Deze toelichting is bruikbaar naast alle reglementen en geeft achtergrond informatie en de diverse keuze mogelijkheden



Dovnload 50.27 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte50.27 Kb.

Oktober 2010
Deze toelichting is bruikbaar naast alle reglementen en geeft achtergrond informatie en de diverse keuze mogelijkheden.
Het verdient aanbeveling om in het reglement de naam van de school te noemen. Voor een gmr-reglement kan men alle betrokken scholen vermelden.
Artikel 1 sub b Het bevoegd gezag
Hier dient u de naam van het bevoegd gezag van de school in te vullen.  
Wie het bevoegd gezag is van een school hangt af van de bestuursvorm en de bestuurlijke inrichting van de organisatie.    

In het bijzonder onderwijs wordt de school bestuurd door een vereniging of een stichting. In beide gevallen vormt in beginsel het bestuur van de vereniging dan wel de stichting het bevoegd gezag van de school.    

Het openbaar onderwijs kent de volgende bestuursvormen:


  • De integrale bestuursvorm: bevoegd gezag is het college van B & W;  

  • De bestuurscommissie ex artikel 83 van de Gemeentewet: bevoegd gezag is de bestuurscommissie;

  • Het openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen: bevoegd gezag is het algemeen bestuur van het openbaar lichaam; 

  • De stichting openbaar onderwijs: bevoegd gezag is het bestuur van de stichting openbaar onderwijs;  

  • De openbare rechtspersoon: bevoegd gezag is het bestuur van de openbare rechtspersoon.    



In een aantal gevallen worden openbare én bijzondere scholen door één rechtspersoon in stand gehouden namelijk door een stichting samenwerkingsbestuur. Het bestuur van deze stichting vormt het bevoegd gezag van deze scholen.    

Het kan zijn dat het raad van toezichtmodel wordt toegepast. In dat geval is in de statuten bepaald, dat het college van bestuur de school bestuurt en de raad van toezicht op dat bestuur toezicht uitoefent. Het college van bestuur vormt dan het bevoegd gezag van de school.  


Artikel 2

Is de vaststelling dat er een (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad is.


Artikel 3 Omvang en samenstelling medezeggenschapsraad
De wet schrijft alleen een minimum aantal leden van de medezeggenschapsraad van de school voor. Dat minimum is 4 leden. Men heeft dus de vrijheid in het reglement te bepalen, dat de MR uit een groter aantal leden bestaat. Zo kan men het aantal leden afstemmen op de grootte van de school.
Er moet wel sprake zijn van een even aantal leden. De wet schrijft namelijk voor dat het aantal leden dat door en uit het personeel wordt gekozen altijd gelijk moet zijn aan het aantal leden dat door en uit de ouders en leden die door en uit de leerlingen worden gekozen. Die gelijke samenstelling van de geleding ouders/leerlingen en de geleding personeelsleden in de MR wordt aangeduid met de term 'paritaire samenstelling'. Daarnaast moet er voor worden gezorgd dat het aantal ouders en het aantal leerlingen binnen de geleding ouders/leerlingen aan elkaar gelijk is. Het aantal leden van een medezeggenschapsraad zal gelet op het bovenstaande altijd een veelvoud van vier zijn. Als er onvoldoende ouders dan wel leerlingen bereid zijn lid te worden van de medezeggenschapsraad kan de niet door de desbetreffende groep ingevulde plaats worden toebedeeld aan de andere groep. In dat geval is het aantal ouders in de praktijk niet gelijk aan het aantal leerlingen in de geleding ouders/leerlingen
Een bijzondere situatie betreft de MR van een centrale dienst en een regionaal expertisecentrum. De MR bestaat hier uit tenminste 2 leden die beiden door en uit het personeel worden gekozen.

Artikel 4 Onverenigbaarheden

Het eerste lid spreekt voor zich. Ten aanzien van het tweede lid kan de positie van de schoolleiding in het geding komen. Indien iemand van de schoolleiding (directeur of rector) namens het bevoegd gezag het overleg voert is dat onverenigbaar. Overigens kan men vraagtekens zetten bij de verkiezing van een directeur als lid van de medezeggenschapsraad.


Artikel 5 Zittingsduur
De wet bepaalt niet de termijn van de zittingsduur van een lid van de medezeggenschapsraad. Bevoegd gezag en MR kunnen dat zelf in het medezeggenschapsreglement regelen. Bij het kiezen van een termijn kan men met verschillende aspecten rekening houden. Kiest men voor een korte termijn (bijvoorbeeld twee jaar) dan betekent dat, dat de samenstelling van de medezeggenschapsraad snel kan wijzigen. Nieuwe leden moeten weer ingewerkt en geschoold worden. Uit oogpunt van continuïteit is een korte termijn niet zo aantrekkelijk. Een lange termijn (vier of vijf jaar) heeft weer als nadeel dat de animo voor het lidmaatschap afneemt. Kandidaten kunnen dat als een te lange termijn ervaren. Ouders,waarvan de kinderen nog maar een beperkt aantal jaren op school zitten, zullen zich wellicht om die reden geen kandidaat stellen.
Een termijn van drie jaar is in de regel een goed compromis.  Voor de groep leerlingen kan gezien de snellere doorstroom binnen die groep een afwijkende termijn worden vastgesteld.
Overwogen zou kunnen worden of een maximale zittingstermijn moet worden opgenomen. Dit om te voorkomen dat een MR te lang uit alleen dezelfde leden bestaat. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de mogelijkheid om zich éénmaal herkiesbaar te kunnen stellen.
Paragraaf 3 De verkiezing  
De leden van een medezeggenschapsraad worden gekozen door middel van verkiezingen. Als enige norm stelt de wet, dat deze verkiezingen geheim moeten zijn en dat de stemming schriftelijk moet plaatsvinden. Bevoegd gezag en medezeggenschapsraad zijn vrij om zelf een keuze te maken voor een bepaald kiesstelsel en voor de invulling van de wijze waarop de verkiezingen worden georganiseerd.  De projectgroep heeft daarom geen nadere invulling geschreven, maar volstaat met de volgende toelichting.

De meest gangbare stelsels zijn het personen- en het lijstenstelsel. In het personenstelsel brengt de kiezer ten hoogste evenveel stemmen uit als het aantal beschikbare zetels voor de desbetreffende geleding van de medezeggenschapsraad. Stel de oudergeleding bestaat uit drie zetels dan kan iedere ouder die stemrecht heeft maximaal drie stemmen uitbrengen. Op iedere kandidaat mag maar één stem worden uitgebracht. De drie kandidaten met het hoogste aantal stemmen zijn vervolgens gekozen tot lid van de medezeggenschapsraad.  

Het lijstenstelsel is te vergelijken met de verkiezingen voor de Tweede Kamer of gemeenteraad. Kandidaten kunnen met elkaar - bijvoorbeeld aan de hand van bepaalde programmapunten - een lijst opstellen. De kiezer brengt één stem uit op een bepaalde lijst. Per lijst wordt het aantal stemmen opgeteld en de kiesdeler bepaald. Het aantal keren dat de kiesdeler is gehaald, bepaalt het aantal zetels dat de lijst krijgt toegewezen. Stel een lijst heeft twee zetels gewonnen dan gaan die zetels naar de twee personen, die op die lijst het hoogste aantal stemmen hebben verworven.  

Het is toegestaan in het reglement te regelen dat voor de ene geleding een ander kiesstelsel geldt dan voor de andere geleding.  



In het basisreglement is het personenstelsel uitgewerkt. Dat stelsel werkt het eenvoudigst en is tot nu toe bijna overal in de praktijk van de medezeggenschapsraden gevolgd.
Artikel 6 Organisatie verkiezingen   
De medezeggenschapsraad regelt de verkiezingen en is verantwoordelijk voor een goed verloop van het verkiezingsproces. Het kan praktisch zijn om de organisatie van de verkiezingen in handen te leggen van een verkiezingscommissie. Kiest de medezeggenschapsraad hiervoor dan bepaalt de raad de samenstelling en werkwijze van de commissie. Tevens regelt de medezeggenschapsraad dan op welke wijze belanghebbenden bij hem bezwaar kunnen maken tegen beslissingen van de verkiezingscommissie.
Artikel 7 Datum verkiezingen  
De medezeggenschapsraad bepaalt de datum van de verkiezingen en de tijdstippen waarop ouders, leerlingen en personeelsleden kunnen stemmen. De wetgever heeft de minister van OCW de bevoegdheid gegeven om een landelijke verkiezingsdatum of verkiezingsperiode vast te stellen. Achtergrond daarvan is dat bij één uniforme datum of periode via (landelijke) media extra aandacht besteed kan worden aan de rol en positie van de medezeggenschapsraad in het onderwijs. Maakt de minister van de mogelijkheid gebruik dan moet het medezeggenschapsreglement hierbij aansluiten en vervalt de keuze om een eigen datum te bepalen. Een voorbeeldtekst volgt hierna:
Kandidaatstelling

  1. De medezeggenschapsraad bepaalt de datum waarvoor personeel, ouders en leerlingen hun verkiesbaarheid kenbaar maken.

  2. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel wordt gekozen, kunnen worden gesteld door personeelsleden en door organisaties van personeel. Kandidaten voor de verkiezing van het deel van medezeggenschapsraad dat uit en door de ouders of de leerlingen wordt gekozen, kunnen worden gesteld door ouders of leerlingen en door organisaties van ouders of leerlingen.

  3. De medezeggenschapsraad stelt het bevoegd gezag, de ouders, de leerlingen en het personeel in kennis van de in het eerste lid genoemde datum.

  4. De medezeggenschapsraad stelt (termijn) weken voor de verkiezingen een lijst vast van de personen die verkiesbaar zijn.

  5. Uiterlijk één week voor de datum van de verkiezingen zendt de medezeggenschapsraad aan de kiesgerechtigden een lijst met de namen van
    de kandidaten uit de betreffende geleding van de kiesgerechtigden.


Artikel 8  Verkiesbare en kiesgerechtigde personen    
Het kiesrecht bestaat uit twee elementen:

  • Het recht om zelf een stem uit te brengen (het actieve kiesrecht);

  • Het recht om in de medezeggenschapsraad gekozen te worden (passieve kiesrecht).  

Zowel de ouders, de leerlingen als de personeelsleden van de school bezitten het actieve en passieve kiesrecht. Ze kunnen dus zelf stemmen en ook gekozen worden. Dit is een fundamenteel recht. In het medezeggenschapsreglement kan op dat recht geen inbreuk worden gemaakt, tenzij de wetgever dat expliciet toestaat. Dat heeft de wetgever op één punt gedaan. Het gaat daarbij om de volgende situatie. Artikel 48 van de Wet op het voortgezet onderwijs geeft aan dat een bijzondere school een leerling op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing niet de toelating tot de school kan weigeren, indien binnen redelijke afstand van de woning van die leerling geen openbare school aanwezig is. De ouder van deze leerling en ook de leerling zelf hebben - net als andere ouders en leerlingen - het recht zich kandidaat te stellen voor de medezeggenschapsraad. De wet biedt echter de mogelijkheid om van die ouder of leerling een verklaring te vragen, waaruit blijkt dat deze de grondslag en doelstellingen van de school respecteert. Het stellen van deze eis kan dus alleen opgenomen worden in het reglement van een bijzondere school.  

Kiest een bijzondere school voor de mogelijkheid genoemde verklaring verplicht te stellen dan moet de onderstaande tekst als het tweede lid van artikel 8 aan het reglement worden toegevoegd:


'Ouders en leerlingen, die op grond van artikel 48 van de Wet op het voortgezet onderwijs tot de school zijn toegelaten, kunnen zich slechts kandidaat stellen voor de verkiezing tot lid van de medezeggenschapsraad, indien zij hebben verklaard de grondslag en doelstellingen van de school te respecteren.' 
Artikel 9 Bekendmaking verkiesbare en kiesgerechtigde personen  
Hier moet naar eigen inzicht en rekening houdend met de eigen omstandigheden een tijdstip worden genoemd, waarvoor de lijst van verkiesbare en kiesgerechtigde ouders en personeelsleden bekend moet worden gemaakt.
Artikel 11 Verkiezing  
In het basisreglement is aangegeven dat bij de geheime en schriftelijke stemming gebruik gemaakt wordt van gewaarmerkte stembiljetten. Het is ook mogelijk om een verkiezing met behulp van digitale hulpmiddelen te organiseren (een stemcomputer op school en/of ouders die thuis via een on line verbinding hun stem kunnen uitbrengen). Mits het anonieme karakter van het uitbrengen van de stem en het voorkomen van fraude is gewaarborgd, kan een dergelijke opzet ook vallen onder het begrip 'schriftelijke' stemming. In het voorkomende geval zal de tekst van het betreffende artikel in het reglement aangepast moeten worden.    
Artikel 15 Overleg met het bevoegd gezag  
Bevoegd gezag en medezeggenschapsraad voeren in ieder geval met elkaar overleg, indien het bevoegd gezag, de medezeggenschapsraad of een geleding van die raad dat expliciet wensen. Het bevoegd gezag overlegt in de regel met de voltallige medezeggenschapsraad. De wet biedt de mogelijkheid hiervan af te wijken. Het bevoegd gezag kan ook met de afzonderlijke geledingen van de medezeggenschapsraad overleg voeren. Dat kan alleen gebeuren als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

  • de medezeggenschapsraad moet het initiatief nemen tot dit afzonderlijke overleg;

  • ten minste tweederde deel van de leden van de medezeggenschapsraad en de meerderheid van elke geleding moeten met het afzonderlijke overleg instemmen.  

De wet schrijft voor - als men van de optie van het afzonderlijke overleg gebruik wil maken - dat men in het reglement bepaalt over welke aangelegenheden het bevoegd gezag met de afzonderlijke geledingen overleg kan voeren. Het benoemen van die 'aangelegenheden' kan men op twee manieren invullen. Naar eigen inzicht kunnen concrete onderwerpen in het reglement genoemd worden, waarvan de medezeggenschapsraad op voorhand van mening is dat het aanbeveling verdient het overleg met de afzonderlijke geledingen te laten plaatsvinden. Het is echter ook denkbaar te volstaan met een algemene clausule in het reglement en dan in de praktijk zelf op enig moment te beslissen of het opportuun is afzonderlijk overleg te voeren.  

Kiest men vooraf voor concrete onderwerpen dan kan men deze in het tweede lid van artikel 15 benoemen. Kiest men voor de algemene clausule dan kan als tweede lid de onderstaande tekst toegevoegd worden:  

'Indien tweederde deel van de leden van de medezeggenschapsraad en de meerderheid van elke geleding dat wensen, voert het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde besprekingen met elke geleding afzonderlijk.'  Dit wordt ook wel gesplitst overleg genoemd.  

Het kan ook zijn, dat de medezeggenschapsraad ten principale afziet van de wettelijk mogelijkheid dat het bevoegd gezag afzonderlijk met de geledingen overleg voert. Dan regelt men op dit punt niets in het reglement.  

Wettekst (artikel 6, lid 3, WMS)  

Wettekst (artikel 24, lid 4 sub b, WMS)


Artikel 16  Initiatiefbevoegdheid medezeggenschapsraad  
De medezeggenschapsraad kan alle zaken bespreken die de school aangaan. Over die zaken kan de medezeggenschapsraad ook voorstellen aan het bevoegd gezag voorleggen. Het bevoegd gezag moet binnen drie maanden gemotiveerd op die initiatiefvoorstellen reageren. Vóórdat het bevoegd gezag die reactie geeft, moet het de medezeggenschapsraad in de gelegenheid stellen over dat onderwerp overleg te voeren. Dat overleg vindt in de regel met de voltallige medezeggenschapsraad plaats. De wet biedt de mogelijkheid hiervan af te wijken. Het bevoegd gezag kan ook met de afzonderlijke geledingen van de medezeggenschapsraad overleg voeren. Dat kan alleen gebeuren als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan: 

  • de medezeggenschapsraad moet het initiatief nemen tot dit afzonderlijke overleg; 

  • ten minste tweederde deel van de leden van de medezeggenschapsraad en de meerderheid van elke geleding moet met het afzonderlijke overleg instemmen.  

De wet schrijft voor – als men van de optie van het afzonderlijk overleg gebruik wil maken - dat men in het reglement bepaalt over welke aangelegenheden het bevoegd gezag met de afzonderlijke geledingen overleg kan voeren.

Het benoemen van die 'aangelegenheden' kan men op twee manier invullen. Naar eigen inzicht kunnen concrete onderwerpen in het reglement genoemd worden, waarvan de medezeggenschapsraad op voorhand van mening is dat het aanbeveling verdient het overleg met de afzonderlijke geledingen te laten plaatsvinden. Het is echter ook denkbaar te volstaan met een algemene clausule in het reglement en dan in de praktijk zelf op enig moment te beslissen of het opportuun is afzonderlijk overleg te voeren.  


Artikel 18  Informatieverstrekking   
De wet schrijft voor dat het bevoegd gezag ten minste éénmaal per jaar de medezeggenschapsraad schriftelijk informeert over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken per groep van de in de school werkzame personen en de leden van het bevoegd gezag. Hieronder vallen dus ook de bezoldiging en rechtspositionele regelingen van algemene en bovenschoolse directeuren, en bezoldigde besturen zoals bijvoorbeeld een college van bestuur. Deze informatie behoeft echter alleen verstrekt te worden bij een schoolbestuur waarbij in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn. Heeft een schoolbestuur in de regel een lager aantal personen in dienst dan hoeft het onderwerp genoemd in het tweede lid, sub f niet in artikel 18 opgenomen te worden. Wettekst (artikel 8, lid 2, sub f en g, lid 3 en lid 4 WMS)
Artikel 20  Openbaarheid en geheimhouding
Omdat de medezeggenschapsraad de wettelijke opdracht heeft openheid en onderling overleg te bevorderen, is in het reglement gekozen voor het principe dat de vergaderingen van de raad openbaar zijn. De medezeggenschapsraad kan besluiten om achter gesloten deuren te vergaderen. In het reglement is aangegeven, dat de raad daartoe kan besluiten als er over individuen wordt gesproken of het karakter van het onderwerp aanleiding vormt de zaak vertrouwelijk te behandelen.  

Voorts is in artikel 20 van het basisreglement een procedure opgenomen over de geheimhouding van besproken zaken. Zowel het bevoegd gezag als de medezeggenschapsraad zelf kan - met inachtneming van een aantal voorwaarden - op enig moment een dergelijke geheimhouding opleggen. Een en ander is een uitwerking van de wettelijke opdracht in het reglement de geheimhoudingsplicht te regelen. Het kan zijn dat bevoegd gezag en medezeggenschapsraad dit anders willen vormgeven of de voorwaarden willen aanpassen, aanvullen of beperken. De vrijheid is aanwezig dit naar eigen inzicht te doen.  

Wettekst (artikel 24, lid 1, sub j, WMS)
Paragraaf 5  Bijzondere bevoegdheden van de medezeggenschapsraad  
In de artikelen 21 tot met 24 van paragraaf 5 van het basisreglement zijn de advies- en instemmingsbevoegdheden van de medezeggenschapsraad en de geledingen van die raad weergegeven. De bevoegdheden zijn opgenomen overeenkomstig de bepalingen van de WMS. De wet biedt echter de medezeggenschapsraad, de geledingen in de raad en het bevoegd gezag de mogelijkheid om in onderling overleg van deze wettelijke verdeling af te wijken. Zij kunnen een andere keuze maken die naar hun inzicht beter aansluit bij de eigen visie op medezeggenschap en op de eigen specifieke situatie.        

De volgende opties zijn mogelijk:  

op initiatief van de medezeggenschapsraad


  • omzetting adviesrecht medezeggenschapsraad in een instemmingsrecht;

  • omzetting instemmingsrecht medezeggenschapsraad in een adviesrecht;

op initiatief van de personeelsgeleding of de ouder/leerlinggeleding:

  • omzetting van een instemmingsrecht van de personeels- of ouder/leerling geleding in een adviesrecht;

  • overdragen adviesrecht of instemmingsrecht van een personeelsgeleding of ouder/leerlinggeleding aan de medezeggenschapsraad

op initiatief van het bevoegd gezag:

  • uitbreiding van het aantal medezeggenschapsaangelegenheden gekoppeld aan een advies- of instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad of een van zijn geledingen.  

Bij de toepassing van al deze opties gelden de volgende spelregels:

  • Zowel de medezeggenschapsraad als het bevoegd gezag moeten met de toepassing van één of meer van deze opties instemmen 

  • Tweederde deel van het aantal leden van de medezeggenschapsraadmoet met vaststelling of wijziging van dit reglement instemmen.

Iedere optie heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaren. Na het verstrijken van die twee jaren vervalt de optie van rechtswege.

Willen bevoegd gezag en medezeggenschapsraad de handhaving van een


optie voor weer een periode van twee jaren verlengen dan moeten beiden daartoe vóór het verstrijken van de periode van twee jaren besluiten. Ook dan geldt weer de regel van de meerderheid van tweederde deel van het aantal leden van de medezeggenschapsraad.   
Artikel 24 Instemmingsbevoegdheid ouders/ leerlingendeel  
In dit artikel komt tot uiting dat de leerlingengeleding van de medezeggenschapsraad een aantal eigenstandige bevoegdheden heeft. In het derde lid van artikel 24 van dit reglement zijn deze bevoegdheden opgenomen.
Artikel 26 Termijnen   
De wet schrijft voor dat in het medezeggenschapsreglement de termijn bepaald moet worden, waarbinnen de medezeggenschapsraad het bevoegd gezag moet laten weten of hij al dan niet instemt met een voorstel en of hij al dan niet positief adviseert. Het wordt aan bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad overgelaten de termijn concreet in te vullen. Die invulling kan op twee manieren plaatsvinden.  

Er kan een concrete termijn - bij voorbeeld drie, vier of vijf weken - in het reglement worden opgenomen, die dan voor alle voorstellen van het bevoegd gezag geldt. Voordeel van zo’n uniforme termijn is dat alle partijen in iedere situatie vooraf weten, aan welke termijn ze gebonden zijn.  

Men kan er ook voor kiezen om in het reglement - in plaats van een concrete termijn - het begrip 'redelijke termijn' op te nemen. Dat houdt in dat het bevoegd gezag bij toezending van een voorstel aan de medezeggenschapsraad aangeeft welke concrete termijn in die situatie van toepassing is. Voordeel van deze invulling is dat per geval - afhankelijk van de complexiteit van het voorstel en andere specifieke omstandigheden - een passende termijn kan worden bepaald.  

In ieder geval dient een keuze te worden gemaakt, die dan in de tekst van artikel 26, lid 1 van het basisreglement wordt opgenomen.     


Artikel 29 en 30 De achterban betrekken bij het werk van de medezeggenschapsraad   

Een medezeggenschapsraad heeft de wettelijke taak openheid en onderling overleg te bevorderen. Dit geldt zeker voor zijn eigen functioneren.


In de praktijk kan het voorkomen dat een eenmaal gekozen medezeggenschapsraad aan de slag gaat en bij zijn werk te weinig oog heeft voor wat leeft bij de achterbannen en bij het formuleren van standpunten en initiatiefvoorstellen onvoldoende met die achterban rekening houdt. De wetgever heeft daarom opgedragen om in het reglement instrumenten of methoden op te nemen, die de banden tussen de medezeggenschapsraad en de achterbannen kunnen verstevigen. De medezeggenschapsraad moet aan alle belanghebbenden verslag doen van zijn werkzaamheden en hen in staat stellen met de raad overleg te voeren.

Hieronder zijn twee voorbeelden uitgewerkt. Op de eerste plaats kan een procedure in het reglement worden opgenomen, die het mogelijk maakt dat ouders, leerlingen en personeelsleden gespreksonderwerpen voor de vergadering van de medezeggenschapsraad kunnen agenderen. De tekst hiervan moet in overeenstemming zijn met de overeenkomstige bepaling in het medezeggenschapsstatuut (artikel 6, lid 2 van het model medezeggenschapsstatuut).


Het tweede voorbeeld omvat de procedure dat de medezeggenschapsraad of een geleding uit de raad desgewenst - alvorens een standpunt te bepalen - over het desbetreffende onderwerp eerst de ouders, leerlingen of personeelsleden raadpleegt.

U kunt beide of een van beide voorbeelden - al dan niet aangepast - in het reglement opnemen. Daarnaast is het mogelijk andere effectieve procedures, die aansluiten bij de eigen praktijksituatie, uit te werken en in het reglement op te nemen.



Artikel 29 Indienen agendapunten door personeel, ouders en leerlingen

  1. Het personeel, de ouders en de leerlingen van de school kunnen de secretaris schriftelijk verzoeken een onderwerp of voorstel ter bespreking op de agenda van een vergadering van de medezeggenschapsraad te plaatsen.

  2. De secretaris voert overleg met de voorzitter en informeert de aanvrager of het onderwerp of voorstel al dan niet ter bespreking op de agenda wordt geplaatst, alsmede wanneer de vergadering zal plaatsvinden.

  3. Binnen een week nadat de vergadering heeft plaatsgevonden, stelt de secretaris degenen, die een verzoek als bedoeld in het eerste lid van dit artikel hebben ingediend, schriftelijk op de hoogte van het resultaat van de bespreking van dat onderwerp of voorstel door de medezeggenschapsraad.


Artikel 30 Raadplegen personeel, ouders en leerlingen
De medezeggenschapsraad dan wel een geleding van die raad kan besluiten, alvorens een besluit te nemen met betrekking tot een voorstel van het bevoegd gezag over de aangelegenheden, zoals bedoeld in artikel 21 tot en met 24 van dit reglement, het personeel, de ouders of de leerlingen over dat voorstel te raadplegen.   
Artikel 31 Huishoudelijk reglement  
De WMS schrijft niet voor dat de medezeggenschapsraad een huishoudelijk reglement moet vaststellen. In het basisreglement is daar wel voor gekozen. Het huishoudelijk reglement biedt immers de mogelijkheid om een aantal praktische zaken, die men nog graag wil regelen, vast te leggen. Door ze op te nemen in het huishoudelijk reglement kunnen die onderwerpen gemakkelijk aangepast worden en hoeft niet de zwaardere procedure van een reglementwijziging gevolgd te worden.
Men kan er echter ook voor kiezen om van deze bepaling af te zien. Bij voorbeeld, omdat de behoefte niet aanwezig is om een aantal onderwerpen nader te regelen of omdat men die zaken liever zelf in het reglement opneemt.
Artikel 33 Andere geschillen  
De wet biedt de mogelijkheid - naast de reeds in de wet geregelde geschillen - zogenoemde andere geschillen tussen bevoegd gezag en medezeggenschapsraad in het reglement op te nemen.

Ter illustratie zijn hieronder enkele voorbeelden gegeven van deze geschillen, die in modelreglementen, die gebaseerd waren op de WMO 1992, waren opgenomen. Desgewenst kunnen bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad besluiten dergelijke geschillen al dan niet in het reglement op te nemen. 


Artikel Geen reactie op standpunt of voorstel

Indien het bevoegd gezag niet binnen drie maanden een reactie als bedoeld in artikel 16, tweede lid van het reglement heeft uitgebracht op een door de medezeggenschapsraad gedaan voorstel of kenbaar gemaakt standpunt als bedoeld in artikel 16, tweede lid van het reglement, kan de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad binnen twee weken na het verstrijken van de termijn de Landelijke geschillencommissie verzoeken een termijn vast te stellen waarbinnen het bevoegd gezag alsnog een zodanige reactie dient uit te brengen.  


Artikel Onvoldoende gemotiveerde reactie
Indien het bevoegd gezag naar het oordeel van de medezeggenschapsraad een onvoldoende met redenen omklede reactie als bedoeld in artikel 16, tweede lid van het reglement heeft uitgebracht op een door de medezeggenschapsraad gedaan voorstel of kenbaar gemaakt standpunt als bedoeld in artikel 16, eerste lid van het reglement, kan de medezeggenschapsraad de reactie ter beoordeling voorleggen aan de Landelijke geschillencommissie en deze verzoeken een termijn vast te stellen waarbinnen het bevoegd gezag alsnog een zodanige reactie dient uit te brengen  
Artikel Overleg
Indien het bevoegd gezag geen overleg heeft gevoerd als bedoeld in artikel 16, derde lid van het reglement, kan de medezeggenschapsraad de Landelijke geschillencommissie verzoeken een termijn te bepalen waarbinnen het overleg alsnog plaatsvindt.  
Artikel 34 Personeelslid voert overleg   
Een bevoegd gezag kan bestuurlijke taken en bevoegdheden mandateren aan een (bovenschools) directeur of een derde. Dat mandaat wordt vastgelegd in het managementstatuut. Zo kan het bevoegd gezag het te voeren overleg met de medezeggenschapsraad mandateren aan een van de genoemde functionarissen. Maakt het bevoegd gezag van die mogelijkheid gebruik dan verdient het aanbeveling expliciet in het eerste lid van artikel 34 van het basisreglement te vermelden wie namens het bevoegd gezag overlegt voert.

In het tweede lid van artikel 34 is bepaald dat op verzoek van de medezeggenschapsraad of op verzoek van de persoon, die namens het bevoegd gezag het overleg voert, het bevoegd gezag de desbetreffende persoon in een concrete situatie kan ontheffen van de taak het overleg te voeren. Het bevoegd gezag kan dan zelf het overleg voeren of mogelijk een ander opdragen namens hem het overleg te voeren.  

Als er sprake is van een bijzonder geval of een in het reglement aangeduid geval voert het bevoegd gezag zelf het overleg indien de medezeggenschapsraad daarom verzoekt. (artikel 34, derde lid en vierde lid). In artikel 34, vierde lid van het basisreglement is nog geen opsomming opgenomen van gevallen die zich daarvoor lenen. In het algemeen kan men denken aan zwaarwichtige beslissingen zoals de opheffing, fusie of bestuurlijke overdracht van de school, het ontslag van de schoolleider etc. Het is aan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad om te bepalen welke onderwerpen of situaties bij voorbaat in het vierde lid van artikel 34 worden opgenomen.  


Deze toelichting is ontwikkeld door de projectgroep WMS en vastgesteld op 5 september 2008 en aangepast in oktober 2010.



De tekst mag onder vermelding van de bron vrij gebruikt worden.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina