Denemarken Het minst buitenlandse buitenland



Dovnload 72.25 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte72.25 Kb.

Danmark / Steden



Denemarken

  • Het minst buitenlandse buitenland

  • Denemarken mag zich verheugen in een vrij redelijke en in ieder geval constante belangstelling van de zijde van de Nederlandse en Belgische toeristen. Hoewel het bepaald niet tot de Europese zonbestemmingen kan worden gerekend, is het land tamelijk populair. De bezoekers keren steevast tevreden naar huis terug en menigeen gunt Denemarken al vrij snel de eer van een tweede bezoek. Kortom, in vaktermen uitgedrukt trekt het land veel 'repeaters'. Waarom is Denemarken bij ons zo populair? We zijn geneigd op te merken dat het in zo veel opzichten op ons eigen landje lijkt. Denemarken is wellicht het minst buitenlandse buitenland.

  • In ieder geval is het land klein (iets groter dan Nederland) en laag (iets lager dan ons land: de hoogste heuvels steken tiet 175 m boven de zeespiegel uit). Toch is Denemarken niet echt vlak. Er is wel iets gedaan aan landwinning, maar een echt Hollands polderlandschap vindt u vrijwel nergens. Evenmin trouwens een mooi golvend landschap als het Lier burgse. Wel kunnen we een vergelijking maken niet andere Nederlandse landschappen als de Veluwe, de Sallandse heuvels, de Zeeuwse delta de Peel, de Waddeneilanden, de Hollandse duinen, het drassige West-Friese land. Alle karaktertrekken van die Nederlandse landschappen vindt u ook in Denemarken. En boven al dat groen in vele schakeringen zien we dezelfde hemel met door de westenwind voortgejaagde wolken. Er zijn nog andere parallellen te trekken. Deense landhuizen - en er zijn er heel wat - zien er zo Hollands uit. Tijdens de bloeiperiode, de Deense 'Gouden Eeuw', werden bouwmeesters uit de Lage Landen (uit Vlaanderen meer nog dan uit Holland) aangetrokken om adel en koningshuis te helpen aan kapitale panden in een onmiskenbaar Nederlandse stijl die wel baksteenrenaissance wordt genoemd. Het zijn ook Hollanders geweest die de eerste molens bouwden en de groente- en fruitteelt hebben opgezet. Zeeuwse en Hollandse admiraals hielpen de Deense vloot (zonder zelfde controle over de noordelijke wateren te verliezen) en Hollandse en Vlaamse kunstenaars vertoefden aan het Deense hof.



  • In kort bestek

  • Na al die noodzakelijke gemeenplaatsen willen we Denemarken heel in het kort aan u voorstellen. U weet natuurlijk al dat het een land van eilanden, fjorden en zeestraten is. Het telt ruim 400 (merendeels bewoonde) eilanden en eilandjes en één langgerekt schiereiland. Met dat laatste, Jylland of jutland, begint onze schets.



  • Jylland

  • En WestJylland? Dat is een stuk van Denemarken, zo mooi, datje er geen begrip van hebt. Dichter en verzetsheld Kaj Munk gaat verder: Zee en duinen, meren en fjorden, beekjes en heide en vruchtbare bouwgrond, ouderwetse, gelovige, gastvrije mensen, de zon heel hoog boven wijde verten, de vogels trekken er overheen en de wind zwijgt er nooit. Munk (in 1944 door de bezetters vermoord) moet vaak moeite hebben gehad zich boven de westerstorm uit verstaanbaar te maken vanaf de kansel. Hij was predikant in het dorpje Vederso, vlak achter de duinrand. Het waren dus zijn eigen parochianen die hij ouderwets, gelovig en gastvrij noemde. Nog steeds staan de jyder in Denemarken model voor alles wat rechtschapen is. Jylland komt op sommigen van ons dan ook wel - behalve als dunbevolkt en dus rustig - over als een saai, behoudend, kneuterig plattelandsgebied waar sinds de dagen van Munk niets is veranderd. Het steekt zo af tegen het dynamische, maar veel te dichtbevolkte Sjælland. Tocli zijn de 'jyder' geen achtergebleven boerenvolkje, integendeel. Ze waren in de vorige eeuw hun tijd- en vakgenoten al ver vooruit niet hun landbouwcooperaties, hun boerenleenbanken en hun volkshogescholen. Vanaf de jaren zestig trok Jylland weer de aandacht door zijn progressieve beleid op het gebied van milieuvriendelijke energiewinning en de goed doordachte architectuur van zijn vele 20e-eeuwse stadjes, waarvan Struer, Holstebro. Herning en Skjern voorbeelden zijn.



  • Oostelijk Jylland heeft een andere ontwikkeling doorgemaakt. Daar, aan de vele inhammen van het Kattegat en de Oostzee, ontstonden al heel vroeg handelssteden. Maar ook die bleken al snel onbereikbaar voor de moderne schepen met hun veel grotere diepgang. De kapiteins weken uit naar de diepe baai van Århus en lieten de stadjes aan de fjorden buiten de vaarroute liggen. Aabenraa, Haderslev, Kolding, f lorsens en Randers zochten hun heil in de industrie. Lichte industrie, die de steden nog bewoonbaar laat, maar wel hun karakter danig aantast. Meer dan een handvol straatjes met een laatmiddeleeuws karakter vindt u er dan ook niet. Alleen het wat afgelegen Ebeltoft ziet er nog ongeschonden uit. Een opsomming van de toeristische hoogtepunten leidt dan ook niet tot een lange rij beeldschone plaatsen. Het zijn eerder de musea die de aandacht-trekken: moderne kunst in Silkeborg, Birk en Aalborg, goed bewaarde veenlijken in de vitrines in Højbjerg en Silkeborg en nauwkeurig herbouwde koopmanshuizen in het openluchtmuseum van Århus. En dan zijn er nog die prachtige middeleeuwse fresco's in de kleine dorpskerken, her en der over het schiereiland verspreid. Natuurlijk is het niet louter cultuur wat reizigers naar Jylland lokt. Er is nog een tweede groot verschil tussen west en oost. Vestjylland is liet land van de tamelijk brede stranden die's zomers 'vollopen', maar nooit echt overvol raken. Oostelijk Jylland (het Midtjy(lske Sohojlund) is de streek met de vele heuvels, bossen, vennen en meren, het gebied van de fietsers. wandelaars en kanovaarders. Voor de kinderen zijn er natuurlijk de vele pretparken, met Legoland bij Billund voorop.

De eilanden

  • Tussen Noordzee (Kattegat) en Oostzee ligt een barrière van eilanden die door betrekkelijk nauwe vaargeulen van elkaar gescheiden worden. Twee van die geulen worden bælt (gordel) genoemd en om die reden staat de archipel ook wel bekend als 'de Bælteilanden'. De eilanden hebben niet elkaar gemeen dat ze vrijwel allemaal grillig gevormd zijn, een heuvelachtig karakter hebben en zeer dicht bij elkaar liggen. Toch is een van die gordels zo breed dat u staande op de ene oever, de andere niet kunt zien. We kunnen daardoor onderscheid maken tussen een westelijke en een oostelijke groep eilanden.

  • Fyn (Funen hebt u waarschijnlijk op school geleerd) is het grootste eiland van de westelijke groep. Van oudsher geniet het de bijnaam 'tuin van Denemarken'. Niet ten onrechte: Fyn maakt een even landelijke indruk als Jylland en is voor een groot deel even bosrijk als het hart van het grote schiereiland. Er mogen dan weinig tulpen in Amsterdam groeien, de rozen van Fyn uit het gelijknamige liedje zijn geen verzinsel van een overenthousiaste tekstschrijver.

  • Wie op Fyn komt fietsen of wandelen, wie op vier wielen langs de binnenweggetjes wil toeren, komt wel aan zijn trekken. De landelijkheid van het eiland compenseert het gebrek aan bezienswaardigheden. Odense is de hoofdstad - geen mooie stad, zeker niet sinds men wat al te drastisch de sanering van het centrum heeft uitgevoerd. Dat er toch veel

  • toeristen komen, dankt Odense aan die ene sprookjesverteller, de man die Fyn zo vaak lyrisch beschreven heeft: Hans Christian Andersen. In het enige stukje Odense dat nog leuk is, werd hij geboren. Hele drommen buitenlanders verdringen zich in de smalle gangetjes van wat gemakshalve zijn geboortehuis genoemd wordt, om aan de wanden het levensverhaal van de dichter van de droevige figuur te lezen. Mooie stadjes vindt u alleen aan weerszijden van de smalle Sydfynske Ohav, de met piepkleine eilandjes bezaaide vaargeul tussen Fyn enerzijds en Æro en Langeland anderzijds. Faaborg aan de zuidwestkust van Fyn is een leuk plaatsje en ook in Svendborg zijn nog wat oude pandjes overeind gebleven. Maar het echte juweeltje is toch Ærøskøbing. Wie zich graag romantisch uitdrukt, zal zeggen dat Ærøskøbing - net als buurstadje Marstal en liet al lang niet meer levendige Troense - nog wat ligt na te mijmeren. Nog maar honderd jaar geleden meerden in deze drie havens de grote schoeners en klippers af als ze terugkwamen van de lange tocht naar het Verre Oosten.

  • Lolland en Falster, de zuidelijkste eilanden van de oostelijke groep, hebben niet zo veel te bieden. Bruggen verbinden de eilanden met elkaar en met het hoofdeiland Sjælland. Alle wegen leiden naar Storkøbenhavn, Groot-Kopenhagen, de Deense randstad waar eenderde van de bevolking zijn woonstede heeft. Eigenlijk is Kobenhavn een merkwaardige samensmelting van 25 steden en stadjes: één vlek op de kaart, maar administratief netjes opgedeeld in gemeenten met allerlei overkoepelende bestuursorganen.

  • København is niet oud; pas in de 16e eeuw begon het echt te groeien en u zult er dan ook vergeefs zoeken naar een middeleeuws, sfeerrijk, aantrekkelijk centrum. Hier zijn het vooral de later ontstane paleizen en villa's die het karakter van de stad in bouwkundig opzicht bepalen. Belangrijk zijn de vele (vaak ondergewaardeerde) musea en bovenal de winkelstraten (waaronder Europa's beroemdste promenade) en de uitgaanscentra. Zeker in vergelijking met de andere Noord-Europese steden is de Deense hoofdstad een amusementsstad bij uitstek.

  • Wie stedenschoon zoekt, moet een stapje meer doen. Nog onder de rook van de Kopenhagense agglomeratie ligt liet prachtige stadje Dragør en wie Helsingør alleen bezoekt omdat een zekere Shakespeare er zo'n aardig toneelstuk over heeft geschreven, doet het oude centrum van die stad tekort. Dat kasteel van Hamlet is maar één van de vele koninklijke buitenverblijven. Wanneer Hare Majesteit gasten ontvangt, heeft zij een ruime keus. Zelf verblijft ze 's zomers bij voorkeur op de Fredensborg, maar zo nodig kan worden uitgeweken naar de wat protserige, met kunst volgepropte Frederiksborg in Hillerød of een van de paleisjes in het overdadige groen ten noorden van de hoofdstad.

  • De overweldigende (maar wel terechte) belangstelling voor Storkobenhavn komt de rest van Sjælland niet eens zo ongelegen. Buiten de drukke hoofdstad en de vele snelwegen ernaartoe is Sjælland eigenlijk net zo rustig als Fyn en Jylland. Roskilde - waar de Deense vorsten hun laatste rustplaats vonden in de bakstenen kathedraal en scheepsarcheologen zich ontfermen over opgeviste wrakken van vikingschepen - weet de toerist meestal wel te vinden, maar wie had tevoren ooit gehoord van de machtige kloosterkerk van Sorø, de dons van Kalundborg met zijn vijf torens of de schoonheid van stadjes als Køge en Næstved?

  • Sjælland is ook weer een land van oude dorpskerkjes niet fresco's. Dat geldt evenzeer voor liet kleine eiland Møn vlak onder de Sjællandse zuidkust, waar de meester van Elmelunde zijn indrukwekkende schilderingen achterliet. Møn is niettemin beter bekend om zijn krijtrotsen, dat merkwaardige on-Deense landschap dat Møn ineens zo anders doet zijn.

Land, volk en cultuur Landschap

  • In landschappelijk opzicht is Denemarken een overgangsgebied tussen het noordelijke deel van het Midden-Europese continent en het Scandinavische schiereiland. Beide gebieden liggen zo dicht bij elkaar dat bij een eerste blik op de kaart al het vermoeden rijst dat Denemarken ooit een landbrug is geweest. Een hoge landbrug kan dat niet geweest zijn. liet Midden-Europese continent is aan de noordzijde vlak: van Oost-Engeland tot diep in Polen strekt zich een laagland uit dat als de Noord-Duitse laagvlakte bekend staat en waartoe dus ook Nederland behoort. Scandinavie is bergachtig. maar het deel dat het dichtst bij Denemarken ligt. Zuid-Zweden is relatief laag. Denemarken is en was geen hoge barrière die Noordzee en Oostzee van elkaar scheidt, maar een lage, uiterst kwetsbare drempel.

  • De oorzaak hiervan moet gezocht worden in het Pleistoceen (het tijdvak van ca. 2.500.000 tot 10.000 jaar geleden), toen Noord-Europa werd geteisterd door een aantal glacialen, ijstijden waarin een gigantisch gletsjerveld grote delen ven het continent en het hele Scandinavische schiereiland. Finland en de Oostzee. bedekte. De ijskap drukte het land omlaag, zoals dat nu nog het geval is op Groenland en het Zuidpoolcontinent. Daar waar de bodem bestond uit harde gesteenten. was dit effect geringer dan op plekken waar de bovenlaag van de aarde bestond uit relatief zachte sedimenten van in vroeger tijden drooggevallen zeeën. Zo'n gebied was het Noordzee-0ostzeebekken, waarvan Denemarken deel uitmaakt.

  • De gletsjerkap schoof grote hoeveelheden losse gesteenten en sedimenten niet zich stee en voor zich uit en zo ontstonden lage heuvelruggen. Gedurende het Saalien (ca. 200.000 tot 125.000 jaar geleden), één van de drie hevigste glacialen, reikte de ijskap tot wat nu Nederland is - de Utrechtse heuvelrug de Veluwe en de Sallandse heuvels werden toen gevormd. Ook Denemarken kreeg zo zijn vorm. De ijstijden werden afgewisseld niet iets warmere interglaciale periodes waarin vegetatie wortel kon schieten en landschappen gestalte kregen die mens en (fier een geschikt leefmilieu boden. Nieuwe ijstijden. van korte of lange duur, vernietigden echter weer veel van liet landschap.



  • Tijdens het Weichselien, de laatste grote glaciale periode (70.000-17.000 jaar geleden) werd nog maar een deel van Denemarken door gletsjers bedekt. De frontlijn liep ongeveer van Lemvig aan de huidige Noordzeekust via Viborg en Silkeborg tot de omgeving van Tinglev in het zuiden van Jylland. De opgestuwde wal van zand- en kalksteen is nu nog herkenbaar als de Jydse heuvelrug. Ten westen daarvan werd het na het Saalien gevormde landschap door smeltwatersedimenten afgevlakt en niet een laagje zand overdekt, ten oosten van die lijn ontstond na het smelten van de ijskap een betrekkelijk gevarieerd landschap niet snteltwatermeren en korte. u-vorstige dalen.

  • De glaciale en interglaciale perioden hadden hun uitwerking op het niveau van de Noordzee. Gletsjers ontrokken zoveel water aan de kringloop dat de zeespiegel daalde, en temperatuurstijgingen deden zoveel ijs smelten dat het water ongehinderd grote stukken land kon overstromen. Verlost van de druk van de nu gesmolten gletsjers veerde het land weer op. maar dat proces verliep aanmerkelijk langzamer dan het stijgen van cie zeespiegel (bedenk daarbij wel dat het steeds om processen ging die duizenden jaren in beslag namen). Uiteindelijk was liet zeeniveau zo gerezen dat delen van liet land er niet meer bovenuit kwamen. Zo ontstonden de inhammen aan de oostkust van Jylland en zo forceerde de Noordzee een doorbraak naar de Oostzee door de smalle ondiepe zeestraten Lille Bælt, Store Bælt en Øresund. Denemarken wordt nu nog circa 20 cm per eeuw opgeheven: het noordelijke deel van de Botnische Golf daarentegen stijgt nog 1 meter per eeuw.

  • Na de definitieve terugtrekking van de ijskap tot de hoogste toppen van het Noorse bergland had Denemarken min of meer zijn definitieve vorm gekregen van één langgerekt schiereiland en een reeks dicht bij elkaar gelegen eilanden, resten van die oude landbrug naar Zuid-Zweden. Toch bleef de ruim 7000 kin lange kustlijn niet helmtaal onaangetast. Zee en wind hebben er veel aan veranderd en verder landinwaarts heeft de mens zijn eigen bijdrage aan de vorming van het landschap geleverd. Geleidelijk aan ontstonden er zo meer gedifferentieerde landschappen aan weerszijden van de jydse heuvelrug.

Waddenkust

  • De bodem van de Noordzee verschilde qua samenstelling niet veel van het land ten westen van de heuvelrug. Zandige sedimenten werden door liet onstuimige water en de wind opgestuwd tot strandwallen die enkele kilometers buiten de vaste kustlijn kwamen te liggen. Daarachter ontstond een geleidelijk aan ontziltende binnenzee. Eb en vloed deden dat van tijd tot tijd weer teniet: bij vloed, wanneer het water minstens 1,5 m steeg, werd de strandwal overspoeld, bij eb trok het water diepe sporen in het zand waardoor geulen ontstonden via welke de binnenzee met zout water volliep. De strandwallen werden eilanden. de binnenzee een ondiep water dat bij eb droogvalt. We kennen dat verschijnsel ook uit onze streken: de Waddenzee, de Waddeneilanden, de steeds veranderende kustlijn, de steeds weer vollopende slufters en prielen. Het wad en de lage duinen bieden te weinig bescherming tegen het door de westenwind opgejaagde water. Het lage vasteland is talloze malen onder water gelopen en het resultaat is een drassig, brak moeras: liet marsland, dat wordt doorsneden door korte riviertjes die steeds weer hun loop veranderden. Door het aanleggen van dijken heeft de mens steeds weer geprobeerd het water buiten de straten van Ribe en Tonder te houden. De jongste prestatie is een aan Nederland herinnerend (en door Nederlanders ontworpen) stelsel van verhoogde dijken, sluizen en spaarbekkens dat liet water voorgoed buitendijks moet houden.

Noordzeekust en Skagerrak

  • Verder noordwaarts, voorbij de 'kaap' Blåvandshuk (die zich onder water nog zo'n 40 km voortzet in de vorm van een gevaarlijk rif, is het effect van eb en vloed minder groot. Ook hier ontstonden strandwallen die tot duinen werden opgestuwd, niet daarachter een zoetwatergebied. langzaamaan kreeg dit de vorm van een reeks brakke lagunes, die - helemaal ten onrechte - fjorden worden genoemd. De Ringkøbing Ford en de Nissum Fjord zijn de grootste lagunes: de eerstgenoemde is door het graven van een kanaaltje weer met de Noordzee in verbinding gebracht.

  • Bij Lensvig krijgt de kust even een ander aanzien: de 41 in hoge Bovbjerg, een uitloper van die jydse heuvelrug, onderbreekt de lange duinenrij. Verder noordwaarts komen nog een paar kleine kalksteenheuvels voor. resten van oudere stuwwallen. Langs het veel diepere Skagerrak, dat Denemarken van Noorwegen scheidt, wordt de duinenrij allengs breder. De vorm van de kustlijn, een flauwe bocht van west naar noordoost, doet al vermoeden dat wind en water hier vrij spel hebben. De naam jammerbugt zegt al genoeg. Om de duinen tegen verstuiving te beschermen, zijn op grote schaal klitplaritager aangelegd, uitgestrekte velden met stevige

  • grassoorten en diep wortelende naaldbomen. Het laatste grote zwerfduin, de Råbjerg Mile bij Skagen, is zo tot staan gebracht. Wat zandverstuivingen kunnen aanrichten, bewijst de eenzame torenspits van een verlaten kerk die nauwelijks een kilometer verderop boven het zand uitsteekt. Er is niet alleen sprake geweest van een doorbraak van de landrug in de richting noord-zuid. Ook van west naar oost. dwars door het noorden van Jylland, heeft de Noordzee zich een weg gezocht naar het Kattegat. Dit smalle vaarwater dat in het midden plotseling veel breder wordt, is de limfjord. De fjord is ondiep en de oevers zijn vlak en moerassig. Soms doet het landschap ons denken aan Zeeland. Van hieruit zeilden de vikingen naar Oost-Engeland om er de kust te bestormen. In de Late Middeleeuwen verzandde de vaargeul aan de westzijde echter volledig en groeide 71ty, liet westelijk deel van het eiland ten noorden van de fjord, weer vast aan Jylland. Thy bleef tot ver in de 19e eeuw vast niet Jylland verbonden, vele overstromingen van de smalle landtong ten spijt. In 1862 brak de lage strandwal opnieuw door, waarna de vaargeul wederom dreigde dicht te slibben: ijlings is toen een kanaal gegraven om de scheepvaart weer te verzekeren van een permanente verbinding met de Noordzee.

Midtjylland

  • De heuvelrug die de gletsjers achterlieten, verdeelt het luidden van Jylland in twee sterk contrasterende landschappen.'fen westen van de heuvels ligt een vlak land van mariene en snteltwatersedimenten. Aanvankelijk was het met loofwouden bedekt, later - na het meedogenloze kappen door de mens - rukte de heidevegetatie op. Nu worden kleine heidevelden afgewisseld door'plantager' van een gemengd karakter. Op dat proces van ontbossing, ontginning en herbebossing komen we later nog terug bij de bespreking van de Deense flora. De heuvelrug zelf is weinig indrukwekkend. De twee hoogste toppen, Yding Skovhoj en Ejer Bavnehøj, komen niet verder dan respectievelijk 171 en 173 m en bovendien steken ze nauwelijks boven het omringende, golvende landschap uit. Lang is dan ook verondersteld dat de voor Deense begrippen steil uit het watervan de julso oprijzende Hirri nelbjerg (147 m) de hoogste top van het land was. Die julso is een van de vele smeltwatermeren waaraan deze streek rond Silkeborg zijn naam Midtjydske Søhøjland ontleent. De nieren voeden talrijke rivieren die de U-vorstige dalen vullen: de Gudenå is niet 158 km de langste rivier van Denemarken.

  • Ook dit land was dicht bebost, voornamelijk niet loofbomen. De ontbossing is wat minder dramatisch geweest dan in het westen en hier en daar vindt u nog oude bossen: echte oerbossen zijn niettemin ook hier nauwelijks meer aanwezig. Daar waar bomen waren geveld, rukte liet veenmoeras op. Hier zijn de spectaculairste archeologische vondsten gedaan: in de moerassen van Tollend en Grauballe werden nog goed bewaard gebleven veenlijken - vermoedelijk van misdadigers of bij bepaalde riten om liet leven gebrachte offers - naar boven gehaald. Zulke vondsten mogen wat sinister zijn, de combinatie van heuvels, nieren, rivieren en moerassen maakt het Sohojland daarentegen bijzonder aantrekkelijk.



  • Jydse oostkust Door die smeltwaterdalen zochten de Jydse rivieren hun weg naar het Kattegat. Van de andere zijde stroomde na de stijging van liet zeeniveau zout water de dalen binnen, dalen die allemaal van west naar oost lopen. Daardoor lijken de Deense fjorden meer op estuaria (tamelijk breed en in ieder geval ondiep) dan op de 'echte' fjorden van Noorwegen. Die zijn immers veel dieper en de oevers reiken vooral in het zuidwesten tot spectaculaire hoogten. Daar zijn de fjorden ontstaan door het schuren en slijpen van gletsjers in een harde steensoort die deel uitmaakte van een hooggebergte. Hier heeft alleen de Vajlefjord een vrij hoge oever, maar zelfs de Munkebjerg aan de zuidzijde reikt toch niet hoger dan zo'n krappe 100 in.

  • Voor de mens zijn die Deense fjorden niettemin van groot belang geweest. Toen nog met schepen met een geringe diepgang werd gevaren. boden zij goede en gemakkelijk verdedigbare natuurlijke havens. Zo ontstond dat merkwaardige bebouwingspatroon: de Noordzeekust (ondiep, stormachtig, zonder natuurlijke havens) bleef nagenoeg onbewoond; de kust van het Kattegat daarentegen was en is nog steeds relatief dicht bebouwd, zij het dat de steden door de onderlinge concurrentie en de steeds geringere toegankelijkheid van de fjordhavens voor schepen met grotere diepgang in hun ontwikkeling zijn achtergebleven.

Bælteilanden

  • De grote doorbraak van Noordzee (liever: Kattegat) naar Oostzee verliep in de richting noord-zuid. Drie tamelijk ondiepe dalen liepen helemaal onder en vormden de smalle gordels waardoor sinds mensenheugenis het scheepvaartverkeer van West-Europa naar de Baltische landen plaatsvindt. Er ontstonden door dat vollopen twee betrekkelijk grote eilanden: Fyn en Sjælland. Verder naar het zuiden liepen enkele dwarsdalen eveneens onder en aldus werden de kleine Bælt-eilanden gevormd. Binnen de twee groepen (Æ'ro, Täsinge en Langeland enerzijds, Lolland, Falster en Aløn anderzijds) liggen de eilanden zo dicht hij elkaar dat ze bijna alle door bruggen met elkaar verbonden zijn. Er werden zelfs plannen gemaakt voor het winnen van land door het indijken en droogleggen van de smalle vaargeulen. maar van de uitwerking daarvan is nog niet veel terechtgekomen.

  • De kleine eilanden zijn zonder uitzondering vrij vlak. Op de grote eilanden zijn duidelijker sporen van landschapsvorming door gletsjerinvloeden zichtbaar. Zowel Fyn als Sjælland heeft aan de noordzijde een diep in het landschap doordringende fjord; hier heeft de doorbraak zich niet voortgezet. Langs de zuidzijde van Fyn is een heuvelrug achtergebleven, door topografen niet weinig fantasie de Fynske Alper genoemd (niet heuvels van net even boven de 100 m). Op Sjælland liggen op twee verschillende plaatsen (bij Sorø en ten noorden van København) groepen kleine meren, ook weer smeltwaterreservoirs zoals in Midtjylland. Rond de meren liggen nog vrij grote bossen: op Fyn daarentegen is het bosareaal heel beperkt. Echt spectaculair is het voorkomen van krijtrotsen aan de oostzijde van Sjælland (Stevns Klint) en op het kleine eiland Mon (Mons Klint). Krijtlagen, gevormd uit kalkresten van schelpdieren, algen en koralen die de zee in de periode van 135 tot 65 miljoen jaar geleden bevolkten, komen overal onder de toplaag van de Deense bodem voor en geschat wordt dat deze lagen ten minste 1000 in dik zijn. Meestal liggen ze echter diep onder het landschap, in Midtjylland zo'n 5 à 6 km. Hier komen de krijtlagen aan de oppervlakte, rijzen ze zelfs steil uit de Oostzee op (141 m op Møn).

Bornholm

  • Bornholm is tot nu toe nog niet in ons verhaal voorgekomen. Geologisch gezien behoort het eiland eigenlijk niet tot Denemarken. Het maakte deel uit van een andere landbrug, die Zuid-Zweden met het kustgebied ten zuiden van de Oostzee verbond. De bodem is van een geheel andere samenstelling; we treffen er veel ouder gesteente aan dan op het jydse schiereiland en de Bæltarchipel. Aan de west- en noordzijde en ook nog op plaatsen in het oosten komen hoge, door brandingerosie aangetaste rotsen voor, bestaande uit graniet of zachtere gesteenten, zoals zandsteen. De kustrotsen zijn kaal, verder landinwaarts worden ze bedekt door een zeer dunne laag morenengruis. Het bijna onbewoonde,

  • golvende binnenland (toet denken aan Midtjylland en de hoogste top (Rytterknægten) reikt tot 162 til. De zuidzijde is opmerkelijk laag: hieren daar is sprake van enige duinvorming, zoals bij Dueodde, even onder Nekso.

Klimaat

  • liet waren weer echte Kopenhaagse novemberdagen - een grauwe hemel, scheinerdonker in plaats van dag, besmeurde straten zodat overschoenen en paraplu een noodzakelijk deel van iemands verschijning worden om hein naar beneden en naar hoven te begrenzen; daarbij als enige afwisseling een kille, dikke mist, die men zelfs kan proeven - de hele atmosfeer is koud en vochtig - de kleding doordringend tot in iemands poriën toe; zij dringt niet haar klamheid doorpoorten en deuren en komt over balustraden de huiskamers binnen. Men voelt zich in een element voor kikvorsen en niet voor warmbloedige dieren.

  • Andersen geeft in zijn roman de twee baronessen een somber beeld van het weer in zijn woonplaats. Maar let wel, hij schetste een dag in de maand november, een van de natste en mistigste maanden, zowel in Denemarken als in Nederland. Ook in Denemarken heerst een gematigd zeeklimaat, een klimaat dat onder sterke invloed staat van het 's zomers koele, 's winters nooit echt koude water van de Noordzee, waar de westenwind overheerst en krachtig genoeg is om koude luchtstromingen uit de polaire streken het grootste deel van het jaar tegen te houden. Kaarten en tabellen spreken een duidelijke taal. Zelfs in de koudste maand, februari, schommelt de gemiddelde temperatuur (gerekend over 24 uur) zo rond het vriespunt. De verschillen in temperatuur tussen de koudste plekjes (Vendsyssel. Himmerland, Midtjylland, Vest- en Nordsjælland. Bornholm) en de warmste (het waddengebied en Ærø) zijn te verwaarlozen. In juli hetzelfde beeld: gemiddeld blijft het kwik steken bij 15à 16,5 °C; de Sjællandse kust, Bornholm, Falster, Lolland en Viborg zijn de warmste streken, Himmerland. Midtfyn en Nordvestjylland de koelste.

  • Veel groter zijn de verschillen waar het de jaarlijkse neerslag betreft. Van de circa 600 min regen en sneeuw die gemiddeld op het Deense land neerdaalt, valt het grootste deel in de brede strook tussen de Noordzeekust en het heuvelland van Midtjylland. Ook op Thy, in Hininmerland en bij de meren rond Skanderborg wordt meer dan 700 min neerslag gemeten en dat is ongeveer evenveel als in Nederland. Droge plekken (minder dan 600 mem) zijn de kust van het Kattegat, Nord- en østfyn, Sjælland en Bornholm. Meer details geeft de tabel, waarin de gegevens van elf stations zijn opgenomen.

  • De verdeling van de regenval over liet gehele jaar is vergelijkbaar met de situatie bij ons. Denemarken heeft 120 tot 200 regendagen per jaar: de minste neerslag valt tussen eind april en begin juni, de regenrijkste periode is eind juli tot eind oktober. Net als in Nederland is liet weer moeilijk voorspelbaar. Er treden plotselinge weersveranderingen op als gevolg van botsingen tussen warme en koude, droge en natte luchtstromingen. Zelden kan een bepaald weertype zich meer dan een paar dagen handhaven.

  • Het voornaamste verschil met het Nederlandse klimaat wordt veroorzaakt door het feit dat Denemarken ook aan de oostzijde door zeewater wordt omspoeld. Daar heeft de golfstroom geen enkele invloed meer. Soms zijn de westelijke winden niet krachtig genoeg om de stromingen uit het Oostzeegebied weerstand te bieden. De temperatuuruitersten verschillen dan ook sterk niet die in onze streken. 's Winters, wanneer de Oostzee deels bevroren is, kunnen uitzonderlijk koude winden de oostelijke eilanden bereiken; de laagste temperatuur die ooit genreten werd, ligt rond de -31'C. 's Zomers hebben warme winden uit Rusland soms vrij spel en wordt het kwik naar waarden boven de 35° gestuwd. Toch zijn dit uitzonderingen die het algemene weerbeeld nauwelijks aantasten.

Flora en fauna

  • ooit moet Denemarken een dicht bebost land geweest zijn. We kunnen dit afleiden uit (le udle oude plaatsnamen die eindigen op -skov (bos). -hund (bosje) of -rød (rooiplek). Nu bcstaat nog maar 11% van hen landoppervlak uit bos. Rond 1800 was dat zelfs nier meer dan 4%. Er is op grote schaal roolbouw gepleegd en dat is geen zaak geweest van de laatstc eeuwen. Deskundigen hebben kunnen nagaan dat er drie grote rooiperioden zijn geweest: van het begin van onze jaartelling tot omstreeks 600, in de vikingtijd (800-1100) en in de 13e eeuw. Men had grote behoefte aan hout voor de lutizenbouw, voor de scheepsbouw, als brandstof, voor het maken van houtskool (nodig bij de bereiding van ijzer) en voor het vervaardigen van meubilair voor kerk en huis. De schuld ligt niet alleen bij de mens: ook dieren, met narre huisdieren, hebben flinke schade aangericht mel hun gewroet, gegraas en geknabbel. Al betrekkelijk uroeg heeft men de noodzaak van bescherming van de overgebleven bosgebieden en herbebossing ingezien. De schade die door ontbossing was ontstaan, was weliswaar niet spectaculair, maar toch groot genoeg om overheidsmaatregelen noodzakelijk te maken. Hier ontstonden geen kale rotsen door weggespoelde grond, maar bleven uitgestrekte venen en moerassen achter, die waren ontstaan na hen terugtrekken van de gletsjerkap. Heidevegetatte verspreiddc zich snel over delen van het ontboste land. Bijna heel het noorden en westen van Jylland, waar de bodem uit tand bestond, was in de 18e eeuw roet heide bedekt. Het land lag er troosteloos bij, van weinig nut voor de mens die er ook geen heil in zag zich hier te vestigen (terwijl dit toch bet oudste door mensen bewoonde landsdeel was).

  • In 1805 werd een wct op de bosbouw uitgevaardigd, maar van herbebossing op grote schaal was, als gevolg van de slechte economische toestand, pas sprake na de oprichting van het Danske Hedeselskab in 1866. De heide maatschappij werd in het loven geroepen als direct gevolg van de oorlog om Sleeswijk. Daarbij was immers veel kostbare landbouwgrond in Duitse handen overgegaan en om Jylland van een compleet bankroet te redder, moest snel landbouwgrond worden geschapen. Dat is roet veel energie en tvisselend succes gebeurd.

  • Naaldbomen treft u aan in de duinen langs de kust van de Noordzee, hen Skagerrak en de zuidzijde van het Kattegat. Ook dit zijn gangeplante bossen (klitplantager) die bet land moeten beschermen tegen stuifzand. 'russen de dennen en sparren groeien helmgras en andere sterke grassoorten die men hun lange wortels het duinzand op zijn plaats kunnen houden en zo zwerfduinen vastleggen.

  • Behalve enkele uitgestrekte heidevelden treft u in Nordjylland een paar grote hoogveengebieden aan: de Lille Vildmose ten zuidoosten van Aalborg en de Store Vildmose op Vendsyssel. Verder zijn er weinig improductieve gronden; de huidige vardeling van liet bodemoppetvlak ziet er gunstig uit: 61,8% bouwland en boomgaarden, 6,7% weiden en granland, 10,9% bosgrond en 20,6% wordt ingenonten door bebouwing, binnenwateren en braakliggende grond. De overige flora is goed vergelijkbaar met de Nederlandse. Ook in Denemarken komen circa 1500 plantensoorten voor. De wilde planten worden beschreven in de vele in Denemarken verkrijgbare flora's en ondere publicaties (helaas alleen in het Deens uitgegeven). Denen •zijn bij uitstek liefhebbers van bloemen: er zijn keurigverzorgde tuintjes te vinden, tot diep in de grote steden toe. Die liefde voor tuinen is overgenomen door bezitters van grote landgoederen. Rond bijna alle landhuizen zijn schitterende parken en tuinen aangelegd en ze worden ook liefdevol onderhouden, ondanks de enorm hoge kosten die er nu aan varbonden zijn. Lijsterbesbomen, vlierbesstruiken en rozen in alle kleuren en varieteiten doen liet er goed, evenals braamstruiken en berenklauwen. Tussen het graan is de korenbloent nog hiet verdwenen. En laten we niet vergeten melding te maken van de uitgestrekte veldes met koolzaad.

  • De landfauna is die van de Noord-Europese laagvlakte, in her bijzonder hel westelijke deel daarvan. De dierenwereld onderscheidt zich dus nauwelijks van die in de Lage fanden. Grote zoogdieren zijn er maar weinig: het edelhert en de regi zijn inheems, damhert en sikahert zijn ingevoerd. Heel veel steden hebben een dyrehave, een hertenkamp waarin deze sierlijke grazers in gevangenschap, maar toch mat een behoorlijke leefruimte zijn opgenomen. Herten in het wild zijn daarentegen schaars geworden. Bij de klejne zoogdieren komt u vossen, dassen, marters en otters tegen, maar ook weer net als bij ons in steeds geringer wordende aantallen. Wat talrifter zijn de eekhoorns, hazen, konijnen. muizen, woelmuizen, mollen, egels en vleermuizen (gladneuzen). De zeefauna omvat gewone en grijze zeehonden, stinkrobben, zadelrob ben, bruinvissen en tuimelaars in bepcrkte aantallen. De binnenwateren bevatten talloze vissporten, waaronder zahn, meerforel, beekforel, regenboogforel, vlagzalm. baars, snoek. tander, karper, kroeskarper, blankvoorn, serpeling, winde en aal. Tot de meest gevangen zeevissen behoren zeefbrel, kabeljauw, schelvis, wijting, koolvis, tarbot, griet, schol, bot, ton-, kwabaal, zeewolf, schorpioenvis en uiteraard haring. Vogels zijn er genoeg in Denemarken. De spectaculairste gevederde vriend is de door Andersen al vaak in zijn vertellingen genoemde ooievaar: jamier genoeg is het aantal eibers sterk afgenomen. Alleen het befaamde nest in Ribe kan op regelmatig bezoek rekenen. Ook andero inheemse vogelsoorten zijn verdwenen øf komen nog slechts als passanten voor. Men telt nu ruim 160 inheemse soorten en een ongeveer even groot aantal migranten. Zeer veel vogels die op de noordelijke toendra's broeden passeren op de trek de Deense eilanden en waddenkust. Kraanvogels verzanielen zich gewoontegetrouw op Bornholm en de zwanen en viecl ganzensoorten, die vooral in Nederland overwinteren, hebben verschillende pleisterplaatsen waar ze in voor- en najaar enige tijd verblijven. Er zijn talloze soorten kustvogels en steltlopers te zien, viet narre in de stille lagunes van Vestjylland en op afgelegen eilandjes, zoals de Ertholme len noordoosten van Bornholm. Pazantcn, houlduiven en eenden worden nog op grote schaal het slachtoffer van jagers; roofvogels en zangvogels zijn als beschermde diersoorten aanmerkelijk beter af.

Geschiedenis

  • De prehistorie van Denemarken is een lang verhaal. Zeker wanneer we ons conformeren aan de stelling dat de historie van een land pas begint wanneer er betrouwbare, geschreven berichten over verschijnen. En over Denemarken hebben de chroniqueurs lang gczwegen. [let land is niel betrokken geweest bij de ontwikkeling van de vroegste beschavingen en heeft maar zelden de aandacht getrokken van de eerste geschiedschrijvers. Pas in de ile eeuw verschenen de eerste uitvoerige publicalies over her land der Denen, in de 12e eeuw gevolgd door het grote historische

  • werk van Saxo Grantrnoticus. Wat daarvoor verscheen, bestaat voornantelijk uit losse berichten over stammen in het noorden, waarbij her niet duidelijk is waar zij woonden of vandaan kwamen: Denemarken, Noorwegen, Zuid-Zweden of de Baltische kosten. Voor hot eerst duiken Denen geregeld op in de geschriftcn vanaf het jaar 800. De invallen van de Noormanncn deden onthutste ntonniken naar de pen grijpen. Zo is er dus aanleiding om de Deense geschiedenis rond dat jaar te laten beginnen. We lezen dan alleen iets over Denen die hun land verlieten om elders hun forurin te zoeken. Over wat er in her land zel fgebeurde, weten we weinig. Wc zijn aangewezen op de vondsten en verklaringen van archeologcn. In dat opzicht treffen we het niet slecht. Denen houden over hel algemeen veel van archeologic en nog meer van het reconstrueren van alles wat met hun oudste voorvaderen te maken heeft. Terwijl bij ons het Archeon moeite heeft her hoofd boven water te houden, wordl in Denemarken het ene Archeon na het andere gebouwd.

Staat

  • Het koninkrijk Denemarken (Kongeriget Danmark) omvat het moederland op het Europese continent (43.076,2 km` ofwel 1,27 x Nederland, 5,2 miljoen inwoners), de archipel van de Føroyar (Deens: Færoer) in tret Europese deel van de noordelijke Atlantische Oceaan (1.398,9 km', iets meer dan de provincie Utrecht; 46.000 imvoners) en tiet eiland Kalådtlit Nuniit (Deens: Grønland, Nederlands: Groenland) tussen het Amerikaanse deel van diezelfde oceaan en de Noordelijke IJszee (2.175.600 kilt' ofwel 64 x Nederland, waarvan slechts 341.700 km' ijsvrij is; 56.000 inwoners). Sinds 1849 is Denemarken een constitutionele monarchie, wat inhoudt dat de macht van het staatshoofd, net als bij ons, beperkt is. Staatshoofd is koningin Margrethe II (geb. 1940), de tweede vorstin in de Deense gcschicdenis, die in 1972 haar overleden vader Frederik IX opvolgde. Kroonprins is de in 1968 geboren Frederik (de X-e in de rij met die naam). die een jaar ouder is dan zijn broer Joakim. Prins-gemaal is de van oorsprong Franse graaf Henri de Laborde de Monpezat die sinds het (toer nog) kroonprinselijke huwelijk officieel de naam Hendrik draagt. Het staatshoofd laat in overeenstemming met de grondwet de uitvoerende machs over aan het parlement en de ministerraad. Het huidige kabinet (statsråd) telt 23 minsters in een centrtnnrechtse coalitie. Sinds de grondwetswijziging van 1953, waarbij de senaat (rigsdag) werd ontbonden, berust de wetgevende macht bij een eenkamerparlcmcnt (folketing) met 179 rechtstreeks gekozen leden.

  • Denemarken is onderverdeeld in 14 amtskommuner, die worden bestuurd door een indirect gekozen amtsborgmester en een direct gekozen amtsråd. Daarnaast zijn er twee kommuner (gemeenten) die buiten deze provinciale indeling vallen, te weten København en Frederiksberg. Behalve een lokaal bestuur is er voor deze twee steden samen een overkoepelende hovestadsråd, waarin ook de 25 randgemeenten zijn vertegenwoordigd. Denemarken is onder meer lid van de Verenigde Naties (1945), de NAVO (1949 (, de OESO (1961) en de Noordse Raad (1953). Deze Nordisk Råd is een Beneluxachtig samenwerkingsverband van de vijf Noord-Europese landen: Noorwegen, IJsland, Zweden, Denemarken en Finland; de autonome rijksdelen (Groenland, Føroyar/Færoer, Åland) zijn geen afzondelijke leden, maar hebben een status die vergelijkbaar is met die van

  • waarnemer. Denemarken, althans het moederland, is sinds 1973 ook lid van de EU. De Foroyar en Groenland zijn in zoverre autonoom dat zij zelf over tiet lidmaatschap kunnen beslissen. De Foroyar sloten zich niet bij de toenmalige Europese Gemeenschap aan. Groenland bezat nog geen autonomie, maar heeft zich sinds het verwerven van zeltbestuur beijverd voor beeindiging van het lidmaatschap (in 1985 gerealiseerd).

Volk en folklore

  • Onder het motto 'Meet the Danes' stellen de turistkontorer van de grote steden u in staat langs min of meer informele weg in contact te komen mer (neestal Engelssprekende) Deense gezinnen, bij wie u dan een pair uurtjes of een paar dagen op bezoek gaat. Het is natuurlijk de vraag of deze geselecteerde, in her ontvangen van buitenlandse gasten zeer ervaren gezinnen model kunnen staan voor het 'doorsnee-gezin'. Aan de andere kant geeft zoiets u de gelegenheid de Denen eens van dichtbij mee te maken. Om iets te lergin van tiet volkskarakter (wat dat dan ook zijn mag) is zo'n persoonlijk contact een noodzaak. Denen zijn geen mensen die veel naar buiten treden of die hun karakter op straat tentoonspreiden. Wie door een drukke Deense straat loopt, kornt geen kleurrijke figuren tegen als in de mediterrane tanden, geen straattatereeltjes die iets vertellen van wat er in het volk schuilt. Er lopen geen schoenpoetsers rond, geen sponzenverkopers, geen staatslotenleurders, geen clochards, geen macho politieagenten mer witte helmen en zwarte snorren. De enige kleurrijke tiguur is de postbode mer zijn felrode jas die lopend of op zo'n ouderwetse, lompe fiets de brieven en pakjes rondbrengt. 



  • In de grote steden stuit u alleen op de punkers en skinheads die u ook uit eigen land kent; zelfs op Strøget, de winkelpromenade van København, wijkt het beeld weinig af van dat in de Kalverstraat, op de Lijnbaan, in de Spuistraat of waar dan ook. Dat wil niel zeggen dat de Denen een kleurloos volkje zijn, integendeel. Maar Deense folklore is vooral een huistuin-en-keukenfolklore: de tradities hebben betrekking op het dagelijks loven binnen de elgen kring. Er zijn wel folkloristischc dans- en zanggroepen, er zijn klederdrachten, maar u krijgt er pas mee te maken wanneer er aanleiding toe is. wanneer er een jaarmarkt wordt gehouden of er een speciaal op het toerisme afgestemd evenement plaatsvindt. Kennismaken met Denen vereist geen moeite, geen speciale toenaderingstactiek. De Denen zijn over het algemeen (en dat we generaliseren is een duidclijke zaak) een gastvrij en openhartig volk. Ze halen een vreemdeling graag in huis, maar stellen er wel prijs op eerst uitdrukkelijk met hem of haar kennis te hebben gemaakt, een basis voor vriendschap te hebben gclegd. In dat opzicht is men tamelijk formeel. Vormelijkheid is de eerste van de vier veel voorkomende eigenschappen waarover we het in deze alinea's willen hebben. Als we dan mer enige schroom toch vier generaliserende karakterschetsen op papier willen zetten, moeten het deze zijn: de Denen zijn vormclijk, saamhorig, leergierig en democratisch.

  • Wanneer u merkt dat iedere Deen zich meteen met zijn voornaam voorstelt, lijkt dat allesbehalve vormelijk te zijn. Immers, vooral de Noord Nederlanders houden hun voornamen liefst zo lang mogelijk voor de vreemdeling verborgen. Dat een Deen zich voorstelt als Jorgen Hansen of Lene Andersen en niet als meneer of mevrouw X, heeft te maken met de geringe verscheidenheid in fåmilienamen. Jensen (7,7% van de bevolking!), Nielsen, Hansen, Pedersen, Andersen, Christensen, Larsen, Sørensen, Petersen, Rasmussen (de top-10) zijn gemene zaak in alle Scandinavische landen. Het zijn namen die niet meer zeggen dan dat iemand 'de zoon van die-en-die' is. Vroeger was het zelfs zo dat ook vrouwen alleen bekend stonden als 'dochter van ...', zoals nu nog op Ijsland het geval is. Nu hoeft u maar een blik op een bladzijde in tiet telefoonboek van København te werpen om te zien dat er meer Hansens zijn die Jørgen heten. Veel Denen hebben dan ook den dubbele naam, bijvoorbeeld HansenMolby of Molby-Hansen; Molby is dan vaak de naam van het dorp of landgoed waar de familie oorspronkelijk vandaan kwam. Wanneer u bij de familie Hansen aanbelt, kunt u er zeker van zijn dat u mel veel egards en formaliteiten ontvangen wordt. Vergeet niet iets mee te nemen voor de gastvrouw, een doosje honbons of een bloemetje (vroeger was het gebruikelijk aan een bepaalde kleur bloemen een symbolische waarde te hechten: geel bij aankomst, rood bij vertrek, wit bij bijzondere gelegenheden). U krijgt bijna direct al de nodige alcoholica in de hand gedrukt (ook al drinkt u niet): er moet worden getoast, met bier of akvavit, soms met boide. Het is ook uw plicht een Skål! toe te roepen aan de gastheer en gastvrouw. Ook na het eten wordt weer getoast. lnmiddels hebt u een maaltijd achter de rug waaraan de gastvrouw alle zorg heeft besteed: de Deense keuken blinkt niet uit door raffinement, maar alles wordt zeer smaakvol en volgens de regels van de etiquette opgediend. Na het dessert wordt de gastvrouw bedankt met een welgemeend Tak for mad (Bedankt voor de maaltijd). Na het antwoord Wibekonnne! volgt er koffie, veel koffie. Denen zijn enorme koffieleuten; zelfs op een terrasje krijgt u vaak ongevraagd een hele kan geserveerd, zelden een kopje. Als het afscheid eenmaal daar is, wordt u oret een herhaald Farvel! uitgeleid, waarbij Denen soms een gebaar met de handen maken alsof ze blij zijn met ons heengaan, maar dat in werkelijkheid heel vriendelijk is bedoeld. Het is een goede gewoonte de volgende dag de gastvrouw op te bellen en haar nog eens formeel te bedanken voor de prettige avond. Wanneer u haar weer tegenkomt, Bedankt u nogmaals roet de zin Tak for sidst (Bedankt voor die keer), ook al is er inmiddels een jaar voorbijgaan. Een avondje bij Denen is gezellig. Vertalers hebben altijd moeite met dat woord, omdat er in de meeste talen geen equivalent voor bestaat. Wel echter in het Deens: hyggelig. 'Gezelligheid' is misschien niet het juiste woord, eerder zouden we moeten spreken van 'saamhorigheid'. Denen zijn in meerderheid geen individualisten, maar mensen die graag in groepsverband leven en werken. Dat zit er al van oudsher in. De Vikingen waren geen individueel opererende struikrovers, maar trokken in grote groepen eropuit, stichtten ook met grote groepen kolonien - zelfs naar het onherbergzame Groenland emigreerde men in groepen. In groepen werden politieke en gerechtelijke beslissingen genomen door het volksparlentent. In groepen werd het land bewerkt en de vort, de hoofdman, deed er actief aan mee.

  • Het zijn dan ook Deense boeren geweest die het principe van de landbouwcooperaties hebben geperfectioneerd: samenwerken om de enorme achterstand op landbouw- en veeteeltgebied in te halen - en met succes. Samen werd ook in de landbouw en veeteelt geinvesteerd, daarin bijgestaan door de boerenleenbanken, ook den Deense specialiteit. Samen viert men feest: het dorpsfeest, het midzomerfestijn op 23 juni, het kerstfeest. En niet in de huiselijke kring. maar buiten, in het open veld. Gezelligheid is troef op de jaarmarkten en in de buurthuizen. Samen zingen Denen de oude volkswijsjes, samen voeren ze den toneelstukje op øf brengen ze cabaret- of vaudevillevoorstellingen. Ook oude øf elders nauwelijks beoefende genres komen aan bod zoals pantomime en commedia dell'arte. En dat alles vooral voor de gezelligheid en niet om ooit een grote carriere op het toneel te maken. Gezelligheid beleef je ook in je volkstuintje, de kolonihave, waar de stedeling zich kan uitleven als kleine tuinder; je stamt immers uit een geslacht van boeren, veehouders, tuinders, ook al woont je familie al sinds mensenheugenis in de stad. De liefde voor de eigen grond zit er bij de Denen stevig in. Liefde is er niet alleen voor de grond, maar ook voor de mensen die er voor hen hebben gewoond. Deven hebben vaak een grote belangstelling voor archeologie. Dat kornt voort uit die grote leer- en leesgierigheid. Die vindt zijn oorsprong in de 19e eeuw. Denentarken is tiet eerste land ter wereld geweest met een Onderwijswet. Daarna volgde de stichttng van defolkehøjskoler. Dat die voor het eerst verschenen in tiet grensgebied tussen Jylland en Sleeswijk, is geen toeval. Jylland was een verpauperd gebied; Grundtvig en de zijnen wilden de achterlijke bevolking van goed onderwijs vootzien om de landbouw en veeteelt op een koger en efficienter niveau te brengen. Daarbij speclde ook de gedachte mee dat de democratie viet lang meer op zich zou Jaten wachten en de vroede vaderen zagen weinig heil in een stemgerechtigd proletariaat dat nagenoeg ongc schoold was. Ook tiet nationalisme moest worden aangewakkerd gezien de dreigende verduitsing van Sleeswijk. Uit dit volwassenenonderwijs van de 19e eeuw is een bijna perfect onderwijssysteem gegroeid. Ook nu nog volgen veel Denen een cursus aan zo'n volkshogeschool. waarvan de duur kan varieren van een week tot tien maanden. Dat ge bourt nist in de steden. De folkehøjskoler staan allentaal (het zijn er ruim 100) op het platteland. Men laat zijn werk in de steek en neemt voor de duur van de etusus - algentene ontwikkeling øf den vakopleiding - zijn intrek in hel internaat. Ook de kerk heeft dit voorbeeld gevolgd en zo ontstonden de stichtelijke scholen van de pietisten en de retraitehuizen (meestal voor jonge vrouwen) van de Lutherse Kerk. Daarbij staat het geestelijk onderwijs voorop. De zo verworven kennis maakt de mens nieuwsgierig naar zijn verleden. De Denen laten het echter niet bij graven, conserveren en tentoonstellen. Er wordt geprobeerd dieper door te dringen in het verleden door het laven van alledag van toen te imiteren. Zo werden er op de Hjerl Hede en bij Lejre hele prehistorische nederzettingen nagebouwd. zo kopieerde men de grote huizen van de vikingkampen Fyrkat en Telleborg, zo werden er op de Moesgård bij Århus schepen en botenhuizen nagemaakt, zo kwam er in Roskilde een scheepstimmerwerf waar de vikingschepen van weleer worden gekopieerd. En allengs kwam er ook meer belangstelling voor hel recentere verleden. Denemarken kan dan ook putten uit een heel arsenaal onderzoekers die dit alles Touter als hobby beoefenen




mengesteld door: BusTic.nl 8/19/2016






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina