

een laatste knoop sluit het doek.

Je billen in je broek wroeten om plaats met je slip

Je rits geeft me een laatste knipoog, op de valreep,

voor je weggaat krullen jouw lippen zich nog eens, net,

in een laatste halfuitgesproken zoen.

De zachte klik van de deur.

Een krakende tree,

roept om de geur

van brood, beleg en dampende koffie.

Ik trek je kussen dichterbij

speur naar resten, vluchtig verlangen

doezel wat langer - tot straks - .

Je vluchtige zoen

Fladderende rokken

Een laatste verstolen blik over je schouder


In de hal hangt een vleugje geur van je

Vergeten, speels achtergelaten

Net als in de kast waar je jasje hing
Een kop met een restje thee

De bloemen die je bracht

Woorden, flarden gesprekken dwarrelen om me heen
In de tuin hangt een beeld

Hoe je verwonderd rondkeek

Je lach verscholen tussen de bloemen klinkt nog na.
Zijn er nog vrouwen met

dijen als vleugels die


vogels vervoeren en

wolken geuren zwaaien


om zonovergoten ogen

te spitten in tuinen vol onkruid


zijn er nog vrouwen die kleuren

als vlinders op heupen dragen


poezenlang loeren, gedachten

los in de hand, snippers


stil lachen en vingers toomloos

bellen slaan op huid vrouwen die


geschreven staan, woordloos spreken

onhoorbaar wijd als klokken gaan


waar tijd in stilte verdergaat

verdwijnt in niemands spijt.


Zijn er nog vrouwen als jij?
de blinde man bijt zich

een kus in de geblinddoekte vrouw

verbeeldt zich trouw en tederheid

haar huid glijdt als een bindend mes maait en

naait zich vast in zijn hart
zijn das verrast haar hand

de strop een knop ligt klaar

ze hoeft hem niet aan te trekken

haar sjaal nat van zijn zoenen

verdraagt zijn geur niet langer
zij draait haar hoofd weg

van hem en proeft zijn beet en weet

nu zal hij zoeken voelt zijn hand op reis

naar haar en vindt haar borst

haar haar de sjaal omgeslagen nat
zij gaat weg verlaat zijn hand

en landt in de hoek in ‘t duister

verdwijnt ze de blinde man

tast de hoeken af luistert hoe ze schuifelt

van muur tot muur in ‘t donker huis

the fifth


in de vijfde straat
stond jij daar
nauwelijks opgemerkt
bijna voorbijgelopen
in de vijfde straat
keek jij naar mij
ternauwernood een blik
je bliksemde me vast
in de vijfde straat
heb ik jou gekust
nog voor ik het wist
lag ik naakt naast je
in de vijfde straat
Vroeger, als ik een boom kon zijn,
wilde ik in jouw tuin staan
en telkens als ik je zag
zou ik rillen
jij zou
misschien
het windstil ruisen
van mijn bladeren horen
en je verwonderen …
nu wij samen gaan
schitteren onze bladeren
speelt de wind met zonnestralen
duizend maal opnieuw in morgendauw
trots en liefdevol om jou, om jou, om jou

Hoe het was op reis?

 

Zonder jou was de morgen stiller



scheerden de zwaluwen doelloos door de lucht

bij de geur van koffie en vers gebroken brood

miste ik je nog eens te meer

het zicht op het meer wekte een verlangen los

om de sporen van de vissersbootjes te volgen,

me plompverloren te storten in het meer als in jou,

is dat dan graag zien, iemand missen

bij elke ademtocht? niettemin was

het water zouter dan ooit,

in het midden van het meer zocht ik jou

ik was er zeker van je gezien te hebben

na wat blijven drijven ben ik dan maar

teruggezwommen heel traag

ondanks beter weten hoopte ik, dat je heel

misschien op zou komen duiken

als een pelikaan, je vleugels uitschudden,

me helmaal nat spatten

je zou lachen met mijn dwaas gezicht

zo vol liefde lachen dat ik eens te meer

zou smelten in je armen.

 

leo


De wind heeft jouw naam

in het zand geschreven

meegenomen, fluistert ze

zacht tussen de blaren en takken

van de bomen. Het gevallen blad

neemt ze mee naar de grond

waar in de wortels ze trilend

wacht tot het lente is;

De maan heeft jouw naam gelezen

haar zilver licht blaast het in het meer

waar de nacht de nevel roept

Onhoorbaar zacht krult jouw naam

over de velden heen…

08.09.2004


Ieder spoor in de vloedlijn

meegesleurd, rimpelt het strand

straks anders? De rode

schijn van de zon op jouw

gezicht verbleekt eens

in mijn schedel, verstrooid as

wind waart over de velden.

Streelt de speelse verleider

een ander in de haren,

verblindt hij de schittering van de zon

in de lokken van zijn geliefde,

wekt hij de eeuwige gedachte

- voor altijd gegrift te zijn -

wie of wat zal zweren

op de vloedlijn, op onze sporen?

12.10.2004


Het blad (waar ik je neerschreef)

kwam los.

Hoe kon het nu blijven

zonder kreuken?

Lijmen dan, maar daarna

zou het moeten bijgeknipt

Iets weerhield me.

Wat wegwil hoeft niet zo nodig

gehouden.

Of zouden kreuken des te meer

het blad (…) zichtbaar maken.

Roept het niet des te meer?

Dreigt de leegte wanneer het

eens verloren zal zijn?

Het zand waait

waar de wind het blaast

ooit waait het blad (…)

mijn boek uit.

Het onvolledig boek

herinnert zich hoe goed het was

en de belofte desondanks.
27.10.2004
Huppelt het roodborstje door het groene gras?

Ja, het roodborstje huppelt.

Schijnt de zon in kleurig bomen?

Ja, ja de zon.

Schijnt de maan stil in de nacht?

Zijn de schaduwen zacht,

fluistert de wind om de hoek?

Bloedt mijn hart als ik denk aan jou?

Huppelt het, blij en vrij als ik denk aan jou?

Het roodborstje in het groen gras.


27.10.2004
Wanneer de tijd verstrijkt

liefste, zal je, ja zal je dan zeggen

of stil voor je uit fluisteren

hoe goed het was, hoe goed het was,

tussen ons? Als het weer lente wordt

en zomer, dan, zal je dan, je nog

herinneren, hoe we streden, zij aan zij

op het aambeeld van de liefde

waar iedere stilte het ruisen

van de zee,

de rode zee van liefde draagt?

Liefste zolang de zon, de maan,

de stille maan, zijn maanlicht

geeft, zolang zullen in ’t geschuifel

van de nacht de beelden ritselen

als haastig uitgetrokken kleren,

als het toen was.
Desolaat hoe die boom daar staat

met gevallen bladeren,

hoe kleurig ook dit verlaten

naakt staat hij daar.

Wacht tot wormen, ijverig als ze zijn,

de resten verteren. We kunnen van ze leren,

graag doen ze hun werk, copuleren

en profiteren van al dat fraais.

De grote babyboom onder de wormen

geeft stof tot reflecteren.

zou er een wormen forum bestaan in dit

ellendig dicht bij de grondse leven,

moet na de tijd van overvloed

bescheidenheid bekeren,

of is er alleen vreten en verteren,

composteren, aarde worden, voor

een nieuw blad in een volgend leven

misschien?

Hoe die boom daar staat

met gevallen bladeren.

Dit verlaten, hoe kleurig ook,

naakt staat hij daar.

Wacht tot wormen, ijverige kerels,

resten verteren. Graag doen ze hun werk, copuleren

en profiteren van al dat fraais:

de grote babyboom onder wormen

geeft stof tot reflecteren,

zou er een wormen forum bestaan in dit

ellendig dicht bij de grondse leven,

moet na tijd van overvloed

bescheidenheid bekeren,

of is er alleen vreten en verteren,

composteren, aarde worden, voor

een nieuw blad in een volgend leven?

 

 

wachten op een mail van jou is als wachten



op de laatste trein die al vertrokken is.
De oude volkswagen camionet

deugd niet langer.

Teveel wachten tot hij vrij was,

Hoe knus ook de tochten

het dwalen, rondtrekken op goed geluk

geluk, containers vol

ook voor later,

voor vellater misschien.

De open cabriolet, met chauffeur

zomaar voor het grijpen.

Tja hoe zou jezelf zijn

als ik ik niet was zei Herbie.


The sky was blue, the sky was grey and evening falls

in spite of despair, I’ll try to accept what I get.


Will you leave me, long before I hope for more,

you know, men always do, trying to hold

what never can be taken, losing love,

(the) only thing that matters

I’ll give you all I get and if that’s not

enough, who to blame?


The sky was blue, the sky was grey and evening falls

in spite of despair, I’ll try to accept what I get.


Will you, will you, beloved future love,

I’ll surely meet you, will you,

will you leave me too? You’ll do I know

I’ll expect to much I’ll give you

more than you’ll ask, you’ll

surely do, beloved future love I’ll meet.


The sky was blue, the sky was grey and evening falls

in spite of despair, I’ll try to accept what I get.


Shall I try to love you step by step,

waiting no longer than you need,

or shall I do the same, love

without restriction? I don’t know,

I don’t know, shall I love you

more and make you beware off me? .


The sky was blue, the sky was grey and evening falls

in spite of despair, I’ll try to accept what I get.


You reached my soul, and ran away,

touched my hart, shall I love again

open my wounded hart, the pain I shared?

Beneath the pain, your love’s still there

healing old layers what I longing for

shall the love you gave, heal despair? .


The sky was blue, the sky was grey and evening falls

in spite of despair, I’ll try to accept what I get.


Kon dit blad spreken, spreken

met jouw mond en zeggen

“Het was niets liefste, kom

laat ons herbeginnen”

Kon ik dan maar geloven

dat het ditmaal blijven zou

Alle twijfels verdwenen zomaar

Het graf van onze liefde

is koud en kil, mijn bloemen staan

alleen in wind en weer

Kon je maar zeggen in dit blad

“Ik was bang, je kwam te dicht,

tijd is alles wat ik nodig had”

Misschien dat ik je tranen zie,

kon ik eindelijk huilen, eindelijk

huilen en schuilen dicht bijeen

Het graf van onze liefde

is koud en kil, zie ik dan

jouw bloemen niet?

De stad heeft zich verlaten

nu zij zich van jou heeft ontdaan.

De zee van zichzelf verlost, strand

is zand geworden, dode schelpen,

en zout water spoelen af en aan.

De zon hulde zich in een vuurvaste bourka.

Bomen, schraal en kaal van bladeren

losgeslagen bewegen niet.

De wind zelf is gaan liggen, zucht niet eens.

Enkel mijn dromen blijven warm en vochtig,

daar leef jij nog, geselle mijn.

Als ik jouw schaduw zie

die spreekt en leeft als doden niet betaamt,

ik in iedere vrouw iets van jou zoek,

mijn hart,

ijsbergen smelten, vulkanen braken

hun dodelijk vuur telkens weer.

Waarna de stilte geruisloos wordt.

Kom dan ijs, bauw ijs, wit ijs, begraaf me

dieper en dieper, alleen met mijn droom.

Stille vriend, schik je lege kap, kom binnen,



aarzel niet.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina