De wereldeconomie loopt al vast in 1973



Dovnload 73.77 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte73.77 Kb.
De systeemcrisis
September 2008 zal wellicht even hard blijven nazinderen als september 2001. Na de aanslag op de Twin Towers trok Amerika ten oorlog. Na de meltdown van de financiële reuzen van Wall Street ligt de krijger gevloerd op het tapijt. De Amerikaanse bevolking vraagt zich na de schokgolf van september bezorgd af: Hoe ziet de toekomst eruit? Anderhalf miljoen gezinnen hebben hun huis verloren. Het spaargeld, de baan en het pensioen zijn in gevaar. De koopkracht stond al zwaar onder druk, wordt het nog erger?
Wanneer banken als Fortis en Dexia eronderdoor gaan, wanneer over de hele wereld banken genationaliseerd worden en de beurzen de ene val na de andere meemaken, dan weet iedereen dat er iets ernstigs aan de hand is. Maar hoe ernstig? Is deze crisis anders – ernstiger – dan de vorige crisissen?

Volgens het Internationaal Muntfonds is de huidge crash alleen te vergelijken met die van 1929. Toen volgde na de crash een jarenlange diepe depressie: veel bedrijven werden gesloten, de werkloosheid was spectaculair hoog, de lonen daalden, de armoede steeg. De communisten wonnen in de crisisjaren aanhang. Maar de fascisten wonnen er nog méér. Het was de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog.


Zal de huidige crisis even ingrijpende gevolgen hebben? Of slaagt men erin alles weer onder controle te krijgen? De staten zijn opeens terug van weggeweest. Zal dat volstaan om de schok op te vangen? Nu willen zelfs de grootste liberalen dat er meer regulering komt van de financiële markten. Maar gaat het alleen maar om een financiële crisis, die kan bezworen worden met betere controle op het reilen en zeilen van de banksector? Of is er meer aan de hand?

Het antwoord op deze vragen vereist een inzicht in de oorsprong van de huidige crisis. En daarvoor moeten we de draad lange jaren geleden opnemen.



De wereldeconomie loopt al vast in 1973
De VS waren als onbetwiste wereldmacht uit de Tweede Wereldoorlog gekomen. Ze verzilverden die machtspositie door van de dollar dé wereldmunt te maken. Alleen de dollar kon ingewisseld worden in goud en de andere munten volgden een vaste wisselkoers tegenover die dollar. Dat alles werd bekrachtigd in de akkoorden van Bretton Woods (1944).

De VS gebruikten die machtspositie om de opmars van het communisme te keren. Ze sprongen kwistig om met hun geld en de dollarpers draaide op volle toeren. Het dure Marshall-plan moest in West-Europa een dam opwerpen tegen de Sovjet-Unie en er het binnenlandse verzet kleinhouden. In Zuidoost-Azië lanceerden de VS een gelijkaardig hulpplan voor Korea en Taiwan. Het militaire apparaat dat was opgebouwd in de strijd tegen de nazi’s, werd geperfectioneerd in de strijd tegen het communisme. De VS voerden oorlogen tegen de ‘communistische dreiging’ in Korea (1950-1953) en Vietnam (1959-1975). Ze steunden ook hun zionistische bondgenoot in het Midden-Oosten tijdens de Zesdaagse Oorlog van 1967 en de Yom Kippouroorlog van 1973.

De Amerikaanse koudeoorlogseconomie stimuleerde de snelle economische groei, maar was tegelijk al een factor van onevenwicht.
Ook in de golden sixties kende de industriële productiviteit een snelle groei. Bij de verdeling van de opbrengsten hielden kapitaal en arbeid elkaar in evenwicht. Of anders bekeken, de lonen stegen even snel als de productiviteit. De verdeling van het nationale inkomen (in procent voor arbeid en kapitaal) bleef stabiel. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. Zo was er de grote staking van 1960-’61, de laatste algemene staking van lange duur in ons land. Toen al waren er plannen om de sociale zekerheid terug te schroeven. Die sociale zekerheid had het kapitaal na de oorlog moeten toestaan ‘om erger te voorkomen’.
Op het einde van de jaren 60 kwam er een einde aan deze lange periode van relatief grote en stabiele groei. De snelle productiviteitsgroei nam af, de productiecapaciteit werd niet meer volledig benut. De investeringen bleven onderbenut, de winstvoet daalde. De markten raakten oververzadigd, er waren duidelijke tekenen dat er een crisis van overproductie op til was. Dat rijpingsproces kwam bruusk tot ontploffing toen de OPEC-landen in 1973 de olieprijs verviervoudigden. Die steeg van twee naar negen dollar per vat. De OPEC reageerde zo op de Amerikaanse steun aan Israël tijdens de Yom Kippouroorlog. In 1979 volgde een tweede olieschok: de prijs van een vat steeg van 13 naar 26 dollar en in 1982 bedroeg hij al 32 dollar.

Er leven twee visies over de crisis die begon in 1973. Was zij alleen een gevolg van de olieprijs, van een externe factor dus, opgelegd door een front van olieproducenten? Of stak de olieschok alleen maar het vuur aan de lont? Volgens deze laatste visie was de groei van de wereldeconomie in 1973 al vastgelopen, als gevolg van de interne wetmatigheden van het kapitalisme. En dat proces was al honderd jaar eerder beschreven door Karl Marx.


Karl Marx bracht een inzicht in de economische wetmatigheden van het kapitalisme. Hij maakte duidelijk waarom die wetmatigheden onvermijdelijk naar crisissen van overproductie leiden. Er ligt namelijk een fundamentele tegenstelling aan de basis van de kapitalistische economie: de productiemiddelen (fabrieken, grondstoffen…) zijn privébezit terwijl de productie zelf meer en meer sociaal verloopt. Dat is vandaag nog duizend keer meer het geval dan in de tijd van Marx. Ontzaglijke productieapparaten, die vaak gespreid zijn over de hele wereld, worden bestuurd volgens de belangen van een heel kleine groep kapitaalbezitters. De enige planning is die om de concurrentie kapot te krijgen. Daarvoor komt het eropaan meer winst op te strijken dan de concurrenten, altijd maar meer kapitaal te accumuleren (opeen te stapelen). Want door meer en sneller te investeren hoopt iedereen in deze wedloop dat hij markten kan veroveren op zijn concurrenten. Maar daarvoor moet hij de productiekosten verlagen (lagere lonen) en voortdurend rationaliseren om meer te kunnen produceren met minder arbeidskrachten. Dat proces leidt onvermijdelijk tot crisissen van overproductie omdat er een tegenstelling groeit tussen de productiecapaciteit en de koopkracht van de bevolking.

Zoals Marx het samenvatte: ‘De ultieme oorzaak van elke echte crisis blijft altijd de armoede en de beperking van de consumptie van de massa, tegenover de tendens van de kapitalistische productie de productiekrachten te ontwikkelen alsof die maar één limiet hebben: de absolute consumptiecapaciteit van de maatschappij.’

Dat is de uitkomst van de maatschappelijke chaos waarin alleen de wet van maximale winst geldt. De productie wordt helemaal niet georganiseerd om te voldoen aan de algemeen maatschappelijke noden.

Een lange, vertraagde overproductiecrisis
Bij elke ernstige terugval zoekt het kapitaal zijn eigen oplossingen en het kan daarbij rekenen op hulp en begeleiding door de staat. Volgens de klassieke remedie gaat de crisis gepaard met de vernietiging van een stuk van de productiecapaciteit, door sluitingen en rationalisaties. De prijzen dalen en ook de lonen worden naar beneden gedrukt. De zwakste concurrenten verdwijnen of worden opgeslorpt door de sterkere. Door dat alles wordt de productiecapaciteit weer aangepast aan de vraag. De winstvoet wordt terug opgeschroefd, er komen nieuwe investeringen: er kan een nieuwe cyclus starten. Zoals Marx het beschreef verloopt dat proces van groei, stilstand, crisis en herstel over een korte periode van vijf à zeven jaar: de conjunctuurcyclus.
Maar deze keer is er meer aan de hand dan een ‘gewone’ conjunctuurdip. We beleefden in België een lange, bijna ononderbroken reeks van crisisplannen en saneringsoperaties. De lange periode van sterke groei tussen 1950 en 1970 werd gevolgd door een lange periode van crisis. Die sleept zich tot vandaag voort. Sinds 1973 is er een wisselend conjunctuurverloop maar de toppen zijn zwak en de dalen zijn diep. Zulke lange periode van crisis is al eerder voorgekomen. De eerste keer na 1873, toen de sterkste economische landen in een eerste zware crisis terechtkwamen. Dat leidde tot massale export van kapitaal en tot een strijd voor de verdeling van kolonies, die uiteindelijk uitmondde in de Eerste Wereldoorlog. Het was de beginperiode van wat Lenin ‘het imperialisme’ noemde: een fase − de laatste − van het kapitalisme met als belangrijkste kenmerken de fusie van bank- en industrieel kapitaal, en de verdeling van de hele wereld in wingewesten.

De tweede grote periode van structurele crisis volgde na de crash van 1929 en zou uitlopen op de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1973 zijn we in de derde structurele crisis verzeild geraakt, maar die krijgt een bijzonder verloop.


Al vanaf 1975 kwamen in België de eerste saneringen. Vier ‘nationale sectoren’ − de mijnen, de staalsector, de textiel- en de glasindustrie − kregen een afbouwbegeleiding door de staat, een tijdelijke nationalisatie van de staalsector incluis. In 1981 nam de regering Martens I een tweede grote ‘saneringsbocht’ om het mes te zetten in de lonen en de sociale sector. Die bocht werd mee voorbereid door ACV-voorzitter Jef Houthuys tijdens geheime gesprekken in het dorpje Poupehan. De Belgische frank devalueerde, en er volgden drie indexsprongen. De afbouw van de sociale zekerheid en van de werkloosheidsverzekering kreeg vaart, ondanks nationale stakingsdagen en betogingen: tegen de loon- en indexafbraak, tegen de besnoeiingen in de sociale zekerheid. Tot het einde van de jaren 80 waren er grote stakingen en betogingen tegen de sluitingen in de staalsector en van de koolmijnen. Het zou tot 1989 duren eer er sprake was van enige opleving maar in 1991 was die al voorbij.

Vanaf 1985 nam de Europese Gemeenschap de teugels over. Een lange reeks maatregelen werd uitgewerkt: de eenheidsmarkt in 1990, het verdrag van Maastricht in 1991 (met de eenheidsmunt), de richtlijnen voor liberalisering van de openbare sectoren in de jaren 90, de strategie van Lissabon in 2000. De belangrijkste strijdbewegingen daartegen in België waren de grote stakingsgolf tegen het ‘globaal plan’ in 1993 en de stakingen tegen het generatiepact in 2005.


In al deze Europese maatregelen staat de Amerikaanse concurrent model. Dat is niet toevallig. Vanaf het begin van de crisis in 1973 is de Amerikaanse supermacht een zware stempel blijven drukken op de wereldeconomie. En dat was nog meer het geval vanaf 1980, toen de meest rechtse en agressieve fractie van de Amerikaanse bourgeoisie aan de macht kwam onder aanvoering van president Reagan. Dertig jaar lang zette deze fractie de wereldeconomie naar de hand van de grootste kapitaalbezitters in de VS. Het kwam tot een aantal ingrijpende maatregelen die het verloop van de crisis op wereldvlak zwaar zouden beïnvloeden. Door sommige maatregelen werd de crisis afgewenteld op andere landen. Andere maatregelen hebben de crisis tijdelijk getemperd en de wereldeconomie kunstmatig opgepept. Zo kreeg de uitgerekte structurele crisis een grillig verloop. De remedies van de VS om de crisis af te wenden liggen aan de basis van de financiële ineenstorting vandaag. Een kort overzicht van die remedies brengt ook een beter inzicht in de ernst van de crisis en maakt duidelijk waarom er op dit moment geen andere uitwegen zijn voor de uitgestelde crisis van overproductie dan massieve vernietiging van kapitaal.

De Amerikaanse gids leidt ons naar de ineenstorting
Op het einde van de jaren 60 werd de Amerikaanse positie belaagd door twee rivalen, Europa en Japan, die uit de as waren herrezen. In die jaren raakte het Amerikaanse imperium ook verstrikt in de onafhankelijkheidsoorlog van Vietnam en Indochina. De wapenwedloop met de Sovjet-Unie was peperduur. De dollarkraan bleef lopen en dollars belandden massaal in Europese banken (de Eurodollars). Bij de start van Bretton Woods in 1944 bezat de Amerikaanse centrale bank nog 60% van de wereldgoudreserves. Nu de Europese centrale banken massaal dollars begonnen om te zetten in goud − een tweede goldrush, als het ware − daalde dat aandeel al snel tot nog maar 15%. Waarop de Amerikaanse president Nixon in 1971 eenzijdig besloot de dollar los te koppelen van het goud. Twee jaar later werd ook het systeem van de vaste wisselkoersen opgegeven en ging de dollar zweven. Tot 1979 daalde hij in waarde. Dan ging het duo Volcker-Reagan een andere koers varen.

Het loslaten van Bretton Woods gaf de VS meer manoeuvreerruimte want de dollar kon niet meer gesanctioneerd worden door het opvragen van de Amerikaanse goudreserves. De dollar was meer dan ooit de wereldmunt, maar de Amerikaanse regering kon nu vrij de koers ervan manipuleren. Zij zou daar tot op vandaag gretig gebruik van maken.


Dertig jaar lang zwengelden de VS de financiële markten in de wereld aan. Als hefboom daarvoor gebruikten ze een driepikkel: de dollar, het krediet en de speculatie. Dat leidde tot een enorme aangroei van die financiële markten. In 1980 werd de waarde van de financiële producten even hoog geschat als het globale wereld binnenlands product (wbp). In 1993 was die waarde al dubbel zo groot. En einde 2005 was zij al meer dan drie keer zo groot: 316% van het wbp. Schuldobligaties van regeringen en privépersonen namen in de periode 2000-2004 meer dan de helft van die aangroei voor hun rekening. Dat toont de groeiende rol van schuld en leverage1 als drijfkracht in dat proces.2

In 2004 bedroeg de dagelijkse handel van derivaten3 5.700 miljard dollar terwijl de dagelijkse omzet van de deviezenhandel 1.900 miljard dollar bedroeg. Samen 7.600 miljard dollar per dag. Dat is meer dan de jaarlijkse waarde van de uitvoer.4


Hoe is dat fenomeen er gekomen? Om hun suprematie te behouden namen de VS in de jaren 80 een aantal pistes die elk de financiële bubbel hebben doen aanzwellen.
1/

In 1979 besloot de toenmalige gouverneur van de Amerikaanse nationale bank (Fed), Paul Volcker, de intrestvoet bruusk op te trekken. Op enkele maanden tijd steeg die intrestvoet van 11 naar 22%. Een onwaarschijnlijke hoogte, en dat in volle crisisperiode nog wel! Dat het krediet vreselijk duur was, remde de economie nog verder af. Maar de Fed moest een keuze maken: de economie aanwakkeren of de hoge inflatie5 bestrijden. Die liep namelijk op tot om en bij de 10%. Onder de aanvoering van Reagan had een neoliberale club het Witte Huis veroverd. Het dogma van die club luidde: nul inflatie. Want door een inflatie van 10% verliezen kapitaalbezitters jaarlijks 10% van hun vermogen. Hoge inflatie is goed voor mensen met schulden. Die kunnen dan hun leningen afbetalen met geld dat minder waard is. Banken daarentegen zien hun uitstaande leningen 10% in waarde dalen. Voor Reagan en Volcker was de keuze snel gemaakt.6

Bij dat besluit speelde ook mee dat de schuld voor de hoge inflatie in de schoenen kon worden geschoven van de hoge lonen en de ‘buitensporige’ sociale voordelen. Kortom, de kapitaalbezitters wilden voorrang voor de strijd tegen de inflatie, en ze kregen hun zin. En inderdaad, de inflatie daalde naar 2 à 3% op het einde van de jaren 80. Het was een eerste groot cadeau aan de Amerikaanse financiële wereld.
Maar de gevolgen waren navenant. De crisis werd er zwaar door aangewakkerd en bereikte een dieptepunt. Dat leidde wereldwijd tot reusachtige besparingsoperaties en herstructureringen. De grootste slachtoffers waren de grote schuldenaars. Die zagen hun rente drastisch stijgen. Het was een ramp voor de Latijns-Amerikaanse landen.

De westerse banken hadden geld geleend aan landen in de derde wereld, die maar al te graag een injectie zagen komen om hun industrie uit te bouwen. De VS vaarden daar wel bij: hun banken namen 40% van de leningen voor hun rekening en de Amerikaanse industrie kreeg heel wat bestellingen voor de uitrusting van de beginnende industrialisering in de derdewereldlanden. Tot de rente torenhoog begon te klimmen en de schuldenlanden meer aflossingen en rente moesten betalen dan ze uit hun export verdienden. In 1982 stond Mexico aan de rand van het failliet, in 1983 was Argentinië aan de beurt en in 1984 volgde Brazilië. Dat bracht natuurlijk ook de banksector in grote moeilijkheden maar het was tegelijk een buitenkans voor de VS om via het Internationaal Monetair Fonds drastische herstructureringsplannen op te leggen, die de economieën van landen in de derde wereld openstelden voor de Amerikaanse multinationals. In naam van de vrijhandel werden alle nationale beschermingsmuren afgebroken ten voordele van de transnationale ondernemingen.


Het besluit van Volcker om de intrestvoeten hoog op te trekken bezorgde de dollar nieuwe aantrekkingskracht. De daling van de koers van de dollar werd gestopt en de hoge intrestvoeten trokken beleggers aan. En de weg was nu vrijgemaakt voor de twee andere poten van de driepikkel: het krediet en de speculatie.
2/

Het tweede grote cadeau aan de kapitaalbezitters was de belastinghervorming van Reagan, de Economy Recovery Tax Act. Die werd er in 1981 doorgedrukt. De aanslagvoet voor de hoogste inkomensschijf daalde in de jaren 80 van 70% naar 28%, deels onder Reagan, deels onder Clinton. Terwijl de inkomens van het rijkste procent Amerikanen in die periode met 50% stegen, daalde de gemiddelde belastingdruk voor die groep van 37% in 1979 naar 29% in 1990. Dat betekende een stijging van het inkomen na belastingen met 70%. Voor de 20% armsten daarentegen bleven inkomens en belastingdruk ongeveer stabiel. Het spreekt vanzelf dat de verdeling van het nationale inkomen daar grondig door gewijzigd werd, ten voordele van de allerrijksten. In 1980 verdiende het 1% rijksten 23 keer zoveel als het gemiddelde van de 20% armsten. In 1990 bedroeg die verhouding al 40 keer. Aangroei in inkomen betekende ook aangroei in vermogen.7 In 1980 bezat dit rijkste percent 30% van alle vermogens in de VS, en dat aandeel steeg snel tot ongeveer 38% aan het eind van de jaren 80.8 De 5% rijkste Amerikanen bezaten in 1998 59% van de rijkdom, dat is dus meer dan de overige 95%.


De filosofie van de Economy Recovery Tax Act wordt sinds de tijd van Reagan ook gretig door de Belgische liberalen verkondigd en door de Belgische regering toegepast: een lagere belastingdruk voor de rijken is een weldaad voor de economie, want dat spoort aan om te werken en te doen werken.9
De belastinghervorming van Reagan had belangrijke gevolgen voor de Amerikaanse economie. De consumptie van de rijkste bevolkingslagen werd dubbel opgeschroefd. Eén keer omdat ze over meer inkomen beschikten en een tweede keer omdat hun toegenomen bezittingen konden dienen als onderpand om leningen aan te gaan. Het aandeel van de privéconsumptie in het bbp10 nam toe van 62% in 1980 naar 66% in 1990 en naar 68% in 2000. Het spiegelbeeld daarvan ziet men in de spaarquota van de Amerikaanse gezinnen. De 50% gezinnen met de laagste inkomens hadden altijd al amper genoeg om iets te sparen en toch daalde de hoeveelheid spaargeld die jaarlijks opzij wordt gelegd door alle gezinnen van 8% van het bbp in 1980 naar 5% in 1990 en naar 1,5% in 2000. De privéschuld nam toe en dat werd nog aangewakkerd. De schulden van de Amerikaanse gezinnen bedroegen ongeveer 50% van het bbp in 1980, ze liepen op tot 65% in 1990, tot 75% in 2000 en tot 100% in 2007. De tweede pikkel van het drieluik was uitgezet.
Die reusachtige opstoot van het krediet bleef niet zonder gevolgen voor de wereldeconomie. De Amerikaanse consumptie, die goed is voor ongeveer 30% van de privéconsumptie in de wereld, stimuleerde de vraag naar producten over de hele wereld. De Amerikaanse transnationale ondernemingen zijn immers sinds de jaren 60 meer en meer gaan produceren in het buitenland: in Europa en in belastingvrije zones van lagelonenlanden. De stijgende consumptie deed dus ook de invoer stijgen. De Amerikaanse handelsbalans kreeg af te rekenen met een groeiend tekort.

De (door de hoge rentevoeten) gestegen koers van de dollar speelde daarbij een dubbele rol. De sterke dollar vergemakkelijkte de aankopen in het buitenland maar trok ook buitenlandse beleggers aan. Wat aan dollars naar het buitenland verdween voor de aankoop van consumptiegoederen werd als kapitaal terug belegd in Amerikaanse staatsobligaties en in Amerikaanse banken. De dollar stond garant voor het onderhouden van de overconsumptie van de rijken in de VS. Of anders uitgedrukt, de Amerikaanse economie werd onderhouden door het buitenland.


3/

Tegelijk speelde zich een cruciale evolutie af in het bedrijfsleven. Die kwam hierop neer: de bedrijven werken meer voor de beurs en de beurs krijgt een grotere greep op de bedrijven. De toon werd gezet door Jack Welch. In 1981 kwam Welch aan het hoofd te staan van General Electric, de elektronicagigant met 400.000 werknemers. De boodschap van Welch luidde: het eerste criterium voor een bedrijf is wat het de aandeelhouder opbrengt. Hij wilde van General Electric het meest competitieve bedrijf ter wereld maken, en hij had zo zijn eigen methoden om dat te realiseren. De eerste methode? Elk jaar de 10% minst competente personeelsleden afdanken. De tweede? Het bedrijf naast de industriële activiteit inkopen in de financiële wereld. Dat deed Welch via General Electric Capital. De winst van de groep verdubbelde. Van 1,5 miljard dollar in 1980 naar 4 miljard in 1990. En naar 7,3 miljard in 2000. De aandeelhouders jubelden.


Welch was zo succesrijk dat hij de norm werd in de VS en weldra in heel de westerse industriële wereld. Het rendement voor de aandeelhouders werd op voorhand vastgelegd, doorgaans op 15%, veel hoger dan de gemiddelde winstvoet. En die winstmarge werd al vooraf ingecalculeerd in de productiekost. De winstafname gebeurde niet achteraf maar op voorhand. Dat spoorde de bedrijven aan drastisch en permanent te snoeien en financiële risico’s te nemen. Ze stortten zich in de financiële wereld, werkten op grote schaal met geleend geld en rekenden op het hefboomeffect.11

Vermits het rendement voor de aandeelhouders het ultieme criterium werd, wordt de waarde van het bedrijf sindsdien afgemeten aan de beurswaarde. Hoe beter de winstverwachtingen, hoe hoger de beurskoers. En hoe hoger de beurskoers, hoe aantrekkelijker voor beleggers. De derde pikkel van het drieluik kreeg vorm.


In de VS concentreerde de industrie zich daardoor meer dan ooit op de hoogtechnologische producten en op de kernactiviteiten per branche. Met andere woorden, op de meest winstgevende sectoren. De randactiviteiten werden uitbesteed en verhuisden dikwijls naar lagelonenlanden. Zo groeiden de Mexicaanse maquiladores van een aantal van 620 in 1980 − goed voor 120.000 werknemers − naar 2.200 in 1992 − goed voor 500.000 werknemers. In 2006 waren het er al 2.800, met 1,2 miljoen tewerkgestelden. Een gelijkaardige groei vond plaats in landen als Maleisië, Singapore en Taiwan.
De Amerikaanse bedrijven zetten de norm. De financiële managementmethodes werden over de hele wereld gekopieerd. Vandaag hanteren heel wat monopolies de winstnorm van 15% om hun aandeelhouders tevreden te stellen en heel wat Europese en Japanse monopolies halen grotere winst uit financiële operaties dan uit industriële productie.
4/

Zo zijn we beland bij de meest directe bron van de financiële ineenstorting van vandaag: de financiële deregulering en wildgroei.

Na de beurskrach van 1929 en het failliet van talloze banken toen, namen de VS een aantal maatregelen om herhaling te voorkomen. De Glass-Steagall Act van 1933 legde een scheiding op tussen gewone banken waar spaargeld op een rekening wordt gezet, en zakenbanken die op de beurs opereren en het beheer van fortuinen waarnemen. De Glass-Steagall Act legde ook het zogenaamde reglement Q op. Dat reglement moest verhinderen dat rentevoeten verschilden naargelang het vermogen van de cliënt. Want dan zouden commerciële banken rijke klanten lokken met hogere rentes, en dat zou die de banken in gevaar kunnen brengen.

Maar aan deze wettelijke restricties werd vanaf de jaren 60 stelselmatig geknabbeld en vanaf 1980 werden ze helemaal opgeborgen. Er ontstond een onbeperkt groeiende markt van ‘afgeleide producten’, financiële waardepapieren waarvan de koers wordt bepaald door andere activa. Dat leidde tot de meest ongewone constructies. Er konden obligaties gemaakt worden met om het even welk materiaal als onderpand, maar ook met schulden als onderpand. Het was een ware revolutie in de financiering van investeringen en van overnames. Men was niet meer afhankelijk van bankkredieten maar kon de operaties financieren door uitgifte van waardepapieren. Gespecialiseerde firma’s gingen zich toeleggen op uitgifte van deze papieren. Ten slotte werd − onder Clinton − ook elk onderscheid tussen financiële instellingen opgeheven. Het was de volledige deregulering. De andere landen volgden het Amerikaanse voorbeeld.


Er kwam een wildgroei van financiële producten, die zelf het voorwerp werden van speculatie. Dat nam zo’n omvang aan, dat de klassieke relatie tussen bankwezen en industrie er andere vormen door kreeg. Lenin beschrijft in zijn boek Het Imperialisme hoe de fusie van bankmonopolies en industriële monopolies ontstaan geeft aan wat toen het financierskapitaal werd genoemd. Hij beschrijft de verstrengeling van eigendom en belangen omdat de banken via kredietverstrekking meer en meer eigenaars worden van de industrie. En Lenin besluit: ‘Concentratie van de productie, het daaruit ontstaan van monopolies, het samensmelten of vergroeien van de banken met de industrie: ziedaar de wordingsgeschiedenis van het financierskapitaal en de inhoud van dat begrip.’12

De greep van de financiële wereld op de industrie en de verweving van beide is er niet minder op geworden. Maar de grootste zakenbanken zoals JP Morgan, Goldman Sachs, Barclays en UBS hebben financiële maatschappijen opgericht met veel soepeler structuren, die bij voorkeur gericht zijn op de nieuwe financiële producten. Zij zijn in staat grotere kapitalen te mobiliseren voor overnames en werken bij voorkeur op de internationale markten, terwijl de banken meestal nog sterk verbonden zijn met de nationale markten.


Voor een overname wordt niet meer aangeklopt bij een klassieke zakenbank. De aandelen van een bedrijf worden gekocht door een hedgefonds of door een private equity-firma. Die moeten door de vaak beperkte openstelling aan particuliere beleggers aan veel minder regelgeving voldoen dan klassieke beleggingsfondsen. De koop van aandelen wordt gefinancierd met uitgifte van junk bonds. Dat zijn risicovolle obligaties met een hoog rendement, die achteraf moeten gerecupereerd worden door de opbrengst of de verkoop van het overgenomen bedrijf, ze worden ook wel ‘rommelobligaties’ genoemd. Die rommelobligaties zijn een vorm van hefboomeffect: investeren met schulden of leverage (beleggen met extra geleend geld).
Het aandeel van de klassieke bank- en verzekeringssector in de financiële activa in de VS is gehalveerd van 70% in 1980 naar 35% in 2007. Het aandeel van beleggingsfondsen, private equity-fondsen, pensioenfondsen, hedgefondsen... is evenredig gestegen. De hedgefondsen kenden een stormachtige groei sinds 1990, ze doen erg agressieve beleggingen en zijn goed voor 40% van de transacties op de beurs. In 2007 telde men 11.000 hedgefondsen, die meer dan 2.200 miljard dollar beheren. Volgens velen zijn de hedgefondsen het volgende zwarte gat, ze kunnen tot een nieuwe financiële storm leiden.

Vandaag controleren enkele reusachige privéfondsen zoals KKR, Blackstone, Carlyle en Cerberus de internationale financiële wereld en via die weg ook de talrijke ‘rationalisaties’ van ondernemingen. De banken krijgen een andere rol, namelijk het verstrekken van leningen aan deze gespecialiseerde fonds. Daarmee blijft Lenins definitie van het financierskapitaal zeer actueel. Lenin had het ook over de groeiende scheiding tussen het beheer van de productie en de parasitaire laag van couponknippers. Zijn boek dateert van 1916, bijna een eeuw geleden, maar het lijkt vandaag geschreven: ‘De scheiding tussen kapitaalbezit en het beheer van het kapitaal in de productie, de scheiding tussen geldkapitaal en industrieel of productief kapitaal, tussen de uitsluitend van de opbrengst van het geldkapitaal levende rentenier en de ondernemer en al degenen die direct bij de beschikking over het kapitaal betrokken zijn, is kentekenend voor het kapitalisme in het algemeen. Het imperialisme of de heerschappij van het financierskapitaal is de hoogste ontwikkelingstrap van het kapitalisme, waarop deze scheiding een enorme omvang aanneemt. Het overwicht van het financierskapitaal op alle overige kapitaalvormen betekent dat de rentenier en de financiersoligarchie een dominerende positie innemen; het betekent dat een gering aantal staten, die over de financiële macht beschikken, zich van de andere afzonderen.13.



De Europese Unie wil de VS inhalen
De ambitie om de Amerikaanse economie tegen 2010 voorbij te steken is tot doelstelling van de Europese Unie verheven in de strategie van Lissabon (2000). Maar die ambitie groeide al langer. De economische crisis vanaf 1973 en vooral het agressieve Amerikaanse antwoord daarop zetten het Europese patronaat en de Europese commissie ertoe aan de Europese eenmaking een nieuw leven in te blazen. In de eerste jaren van de crisis was het opgetreden van de Europese instanties beperkt gebleven tot de herstructureringen in de staalsector en in andere sectoren in crisis. Vanaf 1978 was de afbouw van de staalsector Europees aangepakt en in 1980 werd voor dat staal de ‘staat van manifeste crisis’ afgekondigd, waarbij men quota en vermindering van de productiecapaciteiten oplegde. Maar de tijd rijpte om zich niet meer alleen met landbouwpolitiek en sluitingsplannen bezig te houden. Men wilde de VS achterna. In 1983 kwamen bestuurders van 17 belangrijke Europese monopolies bijeen in de Ronde Tafel van Europese Industriëlen. Die Europese Ronde Tafel zette de agenda uit voor de Eenheidsacte van 1986 en voor het project de Europese eenheidsmarkt te voltooien tegen 1990. Dat project werd enthousiast op de rails gezet door Jacques Delors en zijn Europese commissie. Daarna werd nog een versnelling hoger geschakeld met het Verdrag van Maastricht in 1991, dat resulteerde in de Europese eenheidsmunt en in een gemeenschappelijke Europese buitenlandse politiek. In het akkoord van Lissabon (2000) werd klaar en duidelijk geformuleerd waar het om ging: ‘de meest competitieve kenniseconomie ter wereld worden’.
Op veel terreinen werd de Amerikaanse weg bewandeld: belastinghervorming, langer werken, privatisering van de sociale zekerheid, totale liberalisering van de markt, ontwikkeling van de beurs. De concurrentiële voordelen van een lage sociale bescherming zetten de Europese landen op de weg van de afbraak van historische verworvenheden zoals de sociale zekerheid. Ook in Europa nam de kloof tussen rijk en arm snel toe. De Europese Unie dirigeerde vanaf de jaren 90 de liberalisering van de telecommunicatie, de spoorwegen en de post. De openbare diensten, die in Europa een veel grotere plaats innemen dan in de VS, werden afgebouwd en overgeheveld naar het privékapitaal. Het onderwijs werd door de hervorming van Bologna georiënteerd op het systeem van de VS, waar het veel sterker is afgestemd op de noden en belangen van de industrie. De val van de socialistische landen in 1989 zette dat liberale offensief nog kracht bij. Er was geen angst meer voor het communisme, het kapitalisme triomfeerde.
Maar het Europese kapitaal stootte op de sterkere aanwezigheid van vakbonden en op verzet tegen de afbraakplannen. Al was er nog geen sterke Europese vakorganisatie, toch werden de plannen land per land afgeremd door nationale mobilisaties. En dat lag toch wel enigszins anders dan in de VS. Daar wordt het vakbondsverzet hoofdzakelijk per sector georganiseerd. Het bracht Reagan ertoe om in 1981 brutaal af te rekenen met een staking van de luchtverkeersleiders door in één klap de 11.000 personeelsleden af te danken en er nieuwe aan te werven. Thatcher deed het op haar manier door de krachtmeting aan te gaan met de Britse mijnwerkers, die in 1984-’85 onder leiding van Arthur Scargill een jaar lang staakten tegen de sluitingsplannen. Ondanks alle campagnes tegen de vakbonden in Europa en ondanks alle pogingen de vakbondsrechten af te breken, staan er nog altijd sterke vakbonden, die als het echt moet ook hun tanden kunnen tonen.

De bubbeleconomie kan de crisis niet wegvegen
Samengevat: de opgepepte Amerikaanse consumptie heeft in heel de periode sinds 1973 de crisis niet opgelost, maar haar wel doen aanslepen. De groei bereikte na 1973 nooit het niveau van de jaren 60. De crisis van overproductie bleef als een domper over de wereldeconomie hangen.
Als er overproductie is, komt er een overschot aan kapitaal, een teveel dat niet kan besteed worden aan de uitbreiding van de productie, want die stoot op de limieten van de markt. Dat overschot aan kapitaal is op zoek naar hoog rendement en hier brengt de financiële sector soelaas. De financiële deregulering en de aanwas van nieuwe financiële producten creëerde de voorwaarden ervoor. En alles werd nog eens honderdvoudig aangewakkerd door de buitensporige stimulansen voor het krediet. Want het verlenen van krediet is een manier om geld te scheppen uit het niets.
Hoe gaat dat in zijn werk? De klassieke bankactiviteit bestaat erin deposito’s op korte termijn − geld dat voor korte tijd in bewaring wordt gegeven − om te zetten in leningen op lange termijn. De bank verdient aan het verschil in rente omdat de rente op lange termijn doorgaans hoger ligt dan de rente op korte termijn. Het uitgangspunt van de banksector is dat nooit alle spaarders hun geld tegelijk gaan opvragen. Dus hoeven ze bijvoorbeeld maar 10% van de deposito’s in kas te houden en kunnen ze 90% uitlenen. Als persoon A een hoeveelheid 100 op de bank zet, kan er dus 90 uitgeleend worden aan persoon B. Samen beschikken persoon A en B over 190 want A kan op elk moment over zijn geld beschikken. Als B die 90 ook op de bank zet, kan de bank opnieuw 81 uitlenen. Op die manier wordt de beschikbare geldhoeveelheid vermenigvuldigd.
Een grote stap in de financiële wildgroei wordt gezet wanneer schuld als onderpand wordt gebruikt voor de uitgifte van waardepapieren of financiële ‘derivaten’ − wat in het Engels en het Frans ‘titrisation’ wordt genoemd. Om het even welke schuld kan daarbij omgezet worden in waardetitels, wat wil zeggen dat ze verder gekocht en verkocht kan worden en dus voorwerp wordt van speculatie. Alles wat economische groeipool is, kan op die manier het ankerpunt worden van financiële bubbels. Er wordt geld geleend aan groeipolen in de economie en die schuld wordt verhandeld onder de vorm van waardepapieren. De groeipolen stuwen ook de beurs omhoog en dan krijgen financiële tussenpersonen en speculanten vrij spel. Zo ontstaan onmetelijke financiële bubbels die beleggers en speculanten aantrekken. Er ontstaat fictief kapitaal dat volledig gebaseerd is op de verwachting van eindeloze groei. Die bubbels moeten vroeg of laat ineenklappen.
Dat was al het geval met de schuld van de derde wereld op het einde van de jaren 70. Met de ineenstorting van Latijns-Amerikaanse landen in 1982-1984, waarover we al schreven, als gevolg. Het fenomeen herhaalde zich in 1997 na een fenomenale financiële bubbel op de Aziatische markten. De devaluatie van de Thaise munt lokte die crash uit. De crash had natrillingen in Rusland en Brazilië. De speculatieve fondsen richtten zich daarna op de hoogtechologische bedrijven van Silicon Valley. Ook die bubbel spatte uiteen, dat was de Nasdaq-crash van 2000. En daar begint het verhaal van de hypotheekbubbel.
Na de Nasdaq-crash en 11 september 2001 verlaagde de Amerikaanse centrale bank, de FED, haar prime rate14 tot 1%, om een dreigende recessie te voorkomen. De hypotheekbanken pikten daar agressief op in met leningen voor de aankoop van huizen. Er werden zeer gunstige voorwaarden aangeboden, bijna zonder garantie. De huizenmarkt was in volle expansie en er werd van uitgegaan dat de prijzen zouden blijven stijgen, zodat de solvabiliteit15 van de ontleners geen zorgen baarde: men kon altijd de huizen aanslaan en er nog supplementair aan verdienen. Ook niet-kredietwaardige burgers kregen toegang tot leningen met speciale instapvoorwaarden. Dat werden ‘subprime-leningen’ (niet-prime-leningen) genoemd. De hypotheekmarkt steeg pijlsnel en de armste bevolkingslagen grepen hun kans. Het aandeel van de subprimes steeg van 8% (in 2001) tot 20% (in 2007) van de totale som van hypotheekkredieten in de VS.

De deregulering van de financiële markten zorgde voor de rest. De hypotheekbanken verkochten de subprime-leningen (en het risico) door aan gespecialiseerde firma’s16, die waardepapieren op de markt brachten met deze hypothecaire leningen als onderpand. De hypotheekbanken konden dus nieuwe leningen blijven uitschrijven. Tussen 2001 en 2006 bleef de molen draaien. Het bracht de totale som van hypotheekkredieten in de VS op 11.500 miljard dollar. Die papieren kwamen over de hele wereld terecht in banken, pensioenfondsen, zakenbanken en speculatiefondsen. Hedgefondsen waren er bijzonder tuk op.


Toen de FED progressief de rente optrok tot 5,25%, stond voor veel nieuwe eigenaars het water aan de lippen. Het regende gedwongen verkopen en de huizenmarkt keerde. Elk kwartaal steeg het aantal slechte betalers en op het einde van 2006 kwamen de eerste banken en hedgefondsen in moeilijkheden. In april 2007 viel het eerste slachtoffer: New Century, de grootste bankspecialist in subprime-leningen ging failliet. De beurzen incasseerden de eerste verliezen. Kort daarop meldde de grote zakenbank Bear Stearns de collaps van twee van haar hedgefondsen. Bear Stearns zelf werd voor een prikje verkocht aan JP Morgan. De lawine was niet te stoppen en in september 2008 bereikte de bankencrisis een hoogtepunt.

7 september 2008: de twee grootste hypotheekbanken, Fannie Mae en Freddy Mac, worden genationaliseerd. 14 september: de grote zakenbank Merryll Linch wordt opgekocht door Bank of America. 15 september: de andere grote zakenbank Lehman Brothers gaat failliet. 16 september: AIG, de grootste verzekeraar ter wereld, wordt genationaliseerd. 19 september: de minister van Financiën Paulson komt met het plan om voor 700 miljard dollar slechte leningen over te kopen.



De ravage is nog dramatischer bij de huiseigenaars. Meer dan twee miljoen van hen spelen hun pas verworven eigendom kwijt en staan op straat.
Maar de crisis is allang geen Amerikaanse aangelegenheid meer. Over de hele wereld wordt meer dan 1000 miljard dollar rommelpapier afgeschreven en bank na bank kondigt verliezen aan. Het gaat van kwaad naar erger wanneer de banken uit voorzorg de interbankenmarkt droogleggen omdat het algemene wantrouwen groeit. Dat wantrouwen bereikt het publiek en er dreigen ‘runs on the banks’. Fortis en Dexia beleven wat enkele maanden tevoren nog ondenkbaar leek: op het nippertje worden ze gered door de Belgische staat. Fortis wordt eerst half, daarna volledig genationaliseerd en onmiddellijk weer doorverkocht aan BNP-Paribas. Dat is geen uitzondering in het Europese bankenlandschap.

Het is niet afgelopen
Waarom is de landing van de hypotheekbubbel veel harder uitgevallen dan de vorige bubbels en kwam het gehele financiële systeem op de rand van de afgrond te staan? Het ging over de grootste financiële bubbel in de geschiedenis die langs rommelpapier het gehele systeem besmette. Alle beschermingsregels en elke openbare controle waren afgebouwd zodat niemand nog een kijk had op de reële waarde van het hypotheekpapier en waar het zich bevond. Dat maakte een kettingreactie onvermijdelijk. Was dat dan niet te voorzien? Natuurlijk wel, maar niet het precieze moment waarop het scheef zou gaan. En dat is nu net zo typisch voor speculatie: een stijging creëert nog grotere verwachtingen en niemand wil te vroeg verkopen.
De ernst van de situatie waarin we zijn beland is af te meten aan de paniek waarmee zowat alle nationale staten hun banken ter hulp zijn gesneld, en aan de omvang van de staatstussenkomsten. Om die omvang te meten, is het nuttig om weten dat de zeven jaren van oorlog in Irak en Afghanistan 750 miljard dollar hebben gekost. Dat is nauwelijks meer dan de 700 miljard dollar van het plan Paulson, waar de Amerikaanse staat slechte leningen van de banken mee wilde overkopen. Maar dat is niet alles. Voor de redding van banken zoals Bear Stearns en voor de nationalisatie van financiële instellingen zoals Fannie Mae en Freddie Mac of AIG zijn nog eens vele honderden miljarden dollar uitgegeven. Wie al de vormen van tussenkomst samentelt, komt in de buurt van 1800 miljard dollar. Noteer dat het bbp van het hele Afrikaanse continent in 2007 2150 miljard dollar bedroeg. Het is ondenkbaar dat zo’n aderlating geen zware sporen nalaat op de staatsschuld, op de begroting en uiteindelijk op de belastingbrief van de Amerikaanse burger. Die zal naar schatting opdraaien voor minstens 2000 dollar.
Die berekening kan men ook maken voor de andere landen waar de staat de sluizen van de staatskas heeft opengezet. In België legde de regering voor de redding van Fortis en Dexia ongeveer 15 miljard euro op tafel. Een peulenschil in vergelijking met de Amerikaanse bedragen, maar het is toch ongeveer evenveel als het bedrag dat de staat jaarlijks aan de gehele sociale zekerheid en aan de pensioenen van de staatsambtenaren samen uitgeeft.
Kan Bernanke, de gouverneur van de FED, een sector vinden om een nieuwe financiële bubbel te blazen die soelaas brengt? Dat is totaal onwaarschijnlijk. De Amerikaanse consumptie is ineengestuikt en de beleggers op de beurs hebben grote verliezen geleden. De financiële producten en de immobiliën zijn zwaar in waarde gedaald en kunnen op dit ogenblik niet als onderpand dienen voor nieuw krediet. Een krediet waar de banksector om begrijpelijke redenen erg schraperig mee geworden is. De intrestvoet verlagen om de economie aan te zwengelen is ook al geen optie want met 0,3% staat die al op het allerlaagste peil.

Welke uitweg zien de speculanten dan voor hun geldreserves? In een eerste beweging zijn ze zich gaan storten op de grondstoffenbeurzen, op de voedingswaren en op de energieproducten, wat de prijzen mee de hoogte heeft ingejaagd. Alles behalve een aansporing tot meer consumptie dus. Het maakt de toestand alleen maar erger.


Het is duidelijk: voor de uitgestelde crisis van overproductie is er nu geen andere uitweg meer dan brutale vernietiging van productiecapaciteit. Dat wil zeggen dat het ergste nog moet komen. De crisis belooft diep en lang te worden. Zelfs het Internationaal Monetair Fonds windt er geen doekjes meer om: we beleven een nieuw 1929 en stevenen af op de diepste economische crisis sinds honderd jaar. De derdewereldlanden zullen als eerste hun export zien dalen, minder grondstoffen leveren en opnieuw onder de knoet vallen van de herstructureringsplannen van het Internationaal Monetair Fonds.

Het einde van de hegemonie van de VS?
De VS konden het schip van hun economie lange jaren door de crisis loodsen door die af te wentelen op andere landen. De kunstmatige beademing van de economie door de VS, had ook effect voor de rest van de wereld. De VS konden zich heel veel permitteren omwille van hun status als heersende wereldmacht. Daar lijkt nu een einde aan te komen. ‘Dit is niet alleen een crisis die het label made in Amerika draagt, ze is het resultaat van de dereguleringsfilosofie en van een economisch beleid dat acht jaar lang gevoerd werd’, schrijft Joseph Stiglitz, Nobelprijswinnaar en oud-raadgever van Clinton.17 Het is een beleid dat al veel langer dan acht jaar duurt. Sinds de Tweede Wereldoorlog en de akkoorden van Bretton Woods is de positie van de supermacht Amerika op financieel vlak verankerd in de positie van de dollar als wereldmunt. De quasi-ineenstorting van grote Amerikaanse banken en de ontwrichting van het financiële wereldsysteem zal de Amerikaanse economie en het Amerikaanse gezag onvermijdelijk verder ondermijnen. ‘De VS zullen hun status als supermacht van het financiële wereldsysteem verliezen’, zegt de Duitse minister van Financiën Peer Steinbrück.18 De Franse president Sarkozy heeft dat ook begrepen en lanceert de piste van een nieuw Bretton Woods-akkoord, dat deze keer niet rond de dollar draait.
De moeilijkheden van de VS op het financiële front gaan samen met de vastgelopen ‘oorlog tegen het terrorisme’, die zowel in Irak als in Afghanistan in een impasse is geraakt. De politieke autoriteit van de VS in de internationale instellingen en op het diplomatieke front wordt meer en meer gecontesteerd. De wereldorde neemt een nieuwe wending en een meer multipolaire wereld krijgt vorm. De Bushadministratie riep de 21e eeuw uit tot de nieuwe Amerikaanse eeuw (‘Project for the New American Century’) en lanceerde de ‘preventieve oorlog’ als nieuwe doctrine. Maar vandaag moeten de VS toezien hoe andere, opkomende machten − China, India, Rusland en een alliantie van progressieve regimes in Latijns-Amerika − de wereldbakens verzetten.
De VS hebben nog altijd de sterkste economie ter wereld, maar die is de laatste decennia kunstmatig opgepept om de motor van de wereldconjunctuur te kunnen blijven. Maar daarvoor betalen de VS een zware tol: een torenhoog deficit op de lopende rekening dat vooral te wijten is aan een tekort op de handelsbalans. Daardoor komen dollars in de hele wereld terecht. Die dollars vloeien naar de VS terug onder vorm van beleggingen of kapitaal. Dat kan alleen blijven duren op voorwaarde dat de dollar als internationale handelsmunt en als reservemunt wordt gebruikt. Maar de collaps van de financiële sector zal vroeg of laat een einde maken aan deze uitzonderingspositie.

De grote sommen die de Amerikaanse staat in de banksector pompt, zullen de staatsschuld nog doen toenemen, terwijl die ook door de oorlogsuitgaven in de hoogte wordt gejaagd. Minder en minder landen zullen bereid blijven om onvoorwaardelijk hun reserves in de VS te beleggen en op die manier de dollar als internationale reservemunt te ondersteunen. Dat moet vroeg of laat leiden tot het einde van het dollarimperium.


De landen van de Europese Unie zijn aanvankelijk niet in staat gebleken gezamenlijk te reageren op de kredietcrisis. Elke regering is in de eerste plaats haar eigen banken ter hulp gesneld en de wil om gezamenlijk op te treden werd doorkruist door nationale belangen. Met het risico elkaar daarbij in de wielen te rijden, zoals bleek uit de botsingen tussen België en Nederland, die beide behoren tot de kernlanden van de Unie. Maar uiteindelijk, op de bijeenkomst van de landen van de Eurozone in Parijs op 12 oktober 2008, werd toch enige coördinatie bereikt. Dat deze bijeenkomst met de landen van de Eurozone überhaupt werd gehouden, is een historisch precedent dat ook kan leiden tot gezamenlijke posities wanneer de positie van de dollar ter discussie staat.
Een nieuwe rol is weggelegd voor China. Als belangrijkste opkomende mogendheid heeft dat land nu al een grote invloed op de wereldeconomie omwille van zijn groeiende overschot op de handelsbalans en zijn grote financiële reserves. Het handelstekort van de VS loopt elk jaar op tot 800 miljard dollar. Daar neemt China ongeveer 250 miljard van voor zijn rekening. Daardoor heeft de Volksrepubliek grote hoeveelheden dollarreserves opgestapeld. Het land zal dan ook een belangrijke stem hebben in de evolutie van de dollar. Volgens Zhu Min, de vice-voorzitter van de Bank van China, zullen de VS alvast geen beroep moeten doen op China om nieuwe overheidsobligaties te plaatsen die nodig zijn om de redding van de Amerikaanse banken te betalen.

De Chinese financiële sector is niet aangetast en de economische groeivooruitzichten blijven heel hoog. Door de controle van de Chinese staat op alle sleutelsectoren en sleutelvragen kon China zijn financies afschermen. Die socialistische staat neemt zich voor de binnenlandse consumptie drastisch op te krikken door loonsverhogingen, vooral voor de boeren, verbeteringen in de sociale zekerheid en het onderwijs, enzovoort. China heeft daar ook de middelen voor. Terwijl de kapitalistische landen wegzinken in de crisis blijft de Chinese groei 10% per jaar bedragen. De aantrekkingskracht van het Chinese model groeit. Op het internationale toneel zijn de intense betrekkingen van China met de landen van Afrika en Latijns-Amerika een nieuw gegeven. Het zijn elementen van een nieuwe, meer multipolaire wereldorde.


Hoe zal het VS-imperium reageren? Met nog méér oorlogsuitgaven en nog méér oorlogsavonturen? Dat blijft op dit ogenblik een open vraag maar het is een historisch gegeven dat alleen de massieve vernietiging van productiecapaciteit door oorlog een uitweg bood uit de laatste grote systeemcrisis, die van de jaren 30.

Een systeemcrisis vraagt om een systeemoplossing
De dijk is gebarsten. Na de financiële collaps, na de crash van de megabubbel krijgen we een verdieping van de crisis van overproductie. Geen kleine dip, maar wellicht een depressie van lange duur. Zelfs de gigantische sommen die worden ingezet, krijgen de vloedgolf niet onder controle.
Over de oorzaken wordt naar alle kanten met de vinger gewezen: het is de schuld van de subprimes, van de hedgefondsen, van de Amerikanen…

Voor Karel Van Miert, de oud-voorzitter van de sp.a en oud-commissaris van de Europese commissie en bestuurder van Philips, is er iets mis met de winstjacht van de bankiers. Zijn ze te hebzuchtig? Alle argumenten zijn goed om te verbergen dat er achter de winstjacht − niet alleen van de bankiers, maar ook van bedrijven als Philips − een wetmatigheid steekt. Een wetmatigheid die Marx 150 jaar geleden ontrafelde, waarbij hij tot de slotsom kwam dat het kapitalisme niet kan bestaan zonder crisis.


Over de oplossingen is er − van sociaal-democraten tot liberalen − een vrij grote eensgezindheid: er moet meer transparantie, meer regulering en meer controle komen. Alleen de lamme eend president George W. Bush gaat recht op zijn doel af. Op de G20-top van 12 november 2008 hield hij een vurig pleidooi om het kapitalisme vrij te pleiten van schuld. ‘We kunnen niet toestaan dat een paar maanden van crisis het zestigjarige succes van het kapitalisme ondermijnen. De crisis was niet een falen van het systeem van de vrije markt. En het antwoord kan er niet in bestaan dat systeem opnieuw uit te vinden. Het systeem van de vrije markt levert de aansporingen die leiden tot voorspoed − de aansporing te werken, te vernieuwen, te redden, verstandig te investeren en banen te creëren voor anderen. En als miljoenen mensen deze aansporingen samen opvolgen, dan is dat in het voordeel van hele samenlevingen. Het vrijemarktkapitalisme is veel meer dan een economische theorie. Het is de motor voor sociale beweeglijkheid − de snelweg van de Amerikaanse droom.’
Het lijkt onwezenlijk in deze tijden, maar het is tenminste even recht voor de raap als Jean-Marie De Decker. Dit systeem staat opnieuw ter discussie, twintig jaar nadat het einde van de geschiedenis werd afgekondigd. Gisteren was het nog zo arrogant, zo zelfvoldaan, zo grootsprakerig. Vandaag zit het gekneld in eigen tegenstellingen. Dertig jaar lang werd de wereld ideologisch platgeslagen met ‘There Is No Alternative’ en met de verheerlijking van de vrije markt. Nu alles in elkaar stort, dreunt Bush nog eens datzelfde liedje af.

Neen, het gaat niet over de hebzucht van enkelen. Neen, het gaat niet over de winstjacht van enkele bankiers. Neen, het gaat niet over te verregaande afbouw van de financiële regels, zoals Jean-Luc Dehaene en zovele anderen beweren. Neen, het zal niet opgelost worden door de ‘echte vrije markt, de gereguleerde’ te herstellen, zoals Johan Vande Lanotte beweert. De crisis is eigen aan het systeem zelf.



De mensheid heeft nooit eerder zoveel rijkdom geproduceerd, maar nog nooit was er zoveel armoede. Het is eenieders arbeid – en alleen de arbeid – die rijkdom voortbrengt, niet het kapitaal. Eisen dat deze collectief geproduceerde rijkdom zou gebruikt worden voor de verbetering van de levensomstandigheden van alle mensen, is niet meer dan elementaire logica. Dat kan niet in een kapitalistische economie die draait in functie van de belangen van een kleine minderheid en die onvermijdelijk uitloopt op crisis. Daarom moeten alle grote productiemiddelen in handen komen van de collectiviteit.


1 Leveraged buyout is een financieringsmethode waarbij de overname van een bedrijf voornamelijk berust op geleend geld dat later door het overgenomen bedrijf moet worden terugbetaald. De activa van het overgenomen bedrijf worden als onderpand bij de lening gebruikt. Op deze manier kunnen investeerders een bedrijf overnemen met een minimale inzet van eigen kapitaal. Het nadeel is dat het overgenomen bedrijf opgezadeld wordt met grote schulden.

2 McKinsey Global Institute, 2006

3 Financiële derivaten zijn beleggingsinstrumenten die hun waarde ontlenen aan de waarde van een ander goed. Het ander goed wordt in het jargon de onderliggende waarde genoemd. De voornaamste soorten derivaten zijn opties, futures, swaps en forwards. Het klassieke voorbeeld is dat van de boer die de verkoopprijs van zijn toekomstige oogst wil veiligstellen tegen een mogelijke prijsdaling van zijn producten.

4 Chandrasekhar, 12 juli 2007.

5 Inflatie is de stijging van het algemene prijspeil.

6 De politiek van Reagan was geïnspireerd door monetaristen als Milton Friedman, voor wie de monetaire orthodoxie het hoogste goed is.

7 Vermogen is wat de mensen bezitten: huizen, aandelen en obligaties, spaargeld, levensverzekering... Om de netto rijkdom te kennen moet je daarvan de schulden aftrekken, bijvoorbeeld een hypotheeklening of een autolening.

8 Daarna bleef het stabiel tot het einde van de jaren 90. Berekening van Henri Houben op basis van Edward Wolff, The Increasing Inequality of Wealth in America. Ter vergelijking, bij ons schat men het aandeel van de één procent rijksten op 25% van de totale privévermogens.

9 De belastinghervormingen worden geïnspireerd door aanhangers van de aanbodeconomie zoals Arthur Laffer, vooral bekend om zijn curve die aantoont dat boven een bepaalde belastingdruk de belastinginkomsten dalen, omdat het niet meer loont om te werken.

10 Het bruto binnenlands product of bbp is de totale waarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende één jaar.

11 Het hefboomeffect bestaat erin dat men schulden maakt om te investeren, waarbij men erop rekent dat de winst op de investering groter is dan de rentebetalingen.

12 Lenin, ‘Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme’, in Keuze uit zijn werken, Deel 2, Progres Moskou, p.295. 

13 Lenin, op. cit., p.306.

14 De prime rate is de referentie-interestvoet. Oorspronkelijk was de prime rate de interest die de banken aan hun favoriete klanten gaven, aan de klanten met de beste credibiliteit.

15 Solvabiliteit is het vermogen om te betalen.

16 Deze firma’s worden ‘SPV’ genoemd: ‘special purpose vehicles’.

17The Daily Telegraph (UK), 11 november 2008.

18Der Spiegel, 26 september 2008.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina