De wonderbaarlijke genezing van naäman – 2 Koningen 5,1-17 een oudtestamentische parabel over de crisis in de Kerk, en hoe die daar misschien ooit van genezen kan…



Dovnload 33.26 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte33.26 Kb.
DE WONDERBAARLIJKE GENEZING VAN NAÄMAN – 2 Koningen 5,1-17

- een oudtestamentische parabel over de crisis in de Kerk,

en hoe die daar misschien ooit van genezen kan… -

Het is een leuk en bovendien ook een zeer zinvol en actueel verhaal, dat van Naäman de Syriër, die de doodsrivier de Jordaan in moest, zeven keer na elkaar nog wel, en die, toen hij zo grondig gedoopt was, ineens weer een huid kreeg als van een kleine jongen. In een ouder schema van de zondagslezingen stond het geprogrammeerd als eerste lezing op de zondag direct na Pasen, een dag die vanouds ‘Quasimodo Geniti’ wordt genoemd, ‘als pasgeboren kindertjes’ – alsof de liturgie van vroeger daarmee wilde zeggen: na Pasen beginnen we best met een schone lei, en daarom is het zinvol op deze zondag het oude verhaal over de wonderbaarlijke genezing en wedergeboorte van Naäman uit de vergetelheid op te diepen… Ook Naäman werd namelijk als bij wonder ‘quasimodo genitus’, en over de vraag hoe dat mogelijk was en hoe die grote meneer van weleer tenslotte toch op zijn jeugdige paasbest weer verder door het leven kon, daarover gaat dit verhaal…

In onze hedendaagse liturgische kalender staat het geprogrammeerd op de 28° zondag door het jaar in jaar C – maar het is erg verkort en helemaal verminkt in het lezingenrooster opgenomen – en daarbij wordt het ook meestal nog overgeslagen, en kiest men nog liever voor die ‘moeilijke Paulus’ om de dienst van het Woord te beginnen – en dat is allemaal doodzonde, want er liggen zoveel kansen in tot nadenken en bezinnen, tot vertellen en actualiseren en preken – zeker in deze moeilijke crisistijd van ‘Hoe moet het nu verder met ons en met de Kerk?’; ‘Kunnen wij ooit nog genezen van deze besmettelijke ziekte?’ ‘Krijgen wij ooit weer een jong en aantrekkelijk imago?’; ‘Wordt onze buitenkant nog ooit weer transparant en valt die ooit nog samen met onze binnenkant, met onze ziel en onze missie uit het evangelie..?’

Moet je horen hoe dit oude verhaal uit de Schrift daar over vertelt!

Naäman was een gewichtig officier uit Aram in Syrië. Hij had – naar het schijnt – de Assyriërs verslagen in de slag bij Karkar in 854 voor Christus. Daardoor hadden de Arameeërs en trouwens ook andere volkeren zoals Israël en Juda, weer een beetje lucht gekregen. De directe oorlogsdreiging was afgewend. Hij was sinds die klinkende overwinning op het slagveld vanzelfsprekend bevelhebber gebleven van het leger des konings, stond zeer in aanzien bij het volk, was een man met een reputatie en een positief imago. Hij had iets gepresteerd in het verleden, stond ook in het heden ergens voor en wekte zelfs nog verwachtingen voor de toekomst…

Maar nu was er plotseling een probleem gerezen – een reuzengroot probleem. (Enfin, ‘plotseling’… zulke zaken komen meestal niet zo plots en onverwacht, behalve voor wie niet gewend is de vinger aan de pols te houden en een aantal symptomen en signalen onderschat of langdurig over het hoofd ziet…) Het zit zo: generaal Naäman heeft sinds enige tijd een huidziekte, en die wordt steeds meer manifest. Iedereen heeft het er over. Er scheelt iets met zijn uiterlijke verschijningsvorm en de manier waarop de mensen en de media hem percipiëren; er scheelt iets met zijn imago en zijn façade… En zoals iedereen weet: de huid is de grens tussen buitenkant en binnenkant van een mens – welnu: die buitenkant is niet meer transparant en weerspiegelt niet echt meer wat er aan de binnenkant zit of toch zou moeten zitten… Nog straffer gezegd: Meneer Naäman heeft sinds de crisis recent is uitgebroken een serieus identiteitsprobleem… En in paniek is hij nu reeds maanden lang op zoek naar een nieuwe look, een soort van ‘face lift’als het ware. Al blijft hij er rotsvast van overtuigd dat mits wat opfrissen en aanpassen van de buitenkant het probleem grotendeels zal opgelost zijn – de binnenkant zit nog altijd wel goed, denkt hij…

Via een slavinnetje van de koning verneemt hij toevallig en ten einde raad ineens één en ander over de reputatie van Elisa, een profeet uit buurland Israël. En na bij zijn eigen baas plechtig ziekteverlof te hebben aangevraagd, vertrekt hij met pak en zak naar dat land in het buitenland, in de hoop op definitieve remediëring en een spoedig herstel van de opgelopen schade. Hij wil echter niet met lege handen bij de buren aanbelanden! Dus heeft hij zijn hele reiswagen volgeladen met tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien feestgewaden uit de haute couture (kan je nagaan hoe rijk hij was!) Want bij vreemde goden en hun personeel kan je niet zomaar met lege handen aankomen. Voor genezing en zielenheil moet fors worden betaald. En – zo denkt Naäman – dat zal dan ook wel gelden voor Israëls God en zijn profeet. Voor elk advies, voor elke goeie raad, voor elke aanvraag tot gebed en kans op een mirakel krijg je vroeg of laat een gepeperde rekening gepresenteerd. Godsdienst is nu eenmaal commerce. Voor wat hoort wat. Niets voor niets. Zelfs de heilseconomie is en blijft een economie... Wil je wat van de goden lospeuteren, dan begin je best met je portefeuille boven te halen. Ja, werken aan je imago kost tegenwoordig tonnen geld.

Naäman is dat van huize uit zo gewend. De profeet van Israël zal straks eventjes tijd voor hem maken tijdens zijn dagelijks consultatieuur; hij zal wellicht bedenkelijk kijken en daarna streng maar vroom zijn ogen ten hemel slaan; hij zal zijn hand over de zieke plek heen en weer bewegen en de naam van zijn God aanroepen. Het gebruikelijke ritueel. Even abracadabra en hokus-pokus-pats, je kent dat wel. Een nieuw logo plus baseline ontwerpen, een splinternieuwe website, nieuw briefpapier met hoofding, wat positieve reclame op radio en televisie, een paar gevatte one-liners in elk interview, even meedoen in een populair spelletje – en klaar is… Naäman! En daarna op het secretariaat van de gewijde genezer de rekening even controleren. Gelieve de nodige prijs voor deze crisis en de behandeling ervan – liefst cash en zonder verwijl - te betalen, staat er in kleine lettertjes bijgeschreven…

Bij zijn aankomst wendt hij zich eerst tot de koning van Israël. Want hij heeft voor hem een aanbevelingsbrief mee van zijn eigen koning, met de vraag of het Hof er voor wil zorgen dat generaal Naäman de profeet Elisa in hoogsteigen persoon zou kunnen ontmoeten.

De koning van Israël scheurt meteen zijn kleren, wanneer hij de brief van de koning van Syrië te lezen krijgt. Wat denkt die kerel uit het buitenland wel? Meent ie misschien dat ik God Almachtig ben? Misschien komt zijn generaal mij hier wel uitdagen en op stang jagen – ja, vroeg of laat komt daar wellicht oorlog van (bemerk hoe allebei die grote heren, Naäman zowel als Israëls koning, hardnekkig denken en blijven denken in termen van macht en arrangement, in categorieën ook van pretentie en concurrentie…)

Uitgerekend op dit moment komt er een boodschap van Elisa, de profeet. ‘Geachte Heer Koning van Israël, u moet zulke problemen niet in je eentje proberen op te lossen. Waarom scheur je jouw kleren? Stuur die zieke man maar hier naartoe. Dan zal hij weten dat er een profeet in Israël is.’

En Naäman komt met al zijn wagens en paarden, met al zijn geschenken en heel zijn gevolg bij het huis van Elisa aan. Die vindt het echter niet eens de moeite waard om naar buiten te komen. Hij laat simpelweg aan de vijfsterren-generaal weten: ‘Ga je zeven maal baden in de rivier de Jordaan, en alle problemen zullen opgelost zijn…’

Wel goeie hemel, denkt Naäman, is dat stukje profeet nu helemaal gek geworden? Dat mannetje komt niet eens naar buiten om mij te begroeten. Terwijl ik nochtans de held van Karkar ben. Heb je daar nog nooit van gehoord, stukje boerenprofeet van mijn voeten? Ik ben Napoleon, generaal Eisenhouwer, Montgomery, Rommel en MacArthur tegelijk. En dan stuur je mij zonder enige consultatie of onderzoek naar die stinkrivier van jullie, die modderpoel… Terwijl wij zelf thuis toch genoeg rivieren hebben, die zich als snelle stromen door het land bewegen, en weldaad brengen overal. Als je denkt dat mijn problematiek zo simpel op te lossen is, dan ken je mij nog niet. Ik ga terug naar huis, naar de plek waar ik vandaan kom. Komaan, mannen, we keren meteen op onze stappen terug!

___


De Jordaan is de laagste van alle rivieren ter wereld. Hij draagt dan ook zijn naam met ere: ‘Yardén’ wil zeggen: de ‘Afdaler’ (van het werkwoord ‘yarad’ – ‘naar beneden gaan’). Als rivier is de Jordaan in feite de diepst afdalende waterloop van heel de planeet. Ze ontspringt aan de voet van de Hermon en daalt zo’n vierhonderd meter onder de zeespiegel af, om dan in de Dode Zee uit te monden. In die Jordaan – een stroom en stroming die in het buitenland tot nog toe totaal onbekend was en in Israël zelf zowat vergeten – moet generaal Naäman nu worden ondergedompeld, tot zeven keer toe. Zijn genezingsproces kan maar echt beginnen, zijn buitenkant kan maar echt worden schoongewassen door dit letterlijk nederige gebaar: durven afdalen in de ‘Afdaler’. Dit stemt tot nadenken. De therapie bestaat uit niets anders dan diaconie. De medicijn is: klein leren zijn. De remedie is simpel: je moet de dieperik in. Een radicaal ander stand-punt leren innemen. Aan de onderkant (her)beginnen. Afdalen, lager dan het diepst stromende water binnen de aardkost. Nederdalen ter helle. Om dan misschien ooit te kunnen verrijzen op de derde dag, volgens de Schriften…

___


Naäman moet zich zeven maal onderdompelen in de Jordaan. Dat is hem in eerste instantie te min. Hij had kennelijk meer indrukwekkende profetische kunsten en adviezen van Israël verwacht. Waren de Abana en de Pharpar, de rivieren van Damascus, niet beter en heilzamer dan alle rivieren van dat Beloofde Land samen? Moet hij – de officier van het Aramese leger, die reeds zoveel watertjes heeft doorzwommen – zich nu in dat vieze slootje van Israël gaan onderdompelen en wit proberen te wassen?

Na enige tijd laat Naäman zich door zijn knechten ompraten. Het is toch helemaal niets moeilijks, wat de profeet hem vraagt? Nee, dat is het hem juist. Het is voor iemand die altijd hoog op de troon heeft gezeten vaak veel moeilijker om een eenvoudige, dan om een ingewikkelde raad op te volgen. En voor wie altijd macht heeft bezeten en rijk is geweest, is het niet simpel om je ineens bloot te geven en kwetsbaar op te stellen terwijl de verzamelde pers staat toe te kijken, met de camera in aanslag en de microfoon voor je neus…

Maar goed, baat het niet dan schaadt het niet, denkt generaal Naäman tenslotte. Al vindt hij het ongelofelijk belachelijk en nutteloos daar in zijn linnen hemdje en flanellen onderbroek te kijk te moeten staan…

Dan daalt hij af in het water – de blikken van de omstanders verplichten hem ertoe. Hij vindt het zelf een echte afgang, een regelrechte vernedering. Een top-man uit Syrië gaat de dieperik in. Na enkele keren oefenen is het al geen slaafse onderwerping meer, maar enkel nog een tegendraadse keuze, tegen heug en meug. De oude en zieke Naäman dompelt zich aarzelend onder tot zeven keer toe, alsof dit een herschreven en geactualiseerd scheppingsgedicht moest zijn, het verhaal van de menswording op-nieuw. ‘Zeven maal, zeven maal, zeven maal opnieuw geboren. Klein gekregen, uitgeworpen wordt een mens, om mens te worden…’ (H. Oosterhuis)

Na zeven keren onderdompeling komt hij tenslotte weer uit het doopwater te voorschijn als een ander mens. Een stralende jongeman met een gave huid als in de beste reclamespots van Nivea of Peaudouce. Hier begint zijn wereld opnieuw. De oude krijger heeft noodgedwongen zijn trots afgelegd, laat zich dopen in de nederigheid, en stijgt tenslotte uit het doopwater weer omhoog op zijn paasbest.

De therapie van de profeet…

Over genezing en herstel zou je veel preken kunnen houden en veel boeken kunnen schrijven. Je zou daarmee – zeker wat de crisis in de Kerk betreft – op vandaag zelfs makkelijk de krantenkoppen kunnen halen. Er zijn artsen die genezen, er zijn psychologen en therapeuten met allerlei adviezen en remedies. En er zijn ook de ‘alternatieven’: de homeopaten, de acupuncturisten, de gebedsgenezers. En wat de crisis betreft, zijn er de trendwatchers en gedoodverfde studiogasten, de kerkjuristen en krantencommentatoren, de woordvoerders van officiële kant en de eeuwige oppositievoerders. De enen zeggen bijna niets, en de anderen weten bijna alles. En zelfs moderne rationele, kritische mensen zijn bereid al die genezers te geloven – mits het maar goed geformuleerd is en blits genoeg is aangebracht.

Elisa, de profeet van Israël, was bijzonder kort van stof met zijn advies voor de zieke Naäman: ga u zevenmaal onderdompelen in het water van de Jordaan. Ga je wassen in het bad van de wedergeboorte. Je zult er springlevend uit komen!

Naäman had iets anders verwacht én gevreesd. Iets wat moeilijker was, theologisch ingewikkelder en (kerk)juridisch meer spitsvondig. Ofwel iets veel spectaculairder: een genadeslag van de profeet, een donderpreek erbij, een uitspitten van de kwaal tot op het bot en een uitgebreid rapport van alle aangemelde klachten. Of een onmogelijke schadeclaim, en een openbare schuldbekentenis tot zeven keer toe in alle media…

Maar nee, voor de profeet van Israël was het voldoende dat hij de bereidheid toonde om af te dalen, zich te ontdoen van alle uiterlijke ballast, zich te reinigen in het doopwater en zo tot zeven keer toe de nieuwe schepping aan zich te laten voltrekken.

Wat volgens de Schriften en de God van Israël tot genezing strekt, is in wezen zeer eenvoudig. Maar (kerk)mensen dreigen het steeds weer te vergeten en moeten het daarom telkens weer (bijvoorbeeld tijdens hun zondagse samenscholingen) horen, en leren er ge-hoor-zaam aan te worden. Naäman kon enkel genezen door af te dalen in de ‘Afdaler’. Dat was het enige advies dat de profeet hem had mee te delen. De gelauwerde officier, de man van vele oorlogen heeft het nog allemaal moeten leren op zijn oude dag, hoe hij de goede strijd kon strijden en het gevecht op (over)leven of dood kon winnen. Hij vond de rivieren van zijn eigen land, de stromingen en bewegingen die daar waren meer dan goed genoeg om hem te kunnen reinigen van alle kwaad. Gelukkig waren de Levensstroom van Israël daar en de profeet om hem terecht te wijzen. Naäman vatte zijn mogelijke therapie te ‘werelds’ op. Hij wilde gereinigd worden enkel aan zijn buitenkant – zonder daarbij veel van zijn vroegere aanzien en eer te verliezen. De profeet moest hem leren dat hij eerst alle uiterlijk vertoon moest afleggen, en dat hij af moest dalen in de diepte, tot zeven keer toe. De hooggeplaatste man uit het buitenland vond dat te simpel en voor zijn gebruiken veel te min. Te belachelijk en te onmogelijk tegelijk. Zoals Nicodemus het te simpel vond om ‘van boven naar beneden opnieuw geboren te worden’… (Joh. 3,3) Die hooggeplaatste uit Israël zelf was in de tijd van Jezus heilig van mening dat er nogal wat straffere toeren nodig zouden zijn om de trein van zichzelf en zijn kerkinstituut weer op de goede sporen te krijgen, en zo het Rijk Gods te kunnen binnengaan…

De Bijbel herhaalt het telkens weer: wie voet aan de grond wil krijgen in het Beloofde Land, moet eerst helemaal ondergedompeld worden in het water van de Jordaan. Moet zich laten dopen. Moet laag willen mikken en nederig de nederigheid opzoeken van het laagst mogelijke stand-punt op aarde (dat maakt het meteen ook makkelijker om op te kijken naar wie geen leven heeft of slachtoffer is…) Aan de kant gaan staan van de naamloze mens. Zo diep gaan, dat het je brengt bij de doop in de dood. Kopje onder gaan, als een vrij sterven om waarlijk anders weer op te staan. Van je troon afstappen, om ruimte te maken voor de vele misdeelden die nog nooit op een troon hebben gezeten. Tot er tenslotte geen protocol meer overblijft – enkel totale beschikbaarheid ‘om u te dienen’. De gulden regel van Israëls Tora zegt: wie zijn trots en zijn leven durft te verliezen, zal het terugwinnen in overvloed.

Afdalen in de Jordaan doet kiezen. Wie zich zomaar laat meeslepen met de stroom, wie alles ondergaat en niet kiezen wil – niet kiezen kan of durft – leeft enkel ten dode toe. Wie in de Jordaan stapt moet keuzes maken, op leven en dood. Moet oversteken, er doorheen gaan, stroomopwaarts leren zwemmen, tegen de dood in. ‘Sjema Israël!’ ‘Luctor et emergo’. ‘Verzet en overgave’. Vechten tegen alle doodscultuur. Troonsafstand doen. En vanuit de laagste plaats die je vrijwillig ingenomen hebt, goed nieuws brengen voor al wie aan de overkant geen leven heeft…

Soms denk ik dat wij ons op dat punt in ons doopsel vergissen. Wij spreken van het doopsel als een sacrament dat consequenties heeft. En pleiten steeds meer voor een doopsel op volwassen leeftijd. Of tenminste voor een hernieuwing van onze doopbeloften op het moment dat we in staat zijn om echte keuzes te maken. Wij denken en belijden ook dat wij sinds ons doopsel onvoorwaardelijk en voorgoed mogen geloven dat wij van Iemand zijn, dat wij in principe voorgoed genezen zijn van alle kwalen en gereinigd van alle zonden. En dat is zonder meer waar.

Maar evenzeer is waar (en daar wordt minder nadruk op gelegd) dat je als gedoopte en gekerstende voortaan de gang naar beneden aangeleerd hebt als de enige weg die naar ‘leven in overvloed’ leidt. En dat je je voortaan verbonden weet met en verantwoordelijk voor elk mensenkind dat daar beneden staat – het meest en eerst met de minsten van allen.

Wij zijn in onze kerk zopas begonnen aan een cyclus van twee jaren omtrent de sacramenten. Vergeten we vooral het ‘achtste sacrament’, dat van de voetwassing niet? We moeten voorgoed van dit wondere schriftverhaal over de huidzieke officier uit het buitenland onthouden: de echte remedie is bij de profeten te vinden. Onze Kerk moet dus dringend weer een ‘profetische Kerk’ durven te zijn. En de enige echte therapie die ons hoe dan ook weer toekomst kan geven is: de diaconie…

Geert Dedecker

Toen ik een paar jaar geleden

op reis trok naar Griekenland

in de voetsporen van Paulus

kwam ik aan in Filippi

en nam daar deze foto

op de plaats waar Paulus

met een groepje mensen

voor de eerste keer

probeerde kerk te vormen.

Zo eenvoudig was het

en het ontroerde diep:

Afdalen in het water,

je laten onderdompelen en dopen

in de stroming van het leven,

en dan weer recht krabbelen en opklimmen.

Meteen zie je een klein tafeltje staan

daar aan de overkant

en je wordt uitgenodigd

om zo goed mogelijk gemeenschap te maken

met de mensen die je gegeven zijn…



Afdalen en opklimmen

Stil houden bij het water

ootmoedig afdalen

van de trappen

en

in het water gaan staan



je laten

onderdompelen

doordrenkt worden

van het troebele water

in de stroom staan

van het leven zelf

van de beperkingen

tekortkomingen

van het nog niet…
Water ervaren

als bron van nieuw leven,

niets ter wereld is zo zacht

en soepel als water.

Om het harde

het onbuigzame

op te lossen

gaat er niets boven water.

Water … meer dan druppels.

Water valt uit de hemel

weldoend en zegevierend

lavend en verfrissend.


Dat Uw Geest

als water over ons wordt uitgegoten.

Dat we eindelijk herboren worden.

Afdalen

en na de onderdompeling

voorzichtig opklimmen

met een vernieuwde tred

naar de mensen toe,

naar de tafel van gemeenschap.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina