Dermatologie Prof An Goossens



Dovnload 100.87 Kb.
Datum11.10.2016
Grootte100.87 Kb.
Dermatologie Prof An Goossens

Atopisch of constitutioneel eczeem of atopische dermatitis

Atopisch eczeem

Definitie

  • niet-infectieuze huidaandoeing

  • kenmerken:

    • extreme jeuk

    • typische voorkeurslokalisaties

    • chronisch verloop

    • correlatie met andere atopische symptomen

      • rhinoconjunctivitis

      • bronchiaal astma


Voorkomen en etiologie

  • vooral kinderen

  • genetisch bepaald

  • overdreven hygiëne, AB

  • luchtverontreiniging (pollinosis)

  • contact met “aëroallergenen”

 genetisch



  • afwijkende fysiologie van de huid

  • afwijkingen immunologisch systeem

 omgeving  irritatie

  • water

  • solventen

  • reinigingsproducten

  • wasmiddelen



  • Wol

  • Synthetische kledij

  • Occlusief schoeisel




Pathogenese

1.Fysiologische mechanismen

  • Onevenwicht tussen adrenerge en cholinerge receptoren

    • zweetproductie

    • jeuk



  • Beschadigde huidbarrière

    • Droge huid

    • Doorlaatbaarheid

(ook voor grote moleculen: proteïne!)


2.Immunologische mechanismen

  • Wijzigingen Th respons

  • Verhoogde IgE productie

  • Rol van specifieke allergenen

    • Aëroallergenen (>3jaar) of inhalatieallergenen

      • Tapijten  huisstofmijt

      • Centrale verwarming  huisstofmijt

      • Schimmels

      • Huisdieren

      • Pollen

    • Voedingsmiddelen

      • <2jaar:

        • Koemelk

        • Kippeneiwit

        • Peulvruchten

        • Meelsoorten

      • >2jaar:

        • Vruchten (citrus-, steen-)

        • Noten (pinda)

        • Groenten (wortels, spinazie)

        • Vlees

        • Vis



      • Rol van pseudo-allergenen!


Prognose

  • Komt voor bij 15à20% van de kinderen

  • …en bij 2à4% van de wolwassenen

    • Vnl handdermatitis (cave: beroep!)

    • Soms “head” en “neck” (rol Malassezia species?)

    • Uitz zeer uitgebreid en gegeneraliseerd


Diagnose

Majeure criteria

  • Jeuk (zeer lage jeukdrempel)

  • Chronisch recidiverend verloop

  • Typische morfologie en lokalisatie

    • Zuigelingen

      • Behaarde hoofdhuid

      • Voorhoofd

      • Wangen

      • Met uitbreiding naar ledematen

    • Kinderen/volwassenen

      • Elleboog- en knieplooien

      • Polsen

      • Hals

      • Oogleden



  • Persoonlijke en/of familiale atopie-anamnese


Mineure criteria

  • Dubbele onderste ooglidplooi

  • Peri-orbitale grauwe huidverkleuring

  • Droge, schilferende huid

  • Tepel- en toiletbrileczeem

  • Bleke gelaatskleur rond neus en mond


Secundaire infecties


 diagnose

  • Kliniek

    • 3of4 majeure criteria

    • 3mineure criteria

  • Serum: specifieke IgE-antistoffen

  • Huidtest: pricktests

    • Huisstofmijt: Dermatophagoïdes ptyronissinus: atopie patch test


Behandeling

Lokale behandeling

  • Bestrijding fysiologische afwijkingen

    • Hydratie

    • Lucht-doorlaatbare kledij



  • Bestrijding vd inflammatoire letsels (acuut, subacuut, chronisch)

    • Teer en derivaten

    • Corticosteroïden

    • Lokale immunomodulatoren

      • Tacrolimus

      • Pimecrolimus


Systemische behandeling

  • Antihistaminica (sederende)

  • Corticosteroïden (uitz)

  • Cyclosporine (zeer uitz bij volwassene)


Bij bacteriële surinfectie:

  • Lokaal

    • Antibacteriële middelen

      • Vb Fusidinezuur

  • Systemisch

    • Flucloxacilline

    • Clarithromycine (bij peni-allergie)


Bij virale surinfectie:

  • Eczema herpeticum of varicelliforme eruptie van Kaposi

    • Aciclovir

  • Eczema molluscatum

    • Behandeling eczeem

    • Curettage mollusca


Bijkomende behandeling

  • Dieet bij bewezen voedselallergie

  • Vermijden van aëroallergenen

    • Vb huisstofcontrole

  • Eventueel lichttherapie


Atopisch eczeem

= multifactoriële aandoening!


Seborroïsch eczeem of seborroïsche dermatitis

Definitie

  • Eczeem gelokaliseerd op

    • talgrijke gebieden:

      • scalp

      • gelaat

      • mediane, beovenste deel vd thorax (presternaal en interscapulair)

    • soms ook in de grote lichaamsplooien

  • Letsels zijn scherp begrens en erythemateus (meer zalmroze kleur dan dieprood)

  • Schilfering is niet adherent en voelt eerder vettig aan

  • Lichte tot matige jeuk


Kliniek  2varianten

  • Op volwassen leeftijd (vanaf puberteit)

    • Vaak gepaard met haarroos

    • Soms uitgebreide vorm

  • Bij zuigelingen (tot 6e levensmaand) (?)


Etiologie

  • Multifactoriële aandoening

  • Oorzaak onbekend

  • Rol van Malassezia species (vroeger Pityrosporum ovale)

  • Talgklieractiviteit noodzakelijk maar geen obligate link met hyperproductie

  • door

    • Emotionere stress

    • Lage vochtigheid

    • Winterperiode

  • door zon


Definitie haarroos

  • Haarroos (pityriasis capitis, simplex of oleosa, “dandruff”):

    • =een zichtbare afschilfering vd schedelhuid zonder inflammatie


Epidemiologie

  • 1-3% bevolking

  • 3-5% jonge volwassen mannen

  • Haarroos: 30% bevolking

  • Zeldzaam voor puberteit, vooral 18-40jaar

  • Man/vrouw: 6/1

  • Hogere incidentie in bepaalde bevolkingsgroepen:

    • Neuroleptisch geïnduceerd Parkinsonisme 60%

    • Depressie 37%

    • HIV-seropositiviteit:

frequentie en ernst bij immuundeficiëntie
Kliniek

  • Zeer variabele kliniek

    • Klassiek type

    • Haarroos

    • Flexuraal type

    • Infantiel type

    • HIV-gerelateerde vorm en andere bevolkingsgroepen

 Gaat het hier om één en dezelfde aandoening??

 Het “meestal” reageren op eenzelfde behandeling is hiervan geen bewijs.



  • Alle letsels hoeven niet samen voor te komen

  • Zeer beperkt tot uitgebreid

  • In één persoon variatie in

    • Tijd

    • Uitgebreidheid

    • Lokalisatie

    • Aspect


 Scalp

Klassiek type en haarroos



  • Schilfering hoofdhuid

  • Erythemato-squameuze maculae

  • Kenmerken:

    • Bepert

    • Grote gedeelten

    • Al of niet overgrijpend op gelaat of retro-auriculair

    • ‘Corona seborrhoica’: al of niet gefigureerd/gekarteld

  • dD:

    • vooral psoriasis capitis

      • soms zeer moeilijk: seborriasis, psoriasiform syndroom

    • verder:

      • tinea capitis

      • M Darier

      • Andere eczemen

      • CDLE = cutane lupis erythematodes


 gelaat

  • Lokalisaties:

    • Naso-labiale plooien

    • Glabella

    • Neusrug

    • (wangen)

    • (snor)

    • (baard)

    • (onder- en bovenlip)

  • Seborroïsche blefaritis

  • Oorschelpen, gehoorgangen, retro-auriculair

    • Fissuratie

    • “otitis externa”: vrouwen, middelbare leeftijd

    • Impetiginisatie en eczematisatie:

      • “eczématide impétiginisée et eczématisée”

  • dD

    • Psoriais, seborriasis

    • Tinea facei, tinea incognita

    • Eczemen

    • CDLE

    • Andere oorzaken van otitis externa

    • Impetigo

    • Corticosteroïd-abusus




 mediothoracaal

  • Presternaal

  • Interscapulair

    • Minder frequent

    • Meestal “V”-vorm




  1. folliculair type

    1. (peri)folliculaire papel

    2. Soms pustels

  2. petaloïd type

  3. pityriasiform type

  4. eczemateus type

    1. polymorf eczemateus

    2. eventueel buiten de predilectiegebieden (erythrodermie)




  • pityrosporum-folliculitis

  • pityriasiform type




  • dD:

  1. folliculair type

    1. andere vormen van folliculitiden

      1. S aureus

      2. P ovale

      3. Gr negatieven



    2. Acne, acneiforme eruptis

    3. REM (reticular erythematous mucinosis), Grover, M Darier



  2. petaloïd type

    1. psoriasis annularis-gyrata

    2. subacute LE

  3. pityriasiform type

    1. pityriasis roseo Gibert

(geen ‘herald’ patch)

  1. eczemateus type

    1. andere eczemen

      1. senilis

      2. erythrodermie




 flexuraal of intertrigineus

  • Lokalisaties:

    • Oksels

    • Liezen

    • Anogenitaal

    • Peri-umbilicaal

    • submammair

  • roze-rode oppervlakkige letsels

  • nauwelijks schilfering

  • fissuratie mogelijk

  • natting en eczematisatie, eventuele “id-spread”

  • Candida-surinfectie

  • dD:

    • psoriasis inversa

    • intertrigo

    • contacteczeem

    • intertrigineuze candidiasis

    • M Hailey-Hailey, M Darier

    • Tinea cruris


 zuigeling
Etiopathogenese

  • Neurologische factoren

  • Neuropsychiatrische aspecten

  • Seizoensfluctuaties

  • Genetische factoren

  • Nutritionele en metabole aspecten

  • Endocrinologische factoren

  • Onderliggende maligniteiten

  • Lokale irritatie

  • Sterk zweten

  • P ovale (M furfur)


Behandeling

 vele behandelingen met wisselende effectiviteit

(als gevolg van de vele voorgestelde ethiopathogenesen)

 onderdrukken vd symptomen meestal niet moeilijk,

maar voorkomen van recidieven wel


  • algemene instructie

  • antigungale (antipityrosporale) behandeling

  • anti-inflammatoir middelen

  • anti-proliferatieve middelen


Algemene instructies

    • Irriterende en te vette topica vermijden

    • Voor haarroos:

      • meestal shampoo

    • Voor andere gebieden:

      • vetarme vehicula zoals

        • O/W emulsies

        • of (waterige) gels


Antifungale (antipityrosporale) behandeling

    • Imidazole-derivaten

      • = voorkeursbehandeling

    • Intermittente applicaties van zwakke lokale CS, gevolgd door een preventieve R/ met imidazoles

    • Soms aanvankelijk combinatie van beide


Lokaal:

    • Imidazole-derivaten

      • Ketoconazole shampoo 2%

        • 5min laten inwerken

      • Ketoconazole crème 2%

        • 2X/dag tot verdwijnen vd letsels

        • Dan 2X/week op predilectieplaatsen ter preventie

    • Zinkpyrithione of seleniumsulfide (SeS)

    • Zwavel (derivaten)

    • Koolteer

      • Niet uitsluitend antifungaal

      • Doch in shampoos vervangen door

        • Plantaardige of minerale teerderivaten

          • Vb T/gel®, Neutrogena)

        • Andere middelen

          • Undecyleenzuurderivaten

          • Piroctone

          • Olamine

    • Cyclopiroxolamine (Stieprox®)


Systemisch:

    • Ketoconazole oraal actief, maar niet geschikt voor langdurig gebruik

    • In therapie-resistente vormen en bij cortico-depentie:

      • R/ Itraconazole

        • 200mg/dag/1week

        • Dan 200mg elke 1e dag vd maand

 uitgescheiden door sebumklieren

 lipofiel en keratinofiel



 zeer actief tegen Malasezzia sp
Anti-inflammatoire middelen
Antiproliferatieve middelen

  • Salicylzuur (2-5%) (teer, zinkpyrithione)

  • Ook antifungale activiteit

  • Salicylzuur (3-5%) in een emulgeerbare (waterafwasbare: vb emulgerende zalf BP V) zalfbasis:

    • Zeer geschikt bij sterke schilfervorming thv de scalp


Intolerantiereacties vd huid

  • acute irritatie (toxische) reacties

  • cumulatieve irritatiereactie

  • irritatie (orthoërgische) dermatitis

  • fototoxische reacties

  • allergische contactdermatitis (contacteczeem)

  • fotoallergische contactdermatitis

  • contacturticaria


Acute irritatiereacties

  • intensiteit afhankelijk van:

    • aard van irritans

    • gebruiksconcentratie

    • contactfrequentie

    • occlusie

    • irritabiliteit vd huid

  • vb:

    • “cement burn”

    • “airborne”


Fototoxische reacties

  • .


Cumulatieve irritatiereacties

  • “airborne”


Irritatiedermatitis

  •  handen


Allergische contact dermatitis – allergisch contacteczeem

  • Huidreactie optredend bij vooraf gesensibiliseerde personen

  • Allergische reactie vh vertraagde type

  • Penetratie van haptenen (allergenen) in de huid



  • Groeps- of kruisallergie

Vb: parafenyleendiamine – paraaminobenzoezuur – benzocaine – sulfamides

  • Immunologisch mechanisme



  • Histologie



  • Allergenen:

    • Rechtstreeks contact



    • Allergiserende oppervlakken

    • Overdracht

      • Vb nagellak

    • Partner

      • Vb fastum

    • “airborne”

      • Vb cement

    • Fotoallergisch

    • Systemisch strooireactie

      • Vb Medrol


Diagnose

  • Anamnese

  • Klinische symptomen

  • Lokalisatie vd letsels

  • Patch tests (epicutane lapjesproeven)

    • Positieve patch test vb nikkel

    • Positieve gebruikstest vb minoxidil

    • Positieve fotopatch tests

  • Bepaling vd relevantie


Sensibilisatiebronnen

  • Beroep, hobbies, …

  • Farmaceutische topica

  • Cosmetica

  • Textiel en accessoires, …


Meest frequente allergenen (1990-2003)

  1. Nikkel

  2. Parafenyleendiamine

  3. Parfum-mix

  4. Cobalt

  5. Perubalsem

  6. Kaliumdichromaat

  7. Colofonium

  8. Budesonide

  9. Triuram-mix

  10. Wolvetalcoholen

  11. Neomycine

  12. Methyl(chloro)isothiazide


 +/- 30% geassocieerd met of veroorzaakt door farmaceutische topica



  • Actieve middelen

  • Vehicula

  • Bewaarmiddelen

  • Parfumcomponenten

 vb:

    • corticosteroïden

    • NSAID

    • Systemische reactie (ethyleendiamine 1%)

 +/- 30% geassocieerd met cosmetica

 bepalende factoren in cosmetica-allergie


  • Populariteit

  • Doel vh product

  • Samenstelling

  • Applicatieplaats

  • Contacttijd

    • Leave-on vs rinse-off

  • Applicatieformule

  • Cumulatieve effecten

 allergenen in cosmetica

  • Parfumcomponenten

  • Bewaarmiddelen

  • Excipiëntia/emulgatoren

  • Haarkleurmiddelen

  • Actieve ingrediënten (vb zonnefilters)

 ook:

  • nagelcosmetica: acrylaten

  • “natuurlijke” producten


Behandeling

  • Symptomatisch

    • Acuut

    • Subacuut

    • Chronisch

  • Contact vermijden met de allergenen

    • = preventie!


Contacturticaria

  • Ontstaansmechnismen:

    • Niet-immunologisch

      • Vb kaneeladehyde

    • Immunologisch

    • Onbekend

  • Contacturticaria syndroom: immunologisch

    • Cutane symptomen

      • Stadium I

        • Lokale jeuk

        • Roodheid

        • Zwelling



      • stadium II

        • uitbreiding naar andere lokalisaties

    • Extra-cutane symptomen

      • Stadium III

        • Rhinitis

        • Conjunctivitis

        • Respiratoire last

      • Stadium IV

        • anafylaxis

    • vb proteïnen in natuurlijk rubber of latex

      • sensibilisatie door

        • het dragen van latexhandschoenen

        • contact met:

          • condooms

          • ballons

          • medisch materiaal



        • kruisallergie met vruchten en groenten:

          • aardappel

          • avocado

          • banaan

          • kastanje

          • kiwi

          • passievrucht



      • Risicogroepen: personen met

        • Een atopische constitutie

        • Irritatiedermatitis thv de handen

        • Die multipele ingrepen hebben ondergaan (vb spina bifida)

    • “oral allergy syndrome”

      • Berkenboompollen-allergie  mogelijk reacties op

        • (bepaalde) appelen

        • Pitvruchten

        • Noten



      • Bijvoet-allergie  mogelijk reacties op

        • Selder

        • Wortelen

        • Kruiden (vb peterselie, kervel, …)

Proteïnen als oorzaak van


Contactallergische reacties:



1.

Eczeem

+type IV allergie

Allergische contactdermatitis

ACD

2.

Urticaria

+type I allergie

Contacturticaria

CU

3.

Eczeem

+type I allergie

Proteïne contactdermatitis

PCD

4.

Type I (proteïne)

+type IV allergie

(chem laag-moleculair)



CU/PCD + ACD







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina