Definitieve versie



Dovnload 323.01 Kb.
Pagina1/5
Datum20.08.2016
Grootte323.01 Kb.
  1   2   3   4   5



Online gezondheidsinformatie-zoekers
Een onderzoek naar de gedragsdeterminanten van het consulteren van online gezondheidsinformatie

Definitieve versie

10 januari 2007
Universiteit Twente

Opleiding Toegepaste Communicatiewetenschappen

Communicatiekundig Ontwerpen 3 246021
Docent:

Dr. H. Boer



h.boer@utwente.nl
Student:

Karen van Leeuwen, s0064343



k.m.vanleeuwen@student.utwente.nl

Samenvatting
Binnen dit onderzoek is getracht aan te tonen wat de belangrijkste gedragsdeterminanten zijn voor het consulteren van online gezondheidsinformatie. In dit digitale tijdperk wordt er steeds vaker online naar gezondheidsinformatie gezocht. Er zijn dan ook miljoenen websites die deze informatie aanbieden.

Er worden in het algemeen veel kansen en mogelijkheden toegeschreven aan deze ontwikkeling. Tegelijkertijd bestaat er zorg over de bedreigingen van dit gedrag. Voor mensen zonder een medische achtergrond is het moeilijk om de gezondheidsinformatie op websites te wegen en kritisch te beoordelen. Omdat het bijna onmogelijk is de ontwikkelingen op dit gebied tegen te gaan en patiënten niet de kans ontnomen zou moeten worden gebruik te maken van het scala aan mogelijkheden, zouden de risico’s beperkt moeten worden en de kansen zoveel mogelijk benut.

Hiertoe zullen er aan de ene kant maatregelen genomen moeten worden ten opzichte van de aanbieders van gezondheidsinformatie op Internet. Aan de andere kant zal het online consulteergedrag van (potentiële) patiënten geoptimaliseerd moeten worden.
Bij de constructie van het onderzoeksmodel is gebruik gemaakt van zowel factoren uit bekende gedragsvoorspellende modellen als van factoren die naar voren komen in eerder onderzoek. In eerder onderzoek blijken sociodemografische factoren als het geslacht, de leeftijd, de huwelijkse staat, de educatie, het internetgebruik, het welzijn en de gezondheidsoriëntatie een rol te spelen. Volgens de Theory of Planned Behavior en de Self-Efficacy Theory hebben cognitieve factoren als de attitude ten opzichte van het gedrag, de geldende sociale norm en de waargenomen controle over het gedrag de grootste waarde bij het voorspellen van gedrag.

Tevens is binnen dit onderzoek getracht meer informatie te krijgen over het betreffende gedrag en meer inzicht te verkrijgen in ‘het vinden van informatie’ en ‘het beoordelen van informatie’.


In een exploratief vooronderzoek hebben vier personen uit de doelgroep meegewerkt aan een aantal interviews. Deze vier respondenten hadden allen wel eens op Internet naar gezondheidinformatie gezocht. Uit de interviews kwam naar voren dat er zowel positief als sceptisch gedacht wordt over het zoeken van gezondheidsinformatie op Internet. De respondenten zagen zowel voor- als nadelen hierin en dit bleek vooral bepalend voor hun gedrag. De invloed uit de omgeving was zeer miniem te noemen. De respondenten hebben daarnaast aangegeven zeer goed in staat te zijn om relevante informatie te vinden, en in iets mindere mate om de gevonden informatie te beoordelen op accuraatheid en betrouwbaarheid. De respondenten gingen tenslotte allemaal op dezelfde manier te werk. Door middel van het typen van zoekwoorden in zoekmachines werd gezocht naar algemene gezondheidssites en sites van patiëntenverenigingen. De respondenten gaven echter ook aan het Internet niet als enige bron te gebruiken bij het zoeken van gezondheidsinformatie.
De resultaten uit het vooronderzoek zijn vervolgens gebruikt bij het construeren van een vragenlijst. Hierbij werden ook al eerder gevalideerde constructen uit de literatuur gebruikt. Middels een emailbericht zijn zo’n 140 respondenten benaderd om mee te werken aan het onderzoek. Uiteindelijk waren 100 ingevulde vragenlijsten bruikbaar voor analyse, met een responspercentage van 81%. De data is ingevoerd in een statistisch software pakket waarna verschillende analyses zijn uitgevoerd.
De huidige studie representeert een kleine steekproef van Internetgebruikers in Nederland tussen de 16 en 84 jaar. Deze respondenten zijn voornamelijk middelbaar tot hoog opgeleid en in kleine mate van het vrouwelijke geslacht. Daarnaast waren het voor het merendeel ervaren Internetgebruikers.

De meerderheid van de respondenten (87%) had ooit enige vorm van gezondheidsinformatie op Internet gezocht; dit gebeurde echter niet frequent. Het meest gezochte type informatie is informatie over een specifieke ziekte of conditie en de meest gebruikte zoekstrategie is degene via zoekmachines. De gevonden informatie werd voornamelijk beoordeeld door middel van vergelijkingen met andere bronnen en het nagaan van de bron van de informatie.

Zowel de welzijnsscores, attitudescores, zelf-effectiviteitsscores als de score voor de gedragsintentie zijn positief. De sterkste gevonden relatie is die tussen de gedragsintentie en de attitude ten opzichte van de voordelen van het zoeken van gezondheidsinformatie op Internet. Er is geen significante relatie gevonden tussen de gedragsintentie en het gedrag of de gedragsfrequentie.

Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt verder dat het geslacht en de attitude ten opzichte van de voordelen significante invloed hebben op de intentie om gezondheidsinformatie op Internet te zoeken.

Het geslacht heeft ook voorspellende waarde voor het feit of personen ooit gezondheidsinformatie op Internet gezocht hebben en hoe vaak ze dit doen. Daarnaast zijn de zelf-effectiviteit, de Internetervaring, het hebben van een ziekte en de waargenomen gezondheidsconditie bepalend voor het feit of personen ooit informatie op Internet zochten. Tenslotte heeft de attitude ten opzichte van de nadelen de meeste voorspellende waarde op het uitvoeren van het gedrag.

Het gebruik maken van de gezondheidszorg tenslotte bepaalt mede met het geslacht en de effectiviteit de frequentie van het consulteren van online gezondheidsinformatie. De gedragsintentie heeft geen invloed op de uitvoering van het gedrag en de frequentie van het gedrag. Dit kan te maken hebben met het feit dat het gaat om zelf-gerapporteerd gedrag in het verleden en niet om feitelijk gedrag in de toekomst, waar de gedragsintentie waarschijnlijk wel invloed op heeft.


De constructen uit het onderzoeksmodel samen hebben de grootste voorspellende waarde voor de intentie om gezondheidsinformatie op Internet te zoeken. Het model kan in mindere mate het gedrag en de gedragsfrequentie voorspellen. Vooral de toevoeging van de cognitieve factoren in het onderzoeksmodel blijkt van extra waarde. Dit is nog niet eerder aangetoond in dergelijke onderzoeken
Naar aanleiding van de resultaten worden er verschillende aanbevelingen gedaan om het consulteergedrag van gezondheidsinformatie zoekers op Internet te optimaliseren. De aanbieders van deze informatie wordt aanbevolen om doelgroepgeoriënteerde informatie aan te bieden, de bereikbaarheid van de informatie te vergroten, mogelijkheden om informatie te beoordelen aan te bieden en de gebruiksvriendelijkheid van de websites te optimaliseren.

De overheid wordt aanbevolen een gezondheidsportaal in te richten en te promoten, gezondheidssites te certificeren en op verschillende manieren voor te lichten over het consulteren van online gezondheids-informatie.

Artsen worden tenslotte aanbevolen om de aangetoonde behoeftes van patiënten te (h)erkennen en de patiënten binnen consulten voor te lichten over het verschil in kwaliteit van verschillende bronnen.

Inhoudsopgave


1 Inleiding 6

1.1 Digitale trend: Gezondheidsinformatie op Internet 6

1.2 Voordelen en bedreigingen 6

1.3 Optimalisatie van online consulteren van gezondheidsinformatie 6

1.4 Gedragsdeterminanten 7

1.5 Onderzoeksvragen 8

1.6 Rapportage 8

2 Theoretisch kader 9

2.1 Cognitieve gedragsdeterminanten 9

2.2 Sociodemografische gedragsdeterminanten 10

2.3 Onderzoeksmodel 11

2.4 Onderzoeksresultaten met betrekking tot het betreffende gedrag 11

3 Vooronderzoek 13

3.1 Methode 13

3.2 Respondenten 13

3.3 Procedure 13

3.4 Resultaten 13

4 Onderzoeksopzet 16

4.1 Methode 16

4.2 Verantwoording meetinstrument 16

4.3 Procedure 18

5 Resultaten 19

5.1 Respondenten 19

5.2 Schaalconstructie 19

5.3 Beschrijvende resultaten 20

5.4 Vergelijking groepen 23

5.5 Relatie tussen constructen 23

6 Conclusies en aanbevelingen 28

6.1 Conclusies 28

6.2 aanbevelingen 30

7.1 Bruikbaarheid van het onderzoeksmodel 33

7.2 Validiteit van de resultaten 33


Bijlagen
1 Interviewschema

2 Interviews respondenten

3 Printversie Vragenlijst

4 Antwoordfrequenties vragenlijst

1 Inleiding


1.1 Digitale trend: Gezondheidsinformatie op Internet

Het aantal internetgebruikers en de mate van internetgebruik is explosief gestegen in de laatste decennia. Steeds meer mensen zoeken hun communicatie-, amusements- en informatiebehoeften op Internet. In dit digitale tijdperk wordt er ook steeds vaker online naar gezondheidsinformatie gezocht (Cline & Haynes, 2001). Het Pew Internet and American Life Project (2005) schat dat op een typische dag in 2004, 70 miljoen Amerikanen het Internet op gingen en 7 miljoen hiervan naar gezondheidsinformatie zochten. Ook in Nederland is deze trend te zien. In een onderzoek van het bureau Flycatcher, uitgevoerd begin oktober 2000 onder meer dan 500 Internetgebruikers in opdracht van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, bleek dat Informatie over de gezondheid op Internet veel belangstelling geniet; zeven van de tien Internetgebruikers zocht al dan niet regelmatig via Internet naar dit soort Informatie (Van Rijen, de Lint & Ottes, 2002).

Er zijn miljoenen websites die deze informatie aanbieden. Een zoektocht op Google levert bijvoorbeeld bij het zoeken op ‘gezondheid’ 28 miljoen hits op. Zowel patiënten als mensen die (nog) niet ziek zijn gaan de online gezondheidsinformatie ook steeds meer gebruiken (Van Rijen et al., 2002; Cline & Haynes, 2001; Raad voor Volksgezondheid en Zorg, 2000).
1.2 Voordelen en bedreigingen

In het algemeen worden er veel (potentiële) kansen en mogelijkheden toegeschreven aan deze ontwikkeling; zoals beter geïnformeerde patiënten - wat goede effecten heeft op de participatie in beslissingen en bijv. therapietrouw -, de mogelijkheid tot anonieme consultatie, de makkelijke bereikbaarheid, actuele informatie, het sneller kunnen herkennen van symptomen, en het eerder kunnen voorkomen van ziekten (Raad voor Volksgezondheid en Zorg, 2000). Van Rijen et al. (2002) geven in het overheidsrapport ‘Inzicht in e-health’ aan, dat Internet bijdraagt tot de versterking van de positie van consumenten en patiënten door toegang te geven tot informatie over gezondheid, ziekte en zorg en door nieuwe communicatie-mogelijkheden te bieden.

Tegelijkertijd bestaat er zorg over de bedreigingen van dit gedrag. Naast het feit dat er een overvloed aan - soms tegenstrijdige - gezondheidsinformatie te vinden is op het Internet is het ook zo dat deze informatie niet altijd even betrouwbaar, objectief, actueel of oprecht is. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat de kwaliteit van dergelijke websites vaak te wensen over laat (Cline & Haynes, 2001). Er worden behoorlijk wat onderzoeken verricht om de nadelen en voordelen van de effecten te onderzoeken (zie voor een overzicht: Cline & Haynes, 2001). Voor mensen zonder een medische achtergrond is het moeilijk om de gezondheidsinformatie op websites te wegen en kritisch te beoordelen. Dit kan gezondheidsschade opleveren wanneer patiënten actie gaan ondernemen op grond van onbetrouwbare informatie of van het verkeerd interpreteren van informatie (Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, 2000). Er is verdeeldheid over de effecten op de frequentie van het huisartsenbezoek. Huisartsen rapporteren wel dat patiënten steeds vaker met informatie van Internet bij de huisarts komen om deze samen te bespreken (Van Rijen et al., 2002; Schwartz et al., 2006).
1.3 Optimalisatie van online consulteren van gezondheidsinformatie

Het is in ieder geval duidelijk dat er vanuit de patiënt behoefte bestaat om op het Internet informatie over gezondheid te zoeken, en dat dit zowel kansen biedt als zorgen baart. Omdat het bijna onmogelijk is de ontwikkelingen tegen te gaan en patiënten niet de kans ontnomen zou moeten worden gebruik te maken van de grote mogelijkheden, zouden de risico’s beperkt moeten worden en kansen zoveel mogelijk benut. Daartoe zullen er aan de ene kant maatregelen genomen moeten worden ten opzichte van de aanbieders van gezondheidsinformatie op Internet. Hierbij valt te denken aan kwaliteitseisen of -bewakers, en het beter aanpassen van de websites op de bedoelingen van de doelgroep. Aan de andere kant zal het online consulteergedrag van (potentiële) patiënten geoptimaliseerd moeten worden. Voor zowel het optimaliseren van dit gedrag als het aanbieden van doelgroepgeoriënteerde informatie kan gedragsdeterminanten-onderzoek ingezet worden om een beeld te geven van de factoren die tot het online consulteren van gezondheidsinformatie leiden.


1.4 Gedragsdeterminanten

Analyse van gedragsdeterminanten is een onderzoeksmethode die geschikt is voor situaties waarvan de kern wordt gevormd door het gedrag op individueel niveau (Schellens, 2002). Het doel van deze methode is een gedetailleerd beeld van de oorzaken, die ertoe leiden dat personen kiezen voor bepaald gedrag. Wanneer men het gedrag wil optimaliseren, is het handig om te weten wat de belangrijkste determinanten van het gedrag zijn en welke determinant zich het beste leent voor beïnvloeding. Daarnaast is het belangrijk om de karakteristieken van online gezondheidsinformatie-zoekers te onderzoeken. Zodoende kunnen hun behoeften beter herkend worden en kunnen er verbeteringen worden gemaakt in de kwaliteit en beschikbaarheid van gezondheidsinformatie op Internet. Een analyse van gedragsdeterminanten kan dit duidelijk maken.


Allereerst is het belangrijk aan te geven om welk gedrag het precies gaat. Het zoeken van gezondheidsinformatie op Internet valt onder interactieve gezondheidscommunicatie. Cline en Haynes (2001) gebruiken in hun overzichtsartikel de definitie voor interactieve gezondheidscommunicatie van Robinson et al.: ‘the interaction of an individual - consumer, patient, caregiver or professional - with or through an electronic device or communication technology to access or transmit health information or to receive guidance and support on a health-related issue’.

Volgens het rapport Patiënt en Internet van de Raad voor Volksgezondheid en Zorg (2000) kan men vier typen toepassingen van interactieve communicatie onderscheiden wat betreft gezondheidsissues en Internet. Deze vier toepassingen zijn: (1) Het raadplegen van bestanden via het World Wide Web, (2) contact hebben met lotgenoten, (3) het verrichten van transacties en (4) het consulteren van zorgverleners zonder face-to-face contact.

De toepassing die centraal staat binnen dit onderzoek is de eerste toepassing. Het betreft hier de bibliotheekfunctie, namelijk het zoeken, vinden en kennisnemen van gezondheidsinformatie. Informatie kan door de Internetgebruiker gevonden worden zonder menselijke tussenkomst aan de kant van degene die de informatie aanbiedt.
Met behulp van meer inzicht in het consulteren van online gezondheidsinformatie kunnen artsen beter inspelen op de behoeften van (potentiële) patiënten en zo nodig begeleiding en waarschuwingen geven, kunnen aanbieders van gezondheidsinformatie hun diensten beter aanpassen op de behoeften van hun (potentiële) gebruikers en kunnen overheidsinstellingen beter bepalen of en welke factoren beïnvloedbaar zijn en in te zetten bij voorlichting over dit onderwerp.
1.5 Onderzoeksvragen

De hoofdvraag van dit onderzoek was:

Wat zijn de belangrijkste gedragsdeterminanten voor Internetgebruikers om wel of niet online gezondheidsinformatie te consulteren?”

De deelvragen hierbij waren:



  1. Wat vinden en weten Internetgebruikers van het consulteren van online gezondheidsinformatie?

  2. In hoeverre zijn Internetgebruikers in staat om goed online gezondheidsinformatie te consulteren?

  3. Welke factoren zijn bepalend onder Internetgebruikers voor de intentie tot het online consulteren van gezondheidsinformatie?

  4. Zijn er hierbij verschillen tussen subgroepen binnen de doelgroep (bijv. mannen/vrouwen, leeftijd, opleiding, het hebben van een chronische ziekte, of ervaring met Internet?


1.6 Rapportage

In dit rapport zal ten eerste een literatuuroverzicht gegeven worden over de stand van zaken op dit gebied en zullen de belangrijkste factoren besproken worden naar aanleiding van theorieën en eerdere onderzoeken. Deze literatuurstudie heeft geleid tot de constructie van een onderzoeksmodel dat in hetzelfde hoofdstuk aan bod zal komen. In hoofdstuk 3 komt de rapportage over het vooronderzoek dat op de eerste twee deelvragen ingaat. Vervolgens zal de onderzoeksopzet van het hoofdonderzoek in het vierde hoofdstuk besproken worden en in her aansluitende hoofdstuk de resultaten van dit onderzoek. In hoofdstuk 6 zullen aanbevelingen gedaan worden en een conclusie worden getrokken naar aanleiding van de resultaten. Tenslotte is in hoofdstuk 7 de discussie en reflectie omtrent dit onderzoek te vinden.


2 Theoretisch kader
In dit tweede hoofdstuk zullen de raakvlakken van dit onderzoek met de wetenschappelijke literatuur besproken worden. Aan de orde komen gedragsvoorspellende modellen en resultaten uit onderzoek, waaruit blijkt dat verschillende factoren voorspellende waarde hebben voor het zoeken naar gezondheidsinformatie op Internet. De theorie en resultaten uit eerder onderzoek bieden handvaten voor de constructie van een onderzoeksmodel.
2.1 Cognitieve gedragsdeterminanten

Bij het consulteren van gezondheidsinformatie op Internet kunnen er naar zowel cognitieve als contextfactoren gezocht worden om het gedrag te voorspellen. Een van de theorieën die zich toespitst op het verklaren van gedrag met behulp van individuele cognitieve determinanten is de Theory of Planned Behavior (TPB). De TPB is een uitbreiding van de Theory of Reasoned Action (TRA) van Fishbein en Ajzen. Deze onderzoekers gaan er van uit dat een mens de consequenties van zijn gedrag kan overzien, voordat hij een beslissing maakt over het betreffende bedrag. Deze gedragsintentie heeft een directe invloed op het daadwerkelijke gedrag. Een gedragsintentie wordt volgens deze theorie bepaald door de attitude ten opzichte van het gedrag en de sociale druk om het gedrag uit te voeren (Gutteling & Heuvelman, 2002).

Beide theorieën gaan er van uit dat alle andere factoren, zoals demografische en omgevingsinvloeden doorwerken in de constructen uit het model en niet onafhankelijk bijdragen aan de waarschijnlijkheid van het uitoefenen van een gedrag (Montaño & Kasprzyk, 2002).

Een van de kritiekpunten op de TRA is dat het alleen toepasbaar is op gedrag waarbij de persoon uit vrije wil kan beslissen om het gedrag wel of niet uit te voeren. Daarom heeft Ajzen de theorie uitgebreid met de factor ‘behavioral control’’ tot de Theory of Planned Behavior. Volgens Ajzen (1991) is het meeste gedrag afhankelijk van factoren als beschikbaarheid of benodigde bronnen (tijd, geld, vaardigheden etc.). De mogelijkheid om het gedrag uit te voeren bepaalt samen met de motivatie om het gedrag uit te voeren de uitvoering van het gedrag, volgens de uitgebreide theorie. Ajzen merkt echter op, dat ‘perceived behavioral control’’ psychologisch gezien interessanter is. Perceived behavioral control verwijst naar het door de mensen waargenomen gemak of moeilijkheid om het betreffende gedrag uit te voeren, en is volgens de TPB een voorspeller voor de intentie tot het gedrag.

Een belangrijke voorwaarde voor het zoeken naar gezondheidsinformatie is natuurlijk de toegang tot Internet. Daarnaast moet men ook over de nodige vaardigheden beschikken om het Internet goed te kunnen gebruiken. Tenslotte zijn er zoekvaardigheden nodig om het gedrag effectief uit te kunnen voeren, Wanneer een persoon uiteindelijk geslaagd is in het vinden van relevante gezondheidsinformatie, is het nog maar de vraag of deze persoon de gevonden informatie juist kan beoordelen op betrouwbaarheid en nauwkeurigheid. Wanneer iemand weinig vertrouwen heeft in het kunnen beoordelen van te vinden informatie, kan dat van invloed zijn op de motivatie om überhaupt informatie te gaan zoeken. Ajzen beargumenteert dat een persoon eerder moeite zal doen om bepaald gedrag uit te voeren wanneer zijn waargenomen controle over het gedrag groter is.

Ajzen’s ‘perceived behavioral control’ lijkt in grote mate op Bandura’s self-efficacy construct, waarmee het oordeel van een persoon over hoe goed hij of zij onder verschillende omstandigheden het betreffende gedrag uit kan voeren, wordt bedoeld (Montaño & Kasprzyk, 2002). Volgens de self-efficacy theorie van Bandura (1982) beïnvloeden waarnemingen van de eigen effectiviteit in grote mate gedachtepatronen, acties en emotionele reacties. Bandura en zijn collega’s stellen dat self-efficacy de belangrijkste vereiste is wanneer gedragsveranderingen worden beoogd, omdat dit construct bepaalt hoeveel moeite er wordt gestoken in een bepaalde actie en wat de (verwachte) uitkomst is van die actie (Baranowski, Perry & Parcel, 2002).

Er zijn weinig tot geen onderzoeken gedaan naar de effecten van dergelijke cognitieve percepties op het zoeken van gezondheidsinformatie op Internet. Het voornaamste aandeel van onderzoek op dit terrein heeft zich toegespitst op factoren die in grote mate buiten de directe controle van een individu staan, en dan voornamelijk op sociodemografische kenmerken.
2.2 Sociodemografische gedragsdeterminanten

Sociodemografische kenmerken zijn aan een persoon gebonden, maar liggen doorgaans buiten de cognitieve invloedssfeer van het individu. Deze eigenschappen worden vaak gebruikt om doelgroepen te segmenteren of beschrijven, maar kunnen ook zowel direct als indirect bepalend zijn voor het uitvoeren van gedrag. Hieronder zullen een aantal onderzoeken besproken worden waarbij de effecten van deze factoren nagegaan zijn met betrekking tot het online zoeken van gezondheidsinformaties.


Zo vonden Lorence, Park en Fox (2006) in een studie met data uit het 2002 Tracking Survey Data of the Pew Internet and American Life Project dat het zoeken naar online gezondheidsinformatie geassocieerd werd met geslacht (vrouwen), leeftijd (tussen 30-49 jaar), ras en etniciteit (blanken en Afrikanen), Internetervaring (meeste ervaring), Internetgebruik (hoogste frequentie), huwelijkse staat (getrouwd) en gezondheidsconditie van geïnterviewden (chronisch ziek). Houston en Allison (2002), die een deel van dezelfde data gebruikten om online gezondheidszoekers te identificeren, constateren dat de Internetgebruikers voornamelijk vrouwen waren en gemiddeld 42 jaar. Ook Van Rijen et al. (2002) melden in het overheidsrapport ‘Inzicht in e-health’ dat vrouwen relatief meer naar dit type informatie zoeken dan mannen. Volgens Cline en Haynes (2001) kan dit gedeeltelijk aan de meer traditionele rol van vrouwen als verzorgers toegeschreven worden.

Online gezondheidsinformatie zoekers in vergelijking met offline informatiezoekers waren in het onderzoek van Cotten en Gupta (2004) jonger, beter opgeleid, en in bezit van een hoger inkomen vergeleken met offline informatiezoekers. Dit komt overeen met de resultaten uit het onderzoek van Diaz et al. (2002), waarbij een groep die informatie op Internet zocht, vergeleken werd met een groep die dit niet deed. Dezelfde demografische factoren kwamen hierbij naar voren als bepalend voor het zoeken naar gezondheidsinformatie op Internet. Van Rijen et al. (2002) rapporteren echter dat ouderen relatief vaker naar dit type informatie zoeken.


Zoals hierboven aangegeven vonden Lorence et al. (2006) dat onder andere de gezondheidsconditie van respondenten een significante relatie had met het zoeken naar gezondheidsinformatie op Internet. Logistische regressie wees uit dat het chronisch ziek zijn de meest cruciale factor was voor het zoeken van gezondheidsinformatie. Ook Goldner (2006) en Houston en Allison (2002) constateerden dat hebben van een slechte medische conditie een determinant is voor het zoeken naar gezondheidsinformatie op Internet en de frequentie daarvan. Cotten en Gupta (2004) zagen echter dat mensen die online gezondheids-informatie zochten zichzelf gezonder en gelukkiger vonden dan mensen die dit offline deden. Het gaat hier dus om conflicterende resultaten.

Dutta-Bergman (2004) tenslotte gaat er van uit dat ook de oriëntatie ten opzichte van gezondheid invloed heeft op het wel of niet zoeken van gezondheidsinformatie op Internet. Haar onderzoek bewijst dat een meer gezondheidsgeoriënteerd persoon eerder op zoek gaat naar informatie op Internet dan personen die daar minder op gericht zijn.


In dit onderzoek is gezocht naar de invloed van zowel cognitieve factoren die bekende gedragsvoorspellers zijn, als verschillende sociodemografische factoren die in eerdere onderzoeken naar voren komen als onderscheidend voor het zoeken van gezondheidsinformatie op Internet.
2.3 Onderzoeksmodel

Het model met zowel cognitieve als sociaaldemografische gedragsdeterminanten dat onderzocht is, is hieronder in figuur 1 te vinden. Dit model is gebaseerd op de cognitieve gedragstheorieën van Bandura en Fishbein en Ajzen en op resultaten uit bovenstaande onderzoeken.



Figuur 1. Onderzoeksmodel: Gedragsdeterminanten voor het zoeken van gezondheidsinformatie op Internet





  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina