Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer



Dovnload 132.57 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte132.57 Kb.



Vlaamse Overheid

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, Dienst Mer

Graaf de Ferrarisgebouw

Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 BRUSSEL

tel: 02-553.80.79 fax: 02-553.80.75

www.mervlaanderen.be


Richtlijnen milieueffectrapportage


PRUP ‘Afbakening Kleinstedelijk Gebied Halle’

Provincie Vlaams-Brabant

Agentschap Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant

5 september 2011



PLIR-0060-RL

1. Inleiding
De provincie Vlaams-Brabant en het Agentschap Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant laten een plan-milieueffectenrapport (plan-MER) opmaken ter voorbereiding en als onderbouwing van het Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) dat opgemaakt wordt voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Halle. Het PRUP zal, naast een afbakeningslijn1, eveneens een tiental plangebieden aanduiden waarvoor bestemmingswijzigingen worden voorgesteld. Deelplan één (Biezeput) handelt over woonontwikkeling (tussen de spoorlijn Halle-Brussel, de Alsembergsesteenweg, de Beerselsestraat en Biezeput). In deelplan twee (Stroppen) wordt het behoud van de open ruimte vooropgesteld rondom het gehucht Stroppen (Albert Jambonlaan). Deelplan drie (Groebegracht) verzamelt drie deelgebieden: de omgeving van SK Halle (behoud van de open ruimte of woonontwikkeling (op lange termijn)), de strip Demesmaekerstraat (woonontwikkeling) en het zuidelijk deel van Groebegracht (behoud van de open ruimte). Deelplan vier (Economische pool A8) brengt vier deelzones bijeen: Dassenveld (waar een uitbreiding van bestaande bedrijvigheid of geen uitbreiding wordt voorzien), Bergensesteenweg-Noord (met als opties verdichting/herontwikkeling van grootschalige kleinhandel enerzijds of grootschalige stedelijke voorzieningen met wonen anderzijds), Hellebroek (waar de uitbreidingsmogelijkheden van de bestaande bedrijvigheid zullen onderzocht worden) en tot slot de aanleg van de N7a, de nieuwe op- en afrit aan de A8 en de aansluiting van het bedrijf Druco op de N7a. In deelplan vijf (Eilandje) komt het behoud van deze zone als groengebied en zal bovendien de ontwikkeling van kleinschalige toeristisch-recreatieve infrastructuur overwogen worden. Deelplan zes (Tunnel A8) herbergt eveneens drie deelgebieden (m.n. Kruisveld, Essenbeek-Keerstraat en Essenbeek-Borreweg) waar woonontwikkeling voorop staat. Deelplan zeven (Stedelijke toegangspoort Landingsbaan) brengt het voorstel van grootschalige stedelijke voorzieningen (niet-grootschalige kleinhandel) met woonontwikkeling in beeld. Daarnaast plant men in deelplan acht (Lembeek Noord – N6) naast verdichting/uitbreiding van grootschalige kleinhandel in deelzone Omgeving N6 Noord ook verdichting van de bedrijvigheid (of uitrusting en verdichting voor watergebonden bedrijvigheid) voor de deelzone Lembeek Noord. Deelplan negen (Stasbeek – N6) focust op twee deelgebieden: bij de vallei van de Stasbeek wordt voor het behoud van de open ruimte geopteerd, in het ontginningsgebied denkt men na over een nabestemming in de vorm van een uitbreiding van het voetbalcentrum en de ontwikkeling van een wielercentrum. Deelplan tien (Hondzocht) ten slotte, handelt over de ontwikkeling van bedrijvigheid aansluitend op bedrijvigheid in Tubize.
Initiatiefnemers voor het plan zijn de provincie Vlaams-Brabant (Provincieplein 1, 3010 Leuven) en het Agentschap Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant (Diestsepoort 6, bus 81, 3000 Leuven).
Het voorgenomen plan, het PRUP, is plan-MER-plichtig in het kader van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (BS 3 juni 1995), zoals herhaaldelijk gewijzigd, en artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (BS 10 januari 1998), zoals herhaaldelijk gewijzigd. In overeenstemming met het besluit van de Vlaamse Regering van 10/12/2004 is deze activiteit bovendien onderworpen aan de project-m.e.r.-plicht, minstens volgens de rubrieken 10a en 10b uit bijlage II m.n.: “Industrieterreinontwikkeling met een oppervlakte van 50 ha of meer” en “Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen, - met betrekking tot de bouw van 1.000 of meer woongelegenheden, of – met een brutovloeroppervlakte van 5.000 m2 handelsruimte of meer, of – met een verkeersgenererende werking van pieken van 1.000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur ”. Bovendien is ook bijlage I, rubriek 9 (“Aanleg van autosnelwegen en autowegen, met inbegrip van de hoofdwegen”) in combinatie met bijlage II, rubriek 13 (“Wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II, waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding)”) (voor de onderdelen i.v.m. de A8) van toepassing. Dit dient nog aangevuld te worden bij de verdere uitwerking van het MER.
Het plan-MER wordt opgemaakt volgens de procedure van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan (BS 30 mei 2008).
Het dossier met de nota voor publieke consultatie voor het plan-MER werd door de dienst Mer van de Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid volledig verklaard op 11 mei 2011. De terinzagelegging bij de stads- en gemeentebesturen van Halle, Sint-Pieters-Leeuw en Beersel liep van 18 mei tot en met 17 juni 2011. Deze terinzagelegging werd aan de bevolking op een gepaste wijze aangekondigd (aanplakking op de aanplakplaatsen van de gemeenten, bekendgemaakt via de gemeentelijke en provinciale websites…). Parallel werden adviezen bij de administraties en openbare besturen gevraagd. Bovendien werd ook gewestgrensoverschrijdend om advies gevraagd (aan het Waalse Gewest). Deze richtlijnen zijn na een overlegvergadering op 9 augustus 2011 met de betrokkenen opgesteld door de dienst Mer en hebben betrekking op de inhoudsafbakening van het verder op te stellen MER (zie verder). Ontvangen inspraakreacties en adviezen worden hierin meegenomen (zie bijlagen).
2. Vorm en presentatie
Met betrekking tot de vorm en presentatie vraagt de dienst Mer:

  • de resultaten van het onderzoek naar de milieueffecten transparant en duidelijk weer te geven;

  • recent kaartmateriaal te gebruiken, voorzien van een duidelijke bronvermelding, een correcte schaalaanduiding, noordpijl en legende. Het kaartmateriaal is van goede kwaliteit, overzichtelijk en op het gewenste detailniveau (schaal) naar bruikbaarheid toe;

  • op de kaarten het studiegebied (het plangebied + de zone waarop mogelijke effecten kunnen plaatsgrijpen) af te bakenen. Het onderzochte gebied is even groot of, indien gewenst, zelfs groter dan dit afgebakende studiegebied;

  • alle vermelde straten, waterlopen, bossen, bedrijven en bedrijventerreinen, BPA’s en RUP’s cartografisch weer te geven;

  • de locatiegebonden effecten en milderende maatregelen cartografisch te illustreren;

  • verwijzingen in de tekst naar deze kaarten op te nemen;

  • een afkortingenlijst, verklarende woordenlijst en literatuurlijst in het rapport op te nemen;

  • nutteloze herhalingen in de tekst te vermijden;

  • het MER te controleren op tikfouten en grammaticale fouten;

  • dat de initiatiefnemers en alle deskundigen de eindversie van het MER ondertekenen.


3. Doelstelling, verantwoording en besluitvorming
3.1. Besluitvorming en proces
Omwille van de nauwe verwevenheid tussen het plan van de afbakening van het kleinstedelijk gebied Halle en het reeds lopende project (ontwerpfase) van de omvorming van de N203a tot een volwaardige autosnelweg (project A8), deelde het Agentschap Wegen en Verkeer Vlaams-Brabant op de richtlijnenvergadering van 9 augustus 2011 mee dat zij samen met de provincie Vlaams-Brabant mede-initiatiefnemer wordt van onderhavig plan-MER.


Aangezien het ontwerpvoorstel voor het project A8 nog wordt bijgewerkt, is het mogelijk dat bijkomende bestemmingswijzigingen nodig zijn. Het betreft de aanpassing van de knoop R0-A8 en de intunneling van het segment t.h.v. Sint-Rochus. In een addendum dat bij de nota voor publieke consultatie werd toegevoegd én ter inzage werd gelegd, wordt deze kwestie beknopt uiteengezet. Indien tijdens dit m.e.r.-proces zou blijken dat de vermelde bestemmingswijzigingen niet noodzakelijk zijn, zullen de effecten van deze beide projectonderdelen wel als onderdeel van het ontwikkelingsscenario worden onderzocht.


In ieder geval zullen alle nieuwe ontwikkelingen rond het project van de A8 (knooppunt R0-A8, intunneling t.h.v. de Landingsbaan en de Nijvelsesteenweg, eventuele nieuwe verbinding tussen de N6 en de A8 t.h.v. Saintes in Wallonië) iteratief tijdens het m.e.r.-proces worden ingepast.
Eventuele relevante resultaten uit de lopende of nog op te starten processen rond het verbeteren van de noordelijke en oostelijke ontsluitingen van het kleinstedelijk gebied Halle, de verbreding en verdieping van het kanaal Brussel-Charleroi en de herziening van het mobiliteitsplan Halle kunnen eveneens bij dit MER betrokken worden (cf. infra).
3.2. Doelstelling en verantwoording
Het plan-MER zal verduidelijken waarom het zuidelijk deel van Groebegracht en de omgeving van SK Halle (open ruimtebestemmingen) binnen de afbakening worden gesitueerd. Tijdens de richtlijnenvergadering van 9 augustus 2011 bleek dat de landbouwbestemming voor deze gebieden compensaties zijn voor die locaties t.h.v. Stroppen en Hondzocht, die hun landbouwgebruik zullen verliezen ingevolge dit RUP (cf. nota voor publieke consultatie p. 52).
Het deelplan Hondzocht (met gewenste bestemming van bedrijvigheid) is gelegen binnen herbevestigd agrarisch gebied (HAG). In het MER zal een motivering opgenomen worden waarom het criterium van grensstellende open ruimten, waartoe ook HAG behoort, hier niet wordt gerespecteerd.
Ofschoon er, buiten het woonprogramma van het gemeentelijke ruimtelijke structuurplan Halle, geen behoefte blijkt te zijn aan extra woningen binnen het kleinstedelijk gebied Halle, worden niettemin een aantal nieuw aan te snijden gebieden met een woonbestemming aangeduid. Meer bepaald gaat het om de zones t.h.v. de Landingsbaan, de parkstrip boven de ondertunneling van de A8 en Biezeput. Het MER zal ten eerste onderbouwen waarom zij toch in aanmerking komen voor woonontwikkelingen (in relatie tot het ontbreken van een bijkomende woonbehoefte), en ten tweede waarom zij de voorkeur krijgen op thans reeds bestemde woonreserve- en woonuitbreidingsgebieden. Met het oog op de alternatievenselectie en de vraag van een aantal adviesinstanties naar meer ruimte voor water is zulk een aanvullende onderbouwing immers gewenst en noodzakelijk.
Het MER zal duidelijk aangeven welke de vervolgstappen zijn na het plan-MER, vooraleer met de uitvoering kan worden gestart. Tevens zal aangegeven worden in welke fase nog inspraak mogelijk is en op welke wijze. Indicatief zal worden aangegeven welke het te verwachten tijdspad is.

4. Voorgenomen plan en alternatieven
Zoals hierboven reeds gesteld, wordt vanuit diverse instanties meer aandacht gevraagd voor ruimte voor water. Zo zouden waterlopen meer speelruimte moeten krijgen (herstel van natuurlijke beddingen en meandering bij in het verleden rechtgetrokken waterlopen, o.m. de zijlopen van de Groebegracht in het kader van de ruilverkaveling Pepingen). Daarnaast moeten beekecosystemen meer plaats krijgen binnen woon-, recreatie- en industriegebieden. Tenslotte dient de natuurlijke komberging zoveel mogelijk hersteld te worden omwille van de broodnodige bufferingscapaciteiten binnen het kleinstedelijk gebied Halle, dat gekend staat voor haar periodieke wateroverlast. Er zouden dus m.a.w. steeds voldoende mogelijkheden voor de uitbouw van bufferbekkens voorzien moeten worden.
Gelieve het aantal woongelegenheden aan te geven bij de diverse geplande woonontwikkelingen, en het aantal bezoekers/deelnemers bij het wieler- (en voetbalcentrum).
Verspreid binnen de nota voor publieke consultatie (nl. zowel in hoofdstuk 3.3 (tabel 3.2) als in hoofdstuk 5.4) wordt er op relatief beknopte wijze ingegaan op een aantal alternatieven. In het bijzonder gaat het om de volgende bestemmingsalternatieven:

  • Voor het deelgebied SK Halle: bouwvrij agrarisch gebied of woonreservegebied op lange termijn;

  • Voor het deelgebied zoekzone tracé N7a om Dassenveld: al dan niet uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein;

  • Voor het deelgebied Bergensesteenweg-Noord: grootschalige kleinhandel of grootschalige stedelijke voorzieningen met wonen (al dan niet met behoud van de bestaande grootschalige kleinhandel aldaar);

  • Voor het deelgebied Lembeek-Noord: gemengde bedrijvigheid met productieactiviteiten of watergebonden gemengde bedrijvigheid.

Voor wat betreft de N7a rondom Dassenveld gelden er nog een aantal tracéalternatieven (alle gesitueerd binnen eenzelfde zoekzone), gekoppeld aan de eventuele uitbreiding van het bedrijventerrein Dassenveld.


Het MER dient n principe ook de effecten, zijnde het beschrijven van de verschillen tussen de referentietoestand (huidige toestand) en een situatie in de toekomst, van het “niets doen” in beeld te brengen. Dit kan beschouwd worden als het zgn. nulalternatief. De dienst Mer kan ermee akkoord gaan dat dit alternatief gevat wordt onder de beschrijving en beoordeling van de zgn. gewijzigde situatie, d.i. die zou bestaan op het ogenblik van de toekomstige realisatie van andere lopende projecten of plannen.
Gevraagd wordt om de alternatieven bij de verdere uitwerking van het MER overzichtelijk en gebundeld voor te stellen. Ook drukt de dienst Mer erop alle tegenstrijdigheden en inconsistenties uit het MER te halen! Zo blijkt het deelgebied “Strip Demesmaekerstraat” volgens tabel 3.2 een alternatief te hebben; bij de bespreking op p. 48 wordt hierover echter niets vermeld. Dezelfde redenering geldt voor het deelgebied “Nieuw tracé N7a tussen spoor en N6”.

Thans bestaat er ook geen goede afstemming tussen de nota voor publieke consultatie en de tussentijdse visienota (i.v.m. de alternatieven die al dan niet worden weerhouden voor verder MER-onderzoek, bijlage 3.1 bij de nota voor publieke consultatie). Bij de zones 1a en 1b uit bijlage 3.1 wordt bv. geen melding gemaakt van de mogelijkheid tot wonen (als onderdeel van grootschalige stedelijke voorzieningen), terwijl dit wel wordt geëxpliciteerd in de nota voor publieke consultatie zelf. Ook is het niet duidelijk waarom de zones 11 en 12 (respectievelijk Ghesquiereweg en Villalaan-Landingsbaan) waarvoor in de bijlage een alternatief van grootschalige stedelijke voorzieningen/kleinhandel wordt voorzien, niet worden weerhouden in de nota voor publieke consultatie. En ook het alternatief bij zone 22 uit de bijlage (ontginningsgebied Lembeek: alternatief van bijkomende sportgebonden grootschalige stedelijke voorzieningen) blijkt niet overgenomen te zijn in de nota voor publieke consultatie, en dit wederom zonder een heldere redenering. Tenslotte is er nog zone 24 uit de bijalge (Windmoleken), waarbij het alternatief van het behoud van de open ruimte, niet werd herhaald in de eigenlijke nota voor publieke consultatie, en dit nogmaals zonder enige aanwijsbare reden.


Een volwaardig alternatievenonderzoek is een essentieel kenmerk van milieueffectrapportage.
Via de publieke consultatie en de raadpleging van diverse overheidsinstanties en administraties kwamen enkele verzoeken naar voren om een paar alternatieven i.f.v. bedrijvigheid, die in de nota voor publieke consultatie niet werden weerhouden, niettemin op te nemen in het milieueffectenonderzoek. Meer bepaald gaat het om:

  • Alle zoekzones voor bedrijvigheid langs de E19, het kanaal Brussel-Charleroi, de spoorlijn Brussel-Halle en de N6;

  • Een aantal zoekzones die omwille van conflicterende aspecten met open ruimtefuncties niet werden weerhouden;

  • De opvulling met bedrijvigheid tussen Druco en Wilgenveld.

De dienst Mer stelt vast dat de afweging om een aantal locatiealternatieven voor bedrijvigheid niet langer te weerhouden in het verdere m.e.r.-proces, wel degelijk op basis van enkele – zij het zeer minimaal besproken – milieucriteria heeft plaatsgevonden in de visienota (bijlage bij de nota voor publieke consultatie). Op de richtlijnenvergadering van 9 augustus 2011 werd wel verzocht om deze beknopte afweging op te nemen in het MER zelf (dus niet meer als bijlage). Tevens dienen in tabelvorm álle locatiealternatieven (zowel de weerhouden als de niet-weerhouden) opgesomd te worden met een vergelijking op basis van onderscheidende milieuafwegingen op hoofdlijnen. Op deze manier zal duidelijk worden waarom deze of gene alternatieven werden uitgekozen voor verder onderzoek.
Tijdens diezelfde richtlijnenvergadering werd een nieuw alternatief voorgesteld. Aangezien er binnen de zone Lembeek-Noord één bedrijf zich op een kwetsbare plaats bevindt (m.n. tussen de Zenne en de Oude Zenne), wordt verzocht dit deel van het bedrijventerrein als overstromingsgebied aan te duiden (inrichtingsalternatief). Als compensatie voor de aanleg van een kaaimuur wordt overigens ook gevraagd het vrijwaren van de overstromingsgevoelige zones binnen dit gebied te onderzoeken.
Uit de publieke consultatie kwam de suggestie van een inrichtingsalternatief, zijnde de inperking van de buffer t.h.v. Hellebroek tot 10-20 m breedte, naar voren. Dit kan onderzocht worden in het MER; wel moet rekening gehouden worden met de uiterst belangrijke waterbergingsfunctie (i.f.v. de omliggende bedrijventerreinen en woonzones), daar dit gebied reeds een zekere druk op het watersysteem kent.
De reden waarom de bufferzone ingepland wordt tussen Dassenveld en de N7 a in (en niet ten westen van de N7a), is dat deze laatste vrij verdiept in het landschap wordt ingeplant zodat deze weg een enigszins verholen karakter zal krijgen en de buffer eerder naar de gebouwen toe zijn functie dient uit te oefenen.

Op de richtlijnenvergadering werd ermee ingestemd dat een mogelijke verbinding (op zeer lange termijn) tussen de A8 en de R0/E19 t.h.v. Ittre geen alternatief vormt voor het project van het omvormen van de N203a/A8 tot een volwaardige autosnelweg. Het aansnijden van een nieuwe, meer zuidelijk gelegen verbinding tussen de A8 en de R0 zal immers kostbare open ruimte aansnijden en biedt ook geen oplossing voor de huidige problematiek van verkeersleefbaarheid rond de huidige N203a/A8.





5. Juridische en beleidsmatige context
De nota voor publieke consultatie heeft opgave gedaan van het juridisch/beleidsmatig kader dat voor dit MER van belang is en dit in functie van mogelijke ontwikkelingsscenario’s en toetsingskaders voor de ingeschatte effecten.

Het is van belang om ook tijdens het opstellen van het MER de stand van zaken van het beleid en de wetgeving op te volgen.


De dienst Mer prefereert om het hoofdstuk over de juridische/beleidsmatige randvoorwaarden in het MER te beperken tot een matrix. Deze matrix geeft aan welke randvoorwaarden relevant zijn voor dit plan en waar deze relevante randvoorwaarden verder behandeld worden (bv. onder welk punt, in welke discipline…). Niet-relevante uitweidingen of achterhaalde procedurestappen worden vermeden. De juridische en/of beleidsmatige randvoorwaarden met een duidelijke ruimtelijke component worden wel duidelijk cartografisch gepresenteerd.
De link met een aantal potentiële plancontextelementen (instandhoudingsdoelstellingen Hallerbos, mobiliteitsplannen en het VSGB) zal worden onderzocht.
De juridische randvoorwaarden dienen melding te maken van het Oppervlaktedelfstoffendecreet en het daarbij horende besluit van de Vlaamse regering. Ook de Bijzondere Oppervlaktedelfstoffenplannen mogen hierbij niet ontbreken. Verder kan ook verwezen worden naar een studie van de VLM waarin het ontginningsgebied t.h.v. de N6 wordt herbevestigd en een visie op de nabestemming en inrichting ervan wordt ontwikkeld (met een voorkeur voor scenario 1). De beschrijving van het planonderdeel “Ontginningsgebied t.h.v. de N6” (cf. 5.4.10 in de nota voor publieke consultatie) zal in het licht hiervan worden verduidelijkt (behoud van bestemming van ontginningsgebied, enkel wijziging in nabestemming). Indien het planonderdeel afwijkt van de voorgestelde ontwikkelingen in de studie, zal dit gemotiveerd worden.
6. Bestaande toestand en milieueffecten
6.1. Bestaande toestand en ontwikkelingsscenario’s
Als referentiesituatie dient globaal genomen de huidige toestand van het plangebied met de onmiddellijke omgeving te worden behandeld. De effecten zullen ten aanzien van deze referentiesituatie beschreven of ingeschat worden.
Relevante gestuurde ontwikkelingsscenario’s, m.n. de mogelijke evoluties die het studiegebied zou kunnen doormaken op basis van juridische en beleidsmatige randvoorwaarden (zonder uitvoering van het plan) dienen te worden uitgewerkt. Zo zullen de verdichtingsmogelijkheden binnen de afbakeningslijn (een stedelijk gebiedbeleid laat bv. hogere woondichtheden toe dan een buitengebiedbeleid) als ontwikkelingsscenario worden meegenomen. Op deze manier worden de milieueffecten (o.a. de effecten van hogere woondichtheden op het watersysteem bij overstromingsgevoelige gebieden) als gevolg van de ligging van de afbakeningslijn enigszins ondervangen.
Van de uitbreiding van het ziekenhuis en de daarmee verwante geplande ontwikkelingen (opgenomen in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan) wordt verwacht dat zij een negatieve impact op het watersysteem van de Groebegracht zullen vertonen. Hiermee dient in het MER terdege rekening te worden gehouden.
Wat betreft het proces van het verbeteren van de noordelijke en oostelijke ontsluiting van het kleinstedelijk gebied Halle werd tijdens de richtlijnenvergadering de meest recente stand van zaken toegelicht. Diverse aansluitingsscenario’s (aansluiting van enkel de Nijvelsesteenweg op de A8, aansluiting van enkel de Landingsbaan op de A8, aansluiting van de beide wegen op de A8) werden op macroschaal reeds gemodelleerd. Uit deze verkeersmodelleringen blijkt een aansluiting van de Landingsbaan op de A8 onmogelijk wegens de voorziene tunnel. Om deze reden wordt er momenteel voor geopteerd een volwaardige aansluiting te voorzien van de Nijvelsesteenweg op de A8 en een gedeeltelijke rechtstreekse aansluiting van de Landingsbaan. Een lussysteem zal er dan voor zorgen dat men van de Landingsbaan via het complex t.h.v. de Nijvelsesteenweg-A8 op de A8 terecht kan richting Brussel/R0. De Nijvelsesteenweg zal bovendien heringericht worden (bv. enkel voor openbaar vervoer). Deze herinrichting is een gemeentelijke bevoegdheid.

Andere processen, in mindere of meerdere mate van belang voor dit afbakeningsplan, betreffen de verbreding en verdieping van het kanaal en de herziening van het mobiliteitsplan Halle. Beide processen hebben een impact op de bestaande verkeersrelaties. Op mesoschaal werden verkeersmodelleringen doorgevoerd.


De impact van een van de projectonderdelen bij de verbreding/verdieping van het kanaal betreft een brug over het kanaal t.h.v. het deelplan Eilandje, zal als ontwikkelingsscenario worden meegenomen.
Indien er tijdens het opstellen van het MER andere ontwikkelingsscenario’s naar voor zouden komen, dienen deze toegevoegd te worden aan het afwegingskader.
In het plan-MER zullen de disciplines “bodem”, “water” (grond- en oppervlaktewater), “geluid en trillingen”, “lucht”, “fauna en flora”, “landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie”, “mobiliteit” en “mens” alsook de relaties tussen deze disciplines behandeld worden door een erkend deskundige.
Aanvullend op de nota voor publieke consultatie kan hierbij nog aangegeven worden dat:
* Met betrekking tot de discipline mens - mobiliteit:


  • Er dient over gewaakt te worden dat de aanvaardbaarheid (op vlak van leefmilieu en mobiliteit) van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, die deel uitmaken van dit afbakenings-RUP, niet gehypothekeerd worden door toekomstige ontwikkelingen (project A8, verbeteren van de noordelijke en oostelijke ontsluiting Halle, verbreding en verdieping van het kanaal, herziening mobiliteitsplan).

  • Bij de aanwending van de verkeersmodelleringen wordt aangegeven welke ontwikkelingen en scenario’s zijn opgenomen in het BAU-scenario (2020). Belangrijk hierbij is dat het worst case scenario wordt gevat. Wellicht zal het daarom ook noodzakelijk zijn de cumulatieve effecten met nog niet besliste, onzekere ontwikkelingen zoals een verbinding tussen de N6 en het aansluitingscomplex op de A8 te Hondzocht te onderzoeken. Conclusie: zowel een scenario met als zonder deze ontwikkelingen wordt best gemodelleerd. Indien hiervan wordt afgeweken, dient dit grondig gemotiveerd te worden.

  • Ook de (lokale) wegen die gemodelleerd worden, worden geïnventariseerd.


* Met betrekking tot de discipline bodem:


  • Bij de beschrijving van de referentiesituatie kan gebruik gemaakt worden van de databank met waardevolle erfgoedbodems (DOV).

  • Ook de bodemgeschiktheid van de landbouwpercelen zal omschreven worden.

  • De actuele landbouwtoestand (met o.m. een omschrijving van de functionaliteit van de vervatte bodems) dient geschetst te worden.

  • De resultaten van de boringen die zullen plaatsvinden i.f.v. het project van de A8 kunnen ook gebruikt worden voor de referentiesituatie van het plan.

  • Voor het grondgebruik dient men, behalve op de BWK, ook beroep te doen op de bodemgebruikskaart (landbouw).


* Met betrekking tot de discipline grond- en oppervlaktewater:


  • De cumulatieve effecten van de ontwikkelingen in de onmiddellijke omgeving van het deelplan Groebegracht (uitbreiding ziekenhuis, uitbreiding Colruyt-vestigingen, aanleg N7a…) dienen in beeld te worden gebracht. Hoe groot is de draagkracht nog van dit deelplan, alsook van het project van het Regionaal Landschap Zenne, Zuun, Zoniën hier?

  • De modelleringsresultaten van de Zenne worden geraadpleegd.

  • De overstromingsproblematiek van Halle vergt de nodige aandacht. De watertoetskaarten, die werden aangepast n.a.v. de overstromingen in november 2010 en januari 2011, zijn in ontwerpversie beschikbaar bij de VMM.

  • Het ingreep-effectschema dient uitgebreid te worden boor de verschillende planonderdelen.

  • De deskundige dient na te gaan of de wijziging van grondwaterstromingen relevant is (bv. indirect als gevolg van de aanleg van de tunnel t.h.v. de deelplannen die zich op het tunneldek zullen ontwikkelen). Indien dit effect irrelevant geacht wordt, dient gemotiveerd te worden waarom.

* Met betrekking tot de discipline fauna en flora:


  • In de omgeving van Lembeek-Noord vertoont het aanwezige GEN een versnipperde structuur. Bij de beoordeling van eventuele bijkomende versnippering zal dit element in rekening worden gebracht.

  • Ook vanuit de discipline fauna en flora wordt ruimte voor water als prioritair aanzien.


* Met betrekking tot de discipline geluid en trillingen:


  • Het richtlijnenboek Geluid & Trillingen dient nageleefd te worden.

  • Dit betekent dat er geluidsmetingen zullen worden voorzien voor wat betreft infrastructuur (metingen gebeurd i.k.v. het project A8 kunnen hiervoor aangewend worden). Voor wat betreft bedrijvigheid kunnen bestaande onderzoeken gebruikt worden om het huidige geluidsklimaat te bepalen. Indien zulke gegevens niet voorhanden zijn, moeten ambulante en/of continue metingen gebeuren. Deze keuze hangt af van de mogelijke activiteiten en locaties. Voor wat betreft uitbreiding van bestaande bedrijventerreinen dienen de geluidsemissie en –immissie van de (reeds aanwezige) inrichtingen inzichtelijk gemaakt te worden o.b.v. bestaande studies of bijkomende metingen.


* Met betrekking tot de discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie:


De cumulatieve effecten van de ontwikkelingen in de onmiddellijke omgeving van het deelplan Groebegracht (uitbreiding ziekenhuis, uitbreiding Colruyt-vestigingen, aanleg N7a…) dienen in beeld te worden gebracht. Hoe groot is de draagkracht nog, alsook van het project van het Regionaal Landschap Zenne, Zuun, Zoniën hier? Hoe kunnen de landschappelijke kwaliteiten van dit open ruimtegebied behouden en versterkt worden in het licht van deze geplande omgevende ontwikkelingen? Hoe kan de dominerende impact van de Colruyt-gebouwen en het ziekenhuis afgezwakt worden?


* Met betrekking tot de discipline mens (gezondheid, veiligheid en socio-organisatorische aspecten):


  • De cumulatieve effecten van de ontwikkelingen in de onmiddellijke omgeving van het deelplan Groebegracht (uitbreiding ziekenhuis, uitbreiding Colruyt-vestigingen, aanleg N7a…) dienen in beeld te worden gebracht. Hoe groot is de draagkracht nog (gezien de toenemende druk op de open ruimte), alsook van het project van het Regionaal Landschap Zenne, Zuun, Zoniën hier?

  • Het waarnemersstandpunt van de voetganger (cf. nota voor publieke consultatie, p. 143) dient zich niet te beperken tot de Demaeghtlaan en de brug van de Sint-Rochusstraat. Ook de andere deelplannen dienen afgedekt te worden.


6.2. Milieueffecten en milderende maatregelen
De nota voor publieke consultatie geeft een beschrijving per discipline van de wijze waarop de effecten zullen onderzocht en beoordeeld worden en geeft aan dat in functie van het effectenonderzoek milderende maatregelen zullen voorgesteld en uitgewerkt worden. Belangrijk hierbij is dat in de tekst van het MER voor elke onderzochte effectgroep duidelijk de gebruikte methodologie voor de effectvoorspelling wordt uiteengezet en dat er gestreefd wordt naar een maximale kwantitatieve beschrijving van de effecten.
In het MER zal voor elke discipline de omzetting van de beschreven kwantitatieve of kwalitatieve effecten per effectgroep naar een mogelijke beoordelingsschaal verduidelijkt worden.
Aanvullend op de nota voor publieke consultatie kan hierbij nog aangegeven worden dat:
* Met betrekking tot de discipline mens - mobiliteit:


  • De input van de verkeersmodellering dient duidelijk weergegeven te worden: welke ontwikkelingsscenario’s zijn erin opgenomen, welke (lokale) wegen…

  • De resultaten van de verkeersmodelleringen van de volgende drie scenario’s, m.n. enkel een aansluiting A8-Nijvelsesteenweg, enkel een aansluiting A8-Landingsbaan of een combinatie van de beide voorgaande scenario’s, zullen in het MER gepresenteerd worden. Dit om de wenselijkheid (op vlak van leefmilieu) van deze varianten voor bepaalde deelplannen (bv. deze t.h.v. de Landingsbaan) na te gaan.

  • De (verschillende) ontsluitingsmogelijkheden van de economische ontwikkelingen te Saintes moeten evenzeer in de verkeersmodellering inbegrepen zijn.

  • Het studiegebied dient uitgebreid te worden tot waar de mobiliteitseffecten zich zullen voordoen op grondgebied van Tubize.

  • Vermits de oostelijke ontsluiting van het kleinstedelijk gebied mogelijks bijhorende begeleidende maatregelen zal vergen op het gebied van ruimtelijke ordening (cf. nota voor publieke consultatie p. 21), is de dienst Mer van mening dat het MER duidelijk moet maken welke deelplannen van het PRUP mobiliteitsgevoelig zijn en welke deelplannen precies interfereren met welke ontwikkelingsscenario’s. Deze oefening (in matrixvorm) dient gemaakt te worden voor het ganse plan (en dus niet enkel m.b.t. de deelplannen die gerelateerd zijn aan de oostelijke ontsluiting van het kleinstedelijk gebied). Anders gesteld: de interferentie tussen lopende processen rond verkeersgenererende activiteiten (bv. uitbreiding ziekenhuis) en de deelgebieden van het afbakenings-PRUP moeten duidelijk in kaart worden gebracht.

  • Nagegaan dient te worden of bepaalde onderdelen van het project A8, waarvoor geopteerd zou worden ze niet te realiseren, een positieve/negatieve impact kunnen teweegbrengen op de planonderdelen van het PRUP. In ieder geval dient ook het totale project A8 (dus zowel de zones die als deelplannen als de zones die als ontwikkelingsscenario’s zijn opgenomen binnen dit MER) gemodelleerd te worden.

  • De (positieve en negatieve) directe en indirecte mobiliteitseffecten (op het omliggende wegennet) van transport over water worden afgezet tegen deze van wegtransport (aantal vrachtwagenbewegingen, verkeersveiligheid).

  • Verduidelijkt wordt hoe de omzetting van bruto verkoopsoppervlakte of bruto woonoppervlakte naar bijkomende verkeersbewegingen zal verlopen (op basis van welke kengetallen?).

  • De eind- of totaalscore van de bereikbaarheid over de verscheidene vervoersmodi heen (cf. tabel 10.4 in de nota voor publieke consultatie) zal telkens op een transparante manier uiteengezet worden. Telkenmale zal dus verklaard worden hoe de bereikbaarheid van de diverse modi t.o.v. elkaar worden (af)gewogen.

  • Ook oversteekbaarheid is een criterium dat meegenomen dient te worden in de milieubeoordeling en bovendien kwantitatief kan ingeschat worden (o.b.v. de gemiddelde wachttijd).

  • De bijdrage in de verkeersdrukte dient niet enkel voor grootschalige ontwikkelingen en bedrijventerreinen te gebeuren (cf. nota voor publieke consultatie, p. 85) doch ook voor woonontwikkelingen.

  • Het aandeel vrachtverkeer dient vermeld te worden.


* Met betrekking tot de discipline bodem:


  • De effecten op de grondwatertafel (verminderde infiltratie door verharding) zullen besproken worden.

  • Erosie dient aan bod te komen (inclusief de verwijzing naar het gemeentelijk erosiebestrijdingsplan waarin de gevoeligheid van bodempercelen voor bodemerosie wordt toegelicht en erosiebestrijdingsmaatregelen worden opgesomd).

  • De effecten op natuurlijke rijkdommen vormen een aandachtspunt. Gevraagd wordt om opportuniteiten bij (grootschalige) graafwerken aan te geven betreffende de aanwezigheid van primaire oppervlaktedelfstoffen. Deze delfstoffen kunnen immers beschouwd worden als zgn. opportuniteitsdelfstoffen (voorkeur voor afgravingen van delfstoffen bij graafwerkzaamheden i.f.v. (infrastructuur)werken, eerder dan voor het aansnijden nieuwe ontginningsgebieden). Een minimale geologische screening is hiertoe vereist.


* Met betrekking tot de discipline geluid en trillingen:


  • Het richtlijnenboek Geluid & Trillingen dient nageleefd te worden.

  • Milieuzonering is een instrument dat bij uitstek geschikt is op planniveau. Waar het op projectniveau vaak om slechts één individueel bedrijf gaat waarvoor een aftoetsing aan de Vlarem-normen kan gehanteerd worden, is milieuzonering een techniek die zich uitstekend leent om op planniveau inschattingen te maken naar cumulatieve impact toe. A.h.v. afstandsnormen of kengetallen, uitgedrukt in decibel/m2 (bv. voor TDL, zware industrie…, kortom voor die activiteiten die toegelaten zullen worden volgens de stedenbouwkundige voorschriften) (cf. Nederlandse Handreiking Bedrijven en Milieuzonering 2009) kan men op planniveau bepalen waar welke sectoren van bedrijvigheid, buffers etc. best worden ingeplant binnen het bedrijventerrein. Bovendien is voor Halle de toekomstige soort bedrijvigheid minstens voor een deel wel al gekend (bv. Colruyt). De effectbepaling en –beoordeling dient dus m.a.w. kwantitatief te gebeuren.

  • Ook de effectbeschrijving en –beoordeling van bestaande bronnen op nieuwe woonbestemmingen dient kwantitatief bepaald te worden. Tevens zal de breedte en hoogte van de buffer geconcretiseerd worden.

  • Men dient rekening te houden met het toetsingskader voor de inplanting van nieuwe woonzones, zoals vermeld in het Richtlijnenboek Geluid en Trillingen, p. 60.

  • Voor het bepalen van de geluidsimpact van de spoorweg kunnen de geluidskaarten opgemaakt in het kader van Europese richtlijn 2002/49/EG (cf. www.milieuhinder.be) gebruikt worden.


* Met betrekking tot de discipline grond- en oppervlaktewater:


  • Voldoende aandacht wordt gevraagd voor beekvalleien in het algemeen en de Zenne en de Groebegracht in het bijzonder (herwaardering en versterking van natuurwaarden, herstel van de beekvalleien i.f.v. waterhuishouding).

  • Bij de herverkaveling binnen het deelplan Lembeek-Noord moet voldoende aandacht uitgaan naar het watersysteem van de Zenne (structuurkwaliteit van de aanwezige waterlopen zoals de rechtlijnig Kleine Zenne, overstromingsrisico, waterafhankelijke vegetaties langs de Kleine Zenne).

  • Mogelijk kan een verstrenging van het buffervolume en het lozingsdebiet binnen het valleigebied van de Zenne en nabijgelegen waterlopen van toepassing zijn omwille van het hoge percentage aan reeds aanwezige verharding, de heersende problematiek van de wateroverlast en de plaatselijke ophogingen. Indien een overstromingsgebied noodzakelijk blijkt, dienen de afmetingen en het volume indicatief aangegeven te worden.

  • Ruimte voor water mag in geen geval verloren gaan (heel significant negatief effect). Optimalisaties ten voordele van het watersysteem zijn meer dan wenselijk.


* Met betrekking tot de discipline mens (gezondheid, veiligheid en socio-organisatorische aspecten):


  • De impact van het nieuwe op- en afrittencomplex op de bereikbaarheid van landbouwgronden voor landbouwverkeer zal onderzocht worden. Indien nodig, worden milderende maatregelen voorgesteld i.f.v. verkeersveiligheid en om congestie te vermijden.

  • De impact van geluids- en eventuele luchthinder bij nieuwe woonbestemmingen dient onderzocht te worden. Deze gevolgen voor de menselijke gezondheid zouden op een kwantitatieve wijze (aantal personen blootgesteld bij overschrijding van grenswaarden, aantal gehinderden) beschreven moeten worden (onder meer geluidsoverlast en wijziging van de luchtkwaliteit).

  • Bij de effectbeoordeling van de effectengroep “wijziging van de ruimtelijke samenhang” moet rekening worden gehouden met de ligging van de nationale sportcluster van voetbal en wielrennen (qua aantrek, infrastructuur en verhoogde actieradius). In hoeverre is hier nog sprake van een compacte afbakening van stedelijk gebied? Ook de positionering binnen waardevol agrarisch gebied dient te worden erkend.

  • Voor de locatie te Hondzocht kan eenzelfde bedenking worden gemaakt.

Voor negatief beoordeelde effecten worden milderende en/of compenserende maatregelen uitgewerkt. Indien er significant negatief beoordeelde effecten, al dan niet na mildering, overblijven, moeten de deskundigen aangeven of het plan voor de aspecten binnen hun discipline wel haalbaar is. De efficiëntie van de milderende en/of compenserende maatregelen wordt ook steeds (kwantitatief) aangetoond (via een verschil in significantie)!! Daarnaast dienen deze te nemen maatregelen ook beoordeeld worden in andere disciplines.



7. Vergelijking van de alternatieven
Dit plan-MER zal aantonen of een alternatief haalbaar/aanvaardbaar is qua milieu- en omgevingskwaliteit en dit op basis van de meest relevante negatieve en positieve milieueffecten.

8. Leemten in de kennis
Het MER dient opgave te doen van de leemten in kennis die tijdens het uitvoeren van het onderzoek werden vastgesteld. Deze leemten kunnen opgedeeld worden naar aard van de leemte waarbij dan onderscheid dient gemaakt te worden tussen leemten met betrekking tot het plan, betreffende inventarisatie en aangaande methodologie en inzicht.
Het MER zal eveneens aangeven hoe met deze leemten is omgegaan en hoe zij kunnen doorwerken naar de besluitvorming. Het MER zal aangeven welk effectenonderzoek en onderzoek naar alternatieven of milderende maatregelen naar aanleiding van de eventuele project-milieueffectrapportage aan bod kan komen en waarom dit niet doorslaggevend of relevant is in deze fase van plan-milieueffectenonderzoek.

9. Monitoring
In het MER zal per discipline aangegeven worden of er eventueel opvolgingsmaatregelen voor te stellen zijn, bijvoorbeeld vanuit de diverse reglementeringen of vanuit leemten in de kennis.

Het MER zal ook aanbrengen welke (herstellende) maatregelen dienen genomen te worden indien monitoringresultaten zouden uitwijzen dat er toch nog negatieve, te milderen effecten optreden. De relatie tussen deze resultaten en de bijhorende aanvullende maatregelen kan als volgt worden geformuleerd: als …[waargenomen effect], dan … [te nemen maatregel].


Binnen een plan-MER kan in dit hoofdstuk ook best aangegeven worden welke informatie er reeds verzameld dient te worden in functie van een later op te stellen project-MER (of een gemotiveerd verzoek tot ontheffing) om bijvoorbeeld de leemte in de kennis in te vullen.

10. Globale evaluatie van voorgenomen plan en alternatieven
In een afzonderlijk deel zal het rapport, t.b.v. de adviserende en de besluitvormende instanties, een disciplineoverschrijdende samenvatting geven van de verwachte gevolgen voor het milieu en hoe en in welke mate de voorgestelde maatregelen deze kunnen milderen. Het rapport zal nagaan welke eindvoorstellen mogelijk zijn binnen een op te stellen RUP, rekening houdend met de conclusies van de verschillende milieudisciplines en met de voorgestelde mee te onderzoeken alternatieven en optimalisatiemogelijkheden. De synthese zal duidelijk over de verschillende disciplines heen aangeven wat het resultaat van de afweging van de verschillende disciplines t.o.v. elkaar is om tot een voor het milieu best haalbaar voorstel of combinatie van best haalbare voorstellen te komen.
In een aparte tabel bij het hoofdstuk synthese wordt een volledig overzicht gemaakt van alle milderende maatregelen en monitoringmaatregelen. Hierbij worden in de mate van het mogelijke de verantwoordelijken of initiatiefnemers aangeduid. De maatregelen worden gedifferentieerd naar acties die ruimtelijk vertaalbaar zijn, maatregelen die gekoppeld dienen te worden aan het eigenlijke plan als extra doelstelling, maatregelen die planmatig via andere instrumenten dienen gerealiseerd te worden en maatregelen die later op projectniveau verder meegenomen worden. De maatregelen dienen tevens gedifferentieerd te worden naar hun dwingend of richtinggevend karakter. Indien meerdere (deel)gebieden besproken worden in het MER, is het van belang de maatregelen per deelgebied voor te stellen.

11. Niet-technische samenvatting
De niet-technische samenvatting vormt een afzonderlijk leesbaar deel van het rapport dat de essentie van de overige delen beknopt en correct weergeeft. De tekst moet zodanig geschreven zijn dat hij begrijpelijk is voor een gemiddelde burger. Figuren, kaarten of tekeningen dienen ter ondersteuning van de tekst in deze samenvatting te zijn opgenomen. Deze niet-technische samenvatting wordt bij het indienen van de definitieve versie tevens in digitale vorm aangeleverd.

Brussel, 5 september 2011


Het afdelingshoofd,

Paul Van Snick

Algemeen Directeur

Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid



Bijlagen
Aantal inspraakreacties: 2, namelijk Colruyt en Voka-Kamer van Koophandel Vlaams-Brabant vzw.
Bijlage 1:
Lijst van de aangeschreven administraties, overheidsinstellingen, openbare besturen die (schriftelijk) reageerden en waarmee rekening werd gehouden in deze richtlijnen. Deze instanties zullen een ontwerptekst van het MER ontvangen:


Agentschap Ondernemen Vlaams-Brabant

VAC Dirk Bouts

Diestsepoort 6, bus 31

3000 Leuven




Departement Mobiliteit en Openbare Werken

Algemeen Beleid

Koning Albert II-laan 20 bus 2

1000 Brussel




Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid

Dienst Hinder en Risicobeheer

Koning Albert II-laan 20 bus 8, 07P43

1000 Brussel

VMM

Afdeling Operationeel Waterbeheer

Koning Albert II-laan 20 bus 16

1000 Brussel

VMM

ANB Vlaams-Brabant

Dirk Boutsgebouw

Cel Beleidsuitvoering

Diestsepoort 6 bus 75

3000 Leuven

Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

ALBON

Dienst Natuurlijke Rijkdommen Brussel

Koning Albert II-laan 20 bus 20

1000 Brussel

Commune de Tubize

Urbanisme

Grand Place 1

1480 Tubize




Provincie Vlaams-Brabant

Directie Infrastructuur

Dienst Waterlopen

Provincieplein 1

3010 Leuven

Waterwegen en Zeekanaal NV

Afdeling Zeekanaal

Cel Infrastructuur

Oostdijk 110

2830 Willebroek

Departement Landbouw en Visserij

Duurzame Landbouwontwikkeling

Ellips, 6e verdieping

Koning Albert II-laan 35 bus 40

1030 Brussel

Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed

Ruimtelijke Planning

Koning Albert II-laan 19 bus 11

1210 Brussel




Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

ALBON

T.a.v. de heer Johan Desmet

Koning Albert II-laan 20 bus 20

1000 Brussel


Bijlage 2:
Lijst van de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die hebben laten weten geen opmerkingen te hebben op de inhoudsafbakening en methodologie of die zich verontschuldigd hebben voor de vergadering. Deze instanties zullen een ontwerptekst van het MER ontvangen:


Agentschap Wonen Vlaanderen

Vlaams-Brabant

Dirk Boutsgebouw

Diestsepoort 6 bus 92

3000 Leuven




Toerisme Vlaanderen







Grasmarkt 61

1000 Brussel




Departement Leefmilieu, Natuur en Energie

Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid

Dienst Veiligheidsrapportering

Koning Albert II-laan 20 bus 8

1000 Brussel




Infrabel NV

Directie Infrastructuur

T.a.v. de heer Julien Peeters

Fonsnylaan 47B

1060 Brussel




Service Public de Wallonie – DGO4

Direction de l’ Aménagement Régional

Rue des Brigades d’Irlande 1

5100 Jambes







Vlaamse Bouwmeester

Boudewijngebouw

Boudewijnlaan 30 bus 45

1000 Brussel








Bijlage3:
Lijst van aangeschreven administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die niet reageerden op het kennisgevingdossier en geen ontwerptekst van het MER zullen ontvangen:


Gemeente Pepingen

Ninoofsesteenweg 116

1670 Pepingen










Agentschap Ruimte en Erfgoed

Afdeling Vlaams-Brabant

T.a.v. de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar

VAC

Diestsepoort 6

Bus 91


3000 Leuven

PROCORO Vlaams-Brabant

Provincieplein 1

3010 Leuven










Agentschap Ruimte en Erfgoed

Afdeling Vlaams-Brabant

Entiteit Onroerend Erfgoed

VAC

Diestsepoort 6

Bus 91


3000 Leuven

NMBS

Hallepoortlaan 40

1060 Brussel










De Lijn Vlaams-Brabant

Martelarenplein 19

3000 Leuven










BLOSO

Afdeling Infrastructuur en Logistiek

t.a.v. Francis Pepermans




Arenbergstraat 5

1000 Brussel

Departement LNE

Afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen

Ondergrond Vlaanderen

Technologiepark - gebouw 905

Tramstraat 52

9052 Zwijnaarde

VMM

Afdeling Lucht, Milieu en Communicatie

t.a.v. Edward Roekens

 

Kronenburgstraat 45

2000 Antwerpen

Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid

Afdeling Toezicht Volksgezondheid Vlaams-Brabant




VAC

Diestsepoort 6 bus 52

3000 Leuven

NMBS Holding

H-ST

Frankrijkstraat 85

1060 Brussel







College van burgemeester en schepenen van de stad Halle

Oudstrijdersplein 18

1500 Halle










College van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel

Alsembergsteenweg 1046

1652 Alsemberg










College van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw

Pastorijstraat 21

1600 Sint-Pieters-Leeuw










DGARNE

T.a.v. de Directeur général

Direction de la Prévention des pollutions

Avenue Prince de Liège 15

5100 Namur (Jambes)







1 Dit is een soort “scheidingslijn” tussen het kleinstedelijk gebied Halle en wat daarbuiten valt, het buitengebied. De afbakeningslijn op zich vormt geen voorwerp van het MER.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina