Depressie


Behandelingen van depressie



Dovnload 143.1 Kb.
Pagina4/5
Datum17.08.2016
Grootte143.1 Kb.
1   2   3   4   5

6. Behandelingen van depressie


De meeste behandelingen zijn niet gebaseerd op theorieën over etiologie van depressie. Ze zijn al doende op basis van klinische noties ontstaan. De meeste theorieën zijn juist ontleend aan de praktijk. Op een paar uitzonderingen na zijn van de methoden geen overtuigende effecten bekend uit empirisch onderzoek: wel zijn van de therapieën gevalsbeschrijvingen en gevalsstudies bekend.

In de klassieke psychodynamisch georiënteerde psychotherapie, de psychoanalyse, zou de focus van de behandeling van depressie de geïntrojecteerde agressie moeten zijn, agressie die het gevolg is van vroeg-kinderlijk verlies. Karakteristieken daarvan zijn onderwerp van de exploratie in de therapie: lage zelfwaardering, zelfhaat, een inflexibele habitus ter voorkoming van nieuwe verliezen (overafhankelijkheid of isoleren). Doel van de therapie is het oplossen van het onopgeloste conflict. De overdrachtsrelatie is daarvoor een conditio sine qua non. Verschillende kortdurende psychoanalytische psychotherapieën hebben beperkter doelstellingen: niet de verdwijning van de dispositie maar het zodanig met de wereld omgaan dat de dispositie niet leidt tot depressie.

Overtuigend aangetoonde effecten bij depressie ontbreken voor beide vormen van psychoanalyse, behalve voor de Inter Persoonlijke Therapie, door de auteurs omschreven als steungevende psychoanalytische psychotherapie ( Klerman e.a., 1984). Centraal is de stelling dat depressie zich manifesteert in de interpersoonlijke omgeving en daar ook haar aanleiding heeft: in verliezen van (kwaliteiten van) relaties, in rol-conflicten, in de verandering van rollen, in sociaal isolement en in sociale (on-)vaardigheden. In ongeveer twaalf zittingen wordt voorlichting gegeven over het ziektebeeld en over de samenhang met precipiterende factoren. Dan volgt exploratie van de sociale factoren die een rol spelen. Men kiest de belangrijkste factor als behandeldoel. Het gekozen gebied wordt doorgewerkt: bij een rouwproces het faciliteren van expressie van gevoelens en het afscheid nemen. Interpersoonlijke conflicten worden opgespoord en ontrafeld, verbindingen met andere relaties gelegd en de conflicten opgelost. Bij rolveranderingen faciliteert men acceptatie van verlies dat met de oplossing gepaard gaat, door het (her)waarderen van de nieuwe rol en van de patiënt. Tekorten in sociaal functioneren worden opgeheven door het opsporen ervan, door negatieve gevolgen ervan te tonen, door te wijzen op soortgelijke situaties, en uiteraard door het motiveren tot of aanleren van nieuwe vaardigheden (Klerman & Weissman, 1993). ipt is in haar uitwerking een melange van cognitieve, gedragstherapeutische en mogelijk psychoanalytische technieken. Uit goed opgezet effectonderzoek, hoewel bescheiden in omvang, blijkt ipt effectief bij depressieve stoornissen (Delimon & Dingemans, 1994; Ponti, 1995).

In de gedragstherapie onderzoekt men op basis van de theorieën van Lewinsohn/Rehm in hoeverre er sprake is van een tekort aan sociale bekrachtiging, en identificeert men met de patiënt de reden van dat tekort (niet vaardig zijn, ongevoeligheid voor bepaalde bekrachtiging, verkeerde inschatting van tijd en plaats van gedrag of een bekrachtigingsarme omgeving). Modelling, cognitieve herstructurering/probleem oplossen, gedragsherhaling zijn deel van het vervolg, afhankelijk van de reden van het tekort. In de zelfregulatie-therapie ( Rehm, 1981) wordt ook het eventueel tekort aan zelf-bekrachtiging opgespoord en de eraan ten grondslag liggende cognitieve ‘stoornissen’ (niet herkennen van eigen gedrag, te hoog aspiratieniveau en lage zelfwaardering). Zelfobservatie, het opstellen van realistische levensdoelen en het geven van expliciete zelfbekrachtiging zijn deel van het programma. Deze zelfregulatie-therapie bleek met enige aantekeningen effectief, ook bij ernstige patiënten (Kramer, Groffen & Van Son, 1987; Van den Hout, Arntz & Kunkels, 1995).

De cognitieve therapie, vaak aangeduid als Cognitieve Gedragstherapie ( cgt) is vooral gebaseerd op het werk van Beck (1979). De cgt is gericht op het opsporen van depressogene denkstoornissen in het dagelijkse leven en op het identificeren van de eraan ten grondslag liggende cognitieve schemata. Vervolgens wordt door middel van de socratische dialoog en ‘reality testing’ – door zelfobservatie en door het uitvoeren van tot dusver vermeden gedrag – de (on)juistheid van de depressogene schemata met en aan de patiënt gedemonstreerd. De therapie is in het bijzonder gericht op het doorbreken van de cognitieve depressieve triade. De in principe kortdurende therapie bleek in goed opgezet onderzoek effectief bij depressieve stoornissen en bij dysthymie, ook op langere termijn (Delimon & Dingemans, 1994; Ponti, 1995).

Omdat de depressie in de systeemtherapie wordt opgevat als een functie of resultante van de interacties van het sociale systeem, is de therapie gericht op doorbreking van de vaste communicatiepatronen binnen ‘het systeem', meestal het gezin. Goed methodologisch opgezette effectstudies zijn niet bekend.

Vanuit de humanistische/experiëntiële oriëntatie is de ontdekkende therapie ontwikkeld (Rogeriaanse therapie, Gestalttherapie, Daseinsanalyse, psychomotore therapie). In het algemeen zijn deze therapieën gericht op het exploreren, herkennen en erkennen van de gevoelens en strevingen die ten grondslag liggen aan het habitueel gedrag en de gemoedstoestand. Goede effectstudies bij depressie zijn niet bekend.

Somatische behandeling impliceert bij depressie vooral de toediening van antidepressiva. Deze antidepressiva zijn gericht op het bevorderen van de neurale transmissie. Men onderscheidt drie generaties, elk direct gericht op verbetering van de stemming:


  1. de klassieke tri-cyclische antidepressiva ( tca), bijvoorbeeld Tryptizol, Anafranil, Tofranil en Sinequan;

  2. de monoamine-oxidaseremmers ( mao-r);

  3. de selectieve serotonineheropnameremmers ( ssri's) bijvoorbeeld Prozac, Fevarin, Seroxat).

De tca's en ssri's hebben de voorkeur boven de mao-r's, zijn werkzaam bij 60 tot 70% van de patiënten, en zijn even effectief behalve als de depressie secundair is op een angststoornis. In het laatste geval is ssri wellicht meer geschikt. De bedoelde effecten zijn meestal pas na twee tot vier weken duidelijk, de bijverschijnselen echter vrijwel direct. De laatste zijn individueel verschillend maar omvatten vaak misselijkheid, hoofdpijn, agitatie, rusteloosheid, tremoren en slapeloosheid evenals eetlustremming. Als de antidepressiva na zes weken niet werken, dan is het onwaarschijnlijk dat er alsnog effect volgt. Is de medicatie wel succesvol dan wordt geadviseerd – ter voorkoming van terugval of ter preventie van een volgende depressieve episode – om de behandeling zes tot negen maanden voort te zetten en dan uit te sluipen ( cmpc, 1995). Toevoeging van lithium kan het effect versterken ( Nolen, 1994). Bij bipolaire stoornis I wordt lithium-carbonaat geïndiceerd voor langdurige beheersing (en antipsychotica voor acute onderdrukking van de manie). Toevoeging van medicatie aan psychotherapeutische behandeling verhoogt niet apriori het effect. Maar medicatie is zeker geïndiceerd bij ontoegankelijkheid voor psychotherapie, bij zeer ernstige vitale kenmerken en bij psychotische kenmerken. Een goed overzicht van mogelijkheden is te vinden in Moleman (1994). In alle gevallen dient medicatie minimaal gepaard te gaan met ondersteunende gesprekken.

Op basis van chronobiologische overwegingen kan ook slaapdeprivatie deel uitmaken van de behandeling. Men tracht in het slaap/waakritme te schuiven door, met behoud van de normale slaapduur, de slaap partieel te onthouden; in de voor- en na-nacht slaapt men dan als gebruikelijk. Bedoeld als stemmingsverbeteraar zijn de effecten niet aantoonbaar duurzaam (Hoofdakker, 1994). Chronobiologische noties zijn ook de basis van lichttherapie. Aanvankelijk ontwikkeld voor seizoensgebonden depressie, wordt deze toegepast bij andere depressies. De behandeling bestaat uit het toedienen van extra licht (2000-5000 Lux) gedurende bijvoorbeeld tien achtereenvolgende dagen. Vooral blootstelling in de ochtenduren zou gunstige effecten geven ( Rosenthal e.a., 1988).



De Electro Convulsieve Therapie ( ect) wordt volgens een strikt protocol toegepast bij therapie-resistente depressieve stoornissen. Onder een korte narcose in combinatie met een spierverslappend middel ondergaat de patiënt gedurende enkele seconden een elektrische stroom door het hoofd. De stroom veroorzaakt een korte epileptische hersenactiviteit. Na enige minuten is de patiënt weer bij bewustzijn. Meestal bestaat de kuur uit acht shocks verdeeld over vier weken. Gunstig effect is al langer bekend (Medical Research Council, 1965; Nolen, 1994). Bijeffecten, zoals verwarring en soms desoriëntatie, blijven meestal beperkt tot enige uren na de shock, terwijl sommige patiënten klagen over blijvende geheugenproblemen.



1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina