Depressie



Dovnload 143.1 Kb.
Pagina1/5
Datum17.08.2016
Grootte143.1 Kb.
  1   2   3   4   5

Depressie


M.J.M. van Son

Handboek Klinische Psychologie (december 1996)

Inhoud


  • 1. Inleiding

  • 2. Omschrijving van depressie

  • 3. Prevalentie

  • 4. Theoretische visies op depressie

  • 5. Diagnostiek en indicatiestelling

  • 6. Behandelingen van depressie

  • 11. Aanbevelingen voor de praktijk

  • Literatuur

1. Inleiding


Depressie is wellicht het meest voorkomende ziektebeeld in de klinisch psychologische praktijk. Die veronderstelling strookt met epidemiologische data: de jaarprevalentie zou ongeveer 7% zijn (Van den Hoofdakker, Albersnagel & Ormel, 1989), met een levensloopprevalentie van 32% (Wittchen, Knäuper & Kessler (1994). Depressie komt over de gehele wereld voor; zo is zij even gewoon in Afrika als in Londen (Orley & Wing, 1979).

Depressie is een ziekte die als zodanig alle aandacht van de gezondheidszorg verdient. De depressieve patiënt functioneert sociaal slechter dan mensen met hypertensie, diabetes, hart- en vaatziekten, rugklachten, longproblemen, maag-darmziekten en angina. Hij (of zij) vervult zijn taak in het dagelijks leven slechter, brengt meer dagen in bed door en beschouwt zichzelf als zieker ( Wells e.a., 1989). Bovendien is de mortaliteit groot: 20% van de depressieve patiënten suïcideert zich binnen tien jaar ( Angst, 1992) en Van den Hoofdakker, Albersnagel en Ormel (1989) veronderstellen dat de geslaagde suïcides in Nederland sterk samenhangen met depressie. De mortaliteit kan ook te maken hebben met de somatische symptomen zoals slapeloosheid, gewichtsverlies en aantasting van het immuunsysteem, waardoor mensen onder meer gevoeliger worden voor infecties. Depressie is bovendien ‘besmettelijk’: kinderen van depressieve ouders, van moeders in het bijzonder, hebben veel psychische stoornissen (Coyne e.a. 1987). Depressie vormt ook een last voor de omgeving van de patiënt; 40% van de partners lijdt onder emotionele belasting ( Coyne e.a., 1987).

2. Omschrijving van depressie

2.1. Depressie, depressiviteit en depressieve symptomatologie


De kern van depressie wordt gevormd door ‘anhedonia', de afwezigheid van zin, lust, plezier of interesse, en uit zich vaak in een sombere gemoedstoestand, wanhoop, leegheid, verdriet en schuld. Depressie omvat naast dit affectieve aspect somatische aspecten (zoals moeheid en gewichtsverandering), gedragsaspecten (zoals rusteloosheid of sloomheid) en cognitieve aspecten (zoals lage zelfwaardering, suïcidale gedachten, concentratieproblemen en besluiteloosheid). Men spreekt van een stoornis als de toestand het leven van de patiënt aanmerkelijk hindert. De symptomen – hopeloosheid, verwarring, apathie, slapeloosheid, eetproblemen – kunnen variëren in ernst en kunnen in wisselende combinatie op de voorgrond staan. Soms staan de ‘oplossingen’ op de voorgrond zoals overmatig drankgebruik, tentamina suïcide en klachten over somatisch lijden. De variatie onder depressieve patiënten is dus groot.

Van depressi viteit spreekt men als de gemoedstoestand op zichzelf staat, als affect, en niet per se als een stoornis. Depressiviteit is zo dus een normaal verschijnsel of een symptoom van een ziektebeeld.

Er zijn veel pogingen ondernomen om depressie te definiëren en subtypes te onderscheiden. In het verleden gebeurde dat op basis van de veronderstelde etiologie – involutiedepressie, endogene depressie, exogene depressie, reactieve depressie, melancholie, post-partumdepressie – of op basis van niet aanwezige maar veronderstelde verschijnselen zoals uitgedrukt in de term ‘gemaskeerde depressie’. Nu wordt depressie onderscheiden aan de hand van geobserveerde verschijnselen of symptomen zoals beschreven in de dsm-iv of icd-10.

2.2. Syndromale typologieën en classificatiesystemen


De afgelopen jaren zijn vooral de syndromale typologieën van de wereldgezondheidsorganisatie ( who, 1994) en die van de American Psychiatric Association ( apa, 1995) succesvol geweest: deze twee organisaties formuleerden respectievelijk de tiende versie van de International Classification of Diseases ( icd-10) en de vierde versie van de Diagnostic Statistical Manual ( dsm-iv) Aanwezigheid van symptomen en tijdsverloop ervan vormen de basis van beide systemen. Een alternatief is de Present State Examination ( pse) van Wing, Cooper en Sartorius (1974), die zoals de naam aangeeft, niet de tijdsfactor gebruikt bij de definiëring van depressie. De Research Diagnostic Criteria ( rdc), ontworpen tijdens de ontwikkeling van de dsm-iii, is nog steeds in gebruik voor onderzoeksdoeleinden. De dsm-iv is standaard geworden in Nederland: de Nederlandstalige versie ( apa/Koster van Groos, 1995) is bijvoorbeeld de basis voor de awbz-rapportage.

De dsm-iv-indeling van de depressieve stoornissen staat in tabel 1. De term ‘depressieve stoornis‘ in de Nederlandse vertaling is verwarrend: de term houdt de klasse van unipolaire depressieve stoornissen in (‘depressive disorders’ in de Engelstalige versie), maar ook één van die stoornissen (‘major depressive disorder’), de depressie in engere zin uit de vorige editie van dsm. De depressieve kern van de depressieve stoornis en van de bipolaire stoornis wordt in de dsm-iv gevormd door de depressieve episode. Men spreekt van zo'n episode als naast anhedonie (of depressieve stemming) nog vier van de volgende symptomen aanwezig zijn: gewichtstoename of -verlies, insomnia of hypersomnia, psychomotore agitatie of retardatie, moeheid of verlies van energie, waardeloosheidsgevoelens of schuldgevoelens, besluiteloosheid en concentratieproblemen, terugkerende gedachten aan doodzijn. Men heeft er bijna elke dag gedurende twee weken last van, en het hindert de patiënt in het sociale en beroepsfunctioneren. Het geheel van verschijnselen is niet toe te schrijven aan andere ziekten, aan middelengebruik, of aan een rouwproces dat korter dan twee maanden ervoor ingezet is.



Tabel 1

De hoofdklassen van depressie die onderscheiden worden in de DSM-IV zijn:

 

depressieve stoornissen



depressieve stoornis /eenmalig/recividerend (de ‘oude’ depressie in engere zin (IEZ)



dysthyme stoornis



depressieve stoornis niet anders omschreven (NAO).

 

bipolaire stoornis



bipolaire stoornis I



bipolaire stoornis II



cyclothyme stoornis



bipolaire stoornis niet anders omschreven (NAO)

 

overige stemmingsstoornis



stemmingsstoornis door somatische aandoening



stemmingsstoornis door middelengebruik

Naast deze ‘officiële’ klassen van depressie worden in de dsm-iv nog enkele aan depressie verwante toestandsbeelden genoemd: de aanpassingsstoornis met depressieve stemming, en de rouwreactie, de laatste als ‘een probleem dat een reden van zorg kan zijn’. Daarnaast is een ‘experimentele’ klasse opgenomen in de dsm-iv: de ‘milde depressie’. Deze omvat een depressieve episode maar niet met minimaal vijf symptomen (inclusief het kernsymptoom), maar met drie tot vier symptomen (inclusief het kernsymptoom). Ook de ‘premenstruele dysfore stoornis’ waarin depressieve symptomatologie nadrukkelijk aanwezig is, wordt onderscheiden.

Bij de classificatie is de klasse ‘depressie nao‘ en ‘bipolaire stoornis nao’ belangrijk om een groep verschijnselen die wel wijzen op een depressieve stoornis of bipolaire stoornis maar niet aan de eisen voldoet (voldoende aantal symptomen) toch te omschrijven als een ‘stoornis’. Om als depressie geclassificeerd te worden moet de patiënt of hevig lijden onder die toestand of er in zijn leven sterk door gehinderd worden.

De omschrijving van depressie in de dsm-iv omvat ook zogenaamde specificaties die het verloop van de stoornis aangeven, zoals de specificaties ‘recidiverend‘ (al dan niet met volledig herstel tussen twee episoden) en ‘chronisch', en de specificatie van de fase waarin de depressie (herhaald) optreedt, zoals ‘seizoensgebonden patroon‘ en ‘met begin postpartum’. Ook de ernst van de depressie kan gespecificeerd worden, met de epitheta ‘licht‘, ‘matig', ‘ernstig‘. De fase van het ziektebeeld omschrijft men met ‘in remissie’. Ook opvallende bijverschijnselen worden vastgelegd: ‘met/zonder stemmingscongruente of incongruente psychologische kenmerken‘, ‘katatone kenmerken’ en ‘melancholische (vitale) kenmerken’. (De cijfercodering die in de dsm-iv gebruikt wordt, is ontleend aan de icd-9.)

De validiteit van de omschrijving van depressie en de subtypen is onhelder: uit de aard van beide systemen wordt er per subtype geen gemeenschappelijke etiologie verondersteld en er is ook geen gelijk verloop van depressies van een bepaald subtype bekend, evenmin als een gelijke kans op recidive. Over beïnvloedbaarheid is wel wat bekend: de depressieve episode in de bipolaire stoornis is minder gevoelig voor psychotherapie dan die in unipolaire depressies (bovendien lijken patiënten met bipolaire stoornis I de dispositie voor een belangrijk deel geërfd te hebben van de ouders (Bertelsen, Harvald & Hauge, 1977)). De andere typen verschillen minder duidelijk. Wel wordt gewezen op het verschil tussen de (experimentele) milde depressie en de depressieve stoornis met meer symptomen. De laatste zou een slechtere prognose hebben, geen duidelijke aanleiding voor de episode te zien geven, en mogelijk sterker erfelijk bepaald zijn.




  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina