Definitieprobleem: geen vastomlijnde definitie, iedereen heeft zijn eigen interpretatie, cultuurgebonden



Dovnload 0.53 Mb.
Pagina1/3
Datum22.08.2016
Grootte0.53 Mb.
  1   2   3

Arbeidssociologie: Work & Society

College 1: De sociologie van werk
Wat is werk?

  • Definitieprobleem: geen vastomlijnde definitie, iedereen heeft zijn eigen interpretatie, cultuurgebonden

  • Veranderende betekenis van werk doorheen de tijd

  • Veranderingen in werk


Wat is sociologie?

  • De sociologische verbeeldingskracht (C.W. Mills = Amerikaanse socioloog)

    • = het kunnen bedenken van bredere sociale contexten bij individuele handelingen en concrete sociale verbindingen, d.i. beiden kunnen situeren in meer omvattende, sociaal en geografisch ver uitdijende netwerken

    • = individuele keuzen en sociale afhankelijkheden samen kunnen denken (bv. de politiek is misschien een ver van ons bed show maar haar beslissingen kunnen ons leven drastisch beïnvloeden)

    • Veronderstelt ‘decentrering’: afstappen van een egocentrisch maatschappijbeeld (= de samenleving bestaat uit een reeks van concentrische cirkels van anderen rondom een ego; met elke nieuwe cirkel groeit de sociale afstand en daalt de sociale betrokkenheid)

    • Dankzij sociologische verbeeldingskracht kan men zichzelf observeren als knooppunt van en in menigvuldige sociale bindingen of verbanden

      • knooppunt van: verzameling van deels vluchtige, deels duurzame relaties waarvan sommige bij haar of hem vertrekken of uitkomen (men heeft een grote invloed op het totale netwerk)

      • knooppunt in: verzameling van deels vluchtige, deels duurzame relaties waarvan sommige hem of haar volkomen overstijgen (men is slechts een kleine schakel in het totale netwerk)




  • De sociologische blik

    • Streefdoel: waarderingsvrije, veralgemeenbare en empirisch toetsbare kennis over het studieobject

    • Sociologie als kritische discipline

    • Focus op algemene kenmerken van gelijksoortige sociale bindingen of verbanden en hun gevolgen voor individuen (empirisch gedekte verklaringen van sociale problemen reiken ook meteen mogelijke wrikijzers voor hun oplossing aan; wie reële oorzaken kent, kan immers steekhoudende remedies formuleren en doelgericht tussenkomen)




  • Aantal concepten en analytische tools om de maatschappij en werk in de maatschappij te bestuderen


College 2: Werk theoretiseren
Inleiding

  • Doelstelling:

    • Inzicht in de noodzaak om arbeid te theoretiseren

    • Inzicht in de sociologische benadering van arbeid:

      • Kenmerken van de sociologische benadering

      • Klassieke theorieën

      • Meer recente theoretische ontwikkelingen


De sociologische missie

  • Het theoretiseren van arbeid

  • Een sociologische benadering van arbeid

    • Theoretisch pluralisme (sociologen hanteren uiteenlopende, zelfs botsende referentiekaders; de ene socioloog ziet hetzelfde daarom soms hélemaal anders dan een collega-socioloog)

    • Basisvraagstukken, die kenmerkend zijn voor de sociologische benadering (binnen ieder referentiekader komen dezelfde vragen terug; dit zijn de empirische fundamenten van de sociologie; de gegeven antwoorden verschillen wel per sociologische stroming):

      • Sociale orde en sociale ongelijkheid

      • De invloed van gestructureerde sociale relaties op het persoonlijk leven

      • Het genereren van algemene en empirisch onderbouwde sociologische kennis

      • Sociologie als tijdsdiagnose




  • Basisvraagstukken:

    • Sociale orde en sociale ongelijkheid

      • Sociale orde (=/ sociale harmonie of sociaal evenwicht):

        • = het op elkaar betrokken zijn en de coördinatie van het handelen van actoren in sociale verhoudingen of verbanden (zowel vriendschappelijke als tumultueuze sociale relaties)

        • Hoe komt sociale ordening tot stand? (bv. ruzies komen vaak tot stand juist doordat mensen op een geordende manier samenwerken en daarom veelvuldig contact hebben)

        • Algemene verklaringen of oorzaken formuleren voor het bestaan van sociale ordening, regelmaat, voorspelbaarheid en berekenbaarheid

      • Sociale ordening en sociale ongelijkheid als twee zijden van één medaille


  • Basisvraagstukken:

    • Sociale orde en sociale ongelijkheid

      • Sociale ongelijkheid

        • = de scheve verdeling van zowel sociaal geapprecieerde zaken als van sociale appreciatie in dezelfde verhouding of hetzelfde verband

          • Objectieve kant van sociale ongelijkheid: de ongelijke verdeling van schaarse én hooggewaardeerde zaken in een sociaal verband (bv. topsalarissen van leidinggevende managers tov alle andere werknemers, macht, kennis, privileges)

          • Subjectieve kant van sociale ongelijkheid: de ongelijke waardering en behandeling van mensen (bv. verschil in aanzien binnen een schoolklas tussen de goedgebekte leerlingen en hun minder praatvaardige klasgenoten, status)

          • => Objectieve en subjectieve ongelijkheid gaan meestal samen: de machtige, de rijke, de geleerde.. staat in hoog aanzien. Meestal is echter niet altijd. Sociaal prestige duidt op sociale (min)achting en is dus sterk moreel geladen. De machtige die zijn positie geregeld misbruikt, zal misschien veel angst inboezemen maar weinig aanzien genieten.

        • Sociale ongelijkheid op samenlevingsniveau:

          • Scheve verdeling hangt samen met beroepsposities

            • De verdelingen van bezit, kennis en macht lopen goeddeels in de pas (wie bovenaan de maatschappelijke ladder staat heeft meestal een bovenmodaal inkomen, een hogere opleiding en gezag over anderen)

          • Sociale stratificatie en klassen (stratum= een groep van ongeveer gelijke sociale posities)

            • Deze 3 dimensies verkeren wel gedurig in welbepaalde beroepen, namelijk in één enkele cluster van beroepen die hoog scoren qua inkomen, diplomaniveau en gezag




  • Basisvraagstukken:

    • De invloed van gestructureerde sociale relaties op het persoonlijk leven

      • Socialisatie = ‘sociaal worden’ door zich in verhouding met anderen sociaal gewenst handelen eigen te maken én sociaal ongewenst handelen gaandeweg na te laten.

    • Het genereren van algemene en empirisch onderbouwde kennis

      • Kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden

      • Met verschillende niveaus tegelijkertijd rekening houden (micro, meso, macro)

      • Combinatie van diverse theoretische benaderingen in de empirische studie van werk




  • Basisvraagstukken:

    • Sociologie als tijdsdiagnose

      • Kritische reflectie van de hedendaagse samenleving

        • Röntgenfoto van de samenleving --> de structuurkenmerken van onze maatschappij en hoe die deels met elkaar samenhangen

        • Diagnose van structurele veranderingen

      • Aandacht voor historische processen: om eender welke huidige situatie te begrijpen is het noodzakelijk om het betrokken historische proces te kennen


Grondleggers van de arbeidssociologie

  • Karl Marx (1818 – 1883):

    • Een reflectie op het kapitalistisch systeem

    • Inspiratie:

      • Franse (vroeg utopische; want ideeën zijn nooit werkelijkheid geworden) socialistische theorie

      • Britse politieke economie (Adam Smith; Wealth of Nations --> zo moet het niet)

      • Duitse filosofie (Hegel; these + antithese = synthese --> een willekeurige situatie (these) lokt een reactie uit (antithese), beide zijn niet perfect maar gaan samensmelten tot een andere, mogelijk betere situatie)

    • Sociale relaties zijn ingebed in economische systemen

      • Arbeid als centraal concept om een inzicht te verwerven in het menselijk bestaan en sociale relaties in de maatschappij

      • Economische basis van een maatschappij en machtsverhoudingen als verklaring voor sociale relaties en hiërarchieën  economische basis vs bovenbouw

    • Antagonistische relatie tussen bezitters en niet-bezitters van productiemiddelen

      • Idee dat dit antagonisme zou leiden tot het verval van de kapitalistische maatschappij

    • De aard van werk in de kapitalistische economie

      • Arbeidsdeling (= decentralisatie)

      • Vervreemding (door arbeidsdeling; iedereen doet slechts een klein aspect van het productieproces wat voor de mens leidt tot vervreemding van zichzelf, zijn product en zijn arbeid (productieproces)).

        • Leidt tot uitbuiting: de lagere helft van de bevolking kan niks meer omwille van vervreemding; dit zorgt ervoor dat de hogere klasse het proletariaat gaat uitbuiten. Uiteindelijk zal het proletariaat in opstand komen (tijdelijke dictatuur van het proletariaat) wat zal leiden tot een klasseloze maatschappij.

    • Het arbeidsproces

      • Kapitaal koopt arbeidskrachten in

      • Kapitalisme als een systeem van uitbuiting

      • Centraal: de arbeidsverhouding (verhouding arbeid-kapitaal)

    • Kern van het kapitalisme: ongelijkheid tussen arbeid en kapitaal => omverwerping van het kapitalistisch systeem




  • Emile Durkheim (1858 – 1917)

    • Een reflectie over het effect van de transitie naar een kapitalistische maatschappij op individuen en de sociale groepen waarvan ze deel uitmaken

    • Sociale fenomenen = sociale feiten

    • Arbeidsdeling als belangrijk concept

    • Visie op sociale orde:

      • Mechanische (gemaakte solidariteit) vs organische (natuurlijk groeiende) solidariteit

        • In een niet-industriële samenleving waar iedereen zijn eigen taak heeft en deze zelf volledig afwerkt, hebben mensen elkaar minder nodig (=mechanische solidariteit) <-> bij arbeidsdeling krijgt iedereen zijn eigen specialisatie in de samenleving -->(organische solidariteit=) mensen worden afhankelijker van elkaar (natuurlijk proces)

        • Transitie naar een moderne industriële samenleving gaat gepaard met transitie van mechanische naar organische solidariteit

        • Paradox van individuele vrijheid vs afhankelijkheid (mensen konden een gevoel van grotere individuele vrijheid bereiken maar waren nog steeds afhankelijk van de maatschappij; ze konden dit gevoel van vrijheid enkel bereiken door deel uit te maken van een gemeenschappelijk keten (specialisatie))

      • Meritocratische principes als basis voor ideale maatschappij en arbeidsdeling

        • Meritocratie = de hardste werker zou het meeste geld en de hoogste functie moeten hebben

      • Potentieel problematische karakter van sociale orde:

        • Mogelijkheid van inadequate arbeidsdeling (mensen komen op een arbeidspositie waar ze de capaciteiten niet voor hebben en die ze niet verdienen door bv. kapitaal (rijke papa) of sociale positie, dit zorgt voor spanning en conflicten in de maatschappij)

        • => Toestand van anomie!

          • Anomie = een gemoedstoestand van individuen die gekenmerkt wordt door afwezigheid of afwijzen van standaarden of waarden

        • => Belang van professionele organisaties die bemiddelen tussen staat en individu




  • Max Weber (1864 – 1920)

    • De ontwikkeling van het ‘Westerse’ kapitalisme

      • Verklaring: Samenspel van een aantal onderling gerelateerde factoren, geloofssystemen en handelingen.

      • De protestantse werkethiek als cruciale factor: Het protestantisme verschilt met het christendom in die zin dat volgens de protestanten er een groep ‘verkoren’ mensen waren die in de hemel geraakten, de rest zou sowieso naar de hel gaan. Het probleem was dat men op voorhand niet wist of men uitverkoren was of niet. De protestanten probeerden tot deze groep uitverkorenen te behoren door zeer hard te werken en zich goed te gedragen. Een aspect hiervan was moreel conservatisme, zeker op vlak van overmatig consumeren. De protestanten kenden een sobere levensstijl die gekenmerkt werd door zelfdiscipline en toewijding aan een bepaalde beroep.

    • Het interpretatieve uitgangspunt en methodologisch individualisme

      • Centraal: individuen en hun interpretaties; subjectieve betekenisgeving

    • Ideaaltype: een analytisch model dat een ‘ideaal’, puur concept vergelijkt met hoe het er in realiteit aan toe gaat; dit model maakt het mogelijk om bepaalde fenomenen te classificeren en te vergelijken en is onpersoonlijk

    • Bureaucratie: kapitalisme werkt enkel als bedrijven geleid worden volgens duidelijke afspraken met gespecialiseerde functies en hiërarchieën. Een aantal kenmerken dat zo’n modern bedrijf volgens Weber nodig heeft zijn:

      • Arbeidsdeling over verschillende posities

      • Hiërarchie: duidelijk aangegeven wie welke verantwoordelijkheid heeft

      • A-persoonlijk: beslissingen worden gemaakt met het oog op besturen, niet op basis van persoonlijke aangelegenheden; daarom kan men zich bij een beslissing beroepen op een formele instelling voor regels en reglementen

      • Niet productieve overhead: gespecialiseerde administratieve staf; houdt zich niet direct bezig met het produceren van dingen binnen het bedrijf

      • Onpersoonlijke uitvoering rol: klanten zijn zaken, men mag geen rekening houden met persoonlijke meningen want deze belemmeren het rationeel oordelen

      • Loopbaanpaden op basis van technische bekwaamheid: job voor het leven op basis van kwalificaties en vaardigheden, niet door politieke of familiale connecties; vaardigheden worden getest door examens

    • The iron cage (houdt individuen gevangen in systemen die puur op efficiency, rationele berekeningen en controle gebaseerd zijn = onpersoonlijk van de moderne organisatie) met voor- en nadelen:

      • Voordelen:

        • Beslissingen worden objectief genomen, aan de hand van officiële regels en instellingen

      • Nadelen:

        • Vaak onmenselijk, geen rekening met de gevoelens van de betrokken personen

    • Rationaliteit

      • Rationeel en berekend handelen als kenmerk van industriële maatschappijen

      • 4 vormen van handelen:

        • Traditioneel: uit gewoonte

        • Affectief: uit emoties

        • Waarderationeel: uit bewust geloof in een waarde of principe (bijv. religie)

        • Doelrationeel: als gevolg van berekende verwachtingen of gedrag van andere objecten en mensen; een afweging van doelen en middelen

      • Rationalisatieprocessen

        • Arbeidsdeling

        • Bureaucratie




  • Klassieke theorie en theorieën over werk

    • Reflectie over de transitie naar een industriële, kapitalistische maatschappij  Essentieel in deze transitie zijn de veranderingen in werk en werkplaats

    • Verregaande impact op de arbeidssociologie

      • Groeiende scheiding tussen de publieke (man) en private (vrouw) sfeer leidde tot de geboorte van de arbeidssociologie

    • Thema ‘gender’

      • Publieke sfeer: de man is van nature rationeel, actief en competitief en dus geschikt voor het publieke leven

      • Private sfeer: de vrouw is van nature irrationeel, passief en emotioneel en dus geschikt voor de private sfeer van het huishouden

      • Natuurlijk vrouw/ culturele man dichotomy: de eerste sociologen hielden zich voornamelijk bezig met de publieke sfeer en hun ideeën werden bepaald door het geloof dat man en vrouw van nature verschillend waren

        • Durkheim; The Division of Labour: ‘Women and Men are carrying out their own nature’

      • Founding mothers?

        • Ook al waren er verschillende vrouwen die over de sociologische thema’s van die tijd schreven toch was hun impact minimaal

        • Harriet Martineau: schreef over positivisme en methodiek, slavernij, kapitaal en arbeid, de degradatie van de vrouw (‘The progression of emancipation of any class usually, if not always, takes place through the efforts of individuals of that class’)

        • Marianne Schnitger-Weber: eigen sociologie teksten en een biografie van haar sociologische echtgenoot, Max Weber

        • Mary Wollstonecraft; The Vindication of the Rights of Woman: pakt de conditionering van meisjes tijdens hun jeugd aan, ze beweert dat de onderwerping van vrouwen noch onvermijdelijk noch natuurlijk was


Latere ontwikkelingen

  • Scientific Management; Taylor:

    • = Het productieproces rationaliseren door een perfect systeem voor eender welke taak te creëren

      • Als de machines binnen een bedrijf efficiënt werken terwijl de arbeiders ze rationeel bedienen dan zal dat bedrijf goed draaien en de arbeiders belonen

    • Neutraal systeem waarvan zowel werkgever als werknemer kunnen profiteren

      • Werkgever: grotere output en meer efficiency

      • Werknemer: loonsverhoging en bonussen

    • Opmerking: Taylor gaat ervan uit dat mensen rationeel werken --> als je ze meer betaald zullen ze ook harder werken; hij vergeet rekening te houden met andere motivaties en ideeën waarom mensen werken




  • Structureel functionalisme

    • Oorsprong in de sociologie van Durkheim

    • Prominente figuren: T. Parsons, N. Luhmann

    • Een theoretische benadering van de wereld, waarin maatschappijen (industriële organisaties) begrepen worden als sociale systemen. De sociale structuren in deze systemen hebben een functionele rol in de zin dat ze bijdragen aan de creatie en reproductie van (delen van) het sociale systeem.

    • Invloed op sociologische studies van werk

      • Hawthorne experiment: onderzoek naar de relatie tussen output en variaties in de productie-input (belichting, verwarming, loon).

        • Formele aspecten van de organisatie: systemen, beleidspolitiek, regels

        • Informele aspecten van de organisatie: alle sociale aspecten en relaties die formeel niet erkend zijn

    • 2 kritieken:

      • Geeft geen verklaring voor conflicten binnen organisaties

        • Vertrekt vanuit het standpunt dat evenwicht binnen een organisatie de normale situatie is dat als er conflicten ontstaan bepaalde factoren verwijderd of verbeterd moeten worden

      • Verstoffelijkt de organisatie alsof het behoeften en doelen heeft onafhankelijk van de mensen die het bedrijf uitmaken




  • (Symbolisch) interactionisme en etnomethodologische tradities

    • Oorsprong in de sociologie van Weber

      • ‘Betekenisvol begrijpen’: serieus omgaan met wat mensen zelf begrijpen over de situatie waarin ze zichzelf bevinden, om zo hun acties en ideeën te kunnen interpreteren

    • Conceptualiseren micro-interacties in sociale settings en reflecteren over hoe deze gerelateerd zijn aan bredere sociale fenomenen.

    • Symbolisch interactionisme:

      • Verklaart sociale actie en interactie als de uitkomst van betekenis die voorkomt uit sociale processen. Deze betekenissen worden geïnterpreteerd en geconstrueerd via sociale interactie.

      • Prominente figuren: Vb Chicago School  G.H. Mead, H. Blumer, E. Goffman

    • Etnomethodologie:

      • De idee dat actoren kennis hebben inzake hun rol in de sociale wereld. Etnomethodologen zijn geïnteresseerd in de tacit knowledge (=stilzwijgende kennis) van actoren en hoe individuen deze kennis gebruiken in de dagdagelijkse interactie met anderen.

      • Prominente figuren: Vb H. Garfinkel




  • Machts- of conflictparadigma

    • Oorsprong in de sociologie van Marx

    • Prominente figuren: vb H. Braverman

      • Debat rond deskilling (= to eliminate the need for skilled labor by the introduction of high technology) van arbeid: enkel het management beheerst de kennis hoe arbeid uitgevoerd zou moeten worden, ze beslissen hoe de machines gebouwd moeten worden en hoe deze moet werken; de arbeider zou achterblijven met een versimpelde functie

      • ‘Labor and Monopoly Capitalism’: klassieker binnen de arbeidsdiscussies maar kritiek op!

        • Gaat ervan uit dat wat de focus zou kunnen worden ook de focus zal zijn, terwijl hij andere methoden en aanpak negeert

          • Generalisaties over de arbeid van de afgelopen eeuw

          • Gebrek aan aandacht voor eventuele weerstand tegen deze trends

          • Impliceert dat het management geobsedeerd is door deskilling eerder dan productie

          • Gebrek aan aandacht voor subjectiviteit

  • Feministische theorie:

    • Verschillende soorten ‘feminismen’:

      • Eerste feministische golf: 19e en 20e eeuw campagnes voor emancipatie, toegang tot onderwijs en openbaar bestuur

      • Tweede feministische golf: kwam op in ’70 zowel in Europa als in Amerika

    • Tweede golf feministen:

      • Veronica Beechey (1977) & Irene Beugel (1979):

        • Baseren zich op Marx’ theorie: kapitalisme heeft een reserve ‘leger’ van arbeidskrachten nodig dat gebruikt kan worden in hoogconjunctuur en ontslagen kan worden in laagconjunctuur --> vrouwen zijn ideaal want privéleven is 1e prioriteit

      • Sayers (1987):

        • Ook marxistische kijk: de onderdrukking van de vrouw is voortgekomen uit de exploitatie van verschillende klassen; eenmaal vrouwen geïntegreerd zijn in de arbeidsmarkt zullen ze zich verenigen met mannen en samenwerken voor een socialistische toekomst van gelijkheid



      • Sylvia Walby (1986)

        • Geslacht staat los van sociale klasse en is een onafhankelijke bron van ongelijkheid --> geslacht moet een eigen theorie krijgen

          • Baseert zich op eerdere patriarchaat modellen van Heide Hartmann (1979) & Christine Delphy (1977)

          • De sleutelkenmerken van patriarchaat vindt men in:

            • Huiselijk werk

            • Betaald werk

            • De staat

            • Mannelijk geweld

            • Seksualiteit

            • Culturele instellingen

            • ==> Deze 6 kenmerken komen samen in een complex systeem van patriarchie

          • Gedifferentieerde patriarchaten: om te herkennen dat de vorm en intensiteit te waarin vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen niet uniform is doorheen tijd en plaats

            • Private patriarchen: mannen buiten vrouwen voornamelijk in de private sfeer uit

            • Publieke patriarchen: vrouwen worden vooral onderdrukt op de arbeidsmarkt

          • Hoewel geslacht losstaat van klasse moet volgens Walby het systeem van patriarche relaties toch gezien worden in context met een kapitalistisch systeem ==> Walby (& Hartmann) = dual system theorist

          • Hartmann (1979): ‘The unhappy marriage of Marxism and Feminism’


Hedendaagse thema’s en toekomstige trends

  • McDonaldization (Ritzer; The McDonaldization of Society; 1998)

    • Ideeën van zowel Weber als Marx

    • Geeft huidige ontwikkelingen weer van het sociale en economische leven

      • Het werk van vandaag wordt op dezelfde manier afgebroken, versimpeld en gerationaliseerd als bij een fastfoodketen

    • Vergeet rekening te houden met de sociologische contradicties op de werkvloer

      • Hoe weerstaan arbeiders controle

      • Problemen die het management heeft met de staff te controleren

  • Poststructurele en postmoderne ontwikkelingen

    • Postmodernisme staat ongelovig tegenover de grote theorieën van sociale veranderingen (=meta-narratives); nieuwe nadruk op de fragmentatie van sociale klassen

    • Bauman: Postmodernisme ziet de wereld als onherleidbaar en onherroepelijk pluralistisch (= een systeem dat het naast elkaar bestaan van verschillende principes en overtuigingen erkent), opgesplitst in verschillende zelfstandige eenheden en sites van autoriteit, zonder enige vorm van hiërarchie of verticale orde.

    • ‘Middle level’ theoretiseren van ongelijkheid op basis van geslacht: ipv patriachische discussies gender systemen en gender contracten.

      • Proberen te verklaren hoe een scala van instituties (inclusief familie, industriële en emotionele relaties) samenkomen op verschillende manieren - verschillende tijdstippen en plaatsen - samenkomen om geslachtsgebonden werkpatronen te creëren thuis en op het werk

    • Michael Foucault: controversieel werk; zijn werk heeft ervoor gezorgd dat actuele denkers ideeën ontwikkelden over macht, waarneming en discipline (vooral zelfdiscipline)

    • Voor- en tegenstanders:

      • Voorstanders: postmodernistische kijk laat toe om nuances en verschillen te zien

      • Tegenstanders: hebben schrik dat een belangrijke bekwaamheid verloren gaat, alle kennis zou relatief worden

    • Postmodernistische kijk heeft ervoor gezorgd dat er een shift in focus is gekomen naar belangrijke kwesties voor de arbeidssociologie die tot dan toe genegeerd werden

  • Emotionele arbeid en de sociologie van emoties

    • Arlie Hochschild: The Managed Heart --> ‘emotional labour’

      • Theoretiseert de rol van emoties op de werkvloer en met nadruk het idee dat dienstverlening medewerkers steeds meer hun eigen emoties moeten controleren om een bepaald reactie van hun klanten uit te lokken

      • Interesse in emoties op het werk kan helpen om de ervaring van werkloosheid of deïndustrialisatie te begrijpen

  • Identiteit en werk

    • Hernieuwing van interesse owv de veranderingen in de sociale organisatie van werk, deïndustrialisatie en de impact die deze veranderingen hebben op de manier waarop individuen en groepen over werk praten

    • Werk is tegenwoordig niet langer de grootste bron van betekenis en identiteit

      • --> debat over het einde van betaald werk en de manieren waarop mensen zich uiten buiten de werkvloer om zo betekenis aan hun leven te geven

    • Michele Lamont (2000) & Randy Hodson (2001)

      • Pakken de kwestie van waardigheid op het werk theoretisch aan en ontwikkelen frameworks om dit te doen

    • Pierre Bourdieu (1999)

      • Focuste op de verschillende gevoelens en verknochtheid die arbeiders hadden voor hun werk

    • ==> Het gemeenschappelijk kenmerk van al deze studie is dat ze het belang van de ideeën en gevoelens die arbeiders voor hun werk hebben serieus nemen, zonder daarbij brede sociale en economische fenomenen uit te sluiten

  • Balans arbeid-privé

    • Miriam Glucksmann; Total Social Organisation of Work (TSOL)

      • Onderzoek naar de connecties tussen verschillende soorten werkactiviteiten, inclusief betaald werk, informeel en formeel werk, huiselijk werk; evenals verschillen in tijd en ruimte op gebied van werk

    • Feldberg en Glen (1979) vonden dat:

      • Gender model: uitsluitend gebruikt om het (arbeids)leven van vrouwen te verklaren; hun persoonlijke en familiale kenmerken werden gebruikt om hun werkgelegenheidsgedrag te verklaren

      • Job model: uitsluitend gebruikt om het leven van mannen te verklaren

      • ==> deze bipolaire visie waarin enkel rekening wordt gehouden met familie en werk wordt tegenwoordig afgewezen; het leven van mannen en vrouwen heeft veel meer belangrijke aspecten zoals ontspanning en gezondheid




  • Flexicurity

    • Flexibiliteit van de arbeid

      • Numerieke en functionele flexibiliteit

        • Numerieke flexibiliteit: gaat vooral over arbeidsvoorwaarden; het soort verhouding van werkgever en werknemer

        • Functionele flexibiliteit: gaat vooral over arbeidsinhoud; arbeidsdeling speelt een belangrijke rol

      • De 2 gezichten van flexibilisering

    • Flexibiliteit koppelen aan werkzekerheid

      • Nieuwe visie op werkzekerheid: employability

  • Sociale innovatie

    • Context: krapte op de arbeidsmarkt

    • Aandacht voor de ‘werkbaarheid’ van werk of ‘de kwaliteit van de arbeid’

      • = zowel in het werk, de werkomgeving als de organisatie zijn alle voorwaarden vervuld om zich goed te voelen bij het werk

      • Factoren die de kwaliteit van de arbeid bepalen:

        • Arbeidsinhoud: is het werk leuk, uitdagend; hoe de uitoefening van het werk ervaren wordt

        • Arbeidsomstandigheden: de omstandigheden waarin een werknemer moet werken

        • Arbeidsvoorwaarden: het geheel van door de werkgever en werknemer overeengekomen voorwaarden die men in acht neemt bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst, hetzij individueel, hetzij collectief

        • Arbeidsverhoudingen: de vormen van samenwerking en confrontatie tussen werkgevers en werknemers



College 3: Werk onderzoeken
Inleiding

  • Een sociologische benadering in onderzoek naar arbeid biedt zowel een brede kijk als diepgang

  • Onderzoek op micro-, meso- en macroniveau

    • Micro: sociologen bestuderen de gedetailleerde, sociale interactie tussen verschillende groepen

    • Meso: denkt na over de kenmerken van plaatsen waar werk wordt uitgevoerd

    • Macro: verschillen en gelijkenissen onderzoeken tussen verschillende gemeenschappen

  • Belang van de onderzoeksvraag

  • Verschillende methodologische benaderingen om de onderzoeksvraag te beantwoorden



De sociologische missie

  • 2 epistemologische en ontologische posities:

    • Positivistische benadering

      • De sociale realiteit is objectief en extern aan individuen

    • Interpretatieve benadering

      • De sociale realiteit is onderhevig aan verandering en komt voort uit handelingen van individuen


Grondbeginselen

  • Positivistische traditie

    • A. Comte, E. Durkheim

    • Idee: causale wetten genereren om sociale fenomenen te verklaren

    • Durkheim: de maatschappij is een sui generis: een object zelf dat apart staat van en vormgeeft aan individuen

  • Interpretatieve traditie

    • M. Weber

    • Idee: Interpretatief begrijpen, verstehen

    • Legt nadruk op ideeën die leven in de maatschappij in tegenstelling tot een over-focus op het materialistische (Marx)

  • Marx: behoort tot geen van de 2 benaderingen (historisch materialisme)


Latere onwikkelingen

  • Kwantitatief onderzoek

    • Gelinkt aan de positivistische traditie (Comte & Durkheim)

    • Kenmerken:

      • Metingen

      • Causaliteit

      • Veralgemeenbaarheid

      • Reproductie van onderzoek

    • Primaire data-analyse

      • Survey-onderzoek als meest courante kwantitatieve methode

    • Secundaire data-analyse

      • Verdere analyse van een al bestaande dataset

      • Zowel studies die zich op arbeid focussen als algemene studies die een arbeid-subsectie hebben




  • Kwalitatief onderzoek

    • Gelinkt aan de interpretatieve traditie (Weber)

    • Focus op het begrijpen van de subjectieve betekenis van sociaal handelen; Focus op de betekenis van gedrag en attitudes

    • Kenmerken:

      • Hoe individuen hun eigen wereld interpreteren; de betekenis achter bepaalde gedragingen en houdingen

      • Gedetailleerde beschrijvingen

      • Onderzoek plaatsen binnen zijn sociale context

      • Het benadrukken van processen

      • Flexibiliteit

    • Een variëteit aan methoden

      • Interviews

        • Gestructureerd, semi-gestructureerd, ongestructureerd

        • Gemakkelijker te vergelijken

      • ‘Oral history’

        • Nadruk op de persoonlijke belevenis

        • Terkel: een van de beste mondelinge historici ter wereld

        • Voordeel: materiaal van grote kwaliteit

        • Nadeel: het geheugen is selectief en vervormt vaak herinneringen

          • ==> miss juist voordeel: Portelli; ‘errors, invention and myths lead us through and beyond facts to their meanings’

      • Etnografisch onderzoek

        • Participatief: de onderzoeker neemt actief deel in de onderzoeksgroep

        • Niet-participatief: de onderzoeker slaat de werkgroep gade

        • Overt: degenen die bestudeerd worden weten dat ze bestudeerd worden

        • Covert: de onderzoeker neemt deel aan de werkgroep maar vertelt aan niemand zijn ware identiteit

      • Visuele methoden

        • Als Illustratie:

        • Als bewijs

        • Inhoudsanalyse: de onderzoeker bekijkt een serie afbeeldingen en brengt een bepaald facet statistisch in beeld

        • Semiotiek: technische manier om afbeeldingen te ondervragen, hun betekenis en opbouw

        • Het gebruik van foto’s als hulpmiddel: manier om de ondervraagde los te laten komen en hem meer bij het proces te betrekken




        • Visuele etnografie

          • Foto’s: om bepaalde vaststellingen te illustreren

          • Video’s: het werk van de onderzoekers zelf bekijken




  • Mixed methods

    • Een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoekstechnieken

    • Idee: Sterkten van beide combineren, zwaktes elimineren

    • Soms spreken resultaten van kwantitatieve en kwalitatieve test elkaar tegen

      • Niet noodzakelijk probleem: inspirerend,gebruikt voor een grondigere analyse en om verschillende processen te identificeren




  • Ethische overwegingen

    • Over de behandeling van individuen naar wie of bij wie we onderzoek verrichten.

    • Voornaamste ethische kwesties:

      • Voorkomen dat schade berokkend wordt aan de participanten

      • Het verkrijgen van ‘informed consent’ --> de participant weet wat de risico’s zijn en geeft toestemming

        • Soms vrij moeilijk want:

          • Participant kan zich onnatuurlijk gedragen omdat hij weet dat hij wordt onderzocht (Hawthorne-effect vermijden)

          • De onderzoeker krijgt mogelijk geen toegang tot bepaalde organisaties omdat deze niet onderzocht willen worden

      • Aandacht voor het respecteren van privacy

      • Misleiding/bedrog voorkomen


Hedendaagse thema’s en toekomstige trends

  • Cross-nationaal comparatief onderzoek: vergelijkt één onderwerp in verschillende landen

    • Voordelen:

      • Maakt het mogelijk om bepaalde kwesties in verschillende socio-culturele omstandigheden te onderzoeken

    • Beperkingen:

      • Over-focus:

        • Kan ervoor zorgen dat belangrijke gelijkheden tussen verschillende landen verloren gaan

        • Kan ervoor zorgen dat men te weinig rekening houd met verschillen binnen één land, bijvoorbeeld binnen een regio, klasse of etniciteit

  • Longitudinaal onderzoek: veranderingen doorheen de tijd onderzoeken

    • Trend studies: dezelfde onderwerpen worden ondervraagd in vergelijkbare proeven doorheen de tijd

    • Panel studies: dezelfde mensen worden ondervraagd doorheen de tijd

  • Secundaire analyse van kwalitatieve data (kostenbesparend)

    • Vergemakkelijkt door de verdere ontwikkeling van analyserende computerprogramma’s

      • Meer gestructureerd

      • Sommigen vinden dat dit soort software tegen de geest van dit type onderzoek ingaat

  • Participatief onderzoek

    • Gebruikt om benadeelde groepen meer macht/zeggenschap te geven

    • Directe medewerking van gewone mensen

  • Autobiografisch schrijven

    • Veel materiaal van gewone mensen (kwaliteit verschilt)

    • Sommige beroepen zijn beter vertegenwoordigd dan andere

    • Handige bron om de veranderende natuur van arbeid te begrijpen doorheen de jaren

    • Oppassen voor wat wel en niet verteld wordt (zie oral history)

  • Het gebruik van internet in onderzoek

    • Etnografische studies van het internet

    • Kwalitatief onderzoek door gebruik te maken van online onderzoeksgroepen of persoonlijke interviews

    • Kwantitatief survey onderzoek via mail of website questionnaires

  • Qualitative Comparative Analysis

    • = een methode om in onderzoeksdomeinen met kleine of middelgrote steekproeven een systematische, comparatieve analyse van cases mogelijk te maken



College 4: Beelden over arbeid
Inleiding

  • Doelstelling:

    • Hoe arbeid op diverse manieren in kunstvormen en media wordt voorgesteld

    • Hoe een studie van ‘beelden over arbeid’ een meerwaarde kan betekenen voor het domein van de arbeidssociologie


De sociologische missie

  • Het gebruik van ‘beelden over arbeid’ kent een lange traditie

  • Vragen inzake de legitimiteit van ‘beelden over arbeid’ als bronmateriaal voor arbeidssociologen

  • Standpunt van de auteurs: Het gebruik van dergelijk bronmateriaal kan bijdragen aan een verbreding en verdieping van kennis over arbeid in het verleden, het heden en de toekomst; we mogen niet bang zijn om met nieuwe soorten materiaal, technieken en methodes te experimenteren


Grondbeginselen

  • Wat bedoelen we met beelden over arbeid?

    • Alle beschouwingen van werk als weergaven van de realiteit, maar wel een realiteit die gemedieerd wordt door artistiek talent en begrijpen

      • Nadeel: fictie; vertellen niet de waarheid of het volledige verhaal => voorzichtig met conclusies

      • Voordeel: inzicht in bepaalde problemen en omstandigheden; kunst benadrukt bepaalde aspecten van het onderwerp meer dan andere, dit laat toe om nieuwe inzichten te krijgen in bepaalde problemen en situaties

      • ==> Door te onderzoeken wat afwezig en aanwezig is in deze beelden komen we meer te weten over de relatie tussen maatschappij en werk, en de waarde die eraan gehecht wordt/werd

  • Mogelijkheden in de studie van beelden over arbeid

    • Afbeeldingen geven een inzicht in de houding van verschillende maatschappijen in verschillende tijden ten opzichte van werk, een inzicht in de sociale betekenis van werk doorheen de tijd

    • Afbeeldingen verlenen toegang tot de subjectieve wereld; tot hoe arbeid subjectief begrepen wordt; tot emoties, betekenis en gevoelens  moeilijker te onderzoeken adhv meer traditionele onderzoeksmehthoden


Types beelden over arbeid

  • Visueel: fotografie, teken- en schilderkunst

  • Film en televisie

  • Sculpturen

  • Auditief: muziek

  • Geschreven: romans, poëzie, autobiografie



College 5: Werk en de industriële samenleving
Inleiding

  • De ontwikkeling van de industriële maatschappij

  • De implicaties van deze ontwikkeling voor de wijze waarop arbeid georganiseerd en ervaren wordt

    • Wat betekenen deze ontwikkelingen voor de kwaliteit van het leven van de arbeider?

    • Fundamentele bezorgdheid van de arbeidssociologie over discipline, controle, weerstand, het arbeidsproces, rationaliteit en technologische efficiency, vervreemding


De sociologische missie

  • Reeds van in het begin begaan met

    • De organisatie van productiewijze en arbeid

    • De wijze waarop arbeiders hun werk en leven ervaren

  • Ontstaan van de sociologie in Europa tijdens de industriële revolutie

  • Studie van de ontwikkeling naar een industriële maatschappij en de gevolgen van de geobserveerde veranderingen

  • 3 kernthema’s in de vroege sociologie:

    • Waarom vonden veranderingen plaats op dat moment en wat ging aan de veranderingen vooraf?

    • Betekenden de veranderingen een vooruitgang in termen van meer harmonieuze egalitaire sociale structuren?

    • Zou verandering blijven plaatsvinden en op welke manier?



Grondbeginselen

  • De ‘founding fathers’

    • Emile Durkheim: de meest optimistische van de 3

      • Focus op de industriële samenleving

      • Visie op arbeidsspecialisatie

        • Visie van vooruitgang

        • Toenemende arbeidsdeling als meer efficiënt en als één van de belangrijkste aspecten van de moderniteit die zou leiden tot een organische sociale solidariteit gebaseerd op onderlinge afhankelijkheid

        • Arbeidsspecialisatie zou leiden tot een meer harmonieuze samenleving

        • Inadequate arbeidsdeling (‘abnormale’ geforceerde arbeidsdeling zorgde voor spanningen en conflicten in de maatschappij)

          • => anomie => beroepsgroeperingen (die bemiddelden tussen de behoeftes van de staat en die van het individu) als oplossing




  • De ‘founding fathers’

    • Max Weber: meest pessimistische van de 3

      • Focus op industrieel kapitalisme

      • Essentieel kenmerk van de geïndustrialiseerde en kapitalistische maatschappij: de bureaucratische organisatie

        • Een ideaaltypische, rationele en hoogst efficiënte moderne organisatie

        • In ideaaltypische vorm eerlijk en meritocratisch

        • ‘The iron cage’: bureaucratie onderdrukt mogelijk individualiteit en creativiteit  angst voor een gedehumaniseerde en zielloze kapitalistische maatschappij




  • De ‘founding fathers’

    • Karl Marx

      • Focus op industrieel kapitalisme

      • Centraal: veranderingen in eigenaarschap en controle over productiemiddelen

      • De ontwikkeling van de fabriek als nieuwe manier om arbeid en arbeiders te controleren

      • Erosie van arbeidsomstandigheden en de aard van het werk in het industrieel kapitalisme

      • Het ontstaan van een moderne arbeidersklasse, een ontwikkeld proletariaat, als essentieel voor het tot wasdom komen van de industriële kapitalistische maatschappij

        • Beoefenen zeer saai, monotoon en geestdodend werk

      • De moderne industrie creëert deze klasse en deze klasse zou leiden tot het verval van de kapitalistische maatschappij  dialectisch verloop van de geschiedenis




  • De ‘founding fathers’

    • De veranderingen in werk tijdens de industriële revolutie als fundamenteel voor de ontwikkeling van de maatschappij

    • Vragen naar aanleiding van de waargenomen industriële veranderingen

      • Vragen over vooruitgang in termen van een meer gelijke sociale arbeidsdeling en verbeterde arbeids- en levensomstandigheden

      • Vragen over de mogelijkheid voor meer en verergerde ongelijkheden




  • De groei van de industriële maatschappij

    • De industriële revolutie moet begrepen worden in termen van technologische ontwikkelingen, en via haar culturele en sociale significantie

    • Pre-industriële economie (E.P. Thompson)

      • Werkpatronen bepaald door de natuurlijke orde van seizoenen

      • Meer autonomie inzake werkwijze mogelijk

      • Werkpatronen ingebed in specifieke sociale patronen en hiërarchieën die als meer begrijpelijk en menselijk werden beschouwd

      • Hard werk in de landbouw => niet idealiseren

    • Meakin, 1976: Bespreekt de nostalgie naar de pre-industriële tijd bij veel schrijvers

    • Vraagstuk van sociale orde en de menselijke kost van industrialisatie




  • Technologie en werk

    • Technologische verandering als essentieel kenmerk van de ontwikkeling van industriële samenlevingen

    • Belang van technologische ontwikkelingen voor de organisatie en de ervaring van industrieel werk

    • Sociologisch vraagstuk: Brengt technologische ontwikkeling maatschappelijke vooruitgang?

      • Heeft technologische ontwikkeling ervoor gezorgd dat gevaarlijk werk wordt geminimaliseerd doordat machines die taken overnemen?

      • Creëert technologische ontwikkeling problemen doordat het de hoeveelheid betaald werk vermindert en de arbeidscondities verslechtert?

      • Marx: technologische ontwikkeling = risico voor arbeiders, arbeiders kunnen makkelijker vervangen worden

      • Raphael Samuel: ontwikkeling van fabriekssysteem en technologie gaat gepaard met een stijgende vraag naar arbeid

        • Stijgende productie in de ene sectie van een beroep zorgt voor grotere vraag in de andere sectie

        • Vb. Vraag naar steenkool voor nieuwe fabrieken zorgde voor een grotere vraag naar steenkoolmijners om nieuwe steenkool te kappen.

      • Andere economische geschiedkundigen: Industriële revolutie= technologie + arbeidsdeling

        • Succes industriële revolutie:

          • Technische superioriteit en efficiency

          • De mogelijkheid om geschoolde arbeid te substitueren door machinerie (kan bediend worden door niet- of laaggeschoolde arbeiders met lagere lonen)



  • Technologie en werk

    • Marx: 3 fasen van kapitalistische ontwikkeling

      • The handicraft stage: petty commodity production, chrysalis from which later stages developed

      • Capitalist manufacture: concentration of artisan handicraft production under single capitalist, systematic extension of the division of labour

      • Modern industry: machine tools and the factory system

    • Samuel; ‘Workshop of the World’: Het proces van industrialisatie en mechanisatie is een zaak van gecombineerde en oneven ontwikkelingen, met een grote variatie in de toepassing van technologie afhankelijk van regio, industrie, sector en beroep.




  • Technologie, controle en verzet

    • Het fabriekswezen heeft verandering gebracht in de werkcultuur en, meer specifiek, de controle over werk en werkers

      • Werk wordt subject van meer rationalisatie en controle

      • Belangrijk aspect: verschuiving naar kloktijd

        • Grote investeringen in machines moesten teruggewonnen worden, dit kon enkel door de machines zo lang mogelijk gaande te houden. De werkgever moest dus zeker weten dat hij een adequaat aantal werknemers had om de machines te besturen, wat zorgde voor meer en strengere discipline.

      • De opkomst van nieuwe vormen van controle staat centraal in de vroege studie van industrieel werk  discipline als belangrijk kenmerk

    • Verzet tegen deze ontwikkelingen

      • Weigeren met machines te werken en schade toebrengen aan machines

      • Verloop (werknemers zijn liever werkloos dan zich te onderwerpen aan de nieuwe discipline)

      • Toegang van management tot de kennis van werkers over het arbeidsproces beperken

      • Vorming van eerste vakbonden: strijden om hogere lonen, minder werkuren, bescherming van skills

    • Controle en verzet tegen controle blijven kernthema’s in de arbeidssociologie


Latere ontwikkelingen

  • Taylorisme en Fordisme

    • F.W. Taylor: Scientific Management

      • Aanleiding

        • Idee ontstaan vanuit waargenomen lijntrekken op de werkvloer

          • ‘Soldiering’: het beperken van de output door de werknemers, onder de capaciteit van de machine

        • Te veel autonomie voor arbeiders inzake de uitvoering van hun werk  Mogelijk door gebrek aan kennis bij het management over het arbeidsproces

      • Ontwikkeling van een vorm van controle die het werk van arbeiders rationaliseert om het te controleren en managet om inefficiënties te elimineren

      • Tijds- en bewegingsstudies

        • Om de beste manier van werken te vinden (experimenteren met tijd, afstanden die men moet afleggen, de natuur van het materiaal waarmee gewerkt wordt, het plaatsen van gereedschap)

      • Model van scientific management

        • 1) Het arbeidsproces scheiden van de skills van arbeiders en op managementniveau brengen

        • 2) De scheiding van hoofd- en handenarbeid

        • 3) Kennismonopolie gebruiken door elke stap van het arbeidsproces en de uitvoering te controleren

      • ==> Als je meer weet dan de arbeiders kan je controleren waar, wanneer en hoe het werk gedaan wordt.

      • Braverman over Scientific management: Het is een poging om wetenschappelijke methodes toe te passen op het snel toenemende probleem van arbeidscontrole. Het mist de echte kenmerken van een wetenschappelijke methode omdat de veronderstellingen niks meer weergeven dan de visie van een kapitalist met betrekking tot de productievoorwaarden.




  • Taylorisme en Fordisme

    • F.W. Taylor: Scientific Management

      • Neutraal systeem dat beide partijen bevoordeelt

        • Toename output en efficiëntie

        • Toename loon en bonussen

      • Model van menselijk gedrag: de idee van ‘the economic man’




  • Taylorisme en Fordisme

    • H. Ford

      • Meest invloedrijke toepassing van scientific management in het Fordisme

      • De productielijn, met managementcontrole over de snelheid van de lijn en het soort arbeid dat er wordt uitgeoefend

      • Kenmerken van het fordisme:

        • Kapitaalintensieve, grootschalige fabrieken

        • Inflexibel productieproces – de productielijn

        • Rigide hiërarchie en bureaucratische managementstructuur

        • Gebruik van semi-geschoolde arbeid die repetitieve gerationaliseerde taken uitvoert – Scientific Management

        • Tendens naar sterke vorming van vakbonden

      • Fordistisch systeem stuit op zijn beperkingen (vaak tegengesteld)

        • Verzet: stakingen, verloop (= vrijwillig ontslag nemen) , etc.  invoeren van de ‘$5 day’ (loonsverhogingen)

          • Verzet omdat het werk enorm monotoon en gecontroleerd was; vb Ford: 100 nieuwe arbeiders nodig --> 963 aannemen

        • Veranderingen in de afzetmarkt: wisselende vraag en veranderende smaken  inflexibel productieproces kan zich onvoldoende snel aanpassen




  • Aliënatie

    • Een van de meest belangrijke concepten van de industriële sociologie

    • Een concept om de ervaringen van werkers tijdens de industrialisering te theoretiseren

    • Oorsprong: Marx

      • Door te werken creëren we de menselijke wereld, werken is het hart vd menselijkheid

      • Maar industrialisatie --> werken om te overleven; arbeiders niet langer controle over:

        • Arbeid zelf

        • Gemaakte producten

        • Gebruikte methodes

    • 4 vormen van vervreemding:

      • Van andere arbeiders

      • Van het product

      • Van het arbeidsproces

      • Van zichzelf (want zelfontwikkeling door werk gaat verloren)




  • Aliënatie

    • Vraagstuk in de industriële sociologie: Is er een oplossing voor het probleem van aliënatie?

      • Blauner: Het gebruik van technologie om de jobinhoud, de controle en de verantwoordelijkheid van arbeiders te verbeteren

        • Werk is niet homogeen: er zijn verschillende niveaus van aliënatie, en deze zijn voor een deel afhankelijk van de verschillende gebruikte technologieën

      • Kerr e.a.: Technologie vraagt geschoolde arbeiders en gaat dus gepaard met een toename van professionele en technische jobs

      • Blauner & Kerr concluderen: Industriële groei brengt bepaalde problemen met zich mee, en er zijn maar zoveel manieren waarop een maatschappij deze problemen kan beantwoorden




      • Braverman:

        • Braverman heeft het debat over aliënatie en deskilling opnieuw kracht bijgezet

        • Skills geven macht en controle over het werk en zijn dus essentieel

        • Fundament van arbeid in het kapitalistisch systeem = een arbeidsproces waarin de skills van arbeiders gereduceerd worden en de besluitvorming onttrokken wordt aan de werkvloer

        • => elke poging om arbeidscondities te verbeteren is louter schijn en zelfs manipulatief (want heeft tot doel om de arbeiders nog verder te controleren, door de jobtevredenheid te laten dalen en zo de productiviteit te verbeteren)


Hedendaagse thema’s en toekomstige trends

  • Gender

    • Hoe vroegere maatschappijen werden gezien geeft vorm aan de manier waarop industriële kapitalisatie werd aanvaard:

      • Heeft de meer gelijke relaties tussen man en vrouw van ervoor aangevallen?

      • Of heeft meer mogelijkheden tot gelijkheid van seksen gecreëerd?

    • Pre-industriële tijden: de productie-unit

    • De impact van industrialisatie op de seksespecifieke dimensie van werk

      • Scheiding van de private en de publieke sfeer

        • Diversificatie van werkrollen binnen een gezin

          • Man werkt buitenshuis, is broodwinner: publieke sfeer

          • Vrouw blijft thuis, zorgt voor kinderen: private sfeer

        • Man als broodwinner en vrouw in zorgrol, vanuit de idee van aangeboren verschillen tussen mannen en vrouwen

          • Kritiek:

            • Volgens sociologie zijn deze sekseverschillen niet aangeboren maar aangeleerd

            • Vrouwen en kinderen werkten in fabrieken en mijnen voordat mannen dat deden, want mannen gaven de voorkeur aan het onafhankelijke werk op het land

          • Maar Middleton: geslachtspatronen bestonden ook al voor de Industriële Revolutie: de man had supervisie over het werk van de familie

          • Wettelijke bepalingen om het werk van de vrouw buitenshuis te beperken; verschillende interpretaties door sociologen:

            • Beschermingsmaatregelen voor kwetsbare groepen tegen zwaar en gevaarlijk werk

              • Maar blijkbaar niet alle vrouwen hebben evenveel nood aan bescherming?

            • Patriarchale maatregel: gaf voordeel aan mannen in het algemeen en in het bijzonder aan die in de arbeidersklasse

              • Het idee van de afhankelijke vrouw werd ook voor de arbeidersfamilie gezien als een teken van welvaart, de man kon zijn familie onderhouden

      • Seksespecifieke sectoren op de arbeidsmarkt

        • Sociologen gefascineerd door de vraag waarom in bepaalde tijdsperiodes sommige industrieën zo gedomineerd zijn door vrouwen en welke invloed dit heeft op de arbeidersomstandigheden

      • Industrialisatie heeft gezorgd voor verandering in de leeftijd van de arbeider

        • Kinderen werden niet meer toegelaten tot bepaalde types van werk, ze werden afhankelijker van hun ouders; ontstaan van een nieuw soort kindertijd (gingen naar school)




  • Nieuwe technologieën

    • Belang van de relatie tussen technologie en werk voor de arbeidssociologie

      • Sleutelvraagstukken rond skills, controle en impact op persoonlijk leven van arbeiders

      • Technologie heeft een impact op meerdere manieren, met verschillende gevolgen voor het ‘deskilling’ of ‘enskilling’ van arbeiders zowel mannelijk als vrouwelijk

    • Ontwikkelingen

      • Oorspronkelijk: onderzoek bij mannelijke fabrieksarbeiders  later: onderzoek in verschillende types werkplaatsen en bij verschillende groepen werknemers

      • Onderzoek naar de impact van technologie op werk binnenshuis

        • Onbetaald werk: impact van technologie op huishoudelijk werk

          • Heeft huishoudelijk werk makkelijker gemaakt, door de tijd die aan basic huishoudelijke taken, zoals kleren wassen, gespendeerd wordt te verminderen

          • Heeft nieuwe technologie de aliënatie van onbetaald thuiswerk bij vrouwen verminderd?

        • Betaald werk: impact van technologie op thuiswerk

          • Arbeidersklasse vrouwen die thuis wassen en strijken voor iemand anders tegen betalig, in de late 19e en vrouwe 20e eeuw

          • Micro-technologie: hoog opgeleide arbeiders kunnen vanuit thuis werken

            • ==> Heeft nieuwe technologie voor meer autonomie gezorgd of heeft het ervoor gezorgd dat er geen ontsnappen meer is aan het werk door e-mail, fax en telefoon?




  • Globalisering en industrieel werk

    • Centraal in het proces van industrialisering: globalisering en de internationale arbeidsdeling

    • Ontwikkelingen: globalisering en werk in de dienstensector

    • Proces is al lange tijd bezig:

      • Uitbreiding van lange afstandshandel in 1400 en 1600 voor luxegoederen zoals kruiden en speciale stoffen

      • Wereldhandel breidde verder uit in de 19e eeuw: Brittannië belangrijke rol

      • Ten gevolge van:

        • WO II: veel geïndustrialiseerde landen in puin

        • Groei van nieuwe technologie

        • ==> Zeer grote toename in productie export in Oost- en Zuid-Aziatische landen

      • Tegenwoordig zeer complexe internationale verdeling van arbeid

        • Producten worden gemaakt in het ene land en geëxporteerd naar het andere

        • Arbeiders migreren naar andere landen/ gaan in andere landen werken



College 6: Werk en de postindustriële samenleving
Inleiding

  • De verdere ontwikkeling van kapitalistische maatschappijen

    • De-industrialisatie: het verlies van grote hoeveelheden traditionele zware industrie en de gevolgen daarvan

    • Globalisering

  • De betekenis van deze ontwikkelingen voor werk en werkenden

    • De gevolgen die dit heeft voor verschillende sociale groepen (vooruitgang - marginaliseren)


De sociologische missie

  • De veranderende aard van de postindustriële maatschappij is centraal voor de industriële sociologie

  • Veranderingen analyseren op verschillende niveaus

    • Macro: op globaal niveau

    • Micro:

      • Wat is er anders aan dit type werk?

      • Wie doet het?

      • Wie controleert?

  • Aandacht voor de context

    • Hedendaagse ontwikkelingen in historische context plaatsen  aandacht voor zowel continuïteit als verandering

    • Gedetailleerde studies inzake werk in een ruimere context plaatsen


Grondbeginselen

  • Marx

    • Economische cycli in het kapitalisme

      • Beweging, onderlinge verbondenheid en uitbuiting op regionaal, nationaal en globaal niveau maken onderdeel uit van dit proces

        • Kapitalisme = instabiel, veranderend systeem; continu op zoek naar nieuwe en goedkopere materialen, arbeid en markten

      • De onpersoonlijke aard van kapitalisme

        • Weinig tot geen plaats voor moraliteit, industriële ontwikkeling ten koste van alles

        • Geen respect voor traditie, hiërarchie en de grenzen van een natie

      • De mogelijkheid van wereldwijde verspreiding van kapitaal

        • Maar de echte transformatie van kapitalisme kan pas gebeuren in een volwassen fase, wanneer er een ontwikkeld proletariaat is in verschillende landen

      • De dynamiek van de kapitalistische ontwikkeling zou leiden tot het verval van de kapitalistische maatschappij

        • ‘All fixed, fast-frozen relationships, with their train of venerable ideas and opinions, are swept away. All newformed ones become obsolete before they can ossify. All that is solid melts into air.’

      • Post-industriële maatschappij = socialistische, communistische maatschappij

  • Durkheim

    • De logica van arbeidsdeling binnen landen kan verruimd worden naar de relaties tussen landen

  • Weber

    • Ontwikkeling van het kapitalisme overstijgt nationale staten

    • Arbeidsdeling tussen landen maakt deel uit van een ruimer proces van rationalisering in de moderne wereld


Latere ontwikkelingen

  • Evolutie naar een post-industriële maatschappij?

    • Late jaren 1960 – jaren 1970: Fordistische welvaartstaat onder druk

      • Problemen: inflatie en hogere werkloosheid

      • Groeiende dreiging van de nieuw geïndustrialiseerde landen in het Verre Oosten en Zuid - Amerika met lagere loonkosten

      • Natuurlijk proces?

    • Post-industriële maatschappij = transitie industrie (wordt minder belangrijk)  diensten/IT (nemen toe aan belang) als natuurlijke ontwikkeling van het kapitalistisch proces

      • Daniel Bell (1973): ‘The Coming of the Post-Industrial Society’; transitie laaggeschoolde taken  focus op hooggeschoold kenniswerk

      • Schumpeter: creatieve destructie (geeft mogelijkheden tot investeren op andere plaatsen)

        • Essentieel kenmerk van het kapitalisme

        • = “a process of industrial mutation that incessantly revolutionizes the economic structure from within, incessantly destroying the old one, incessantly creating a new one” – Schumpeter (1943)




  • Evolutie naar een post-industriële maatschappij?

    • Kenmerken van de post-industriële maatschappij

      • Industrie  diensteneconomie

      • Verhoogd gebruik van nieuwe technologie, in het bijzonder IT

      • Toenemende nadruk op kennis

      • Nood aan werkenden met hogere scholing en meer vaardigheden

    • Commentaar:

      • Een groot gedeelte van het werk binnen de dienstensector is op zijn best semi-skilled, routineus en heeft een gebrek aan autonomie

        • ==> Werken in de dienstensector wordt aantrekkelijker gemaakt dan het eigenlijk is

      • Bell projecteert een simplistisch evolutionair schema op de industriële maatschappij waar oudere types van werk versnipperd/verminderd zijn als deel van een natuurlijk proces




  • Post-fordisme en flexibele werkenden

    • Idee: shift fordistische  post-fordistische maatschappij als sleutelkenmerk van de post-industriële samenleving (bedrijven werden flexibeler door een aantal strategieën te gebruiken die het mogelijk maakten om snel te reageren op wisselende markttoestanden)

Fordistische productie

Post-fordistische productie

Massaproductie/ homogene goederen

Productie in kleine partijen

Uniformiteit en standaardisatie

Flexibele kleine partijen/variëteit

Grote stock

Geen stock

Gedreven door resources/middelen

Gedreven door de vraag

Ongeschoolde arbeid

Hooggeschoolde arbeid, kenniswerkers




  • Post-fordisme en flexibele werkenden

    • Flexibele accumulatie (David Harvey 1989: ‘The Conditions of Postmodernity; ipv Fordistische accumulatie):

      • Het hoofd bieden aan rigiditeit kenmerkend voor het Fordisme (homogene goederen, uniformiteit)

      • Flexibiliteit in het arbeidsproces, de arbeidsmarkt, producten en consumptiepatronen

      • Idee: Fordisme volstaat niet langer in een verander(en)de globale economie, de wereld is veel meer gefragmenteerd en consumenten accepteren geen niet-gedifferentieerde producten meer  snel kunnen inspelen op veranderingen in de markt wordt belangrijk



  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina