Deel van 327 grm: 3/8 × 327



Dovnload 26.42 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte26.42 Kb.

Hoofdstuk 1


3/8e deel van 327 GRM: 3/8 × 327

2 3/8e × 115 GRM: (2 + 3/8) × 115

23 × 45 : 16 × 7 GRM: (23 × 45) : (16 × 7)

18 : 3/4e GRM: 18 : (3/4)
verhoudingstabel

8

1

23

36




?

Verdeel 25 euro in de verhouding 3:5. 3:5 betekend 3 delen en 5 delen, dus in totaal 8 delen.

3/8e deel van 25 = 3 : 8 × 25 of 25 : 8 × 3

5/8e deel van 25 = 5 : 8 × 25 of 25 : 8 × 5


procenten: kan met verhoudingstabel. €480 euro zonder 19%. Prijs met btw ?


480




?

100

1

119

? = 480 : 100 × 119


Tijden

jaar maand dag uur minuut seconden


standaardvorm (wetenschappelijke notatie)

3 × 10^5 = 3 00 000 GRM 3E5

6,1 × 10^-3 = 0, 00 61 GRM 6,1E-3



Hoofdstuk 2 gebruik van de GRM


Altijd opschrijven: Y1 = …

Y2 = …
Gebruik: calc, intersect > snijpunt berekenen

Calc,minimum > minimum berekenen

Calc, maximum > maximum berekenen


Denk altijd goed na over je Window
Oplossen via GRM: Y1: …

Y2: … calc, intersect.


Vb. f(x) = x² - 0,5 x

Let op f(x) = 7


Window: Ymin: 0

Ymax: 14 > je wilt 7 te zien krijgen

Xmin: -10

Xmax: 10
Calc, intersect 2x: X = -2,41

X = 2,91
Grafieken: eigenschappen (zie bladzijde 38 theorie)
Toename diagram
‘grafiek met vlaggenmasten’
|

| |


| | |

| | | | |

| | | | | |

| | | | | | | |

| |

| |


Hoofdstuk 7 Statistiek

Absolute getallen: ‘echte’ hoeveelheid

Relatieve getallen: aantallen in procenten
Grafieken: lijndiagram: frequentiepolygoon

Staafdiagram: histogram

Cirkeldiagram: (altijd in procenten)
Klassenindeling: let op: klassenbreedte

Klassenmidden


Lijndiagram getal boven het klassenmidden tekenen

Staafdiagram getal boven het klassenmidden tekenen


Cumulatief/ frequentiepolygoon = somfrequentie polygoon. Deze kan zowel bestaan uit absolute als relatieve getallen.
Teken op de rechter klassengrens

Berekeningen:


Centrummaten: modus (modale klasse): meest voorkomende

Mediaan: alles op een rijtje (klein naar groot) en dan het middelste getal

Gemiddelde: alle bij elkaar : het aantal getallen
Spreiding: rondom gemiddelde: standaardafwijking / standaarddeviatie

Rondom mediaan: boxplot





Min Q1 mediaan Q3 max


GRM: STAT, EDIT

L1: waarnemingsgetallen

L2:frequentie (hoe vaak komt deze waarneming voor)
STAT, CALC, 1-VAR STATS, L1, L2.

Geeft onder andere weer: x = gemiddelde

Ox = standaardafwijking / standaarddeviatie

Samenvattingen uit het boek hoofdstuk 1,2,7 en 8




Hoofdstuk 1


Bij het rekenen met procenten en verhoudingen is een verhoudingstabel handig. Je kunt van de ene kolom een volgende kolom van de verhoudingstabel krijgen door met een getal te vermenigvuldigen, of door een getal te delen.
Als je rekent met procenten kun je gebruik maken van een verhoudingstabel. Bedenk eerste welke getallen je in die verhoudingstabel zet.
Grote getallen worden vaak in de standaardvorm geschreven. Machten met een negatieve exponent worden gebruikt bij het opschrijven van heel kleine getallen in de standaardvorm.
Als je 2/5e deel van 120 leerlingen uit wilt rekenen. Kun je dat doen door eerst 1/5e deel uit te rekenen of door van 2/5 deel eerst een decimaal getal te maken.
Als je bijvoorbeeld een geldbedrag van 175 euro in verhouding 2 : 5 wilt verdelen, dan gaat van elke 7 euro 2 euro naar de een en vijf euro naar de ander. De een krijgt dus 2/7e deel dat is 2/7 × 175 = 50 euro en de ander 5/7e deel, dus 125 euro.
Bij het rekenen met procenten kun je een verhoudingsgetal gebruiken. Bepaal de factor waarmee een kolom of rij moet worden vermenigvuldigd om een andere kolom of rij te krijgen.
Met een tijd van 3.12.34,5 uur bedoel je 3 uur, 12 minuten en 34,5 seconden. Als je 1 uur en 15 minuten als kommagetal noteert schrijf je 1,25 uur (15:60= 0,25)
Grote getallen en kleine getallen schrijf je vaak in de standaardvorm of wetenschappelijke notatie. Het getal wordt dan geschreven als een product van een getal tussen 1 en 10 met een macht van 10.

Hoofdstuk 2


Als je een grafiek met een rekenmachine of computer maakt dan heet dat plotten. Een grafiek schetsen houdt in dat je het verloop van de grafiek in een assenstelsel aangeeft. Als je een grafiek tekent dan maak je eerst een tabel. De punten uit de tabel teken je in een assenstelsel en verbind je met een vloeiende lijn. Let bij schetsen en tekenen op kenmerkende punten als een top of dal en snijpunten met de assen.
Een grafiek die niet constant is, kan op verschillende manieren stijgen of dalen. Er zijn zes verschillende manieren van stijgen en dalen: constants stijging/daling, toenemende stijging/daling, afnemende stijging/daling.
Een maximum is een hoogste waarde. De grafiek gaat in een top over van stijging naar daling. Een minimum is een laagste waarde. De grafiek gaat dan over van een daling in eens stijging.
Als de variabelen in een formule betekenis hebben, zoals tijd of hoogte, neem je alleen zinvolle waarden voor die variabelen. Ligt de vensterinstelling niet voor de hand, maak dan eerst een tabel. Zorg dat je de kenmerkende punten van de grafiek ziet.

Kenmerkende punten van een grafiek zijn snijpunten met de assen en toppen of dalen. Voor het berekenen van de x-coördinaat van een snijpunt met de y-as stel je x=0. de rekenmachine heeft opties om kenmerkende punten van een grafiek te vinden.


Lineaire vergelijkingen los je zonder rekenmachine op. Voor het oplossen van andere vergelijkingen kun je de rekenmachine gebruiken.
Toenamen en afnamen kun je weergeven in een toenamediagram. Bij toename teken je de staafjes omhoog, bij afname omlaag. Een toenamediagram maakt veranderingen zichtbaar. De staafjes horen bij de rechter grenzen.

Hoofdstuk 7


Bij een aselecte steekproef onderzoek je een deel van een grotere groep, waarbij elk exemplaar uit de groep evenveel kans heeft om in de steekproef terecht te komen.
De absolute frequentie is het getelde aantal, de relatieve frequentie is een percentage of promillage. Data worden vaak ingedeeld in klassen.
Het gemiddelde, de mediaan en de modus zijn voorbeelden van centrummaten.
De mediaan en de kwartielen Q1 en Q3 verdelen de waarnemingsgetallen in vier even grote groepen. Deze verdeling kun je in beeld brengen met een boxplot. Een vaak gebruikte spreidingsmaat is de standaarddeviatie of standaardafwijking. De korte notatie is SD of O. de spreidingsbreedte is het verschil tussen de hoogste en de laagste waarneming.
Het totaal van alle frequenties van waarnemingsgetallen vanaf het kleinste waarnemingsgetal heet de cumulatieve frequentie of somfrequentie. De grafiek van de cumulatieve frequenties heet een cumulatieve frequentiepolygoon. Bij een indeling in klassen moet je de punten altijd boven de rechter klassengrenzen zetten.

Hoofdstuk 8


Wanneer je in een frequentiepolygoon een vloeiende kromme tekent die de verdeling goed weergeeft, dan krijg je soms een klokvorm. De belangrijkste kenmerken van een klokvormige verdeling zijn:

> de verdeling is symmetrisch

> de symmetrieas ligt precies bij het gemiddelde

> rond het gemiddelde liggen veel gegevens

> hoe verder waarnemingen of metingen afliggen van het gemiddelde hoe minder vaak

ze voorkomen


een normale verdeling is een klokvormige verdeling waarbij de volgende twee vuistregels gelden:

1. van de date ligt 68% tussen het gemiddelde min de standaarddeviatie en het gemiddelde plus de standaarddeviatie



2. van de date ligt 95% tussen het gemiddelde min twee keer de standaarddeviatie en het gemiddelde plus twee keer de standaarddeviatie
met de vuistregels kun je de oppervlakte onder de grafiek van een normale verdeling opsplitsen in zes stukken. Deze opsplitsing kun je gebruiken bij het schatten van een oppervlakte, een grenswaarde, een gemiddelde of een standaarddeviatie




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina