Deze lijst bevat meer termen dan in de cursus pph-10806 behandeld zijn en kan ook gebruikt worden bij het vervolgvak "Reproductie van planten" (pcb-10803)



Dovnload 288.71 Kb.
Pagina1/4
Datum23.08.2016
Grootte288.71 Kb.
  1   2   3   4

Termenlijst PCB-10306 en PPH-20306


Plantenanatomische en -morfologische termenlijst
Deze lijst bevat meer termen dan in de cursus PPH-10806 behandeld zijn en kan ook gebruikt worden bij het vervolgvak "Reproductie van planten" (PCB-10803).
A

aar (spica): een racemeus bloemgestel, bestaande uit een onvertakte, niet verbrede hoofdas, die zittende of zeer kortgesteelde bloemen of sporendoosjes draagt.

aartje (spicula, bloempakje): korte zijas met één of enkele zittende of kortgesteelde bloemen in samengestelde aren, bij aargrassen, pluimgrassen en aarpluimgrassen; alle bloemen tezamen zijn door twee gemeenschappelijke kelkkafjes omsloten.

abaxiaal (ventraal): van de hoofdas afgewend.

aborteren: niet tot ontwikkeling komen; mislukken.

abscissielaag (scheidingslaag): een natuurlijke breuklaag, waarlangs bladen en rijpe vruchten loslaten. Vóór de bladval hebben in deze laag enige celdelingen plaats waardoor een kleincellig, dunwandig scheurweefsel ontstaat. Onder de scheurlaag ontstaat een periderm.

abscissiezone: zone met een breuklaag of scheidingslaag en met één of twee beschermingslagen in verband met blad- of vruchtval.

accessorische knop (bijknop): een knop naast de hoofdknop in één bladoksel; de bijknoppen kunnen seriaal (opstijgend of neerdalend) of collateraal zijn.

acropetaal: de aanleg van organen, weefsels of plantendelen, vindt plaats in de richting van het vegetatiepunt; zijwortels ontstaan acropetaal, d.w.z. dat de jongste het dichtst bij de top van de hoofdwortel zijn gelegen.

acrotonie: de delen van een orgaan van een plant (b.v. zijloten van een jaarlot) zijn naar de top toe groter of rijker uitgegroeid dan aan de basis.

actinenchym (stralend weefsel): een weefsel bestaande uit stervormige parenchymcellen, die met één of meer stippels aan de uiteinden der buisvormige uitstulpingen met elkaar in verbinding staan.

actinomorf (straalsgewijs-, regelmatig-, radiaal-symmetrisch): er zijn twee of meer symmetrievlakken in bijv. een bloem aanwezig welke alle door het middelpunt gaan.

actinostele (stralende stele): een stele, waarin, binnen de pericykel een radiale vaatbundel ligt (wortel).

adaxiaal (dorsaal): naar de hoofdas toegekeerd; zie geadosseerd.

ademholte: de intercellulaire holte onder een huidmondje.

aderen (vena): de fijnste nerfjes, die uit hoofd- en zijnerven komen.

adventieve knop (toevallige-, bijkomstige knop): knop die noch aan de top van een stengel, noch in bladoksels geplaatst staat.

adventieve wortel: zie bijwortel.

aërenchym (luchtweefsel): een parenchymweefsel met zeer grote intercellulaire holten (lacunen). Bepaalde vorm is het actinenchym.

afdalende (neerdalende) seriale bijknoppen: bijknoppen in een verticale rij onder de hoofdknop in de bladoksel; vooral bij Dicotyledoneae.

afgebroken geveerd blad: een geveerd blad, waarbij tussen de jukken met grotere blaadjes, telkens 1 of meer paren veel kleinere blaadjes voorkomen.

afgeleid: als een bepaalde toestand (b.v. plastiek van het blad) algemener is dan een tweede, noemt men de eerste de 'grondvorm' van de tweede; de tweede toestand heet dan afgeleid.

afhankelijk ingesneden blad: bladschijf met insnijdingen welke de algemene vorm wijzigen. De diepe insnijdingen liggen steeds tussen 2 grote nerven.

afwisselende bladstand: bladstand met 1 blad per knoop. De hoekafstand tussen de opeenvolgende bladen is 180, d.w.z. de bladen staan in 2 lengterijen (orthostichen).

aleuronkorrel: een kleine, ronde korrel, ontstaan in een deelvacuole van rijpe, droge zaden, die in hoofdzaak bestaat uit amorf en kristallijn eiwit en globoïden (ronde lichaampjes, die rijk zijn aan fosforzuur).

aleuronlaag: een cellaag waarvan de cellen aleuronkorrels bevatten, bij rijpe graanvruchten (de buitenste cellaag van het kiemwit).

algemene bladsteel: bladsteel van een samengesteld blad.

algemene bloemsteel (hoofdsteel, hoofdas, rhachis, rachis, pedunculus); de veelal vertakte hoofdas van een bloemgestel.

alterneren (afwisselen): de bladen van de ene krans staan midden boven de ruimten tussen die van de voorafgaande krans.

amficribraal: een concentrische vaatbundel, waarbij het floëem om het xyleem heen ligt.

amfivasaal: een concentrische vaatbundel, waarbij het xyleem om het floeem heen ligt.

analoge organen: organen met morfologisch gezien verschillende herkomst of oorsprong, maar met gelijke vorm en functie.

anastomoseren: het onderling in open verbinding treden van twee of meer weefsels of reeds gedifferentieerde elementen (b.v. vaatbundels, resp. vaten).

anatomie: 1. het inwendige bouwplan; 2. wetenschap die zich hiermee bezig houdt (de microscopische morfologie).

anatroop (omgekeerd) zaadbeginsel: een zaadbeginsel met de chalaza aan de top, micropyle aan de basis, hilum aangehecht naast de micropyle, as van de nucellus recht, doch maakt een hoek van 180 met de funiculus.

androecium: alle meeldraden van de bloem.

anemogamie: zie windbestuiving.

anisofyllie: verschillende typen bladen komen voor aan eenzelfde knoop.

annua (planta annua): éénmaal bloeiende planten, waarbij de gehele ontwikkeling van de plant van zaad tot zaad plaatsvindt binnen één jaar.

anthera: zie helmknop.

antheridium: kleine bolvormige organen waarin de spermatozoïden (= microgameten) gevormd worden, gelegen b.v. aan de onderzijde van het varenprothallium.

anticlinaal: loodrecht op het tangentiale vlak; dit kan zijn radiaal en dwars.

anthocladium: sympodiale vertakking waarbij elke spruit eindigt in een bloem (-gestel) en de takken ook loofbladen dragen.

antipoden (tegenvoeters): cellen, meestal 3, die in de rijpe embryozak tegenover de eicel en synergiden liggen.

apex: top.

apicaal: hetgeen naar de top toe ligt, of naar de top gericht is.

apocarp gynoecium: een gynoecium bestaande uit 2 of meer enkelvoudige stampers. Zie ook stamper.

apoplast: alles wat niet tot de symplast behoort zoals celwanden en intercellulaire holten.

apotracheaal parenchym: lengteparenchym in het secundaire hout, gelegen onafhankelijk van de vaten; dit kan zijn marginaal (terminaal), diffuus of bandvormig in tangentiale richting (metatracheaal).

archegonium: flesvormig, vrouwelijk geslachtsorgaan, b.v. aan onderzijde van het varenprothallium met een vrije hals en met een wijd ondereinde ingezonken in het prothallium. Het bevat een eicel of macrogameet.

arillus (echte zaadrok of -mantel): uitgroeiing bij het hilum van de navelstreng (funiculus) tot een mantel, die het zaad meer of minder volledig omhult.

assimilatieweefsel (chlorenchym): een weefsel bestaande uit parenchymcellen, waarin chloroplasten aanwezig zijn.

asteroskelereïde (spiculum): een stervormige steencel.

asymmetrisch (onsymmetrisch): het ontbreken van enige symmetrie; het orgaan is niet door één vlak in twee helften te verdelen die elkaars spiegelbeeld zijn.

atroop (recht) zaadbeginsel: zaadbeginsel met chalaza en hilum aan de basis, micropyle aan de top, as van de nucellus is recht.

axillaire placentatie (hoekstandige placentatie): de plaatsing van de zaadlijsten bij een meerhokkig vruchtbeginsel is in de hoek van elk hokje centraal.

B

bandjes van Caspary: zie endodermis.

basale groei: verlenging van een orgaan door groei aan de basis, door middel van een intercalair meristeem (vooral bij granen).

basale placentatie: op de bodem van een éénhokkig vruchtbeginsel geplaatste zaadlijst.

basitonie: de delen van een plantenorgaan (b.v. zijloten van een jaarlot) zijn aan de voet groter of rijker uitgegroeid dan in het midden en aan de top.

bast: zie floëem.

bastparenchym: lengteparenchym voorkomend in het floëem.

baststraal: deel van de mergstraal dat in de bast gelegen is.

bastvezel: zie vezel.

bedekte knop: zie knop.

bedekte vrucht: zie schijnvrucht.

begeleidende cel: een zustercel van een zeefvatlid, met innig stippelcontact naar dat zeefvatlid. De cel bevat veel plasma en een kern.

bepaald bloemgestel (cymeus, centrifugaal, middelpuntvliedend bloemgestel): een bloemgestel met aan de top van de hoofdas 1 bloem die zich het eerst opent; hieronder één of meer in een krans staande of tegenoverstaande schutblaadjes met in de oksels ieder 1 bloem of ieder een zijas. De bloemen ontluiken van binnen naar buiten of van boven naar onder. De grondvorm is het 2-takkig bijscherm (cyma, gevorkt bijscherm). Bij een samengesteld bloemgestel herhalen de zijassen de vertakking van de hoofdas.

bes (bacca): ware, vlezige vrucht, waarvan de zaden vrij in het vruchtvlees liggen.

bicollaterale vaatbundel: een vaatbundel die bestaat uit één xyleemstreng met aan de tangentiale buitenzijde en binnenzijde floëem.

bifaciaal (dorsiventraal): een term gebruikt voor het blad, waarin het mesofyl duidelijk gedifferentieerd is in palissadeparenchym (aan bovenzijde) en sponsparenchym (aan onderzijde).

binnenfloëem (mergstandig floëem): zie intraxylair floëem.

bipleurisch: naar twee zijden werkend, b.v. kurkcambium.

blaadje (foliolum): zie samengesteld blad.

blaadjespaar (juk): twee, op dezelfde hoogte aan de rhachis ingeplante blaadjes, van een geveerd of gevind blad.

blad, onvolkomen: een blad waarbij of bladschijf, of bladsteel, of bladschede ontbreekt, of waarvan slechts één van de genoemde onderdelen aanwezig is.

blad, volkomen: een blad bestaande uit bladschijf (lamina), bladsteel (petiolus) en bladschede (vagina).

bladdoorn: stekelvormig orgaan homoloog met een blad.

bladknop: knop waarvan het lot alleen bladen voortbrengt.

bladkrans: zie ware- en valse bladkrans.

bladmoes: het geheel van cellen dat ligt tussen de nerven van een bladschijf, bestaande uit boven en benedenepidermis met daartussen het mesofyl.

bladrank: rank die homoloog is met een blad.

bladrozet: vele bladen die schijnbaar op dezelfde hoogte op de stengel staan ingeplant, doordat de tussenliggende stengelleden ongestrekt blijven. Door uitgroeien van enkele stengelleden kunnen meerdere rozetten ontstaan. Zie ook wortelrozet.

bladschede (vagina): een verbreed gedeelte van vooral samengestelde en diep ingesneden bladen onder aan de bladsteel, die de stengel geheel of gedeeltelijk omvat.

bladschijf (lamina): het meestal vlak uitgespreide deel van het blad.

bladspoor: het geheel van vaatbundels die vanuit de stengel één blad binnentreedt.

bladspoorbundel: één vaatbundel uit een bladspoor.

bladstand (fyllotaxis): de regelmaat in onderlinge plaatsing van bladen aan de stengel.

bladsteel (petiolus): één van de drie onderdelen van het blad, gelegen tussen bladschede en bladschijf.

bladsteeltje (petiolulus): bladsteel van een blaadje.

bladsteeldoorn: een doorn homoloog met de bladsteel, vaak ontstaan na afvallen van de bladschijf.

bladvenster: een opening in de stele boven de plaats waar de stele van een blad (meristele) afbuigt.

bloeiknop (bloemknop): knop die één of meerdere bloemen voortbrengt en geen normale loofbladen.

bloeikolf (spadix): een aarvormige bloemgestel met verdikte, vlezige spil.

bloeiwijze: de wijze waarop de bloem of de bloemen aan de plant gerangschikt zijn (b.v. eindstandig, okselstandig, caulifloor, in één bloemgestel).

bloembekleedselen (perianthium): de bloembladen die de meeldraden en stampers omgeven (kelk en kroon, of bloemdek).

bloembodem (receptaculum): het uiteinde van het bloemsteeltje, waarop de bladachtige bloemdelen staan ingeplant.

bloembodem, algemene: het uiteinde van de algemene bloemsteel, die meerdere bloemen draagt.

bloemdek (perigonium): bloembekleedselen slechts in 1 krans, of 2 in kleur en vorm gelijke kransen.

bloemgestel (inflorescentia): groep van bijeen staande bloemen met de stengeldelen en schutbladen die ze dragen, mits er tussen de bloemen geen gewone loofbladen voorkomen.

bloempakje: zie aartje.

bloemschede (spatha): groot schutblad (bractea), voorblad of steelblad (bracteolula), dat het bloemgestel of de jonge bloem geheel omhult.

bloemsteel, algemene (pedunculus, hoofdsteel, hoofdas, rachis, rhachis): hoofdas van een bloemgestel, dikwijls vertakt.

bloemsteeltje (pedicellus): kortere of langere as met op het einde een bloem.

bol (bulbus): één- of meerjarige metamorfe spruit, waarvan vaak het lot van het laatste jaar groene delen boven de grond heeft. De stengel bestaat uit vele zeer korte leden (bolstoel of bolschijf) met aan de tussenliggende knopen ieder één fylloom (bladstand verspreid). De ondereinden der bladachtige delen van het voorjarige lot bevatten reservevoedsel en komen voor als opgezwollen rokken (de bol is gerokt) of schubben (de bol is geschubd), die de hoofdmassa van de bol vormen. De bol wordt door de eerstvolgende generatie geheel uitgezogen.

bolknop: zie bulbulus.

bolrok: rondom gesloten, opgezwollen vlezige bladondereinde in een bol.

bolstoel (bolschijf, discus): stengeldeel waarvan de stengelleden niet gestrekt zijn; zie bol.

boorwortel (zuigwortel, haustorium): bijwortel van een parasitisch gewas, die de gastheer binnendringt en daaruit voedingsstoffen en water opneemt.

bovengrondse kieming: zie epigeïsche kieming.

bovenlip: Zie tweelippig.

bovenstandig vruchtbeginsel: een vruchtbeginsel dat vrij boven op de bloembodem staat ingeplant, of los in een bekervormige bloembodem (hypanthium); de bloem is hypogynisch tot epigynisch.

bractea (schutblad): voorkomend in een bloemgestel waar uit de oksel de takken van de eerste en hogere orde te voorschijn komen; in de oksel komen dus meerdere bloemen voor.

bracteola (schutblaadje): voorkomende in een bloemgestel, waarbij in de oksel de bloem zelf staat.

bracteolula (steelblaadje, voorblaadje, prophyllym): bij Monocotyledoneae 1, bij Dicotyledoneae 2 (min of meer tegenoverstaande) blaadjes, ingeplant op het bloemsteeltje.

broedbol (bulbil): bolvormige gemetamorfoseerde okselknoppen boven de grond, veelal in bloemgestellen op de plaats van bloemen.

broedknol: bovengrondse, opgezwollen bijwortels van een okselknop, die met deze als één geheel afvallen.

buiknaad: vergroeiingsnaad ontstaan doordat de randen van het vruchtblad met elkaar zijn vergroeid in tegenstelling tot de rugnaad, de (oorspronkelijke) middennerf van het vruchtblad.

buis: het buisvormig gevormde deel van een vergroeidbladige kelk, kroon of bloemdek; de buis gaat via keel over in het uit slippen gevormde deel, de zoom.

buisbloem: bloempje bij Asteraceae waarvan de kroon vergroeidbladig en buisvormig is.

buitenfloëem: floëem door een vasculair cambium naar buiten afgezet.

buitenkiemwit (perisperm): reservevoedsel voor het embryo, dat gevormd wordt in het nucellusweefsel.

bulbil: zie broedbol.

bulbulus (klister, bolknop): knop in de oksels van bolrokken of bolschubben.

bundelschede (mesofylschede): één of meerdere cellagen rond de vaatbundels van het blad; soms (Monocotyledoneae) gedifferentieerd in een buitenste (parenchymatische) bundelschede en een binnenste bundelschede, met verdikte celwanden. Zie ook mestoomschede.

bundelschede-uitbreiding: grondweefsel met cellen die lijken op de cellen van de bundelschede. Het weefsel bevindt zich tussen de bundelschede en de epidermis van een blad.

buurbestuiving (geitonogamie): bestuiving geschiedt door stuifmeel van een andere bloem van dezelfde plant.

buurcel: een epidermiscel die naast de sluitcel van een huidmondje ligt en betrokken is bij het openingsmechanisme.

bijkelk (epicalyx): een krans van groene blaadjes buiten om de kelk, dicht tegen deze aanliggend; het zijn soms de vergroeide steunblaadjes van de kelkbladen.

bijknop: zie accessorische knop.

bijkroon (corona, paracorolla): gekleurde aanhangsels van bloemkroon, bloemdek of meeldraden.

bijscherm, gevorkt, tweetakkige: zie cyma.

bijscherm, samengesteld ééntakkig: zie monochasium.

bijscherm, samengesteld tweetakkig: zie dichasium.

bijwortel (adventieve wortel): wortel, ontstaan uit stengeldelen of bladen.
C

calloseprop: een sterk lichtbrekende dikke prop van callose, die op een zeefplaat afgezet kan worden en waarin nog plasmadraadjes aanwezig kunnen zijn. Callose is een polymerisatie product van ß-1-3 glucosidisch glucaan.

callus: een ongeordend, grillig gevormd weefsel met dunwandige cellen. Callus wordt gevormd na verwonding of in weefselkweek.

calyptra: zie wortelmutsje.

calyptrogeen: apart meristeem in de worteltop die het wortelmutsje vormt.

calyx: zie kelk.

cambiale gordel (cambiale zone): een laag met een variërende breedte, bestaande uit cambiumcellen en hun ongedifferentieerde derivaten.

cambium: een, meestal laagvormig secundair meristeem. Bijvoorbeeld vasculair cambium dat floëem- en xyleemelementen vormt; fellogeen (kurkcambium) dat felleem en meestal ook felloderm vormt.

cambiuminitiaal: een individuele cel uit het cambium; naast vezelvormige initialen komen straalinitialen voor.

camptotroop (toegevouwen) zaadbeginsel: het gehele langgerekte zaadbeginsel is gekromd zodat navel (hilum), vaatmerk (chalaza) en micropyle (poortje) naast elkaar liggen.

campylotroop (gekromd) zaadbeginsel: een zaadbeginsel met een enigszins gekromde nucellus, zodat hilum, chalaza en micropyle naast elkaar liggen.

carpellum (vruchtblad): bladachtig orgaan dat afzonderlijk of samen met andere vruchtbladen een stamper vormt en waaraan, meestal aan de randen, de zaadbeginsels worden gevormd.

caruncula (kiemwratje): een geringe uitgroeiing van de randen van het poortje tot het bultje, soms vindt een verdere uitgroeiing plaats.

caryopsis (graanvrucht): een ware, droge, 1-hokkige, 1-zadige niet openspringende vrucht, waarvan de vruchtwand vergroeid is met de zaadhuid. Dikwijls is de rijpe vrucht omgeven door kafjes.

Caspary, bandje van: zie endodermis.

caulifloor: bloemen ontstaan aan het oude hout.

caulis: stengel.

cauloom: ieder plantendeel dat homoloog is met de stengel.

centrale placentatie: in het centrum geplaatste zaadlijsten van een 1-hokkig vruchtbeginsel; ontstaan door het wegvallen van de rest van de tussenschotten.

centrifugaal bloemgestel: zie bepaald bloemgestel.

centripetaal bloemgestel: zie onbepaald bloemgestel.

cel: een hoeveelheid protoplasma met 1 of meer kernen, 1 of meer vacuolen, celorganellen en insluitsels, al of niet omgeven door een wand. De cel kan differentiëren tot verschillende specialisatievormen (elementen).

celdeling: het proces waarbij twee cellen uit één cel ontstaan.

celdifferentiatie: de ontwikkeling van de cel, waardoor deze een eigen vorm en functie krijgt.

celfusie: een reeks van cellen, waarbij de tussenwanden doorboord of verdwenen zijn, b.v. zeefvat, houtvat, melksapvat.

celstrekking: de geleidelijke groei van een cel door vergroting van de vacuole, zonder evenredige toename van het plasma.

celwand: het dode deel van de cel, dat de protoplast omgeeft en hierdoor gevormd is.

centrale cilinder (stele): het deel van stengel, wortel of blad, dat geheel (stengel, wortel) of gedeeltelijk (blad) door endodermis omgeven wordt. Bij het blad spreekt men van een meristele.

centrale moedercellen: naar verhouding grote cellen met vacuoles die subapicaal liggen in het topmeristeem van de spruit.

chalaza (vaatmerk): in het einde van de vaatbundel in de navelstreng (funiculus).

chlorenchym: parenchym met veel chloroplasten (assimilatieweefsel).

chlorifelloïde (vulweefsel): onverkurkt felleem, bestaande uit een los samenhangend, parenchymatisch weefsel met vele radiaal gerichte intercellulairen.

cirkelronde bladschijf (orbicularis): grootste breedte van de bladschijf ligt in het midden en de lengte is gelijk aan de breedte.

coenocarp gynoecium: een gynoecium bestaande uit een samengestelde (= meerbladige) stamper. het vruchtbeginsel kan dan syncarp (meerhokkig) of paracarp (éénhokkig) zijn.

coenocyt: een veelkernige cel.

coleoptilum: zie pluimschede.

coleorhiza: zie wortelschede.

collaterale bijknoppen: bijknoppen in een horizontale rij links en rechts van de hoofdknop in de bladoksel, vooral bij Monocotyledoneae. De hoofdknop is niet altijd als zodanig te onderkennen. Vergelijk seriale bijknoppen.

collaterale vaatbundel: vaatbundel bestaande uit één groep xyleem en één groep floëem.

collenchym: een levend stevigheidsweefsel met plaatselijk verdikte wanden, vaak in de hoeken van de cel (hoekcollenchym) of tegen de tangentiale wanden (plaatcollenchym); de wanden zijn primair en onverhout.

columella: zie zuiltje.

concaulescentie (omhooggeschoven): het langs of aan de hoofdas op, of omhoog schuiven, of met de hoofdas omhoog groeien van een stuk stengel. Dus een opgroeien van stengel met stengel.

concentrische vaatbundel: een vaatbundel, waarbij het floëem door het xyleem omgeven wordt (amfivasaal) of xyleem door floëem (amficribaal) omgeven wordt.

congenitale vergroeiing: opgroeien met; delen die vanaf hun ontstaan als één geheel zijn opgegroeid. Bij concaulescentie groeien b.v. bloemsteel en stengel met elkaar omhoog.

connectivum (helmbindsel): het verbindingsstuk tussen 2 helmhokjes of 2 groepen van 2 pollenzakjes (stuifmeelzakjes) van een helmknop.

contactsklerose: sklerose van een van nature dunwandig element, ontstaan door contact met een dikwandig element.

cortex (schors): het primaire grondweefsel van stengel of wortel, dat ligt tussen epidermis en de centrale cilinder.

cotyledo: zie zaadlob.



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina