De wet op de medezeggenschap (wmcz) Wanneer treedt de cliënt naar voren en wanneer zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger?



Dovnload 16.29 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte16.29 Kb.
De wet op de medezeggenschap (WMCZ)
Wanneer treedt de cliënt naar voren en wanneer zijn/haar wettelijk vertegenwoordiger?
De medezeggenschap is toegekend aan zowel verstandelijk gehandicapten zelf als aan hun wettelijk vertegenwoordigers of andere belangenbehartigers. Een belangrijke vraag is wie wanneer inspraak kan uitoefenen: de cliënt of iemand voor hem/haar? Kunnen mensen van wie de rechter heeft vastgesteld dat zij niet (volledig) in staat zijn om hun eigen belangen te behartigen, geacht worden gemeenschappelijke belangen (dus de belangen van anderen dan henzelf) te behartigen in het kader van de WMCZ? Hieronder wordt op deze vragen ingegaan. Zowel de algemene wet (het Burgerlijk Wetboek) als bijzondere wetten (de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen, WMCZ) zijn hier van toepassing.
Wij willen voorop stellen dat wij voorstander zijn van zo groot mogelijke zeggenschap en inspraak van verstandelijk gehandicapten in hun woon- en leefsituatie. Waar een verstandelijk gehandicapte niet in staat is zijn wensen te verwoorden, of het risico loopt teveel beïnvloed te worden door medewerkers van de instelling, dient echter een wettelijk vertegenwoordiger of andere belangenbehartiger naar voren te treden.
Curatele, mentorschap en bewindvoering
In het Burgerlijk Wetboek staat over curatele:
CURATELE: Ondercuratelestelling vindt plaats wanneer “… de rechter is gebleken dat curandus (degene die onder curatele is gesteld – de verstandelijk gehandicapte) niet in staat is zijn eigen belangen behoorlijk waar te nemen.”
Wanneer door de rechter in een procedure tot ondercuratelestelling is vastgesteld dat een verstandelijk gehandicapte niet in staat is om zijn eigen belangen te behartigen, kan deze naar onze mening evenmin redelijkerwijze in staat worden geacht om andermans belangen te behartigen. Wij gaan ervan uit dat iemand die al niet in staat is om zijn eigen belangen te behartigen, à fortiori niet in staat is om andermans belangen te behartigen.
Iets soortgelijks geldt, zij het in zwakkere vorm voor MENTORSCHAP.
BEWINDVOERING heeft betrekking op de financiële kant van de belangenbehartiging. Echter, ook hier kan getwijfeld worden aan het vermogen van de persoon die onder bewind staat tot gemeenschappelijke belangenbehartiging. Des te meer omdat bij veel ouders bij afweging tussen curatele en onderbewindstelling is gekozen voor de laatste omdat de procedure en het middel minder zwaar is en bescherming voor rechtshandelingen als niet noodzakelijk werd ingeschat, vaak juist vanwege het wonen in een instelling.
Conclusie: bij ondercuratelestelling en mentorschap lijkt de wet aan te geven dat deze personen niet in staat zijn om algemene belangen te behartigen (omdat ze al niet in staat zijn om hun eigen belangen te behartigen). Bij bewindvoering staat de tweede eis uit de Wet Medezeggenschap (het in staat zijn tot het behartigen van gemeenschappelijke belangen) in de weg aan belangenbehartiging door personen die onder bewind staan
In alle andere gevallen (waar bewoners dus niet onder curatele of bewind staan, en geen mentor hebben) staat ons inziens het feit dat iemand als verstandelijk gehandicapte in een instelling is opgenomen er waarschijnlijk aan in de weg dat deze adequaat in staat zou zijn om gemeenschappelijke belangen (dus ook die van zijn medebewoners/gehandicapten) te behartigen. Opname in, dan wel het gebruik maken van, de voorzieningen van een gehandicapteninstelling geschiedt namelijk niet voor niets: de reden hiervoor is juist dat door zijn of haar beperkingen deze persoon op veel punten niet zelfstandig kan functioneren. Dat staat naar onze mening in de weg aan een adequate belangenbehartiging van de belangen van anderen dan deze persoon zelf.
Risico’s
Er kleven risico’s aan het geven van medezeggenschapsrechten aan personen die feitelijk niet in staat zijn om deze adequaat uit te oefenen.
Veel verstandelijk gehandicapten hebben een ontwikkelingsniveau van een klein kind, zeker diegenen die gebruik maken van de voorzieningen van een instelling of daar zijn opgenomen. Slechts een klein deel van hen kan (en dan nog slechts beperkt) praten. Ook aan kleine kinderen wordt geen kiesrecht en geen medezeggenschapsrechten toegekend, en met goede redenen. Als uw zoontje van vijf jaar, na het zien van een spannende film op televisie, tegen u zegt dat hij graag naar Afrika wil verhuizen, gaat u dan de dag erna deze verhuizing regelen?
Onderzoek (Finlay et al., 2001; Nivel, 2010) en ervaringen hebben uitgewezen dat de wat hoger niveau gehandicapten (die dus wél (beperkt) kunnen praten) beïnvloedbaar zijn en graag andere mensen een plezier willen doen, met name hun begeleiders. Dat kan betekenen dat zij andere mensen, zeker als het om bijvoorbeeld personeel in een instelling gaat, napraten. Hen kan, helaas, soms woorden in de mond worden gelegd. Zij uiten zich bovendien vaak positief, positiever dan hun werkelijkheid is. “Mensen met een verstandelijke beperking zijn geneigd om positieve antwoorden te geven. De gegevens over de tevredenheid van de mensen met een verstandelijke beperking (…) zijn dus zeer waarschijnlijk een overschatting van de werkelijkheid.” (Nivel, 2010, p. 48).
Slechts de gehandicapten die (beperkt) kunnen praten, kunnen lid worden van een medezeggenschapsraad. Dat zij beperkt kunnen praten en zich wellicht tot op zekere hoogte zelfstandig kunnen redden in de maatschappij, betekent niet dat zij voldoende inzicht hebben in ándere gehandicapten om voor die anderen te kunnen praten en beslissen. Het blijkt bijvoorbeeld dat de gehandicapte leden van cliëntenraden zich vaak voorstander betonen van het wonen in wijken. Zij kunnen en/of willen dat zelf, en zijn daar dus, terecht vanuit hun optiek, voorstander van. Maar zij gaan er dan tevens vanuit dat anderen dat ook moeten willen, of, zij horen van de instelling dat die van mening is dat gehandicapten zelfstandig moeten wonen en nemen dat standpunt over. Ook bij het nemen van beslissingen als lid van een cliëntenraad. Soms worden zij daartoe ook gestimuleerd door de instelling zelf.
De zwaarder gehandicapten (die het grootste deel van de populatie van instellingen uitmaken) zijn door hun beperkingen niet in staat om in een cliëntenraad mee te draaien. Dat betekent:

  • Cliëntenraden die uit verstandelijk gehandicapten bestaan, zijn per definitie niet representatief, omdat zij uitsluitend uit hoog-niveau bewoners bestaan;

  • Vanwege hun beperkingen zijn de gehandicapten die wél in een raad mee kunnen draaien, zelden in staat om voldoende inzicht te krijgen in de mogelijkheden en beperkingen van ándere bewoners van instellingen;

  • Daarom kunnen zij niet in staat worden geacht om de algemene belangen van bewoners van een instelling te behartigen. Zij richten zich meestal voornamelijk op hun eigen mogelijkheden (die groter zijn dan die van hun medebewoners).

De laatste tijd signaleren wij een tendens om veel nadruk te leggen op belangenbehartiging door verstandelijk gehandicapten zelf, óók in het kader van de medezeggenschap. Instellingsleidingen lijken zich niet altijd bewust van de risico’s die hierboven zijn beschreven. Dit kan tot vertekening van de oordeelsvorming (beïnvloeding van de leden van de cliëntenraden) leiden, en tot een miskenning van de werkelijke belangen van de zwaarder gehandicapten. Dat een beperkte groep verstandelijk gehandicapten van hoog niveau zich kan keren tegen het belang van veel mede-gehandicapten bleek bijvoorbeeld uit het actiepunt van de Landelijke Federatie van Belangenverenigingen Onderling Sterk (een Federatie die uit verstandelijk gehandicapten bestaat, onder begeleiding van coaches): zij pleitten voor de opheffing van instellingen. Wetenschappelijk, onafhankelijk onderzoek heeft echter laten zien dat terreinbescherming voor het grootste deel van de verstandelijk gehandicapten juist van essentieel belang is voor de kwaliteit van hun leven (voor een overzicht, zie Malsch & Schuerman, 2010).


Conclusies
Gezien bovenstaande pleiten wij ervoor dat medezeggenschap door cliënten zelf zich beperkt tot hun eigen woon- en leefsituatie. Behartiging van gemeenschappelijke belangen zou moeten gebeuren door wettelijk vertegenwoordigers en andere belangenbehartigers, en met behulp van onderzoeken door onafhankelijke instituten.1
Referenties
Finlay, W.M.L. & Lyons, E. (2001), Methodological issues in interviewing and using sef-report questionnaires with people with mental retardation. Psychological Assessment, 13, 319-335.

Malsch, M. & Schuerman, P.L. (2010), Overzicht wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk onderzoek naar integratie verstandelijk gehandicapten.

Nivel (2010), Deelname aan de samenleving van mensen met een beperking in 2006-2008. Participatiemonitor 2008.

Auteurs
Mr. M. Nauta (LNKO)

Ir. P.L. Schuerman (LNKO)

C. Hulst (LNKO)

J. Thomas (LNKO)



Mr.dr. M. Malsch (IGBTS)

1 Ook op de uitoefening van medezeggenschap door raden van wettelijk vertegenwoor­di­gers/be­langenbehartigers is kritiek mogelijk. Maar dat is niet het onderwerp van deze notitie.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina