De wereld een veilingplaats ?



Dovnload 47.22 Kb.
Datum27.09.2016
Grootte47.22 Kb.
De wereld een veilingplaats ?
De huidige discussie over de ABN-Amro en de Duitse discussie over de ‘sprinkhanenplaag’ plaatsten mij voor de volgende vraag: is het normaal dat in deze maatschappij met haar financieel/kapitalistische signatuur alles te koop is?

Ik doe dit onder referte aan het boek van R. Kuttner ‘Everything for sale’ (Knopf, 1996).

De auteur stelt daarin : ‘A society which was a great auctionblock, would not be a society worth having’.

Hoe is het zover gekomen? Ik denk dat de val van de Muur in 1989, het ineenstorten van het communisme en de vermeende verknoping van kapitalisme en democratie daarbij de grote rol spelen. Jeffrey Sachs ging naar Oost-Europa begin negentiger jaren om daar de zegeningen van het kapitalisme te indoctrineren. Tegelijk schreef F. Fukuyama zijn bekende boek ‘The end of history and the last man’(Avon Books, 1992), waarin hij eigenlijk stelde dat het Amerikaanse democratisch kapitalisme de strijd om de wereldheerschappij had gewonnen. In dezelfde tijd schreef Michel Albert in zijn boek ‘Capitalisme contre capitalisme’ (Edition du Sueil, Paris, 1991), dat het Anglo-Amerikaanse kapitalisme daadkrachtiger was en vooral meer sexy uitstraling had dan het continentale Europese model.

In de jaren ’90 is dus een soort mentaliteitsombuiging in onze totale samenleving geslopen

Verankering werd ouderwets, de mondialisering deed haar intrede. Met internet als hét communicatiemiddel. Wij werden, zoals ik dat in de verhuiskwestie van Philips in 1997 van Eindhoven naar Amsterdam noemde, culturele nomaden. Footloose heet dat in nieuw Nederlands. Tegelijk deed de dot.com-hype haar intrede, zodat al het werk lichtvoetige dienstverlening zou gaan worden. Industriële maakarbeid hoorde eigenlijk thuis in een soort pre-historisch tijdperk. Genoemde ontwikkelingen hebben een klimaat geschapen waarin we nu verzeild zijn geraakt. Hierin gingen in de jaren ’90 zelfs bewoners in bejaardenhuizen beleggen op de kapitaalmarkt. Dexia kwam met haar ‘winstverdriedubbelaar’. Het leek een loterij zonder nieten. Het wakker worden was onaangenaam. En wat deed de economische wetenschap om helderheid te verschaffen in deze warrige, door egoïstische sentimenten beheerste wereld?

Samuel Brittan, commentator en economisch deskundige van The Financial Times, verwoordt zijn twijfels als volgt op 15.08.02: ‘Is belief in a God is necessary to define a religion, secular humanism does not qualify. If on the other hand religion or a God is one’s ultimate value, the secular humanism to which economics belong is a religion’. Deze religieuze trekjes van de economische wetenschap ziet men terug in een ongebreideld marktgeloof en alles wat daarmee samenhangt. De grote filosoof Kant is over dit opschuiven van wetenschap naar geloof zeer uitgesproken: ‘Domheid is niet een gebrek aan verstand, domheid is een gebrek aan oordeelsvermogen, en je komt het vooral tegen wanneer mensen hun theorieën voor werkelijkheid houden’. Onze samenleving is vooral sinds de roaring nineties opgezadeld met een groot probleem, namelijk onze oordeelsvorming is door een sectarische religie op tilt gezet. De aanhangers van deze religie proberen met een overmaat aan wiskundige toepassingen hun gelijk te halen. Martinus Veltman, Nobelprijswinnaar 1999, is zeer duidelijk in zijn oordeel in het Filosofiemagazine 3/2006: :

‘Zodra wiskunde losraakt van de gemeten werkelijkheid, wordt zij een religie ……. Wat doen mensen bij gebrek aan bewijs? Zij benoemen een hogepriester en verklaren die voor onfeilbaar. Hij zegt wat waar is en niet waar (m.a.w. wat binnen de dogmatiek valt van de peer-reviewed artikelen en zienswijzen). Waarschijnlijk is het zinvol eens bij belendende wetenschappen te gaan kijken , zoals bij de oervader van de sociologie Max Weber (die leefde rond de vorige eeuwwisseling) . Hij had een vooruitziende blik die hij uiteenzette in zijn bekende boek ‘Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus’. Weber legt uit hoe de ethiek van het puriteins protestantisme leidt tot rationeel/economisch handelen en accumulatie van kapitaal. Adam Smith, de oervader van de klassieke economie, (tweede helft 18e eeuw) noemt dit ‘the benevolence of self-interest’(welgekozen eigenbelang). Volgens Weber is het de ‘innerweltliche Askese’, die als geestelijke factor ten grondslag ligt aan de opkomst van het kapitalisme. Vervolgens beschrijft hij dat het kapitalisme zich losmaakt uit zijn religieuze bedding Het te ver doorgevoerde rationalisme leidt tot onttovering van de wereld. De essentie daarvan is het geloof dat alles berekenbaar en beheersbaar is geworden. Er bestaan geen geheimen en/of onberekenbare machten meer. Onze gehele westerse wereld glijdt van de positivistisch, modernistische gemeenschap naar een extreem postmodernistische cynische doelrationele maatschappij. Efficiency en effectiviteit worden de trefwoorden van onze huidige postmoderne samenleving . Daarnaast heeft een gigantische Kafkiaanse bureaucratie haar intrede gedaan. Weber plaatst doelrationaliteit tegenover waardenrationaliteit. Bij dit laatste wordt ons handelen getoetst aan bepaalde fundamentele waarden. Derhalve worden er uitspraken gedaan over maatstaven van wat zinvol/zinloos is, wat wel/niet/kan/mag. In onze huidige samenleving wordt de waardenrationaliteit terug-gedrongen ten faveure van de doelrationaliteit. Daarbij groeit het onvermogen doelen aan waarden te toetsen ofwel anything goes. Uiteindelijk is er in deze samenleving alleen nog maar sprake van instrumentaliteit.

Het Duitse liberale weekblad Die Zeit organiseerde t.g.v. de 75e verjaardag van Helmut Schmidt (‘Zeitpunkte 1/1994’) een symposium over de crisis in de samenleving en de democratie. De bekende theoloog Hans Küng zei op dit symposium ‘De jongste generatie moet zich vinden in een waardenverwarring, waarvan de reikwijdte nauwelijks valt in te schatten. Heldere maatstaven over recht en onrecht, goed en kwaad, zoals die in de jaren ‘50 en ’60 werden doorgegeven door ouders, scholen, kerken en menigmaal ook door politici, zijn voor haar nauwelijks herkenbaar .……. Heel zeker moeten ook de intellectuelen bij zichzelf te rade gaan. Velen hebben zelfverwezenlijking tot aan het exces verdedigd . Zij hebben postmoderne vrijblijvendheid een tijdlang zo ver doorgedreven dat niets meer ontoelaatbaar was’.

Helmut Schmidt zegt in zijn boek ‘Auf der Suche nach einer öffentlichen Moral ‘ (Deutsche Verlaganstalt, 1999) : Ín Teilen unserer Gesellschaft fallen die moralischen Hemmungen weg. Das schlechte Gewissen wird verdrängt durch die Genugtuung über den eigenen Erfolg’.

Vanwaar deze uitgebreide citaten? Dat is om aan te duiden dat de problemen al lang zichtbaar waren en dat er al een uitgebreide analyse heeft plaatsgevonden.

Ik loop hier tegen een merkwaardige paradox aan. Het gros van de media is modieus of rabiaat anti-Amerikaans. Niettemin zijn zij in hun berichtgeving zo Anglo-Saxon als maar mogelijk is, d.w.z. ‘the medium is the message’. En het moet snel en lichtverteerbaar zijn op het niveau van een mavo-scholier, zoals ooit een Nova-journalist me zei.

We zijn in ons land de laatste tijd opgeschrikt door ‘de effecten van het aandeelhouderskapitalisme’. Denk hierbij onder meer aan Stork en ABN-Amro. Sinds het culturele nomadendom bij voetballers, artiesten en managers zijn intrede heeft gedaan, denkt de in verwarring verkerende burger dat we in een mondiale veiling leven, met een streng reglement en uiterste transparantie, zoals de Europese Unie ons via Mevr. Kroes wil laten geloven. Op dit punt vliegen de deskundigen de bocht uit, want aan de eisen van Adam Smith voor een perfecte veiling (authentieke marktwerking) is onder meer nodig:


  • fair share (men moet ieder zijn deel gunnen)

  • fair trade (handel op eerlijke manier drijven)

  • fellow-feeling (men dient rekening te houden met andere partijen op de markt)

  • benevolence of self-interest (welgekozen eigenbelang en geen koste-wat-kost eigenbelang)

  • absolute transparantie (de markt moet qua macht en informatie voor iedere deelnemer doorzichtig zijn)

  • perfecte informatie (gelijkwaardige informatie voor alle marktpartijen)

Het zal niet moeilijk zijn om tot de conclusie te komen dat aan deze eisen simultaan zelden wordt voldaan. Een belangrijke conclusie is dat niet Adam Smith het spel van de overnames bepaalt – zoals veel economen denken en beweren – maar Machiavelli en Kafka.

Dus in de mondiale veilinghal moet je er in principe niet van uitgaan dat overnames volgens de regels verlopen. Vooral Amerikanen hebben een contract met het formaat van een draaiboek waarin iedere punt en komma een betekenis hebben. Het is goed zich te realiseren op het continent, dus ook in ons land, dat het Angelsaksische rechtssysteem steeds meer vaste grond onder de voet probeert te krijgen in die mondiale veiling. Te denken valt aan de Sarbanes-Oxley-wet en de IFRS (International Financial Reporting System). Het rule-based inductieve rechtssysteem van de Angelsaksische wereld geeft organisaties die iets met elkaar willen doen niet op voorhand een juridische basis. Dat moeten ze zelf doen. Het principle-based Romeinse recht van het continent gaat ervan uit dat wij ons in een complexe samenleving bevinden met een grote behoefte aan rationele, rechtvaardige en éénduidige regels. Het zal evident zijn dat bij vergelijking van deze uitgangspunten de spraakverwarring de pan uitrijst.



Ter toelichting

Een onderneming heeft drie belangrijke dimensies: de juridische, de organisatorische en de relationele.

Het Angelsaksische/financieel kapitalisme kent de volgende preferente volgorde:
Juridische dimensie Organisatorische dimensie Relationele dimensie

Voor Angelsaksen zijn de juridische dimensies van relaties het eerste waaraan wordt gedacht.

Welke juridische implicaties zijn er, welke aansprakelijkheidsrisico’s bestaan er, kunnen we voor de rechter worden gedaagd, en wanneer kunnen wij de andere partij voor de rechter dagen? Angst voor procedures en claims regeert aan de Angelsaksische kant en leidt tot het omzetten van relaties in contracten van soms tienduizenden pagina’s. De reden hiervoor is dat het Angelsaksische juridische systeem zeer belangrijke wettelijke fundamenten ontbeert, zodat bij het opzetten van contracten niet kan worden teruggevallen op juridische zekerheden. Het Angelsaksische recht is immers gebaseerd op case-law en ontwikkelt zich casuïstisch, dus van geval tot geval, een uitstekend voorbeeld van een inductieve wijze van werken en denken. Elk geval is uniek en kan als nieuwe juridische vraag aan de rechter ter toetsing worden voorgelegd. Is men uit de juridische vraagstukken, dan is het zaak de relatie organisatorisch inhoud en vorm te geven. Dit is geen probleem, gezien de positivistische/reductionistische wijze van denken en werken , waar men over kan beschikken. Is deze fase afgerond, dan is er pas tijd om de relatie verder inhoud te geven.
Het continentale industrieel kapitalisme kent de volgende volgorde:
Organisatorische dimensie Relationele dimensie Juridische dimensie
In deze optiek staat de organisatie die een doelgericht systeem is, met mensen als belangrijkste elementen, centraal. Daaruit vloeien relaties met het maatschappelijke ‘Umfeld’ voort. Het uitwerken van de juridische dimensie is de afsluitende fase. Zo sluit de uiteindelijke vorm aan op de inhoud van de relatie. Aan de juridische fase hoeft men minder aandacht te besteden dan in Angelsaksische landen, omdat er een stevig juridische gebouw staat op het continent, in de loop der eeuwen opgebouwd uit met name Romeins en Frans recht. Het is een deductief systeem met de wet als basis, waaraan het individuele geval wordt getoetst. Dit is een goed voorbeeld van de deductieve wijze van werken en denken. Individuele gevallen kunnen leiden tot jurisprudentie, d.w.z. aanvullingen op de bestaande wet. Mocht er een teveel aan jurisprudentie ontstaan, dan kan de wet worden aangepast.

Resumerend de belangrijkste aspecten van het overnameprobleem:




  1. De economische context is beladen met het idee-fixe van de perfecte marktwerking die

helaas niet kan worden aangetoond.


  1. De maatschappelijke context van het continentaal model staat in scherp contrast

met de Angelsaksische opvattingen. Is een onderneming een pakketje aandelen

waarmee je naar hartelust kunt monopoliën? Of is een onderneming een

doelgericht systeem waarin mensen de belangrijkste elementen zijn?


  1. De juridische context geeft grote verschillen tussen het op consensus gebaseerde

Europese recht en het op wantrouwen gebaseerde Angelsaksische recht.
Het is geen wonder dat deze verschillende contexten met hun onderlinge interacties de mensen behoorlijk op het verkeerde been kunnen zetten. Mijn advies zou zijn: vertrouw op het continentale gedachtegoed, met een scherpe blik op de Kafkaiaanse en Machiavellistische trekjes van de mondiale veilinghal.

_________________________________

Mei 2007
P.A.Moerman

Em.hoogleraar Industriële Economie en Productievraagstukken




Vervolg op ‘De wereld een veilingplaats?’
Het memorandum dat ik schreef over onvriendelijke overnamekwesties die momenteel o.m. in Nederland spelen, behoeft enige praktische adstructie. Immers, in zijn algemeenheid staan in overnamekwesties de ‘Ist- en Sollwereld’tegenover elkaar. Met andere woorden: er is sprake van algemene regels, in OESO en EU-verband, maar die worden niet in termen van authentieke marktwerking ingevuld. Wat dan?
Als algemene regels niet vigeren, dan moet iedere situatie op zijn eigen merites worden getoetst,

d.w.z. een ist-situatie op makronivo moet leiden tot individuele soll-situaties op micronivo.

Eigenlijk is er dan sprake van het soort situatie-ethiek waarbij kan worden teruggegrepen op elementen uit de speltheorie.
Alvorens ik die elementen ga behandelen volgen nog enige karakteristieke verschillen tussen het Angelsaksische en Continentaal zakendoen.


  • Het Angelsaksische model is typisch een model van hand aan de pols. De CFO heeft een overwegende rol in het beleidsproces.

  • Het Rijnlands/Continentaal model werkt precies andersom. Er is meer langetermijnvisie die men probeert te vertalen naar de workforce en stakeholders. Dus er wordt niet alleen gedacht in termen van geld alleen.

De bedoeling van mijn aanpak is om als ondernemingen van verschillende bedrijfsculturen in een overnamesituatie komen, een arbitrage-achtige aanpak te entameren. De opzet hiervan is allereerst te voorkomen dat de zaak explodeert naar een conflict c.q. vals spel, c.q. gevangenendilemma. Langs welke lijnen lopen de relaties tussen de ondernemingen? Daartoe kan worden gebruikt een zestal parameters, te weten:




  1. Doelen; wat streeft de onderneming na?

  2. Middelen; waarmee wordt dat gedaan?

  3. Strategieën; hoe wordt dat gedaan?

  4. Feiten; wat weten de ondernemingen van elkaar?

  5. Vragen; wat willen ze nog meer weten?

  6. Taal; hoe wordt er onderling gecommuniceerd?

In het midden van de Koude Oorlog (1961) schreef de speltheoreticus A. Rapoport een zeer verhelderend boek ‘Fights, games and debates’. Hierin stelde hij in het kort: ‘In a fight the urge is to eliminate the opponent; in a game the problem is to outwit the opponent; in a debate the goal is to convince the opponent’. Het is interessant bij overnames als Angelsaksische en Continentale partners tegenover elkaar staan, te toetsen op basis van de zes parameters en de zienswijze van Rapoport.


Een Rijnlander zal proberen met de partner in de debatingfase te komen, d.w.z. dat de bovenstaande zes parameters qua importantie op één rij blijven liggen. Gaming, dat is de andere partij onderliggend maken, is niet de primaire opzet. Immers, het spel heeft meerdere ronden en een ijzersterk geheugen. In de Angelsaksische optiek overheerst het hier en nu. De boekhouder (CFO) kijkt intensief mee. Voor de eerste drie parameters bestaat weinig interesse. De winnaars-mentaliteit (gaming) wil van de partner een onderliggende partij maken. Dan loert er een groot gevaar, namelijk de overgang naar een ‘fight’- c.q. gevangenendilemma. De zes parameters spelen geen rol meer en het drama met alle juristerij en media komt op volle toeren.
De trias van Rapoport is dus duidelijk. Er kan worden gekozen tussen debat, gaming en gevecht.

Als de aanzet tot overname e/o alliantie plaatsvindt, kan de micro-arbitrage zich baseren op de volgende speltheoretische principes.

- 2 -


  1. De socio-economische uitgangspunten van Von Neumann & Morgenstern (The theory of games and economic behaviour, Princeton University Press, 1953).




  1. De geo-strategische uitgangspunten van Aumann & Maschler (Advances in games theory,

Princeton University Press, 1964).


  1. De politieke uitgangspunten van Caplow (The American Journal of Sociology, 1959).

Sub A) Bij deze auteurs spelen voor wat betreft de arbitrage de volgende premissen een

beslissende rol:


  • De oplossing van het overnamespel moet pareto-optimaal zijn; d.w.z. er is geen betere oplossing c.q. toedeling van nutseenheden mogelijk.

  • De overname-transactie moet individueel/rationeel zijn; d.w.z. iedere partij krijgt minstens zoveel nutseenheden als deze op eigen kracht zou kunnen verwerven.

Voorwaarden voor dit alles zijn:



  • marktwerking en transactievrijheid vloeien in elkaar over;

  • de nutseenheden van de transactie zijn in principe vrij overdraagbaar.

Sub B) Bij deze auteurs is bluffen en dreigen in de communicatie belangrijk. Immers, de over te

nemen partij moet de illusie krijgen dat de transactie gunstig is. Het hele theater met de pijp

aan Maarten geven, juristerij, dwangsommen, etc. hoort hierbij.


Sub C) Bij deze auteur wordt gekeken naar de politieke kant van de transactie (dus het machtsspel).

Hierbij spelen o.m. een rol




  • Op welke wijze is het overname-proces in gang gezet? Is er sprake van vernedering, het onderste uit de kan halen, etc.?

  • Hoe vaak heeft de poging tot overname plaatsgevonden?

  • Hoe groot is de relatieve kracht van de actoren?

Zoals eerder gesteld, heeft het geen zin om algemene regels te ontwerpen voor het overnamespel. De zaak moet echt op micronivo worden afgekaart, onder adequate arbitrage (centrale bank, ministerie). Deze arbiter kan uitmaken welke van de eerder genoemde drie modaliteiten opgeld doet in het ene concrete geval. Steeds moet worden gewaakt voor het ontaarden van de procedures bij overname. D.w.z. hoe voorkomt de arbiter een gevangenendilemma (vals spel zonder communicatie) of een chickendilemma (vals spel met veel bedreigende communicatie)? Vuistregels ter ondersteuning van de arbitrage zijn o.m. te vinden in het boek van R.Axelrodt (The evolution of cooperation, Basic Books, 1984). Deze auteur stelt dat bepaalde gedragscomponenten wezenlijk zijn:




  • Wees niet jaloers op elkaar

  • Treedt niet als eerste uit

  • Lik op stuk bij vals spel

  • Wees niet te slim maar wel duidelijk

Deze vier gedragsregels zijn als het ware de piketpaaltjes voor zowel micro-arbitrage als spelers.


- 3 -
Tot slot een uitgebreide epiloog.
Zowel veel macro- als financieel-economen zijn ervan overtuigd dat in het globale dorp overnames van welke aard ook moeten kunnen plaatsvinden, zonder haperen. Ik zal proberen deze zienswijze van kanttekeningen en kritiek te voorzien.
De eerste kanttekening is gebaseerd op een column in The Financial Times van 21.01.2004 over het boek van Rajan en Zingales met als titel ‘Saving capitalism from the capitalists’. Hierin staat onder meer: ‘A truly free and competitive market occupies a very delicate middle ground between the absence of rules and the presence of suffocating rules. It is because this middle ground is so narrow that capitalism in its best for, is very unstable.’ Ze hebben de volgende opvatting over financiële markten: ‘What makes financial markets both economically vital and so prone to error is that they embody bets on the future. But they are also engines of change.’

Hoe vrijer de financiële markt, des te meer nieuwe ondernemingen er kunnen ontstaan. ‘This, it appears, is the long run advantage of American capitalism, with its armlength financial markets, over Japanese and continental European relationship capitalism. The latter has done a wonderful job of development along tested paths. But it responds less well to the challenges of rapid change.’ Open financiële markten als de Amerikaanse houden kansen maar ook bedreigingen in: ‘As we have also learnt, financial openess creates big risks. Human beings are able to make catastrophically bad bets on the future.’


De tweede kanttekening houdt het volgende in : Francois Quesnay en Adam Smith voeren in de 18e eeuw mee met de opkomende moderniteit. Zij zijn de grondleggers van de moderne economische wetenschap met hun bekende werken ‘Tableau economique’ en ‘Wealth of nations’. De 18e eeuw met zijn opbloei van de exacte wetenschappen gaf basis aan de idee dat we leven in een voorspelbare en transparante wereld. Moderniteit impliceerde optimisme en vooruitgangsgeloof. Voor beide grondleggers hield dit in dat het menselijk keuzegedrag enerzijds functioneerde met de precisie en voorspelbaarheid van een uurwerk en anderzijds gebaseerd was op een ‘0rdre naturel’ waarvan de wetten door de Schepper zijn vastgesteld.
De derde kanttekening: Quesnay en zijn economische school , de Physiocraten (Physiocratie is heerschappij der natuur), kwamen tot de conclusie dat ieder mens – zonder het recht van de ander aan te tasten – moest zorgen voor zijn eigen welzijn (de faire son sort de meilleur qui lui soit possible sans usurpation sur le droit d’autrui). Als niemand ingrijpt in het economisch proces, ontstaat er vanzelf door goddelijke natuurwetten een algemene welvaart. Dat wil zeggen: er wordt van uit gegaan dat de mens van nature tot het goede geneigd is; ofwel hij kent het goede niet alleen, maar hij streeft het ook na.

De klassieke school van Adam Smith voegde hieraan toe dat door ‘fellow-feeling’ in de zogenaamde vrije concurrentie alleen moreel aanvaardbare transacties tot stand komen.


Ziehier het grote probleem van de spanning tussen de gewenste wereld en de werkelijke wereld. Macchiavelli zei het als volgt: ‘Ik heb niets te maken met de gefingeerde wereld, maar alleen met de realiteit van alle dag’.
________________________
P.A. Moerman

Juli 2007










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina