Deze woorden zijn mannelijk. Zij kunnen echter in het meervoud vrouwelijk worden



Dovnload 115.46 Kb.
Datum28.08.2016
Grootte115.46 Kb.

  • AMOUR, DÉLICE, ORGUE

Deze woorden zijn mannelijk. Zij kunnen echter in het meervoud vrouwelijk worden.


AMOUR: in de betekenis van een gepassioneerd gevoel kan vrouwelijk worden in het meervoud. In teksten waar populaire taal wordt gebruikt (in gedichten, chansons e.d.), maar ook in literaire teksten, kan het ook vrouwelijk ENKELVOUD gebruikt worden: l’amour, la vraie, la grande… bij de schrijver Anouilh; la grande amour, bij Queneau; en cette amour curieuse bij Valéry.

Het mannelijk meervoud wordt wel gebruikt bij alle andere verschillende vormen van taalgebruik. Buiten de genoemde betekenissen is amour bijna altijd mannelijk, voor zowel enkelvoud als meervoud. En amour is altijd mannelijk wanneer het afbeeldingen van de God Amour aanduidt.

Amour vos baisers florentins…” (Apollinaire)
DÉLICE: is meestal mannelijk voor het enkelvoud en vrouwelijk in het meervoud. Maar na uitdrukkingen als un de, un des, le plus grand des, etc, gevolgd door délices meervoud, blijft het woord mannelijk.(un de ses plus suaves délices…).
ORGUE: mannelijk in het enkelvoud, en meestal vrouwelijk in het meervoud wanneer het emfatisch gezien één enkel instrument aanduidt (les grandes orgues de cette cathédrale), maar het blijft mannelijk wanneeer het gaat om een echt meervoud (les orgues anciens de cette région).



  • AU JOUR D’AUJOURD’HUI

Vrij bizar want aujourd’hui bevat al twee keer het begrip van “de dag waarop we nu zijn”.

De betekenis hui komt uit het Latijn hodie dat men soms in de literatuur terugvindt waar het wordt gebruikt wanneer er moedwillig op aangedrongen wordt, om duidelijk aan te geven dat er ofwel een korte tijdslimiet is, ofwel een onmiddellijke actualiteit.

Une riche plaine bien de chez nous, aussi belle qu’au jour d’aujourd’hui” (Maurice Genevoix).

Deze manier van taalgebruik is dus niet fout, alleen moet dat wel op de juiste manier gebeuren.


  • AU TEMPS POUR MOI

Men weet niet precies wanneer en op welke manier de uitdrukking au temps pour moi vanuit het militaire taalgebruik in de volkstaal terecht is gekomen; hierin wordt au temps gebruikt voor het bevel van het herhalen van een bepaalde beweging vanaf het begin (au temps pour les crosses, etc.). Vanuit deze betekenis van C’est à reprendre kan het zijn dat men er een figuurlijke betekenis aan heeft gegeven. En zo kan men nu zeggen au temps pour moi om zijn fout toe te geven en aan te nemen dat men de zaken weer vanaf het begin gaat bezien of hervatten. En omdat men de oorsprong van deze uitdrukking niet meer begrijpt, wordt hij tegenwoordig ook wel zo geschreven: autant pour moi; maar een echte reden is er niet voor.





  • AVOIR L’AIR

Elle a l’air malin” of “elle a l’air maligne”

De uitdrukking avoir l’air is geen vaste uitdrukking. Wanneer air zijn letterlijke betekenis behoudt, kan het werkwoord avoir vervangen worden door andere werkwoorden zoals prendre of se donner. In deze gevallen is het bijvoeglijk naamwoord dat er bijstaat attributief en wordt dus verbogen met het woord air: avoir l’air noble, l’air guerrier, l’air martial, elle a l’air gracieux, Elles ont l’air niais de leur tante, l’air ingénu propre à certaines adolescentes.

Maar wanneer avoir l’air wel een vaststaande uitdrukking is waarvan de betekenis lijken, schijnen etc. is, dan is het bijvoeglijk naamwoord dat erna komt een naamwoordelijk deel van het gezegde en wordt dan verbogen naar het onderwerp, zoals: elle a l’air méfiante, ils ont l’air imbus de leur personne, ces prunes ont l’air bonnes, cette maison a l’air abandonnée, ces recherches ont l’air sérieuses.




  • C’EST/ CE SONT


Wanneer c’est voor een zelfstandig naamwoord in het meervoud staat of voor een voornaamwoord dat geen persoonlijk voornaamwoord is, wordt naar dat woord verbogen. Toch komt men in de geschreven vorm ook wel eens het enkelvoud tegen:

  • Wanneer het enkelvoud en meervoud voor het gehoor hetzelfde klinken:

Ce n’était pas des mensonges.

  • Wanneer CE verwijst naar een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord in het enkelvoud wat eerder genoemd is:

Le monument qu’on aperçoit, c’est les Tuileries.

  • Wanneer het naamwoordelijk deel van het gezegde, ook wel predikaat genoemd, bestaat uit meerdere nevengeschikte zelfstandig naamwoorden waarvan de eerste minstens in het enkelvoud staat. C’est le chocolat et les bonbons que préfèrent les enfants. Maar het meervoud is verplicht wanneer het veelvuldige predikaat vooraan staat en een meervoudig geheel wordt: il y a cinq continents, ce sont…

Hoe dan ook is de meervoudsvorm altijd de beste keus. Het enkelvoud is in bepaalde gevallen verplicht:



  • Wanneer achter het werkwoord nous of vous komt te staan: cést vous tous qui avez décidé

  • Bij een tijdsaanduiding, een geldbedrag etc., wanneer het predikaat in het meervoud als een geheel of globale hoeveelheid wordt gezien: c’est onze heures qui sonnent.

  • Wanneer het voornaamwoord tussen de uitdrukking in staat: je voulais vous rapporter des bolets, mais je ne sais si c’en est.



  • CE QUI RESTE / CE QU’IL RESTE

Werkwoorden kunnen samengesteld zijn als persoonlijke of onpersoonlijke werkwoorden. Afhankelijk hiervan zegt men ce qui of ce qu’il.



Qui is het onderwerp van het persoonlijke werkwoord, en qu’il gebruikt men bij het onpersoonlijke werkwoord. Maar het verschil tussen deze twee mogelijkheden is soms niet te voelen. En zo gebruikt men dus: ce qui restait d’élèves (Pagnol), ce qui lui reste de sainteté (Maurois), ce qu’il restait à faire (R. Rolland), ce qu’il vous reste à découvrir (Duhamel, G.). We mogen dus zowel schrijven als zeggen: nous verrons ce qui se passera of ce qu’il se passera.


  • CI-ANNEXE, CI-INCLUS, CI-JOINT




  1. De verbuiging is normaal:

  • wanneer deze bijvoeglijke bepalingen met de functie van attributief bijvoeglijk naamwoord, meteen ná het zelfstandig naamwoord waarbij ze horen komen: la lettre ci-annexée; la note ci-incluse apporte les précisions nécessaires; veuillez remplir la déclaration ci- jointe; ne comuniquez à personne les pièces ci-jointes.

  • Wanneer zij het naamwoordelijk gedeelte van het gezegde zijn: votre lettre est ci-jointe.

  1. Omgekeerd is het zo dat zij onveranderd blijven wanneer zij een bijwoordelijke waarde hebben (en krijgen dan de verbuiging volgens het model van de bijwoordelijke uitdrukkingen ci- après of ci- contre). Dit is met name het geval wanneer zij :

  • Aan het begin staan van een zin zonder werkwoord, voor een woordgroep (met of zonder bepalend lidwoord): ci- annexé la copie des pièces demandées, ci- inclus les photocopies du document, ci –joint l’expédition du jugement, ci-joint les deux quittances exigées. En ook: ci-joint copie du rapport. Men schrijft echter wel weer: ci-incluses, ces pièces vous sont communiquées pour l’information.

  • In een zin, met een zelfstandig naamwoord zonder bepalend lidwoord: je vous adresse ci- inclus quittance de votre versement; vous trouverez ci-joint copie du contrat; la circulaire dont vous trouverez copie ci-inclus.

  1. In de andere gevallen ligt het gebruik niet vast wanneer deze uitdrukkingen worden gebruikt in de zin met een zelfstandig naamwoord plus lidwoord. Of zij een bijvoeglijke of bijwoordelijke waarde hebben, zonder dat het mogelijk is om dat te beoordelen, verbuigt men hen wel of niet. In de uitgave van de Académie Française uit 1932 lezen we: vous trouverez ci-incluse la copie que vous m’avez demandée (article ci) , vous trouverez ci-inclus une lettre de votre père (article inclus). Men kan dus schrijven: je vous fais parvenir ci-joint, of ci-joints plus exemplaires de ma these. Hetzelfde geldt wanneer ci-annexé, ci-inclus of ci-joint beschouwd kunnen worden als het voorgeplaatst naamwoordelijk deel van een voornaamwoord: retournez-moi lesformulaires que vous trouverez ci-joints; la lettre que vous trouverez ci-incluse. Maar omdat de niet- verbogen vormen in de twee voorgaande zinnen zo juist lijken, zal geen van de verschillende vormen als onjuist worden beschouwd. De onzekerheid die we zien bij het verschillend gebruik ligt niet aan twijfel of willekeur; toch kan deze worden verdreven afhankelijk van verschillende connotaties in de context of zelfs door het zoeken naar een bepaald stijleffect; Bernanos schrijft: vous trouverez ci- joint les pages dactylographiées de mon roman; Victor Hugo had liever: je vous envoie ci-incluses des paroles prononcées ici par moi au momentde la proscription en Alfred de Musset : je prends la liberté de vous envoyer ci-jointes des rilettes, een zin die een glimlach oproept door de uitdrukking van een product uit de slagerij (rillettes= vleeswaar).



  • KLEUREN: BIJVOEGLIJK NAAMWOORD OF ZELFSTANDIG NAAMWOORD

De eenvoudige kleuren als bijvoeglijk naamwoord worden verbogen naar geslacht en getal. Des costumes noirs, des cheveux blonds, des ciels grisâtres, des lacs verdâtres.

Algemene soortnamen die als kleuradjectief gebruikt worden, blijven onveranderd; des chaussures marron, des robes pivoine. Deze vormen kunnen beschouwd worden als een ellips: des chaussures de la couleur marron, une robe de la couleur pivoine. Er zijn vier uitzonderingen op deze regel: rose, mauve, pourpre en écarlate, die wel een uitgang kunnen krijgen. Fauve en incarnat waren altijd al bijvoeglijk naamwoorden en worden daarom ook verbogen. De wat meer complexere bijvoeglijke vormen worden ook niet verbogen. Men kan dus schrijven: des mers bleu-vert, des yeux gris-bleu; des gilets jaune paille, des robes rose bonbon; des pulls vert pâle, une voiture bleu foncé; des couvertures lie-de-vin, des soieries feuille-morte, des draps cuisse-de-nymphe.

De losse elementen worden aan elkaar verbonden door verbindingsstreepjes omdat datgene dat eerst een vrij syntagma was, nu een bijvoeglijk naamwoord in een vaste vorm wordt. Wanneer bovengenoemde kleuren niet als adjectief maar als namen van kleuren worden gebruikt, krijgen zij de volgende uitgangen voor het meervoud: des bleu-vert, des gris-bleu, des jaunes paille (les jaunes sont de la couleur de la paille), des roses bonbon, des verts pâles, des bleus foncés (les verts sont pâles, les bleus sont foncés)

Wanneer de kleur als zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord vanuit een eigennaam wordt gevormd, dan behoudt de eigennaam zijn hoofdletter en wordt deze evenmin verbogen; des châles bleu Nattier (du bleu de certaines toiles de Nattier); des rideaux vert Véronèse (du vert de certaines toiles de Véronèse)
Wanneer meerdere bijvoeglijk naamwoorden van kleur achterelkaar gezet worden door een nevenschikkend voegwoord :


  • Dan blijven ze onveranderd als zij twee- drie- of meerkleurige voorwerpen beschrijven: des drapeaux bleu, blanc, rouge (elke vlag heeft drie kleuren); des écharpes rouge et noir (elke sjaal is tweekleurig);

  • Dan worden ze verbogen wanneer zij iets zeggen over voorwerpen die bij elkaar staan: des drapeaux bleus, blancs, rouges (sommige vlaggen zijn blauw, anderen wit, weer anderen zijn rood); des échrpes rouges et noires (sommige sjaals zijn rood, anderen zijn zwart);

Kleuren blijven altijd onveranderd in de uitdrukking haut en couleur. Men zegt: des discussions hautes en couleur (hoog aangaande hun kleur, voor wat betreft hun kleurrijke, pittoreske karakter).
Tandis que les crachats rouges de la mitraille

Sifflent tout le jour par l’infini du ciel bleu

Qu’écarlates* ou verts**, près du Roi qui les raille,

Croulent les bataillons en masse dans le feu
Fragment uit Le Mal, Arthur Rimbaud.
*l’écarlate verwijst naar de beruchte pantalon in meekrap uit het ‘ancien uniforme français’.

** Vert is de geverfde kleur groen van het Pruisische uniform





  • DEUXIÈME, SECOND

Het rangtelwoord second is heel lang de meest gebruikte geweest, en sommige grammatici beweerden dat zij het gebruik van deuxième wilden bewaren voor die gevallen waarin er sprake was van een opsomming van meer dan twee elementen. Toen het gebruik van second zeldzamer werd wilde men het beperken voor die gevallen waarin er sprake was van een opsomming van slechts twee elementen. Littré was in zijn tijd al tegen dit onderscheid, en het is nooit als hervorming ingevoerd in het taalgebruik, zelfs niet bij de beste auteurs.

Het enige efficiënte verschil in gebruik tussen deuxième en second is dat second tegenwoordig thuishoort in het verzorgde taalgebruik, en alleen deuxième komt voor in de complexe vormen van rangtelwoorden vingt-deuxième, etc.



  • COURRIEL/MÉL


Courriel komt oorspronkelijk uit Québec en is inmiddels verspreid in het Franse taalgebruik als equivalent voor het Engelse e-mail, en betekent de elektronische boodschap en wellicht wordt het ook wel gebruikt in de zin van de elektronische boodschap: envoyer un courriel; confirmer sa venue par téléphone ou par courriel. Deze in 2003 door de Académie Française goedgekeurde term accepteert ook de volgende synoniemen voor courriel door de volgende termen: message électronique en messagerie électronique. Maar courriel mag niet vervangen worden door mél, omdat mél geen volledig woord is maar een afkorting voor messagerie électronique. Het mag alleen gebruikt worden als aanduiding vóór een elektronisch adres, zoals men ook wel tél. zet voor een telefoonnummer. Het is nodig dit te vermelden aangezien men op scholen in sommige leermethodes wel mél in zijn eentje ziet staan, en soms zelfs mel.


  • EN TANT QUE DE of AUTANT QUE DE (besoin, raison)

De woordgroep en tant que de (besoin, raison) is een archaïsme, maar het is wel volledig correct taalgebruik.



En tant que (zonder de) betekent “als, in de persoon van …zijnde”: en tant que président… .

Vroeger zei men dat iets de besoin om aan te duiden dat men het nodig (besoin) had: elliptisch gezien betekent de vorm en tant que (cela est) de besoin : dans la mesure où l’on en a besoin ofwel : “in de zin dat men het nodig heeft”. Analogisch gezien zegt men ook en tant que de raison , wat betekent “dans la mesure où cela est raisonnable” ofwel “in die mate dat dit redelijk is”.



Autant que de (besoin, raison) is een verbogen vorm van en tant que de (besoin, raison) die niet klopt.


  • EN TERMES DE / AU TERME DE

In de betekenis van “in het vocabulaire, de woordenschat, in het taalgebruik van” is en termes de de enige juiste vorm: en terme de marine; en termes de médecine, de jurisprudence, etc.



En termes de in de betekenis van “en matière de” is een anglicisme dat afgeraden wordt. Men gebruikt dus uitdrukkinegn als quant à, en matière de of en ce wui concerne. Au terme de , quant à lui betekent à la fin de, “aan het eind van” .

Au terme de l’année de première, les collégiens passent le baccalauréat de français.



  • Ètat de droit/ état de droit

Het woord “état” van état de droit wordt zonder hoofdletter geschreven wanneer de betekenis van het woord “situatie, toestand” is; zoals état d’urgence, état de siège . En dus niet een politiek lichaam, zoals État souverain of État démocratique. Men schrijft dus: Rousseau imagine le passage de l’état de nature à l’état de droit mais la République est un État de droit.





  • ÊTRE OF ALLER

Soms wordt être gebruikt in plaats van aller:



  • Bij literair taalgebruik in de passé simple en de subjonctif imparfait

  • Bij gewoon taalgebruik in de voltooid verleden tijden.

Wij kunnen dit taalgebruik terugvinden bij de volgende hedendaagse auteurs: F. Mauriac, J. Green, M. Tournier. Dit gebruik dateert uit de tijd van het ontstaan van de taal toen dit ook al in het Latijn werd toegepast. Molière, Bossuet, Montesquieu geven hier voorbeelden van evenals Voltaire en zijn tegenstrijdigheid, immers hij veroordeelde dit bij Corneille.



  • EURO, CENT

L’Académie Française herinnert ons eraan dat het woord Euro ook in het meervoud moet: men schrijft un euro, des euros. Het honderdste deel van de Euro hoort gezegd en geschreven te worden als centime.

De meervoudsvorm is niet in alle talen van de EU hetzelfde, en daarom zien wij de vorm euro op de biljetten en de munten. De Euro kan beschouwd worden als een symbool en niet als een indicatie van monetaire eenheden. De afkorting is volgens de ISO – norm “EUR”.



  • HET VROUWELIJK MAKEN VAN BEROEPEN, TITELS, ETC.

In de jaren tachtig zijn er verschillende commissies in het leven geroepen voor het toepassen van regels voor de vervrouwelijking van woorden onder ministers als L. Fabius, en daarna in 1998 door L. Jospin. In 2002 publiceert de Académie Française een nieuwe verklaring om de mensen eraan te herinneren hoe haar positie rond dit onderwerp is, maar met name ook om de linguïstische tegenstellingen, waarop de hele onderneming van het systematisch vervrouwelijken van woorden gebaseerd is, duidelijk te maken. Het feit dat het Frans twee geslachten kent (mannelijk en vrouwelijk) zou het juister zijn om deze geslacht zonder uitgang en geslacht met uitgang te noemen. Alleen het geslacht zonder uitgang (de mannelijke vorm) kan dan maar zowel de mannelijke als de vrouwelijke elementen vertegenwoordigen. Immers het vrouwelijke geslacht of geslacht met uitgang is beperkend en ontkennend, zoals wanneer men bijvoorbeeld zegt un groupe d’étudiantes , waarin dus geen mannelijke studenten in mogen zitten. Terwijl un groupe d’étudiants studenten van beide geslachten mag bevatten, onverschillig welke. Men zal zich ook voorbehouden om dingen te zeggen als les électeurs et les électrices, les informaticiens et les informaticiennes, uitdrukkingen die niet alleen moeizaam maar ook redundant zijn, omdat informaticiennes reeds inbegrepen zijn in informaticiens. Op dezelfde manier zou het gebruik van het teken / of haken ( ), om de mannelijke en vrouwelijke vormen aan te geven met als zin bijvoorbeeld les électeurs /électrices du boulevard Voltaire sont appelé(e) à voter dans le bureau14 afgeschaft moeten worden aangezien dit ingaat tegen de traditionele regel van de uitgang bij het meervoud. De vrouwelijke vorm zorgt dus voor het onderscheid en niet, zoals men vaker hoort, het mannelijke woord. L’Académie Française is niet tegen het principe van het vervrouwelijken van woorden op zich; zo is in de achtste druk van haar Dictionnaire ruim plaats gemaakt voor vele vrouwelijke vormen van beroepennamen. Maar dit was wel gedaan met de grootste voorzichtigheid, en de morfologie van de Franse taal werd gerespecteerd. Er bestaan wel bepaalde vrouwelijk vormen van beroepen die al lang verankerd zijn in het taalgebruik en die ook correct gevormd zijn, zoals institutrice, laborantine, écuyère, chercheuse etc. Toch zijn sommige vormen opgelegd en zelfs tegen de zin van de betrokkenen, en daarbij ook tegengesteld aan de normale regels van het afleiden van vormen.de termen chercheure, professeure, auteure bijvoorbeeld zijn taalkundig gezien op geen enkele wijze correct gevormd, want de mannelijke vormen op –eur krijgen in het Frans een vrouwelijke vorm eindigend op –euse of –trice. (de hoogst zeldzame uitzonderingen als prieure, supérieure komen af van vergelijkbare vormen uit het Latijn waar mannelijke en vrouwelijke vormen op elkaar lijken.

Een autoritaire en systematische vervrouwelijking van woorden zou kunnen leiden tot vele taalkundige incoherenties. Het taalgebruik bruuskeren en forceren zou neerkomen op het beschadigen van het geniale van de Franse taal en een periode van linguïstische onzekerheid kunnen veroorzaken. Dat heeft l’Académie Française altijd willen voorkomen en uit naam van het taalgebruik past zij de mogelijkheid om nieuwe termen op te nemen alleen toe indien deze goed gevormd zijn en men niet om het gebruik ervan heen kan.


  • GRÉ (savoir)

De uitdrukking waarmee men zijn dank aan een ander wil laten blijken is savoir gré de (à quelqu’un) (of, zeldzamer, pour quelque chose) en NIET: être gré.

We schrijven dus: Je vous saurai gré en NIET: je vous serai gré.



  • IMPÉRATIF (gebiedende wijs)

De werkwoorden uit de tweede groep (op –er) krijgen bij de 2e persoon enkelvoud in de gebiedende wijs een –e als uitgang en niet een –s, zoals: donne-lui, regarde-le. Uitzondering: wanneer het werkwoord voor de persoonlijk voornaamwoorden EN of Y staat en er na deze woorden geen infinitief staat; want dan komt er een eufonische –s achter zodat de twee klinkers geen contact maken: manges-en.

Het verbindingsstreepje (de trait d’union) komt tussen het werkwoord en de persoonlijk voornaamwoorden die ernaar verwijzen. Maar dit gebeurt dan weer niet indien er al een apostrof (hoge komma) staat vanwege een elisie (weglating): dites-le-moi, parle-lui-en, mettez-m’en dix kilos. Maar wanneer het voornaamwoord verwijst naar een infinitief dat er na komt, dan komt er geen verbindingsstreepje: ose le dire. (“ose dire cela”)

Tenslotte: wanneer en of y gebruikt worden in een gebiedende zin of zinsdeel, komen zij altijd vóór het pers. vnw. dat bij het werkwoord hoort, en dat altijd bij het werkwoord moet blijven staan. Men kan wel zeggen: mettez-m’en pour cinq euros maar niet, zoals men maar al te vaak hoort: mettez-en-moi pour cinq euros.




  • DE DAGEN VAN DE WEEK

De dagen van de week zijn, net als de maanden van het jaar, soortnamen. Zij kunnen dus in het meervoud staan en krijgen geen hoofdletter. We zeggen dus: les professeurs de français se réunissent tous les lundis.




  • VERBINDINGEN (voor de uitspraak)

In het Frans krijgen we een verbinding in de uitspraak tussen een woord dat eindigt op een klinker en een woord dat begint met een klinker of een aangeblazen ‘h’ wanneer deze twee woorden niet gescheiden worden door een interpunctie of een woordpauze. Afhankelijk van de situatie kan deze verbinding verplicht, facultatief of verboden zijn. Dit geldt ook voor eigennamen die qua uitspraak verbonden moeten worden.


VERPLICHTE VERBINDING IN UITSPRAAK:





Geschreven

Uitspraak

Tussen bepaling en zn.:

Des amis

[des ζamis]




Tout homme

[tout thomme]

Tussen adjectief en zn.:

Un ancien usage

[un nancien nusage]




un savant_ aveugle

[→un savantaveugle]

Tussen vnw en werkwoord

Ils aiment

[ilsζaiment]




On aime

[on naime]




Ils vous aiment

[ils vousζaiment]




Courons-y

[couronsζy]




Donnez-en

[donnezζ en]

Tussen een bijwoord en het woord erna

Trop étroit

Bien aise

[trop pétroit]

[bien naise]



Tussen est en het woord erna in onpersoonlijke vorm en in de presentatieve vorm

Il est évident qu’il viendra

C’est à voir

[il est tévident qu’il viendra]

[c’est ta voir]



Bij de meeste samengestelde woorden en gezegden

Un pot-au-feu

Mot à mot

De temps en temps

[un pot to feu]

Mot ta mot

[De tempsζen temps]



WANNEER NIET:


  • Na een verbindingswoord : un fils et une fille

  • Na een eindmedeklinker van een enkelvoud mannelijk woord: un temps idéal

  • Na een –s binnen naamwoordelijk gezegdes in het meervoud: des moulins à vent

  • Na woorden eindigend op-nt, -ns, behalve wanneer zij voor il, elle of on staan ; of bij de –t van het bijwoord fort, of bij de –s van toujours: de part en part, tu pars à huit heures.

  • Voor un, oui, onze en buitenlandse woorden die beginnen met y : je n’entends que des oui à cette réunion

In alle andere gevallen mag men kiezen om wel of niet de verbinding te maken, en er valt nog te vermelden dat de verbinding een kenmerk is van officieel taalgebruik.



  • MAAR nog even dit: Quand-dort-on? [quand dort ton]

Quand sort-elle?[quand sort telle]


  • MIDI: “le midi, ce midi”

Deze uitdrukking is dezelfde als ce matin, ce soir,, en mag om die reden dus niet afgeschaft worden. We komen deze woordgroep ook tegen bij verschillende auteurs als Gide, Giono, Genevoix.

Overigens, het woord midi wordt met verschillende bepalingen gebruikt: le midi du 10 décembre (Stendhal), chaque midi (Maupassant) , l’autre midi (Farrère). Maar men mag ook zeggen: un midi, zoalas men ook kan zeggen un matin of un soir. Men kan het lidwoord ook gebruiken in combinatie met een aantal voorzetsels: vers le midi (Stendhal, Queneau, Barbey) of sur le midi (Gautier, Sand, Taine).


  • DE WERKWOORDSVORM WANNEER HET ONDERWERP EEN MEERVOUDSVERZAMELNAAM IS

Deze problemen van werkwoordvervoegingen komen vaak voor wanneer het onderwerp bestaat uit een zelfstandig naamwoord en de term, benoemd door Maurice Grévisse in het door hem geschreven grammaticaboek Le Bon Usage, le ‘pseudo-complément’. De verbuiging hiervan moet gedaan worden volgens het onderwerp dat hier het zelfstandig naamwoord en zijn pseudo-complément. Daarbij moet men zelf bedenken welke van de twee vormen het best klinkt, en of het onderwerp of de onderwerpen als een geheel of als afzonderlijk moeten worden beschouwd in hun veelvoud. Bijvoorbeeld: une foule de malades accourait (een massa is hier het hoofdonderwerp) maar: une foule de gens diront qu’il n’en est rien (hier zullen al die mensen afzonderlijk zeggen…) In dat laatste geval spreekt men dan van een syllepsisverbuiging, omdat de logische onderschikking boven de grammaticale onderschikking staat. Soms is deze syllepsisverbuiging verplicht: na nombre, la plupart, quantité wordt de verbuiging uitgevoerd met het “pseudo-complément”. De verbuiging hangt af van de betekenis van de woorden, maar ook van de bedoeling van de auteur. We kunnen dus het volgende zien: un grand nombre de soldats fut tué dans ce combat (Littré) maar ook un grand nombre de soldats périrent dans ce combat (Académie).



  • GEOGRAFISCHE NAMEN EN HUN LIDWOORDEN




  1. STEDEN

Wanneer de naam van een stad begint met het bepalend lidwoord in mannelijk enkelvoud of meervoud, dan wordt dit lidwoord samengetrokken met het voorzetsel à of de : aller du Havre au Touquet (en niet : de le Havre à le Touquet); être né aux Lilas; revenir des Deux-Alpes; la plage des Issambres; la poste des Rousses; la mairie des Sables-d’Olonnes.


Buiten deze namen waarvan we het geslacht kennen dankzij het lidwoord, bestaat er voor stedennamen alsmede voor landennamen niet echt een vaste regel om te weten of zij mannelijk of vrouwelijk zijn; meestal zijn ze mannelijk in de spreektaal (Paris brûle-t-il?), maar vaak vrouwelijk in de schrijftaal, waarschijnlijk omdat men de stad (vrouwelijk) aanvoelt (Paris est traversée de parfums d’ambre).

Toch kan een stomme –e aan het eind van een woord de voorkeur geven aan het vrouwelijke geslacht (Marseille est belle aux lueurs du couchant). De voorwaarden voor een mannelijke stad zijn:



  • wanneer er het adjectief vieux, nouveaux, grand voor staat, om een bepaalde wijk of voorstad mee aan te duiden: le vieux Lille, le nouveau Paris.

  • Wanneer er voor de naam de bepaling tout staat: tout Rome assista à son triomphe




  1. DEPARTEMENTEN

Wanneer een Frans departement uit twee woorden bestaat die verbonden worden met het woordje et dan is dat departement mannelijk, maar dan moet wel één van die twee woorden mannelijk zijn: Le Lot-et- Garonne maar: La Maine-et-Loire (zowel Maine als Loire is vrouwelijk!). wanneer zij gebruikt worden als bepaling, wordt het aangeraden om het lidwoord weg te laten; le département de Meurthe-et-Moselle. Maar als het departement begint met een klinker, en dus een samentrekking impliceert, dan mag het lidwoord wel gebruikt worden: département de l’Eure-et- Loir, les villes d’Eure et Loir. Wanneer we “in” deze departementen, die uit twee delen bestaan en verbonden worden met het woordje et, willen vertalen, dan gebruiken we het voorzetsel en en laten we het lidwoord weg: le département de Seine-et-Marne, de Loir-et-Cher; aller en Seine-et-Marne, en Loir-et-Cher. Bij de andere departementen zeggen we gewoon dans: dans la Seine-Maritime, dans la Charente. Alleen het departement van de Vaucluse heeft de andere regel (met en), omdat dit departement zijn naam te danken heeft aan Fontaine de Vaucluse.



  1. LANDEN

Landennamen worden meestal met lidwoord genoemd: la France, l’Allemagne. Hierop zijn wel enkele uitzonderingen: Israël, Monaco, Madagascar, Cuba, Taïwan, Haïti.

Het lidwoord verdwijnt altijd met het voorzetsel en (en France). En ook na het voorzetsel de als dit de oorsprong aangeeft: un tapis d’Iran, un vase de Chine. Het is met name een kwestie van gewoonte. Er bestaat geen vaste regel, hoewel er wel een min of meer duidelijk afgebakende nuancebetekenis bestaat: bijvoorbeeld bij dans le gouvernement de la France, of l’économie de la France, wordt Frankrijk aangeduid in een bepaald moment van zijn geschiedenis, terwijl bij l’ambassade de France Frankrijk tijdloos wordt aangeduid, in het algemeen. Toch is er nog wel een regel die opgaat bij het behouden van het lidwoord: wanneer het znw dat voor het land staat een bijvoeglijk naamwoord heeft: men zegt wel l’Histoire de France maar ook dit: L’Histoire économique de la France.




  • DE VERVOEGING VAN “ON, NOUS, VOUS”

  1. Het onbepaald voornaamwoord on geeft een onderwerp aan waarvan we het geslacht of het aantal niet weten. We kunnen dus zeggen: on est parvenu à réduire le débit du fleuve; on est fatigué de ce combat; on n’est pas sur du résultat. De vervoeging geschiedt hier volgens de mannelijke persoon enkelvoud. Toch komt het voor dat on niet de mensen in het algemeen, of onbepaalde personen aanduidt, maar die of die persoon. In dat geval wordt er naar het geslacht verbogen en soms zelfs naar aantal. De betekenis en de voorkeur bepalen hier de vervoeging. On s’était fâchés; on s’est séparés à regrets; on est allés ensemble jusqu’au bout du chemin… dit zijn geen foute zinnen. Littré had al bij schrijvers als Corneille, Molière, Racine, La Bruyère, Marivaux en Rousseau vele voorbeelden ontdekt van deze vervoeging die naar de betekenis wordt uitgevoerd, en kenmerkend is voor de syllepsis ; we vinden dit ook bij andere zinnen zoals la plupart comprennent; bon nombre sont venus; quantité ont disparu.

  2. De uitgangen van de werkwoorden, deelwoorden en bijvoeglijk naamwoorden met de persoonlijk voornaamwoorden nous en vous gaan volgens het geslacht en het aantal, en krijgen dus meestal de meervouduitgang: nous sommes vêtues de belles robes; vous êtes vêtus de beaux costumes. Maar wanneer nous en vous gebruikt wordt als majesteitsmeervoud in de plaats van je, tu of moi, dan wordt het werkwoord normaalgesproken verbogen met de nous of vous –vorm, maar de deelwoorden en bijvoeglijk naamwoorden krijgen altijd de enkelvouduitgang (dus de uitgang naar het geslacht): pour notre part, nous sommes convaincue que notre point de vue finira par l’emporter (hier is het onderwerp een vrouw); vous êtes tres belle, ce matin.

Het zelfde geldt wanneer nous gebruikt wordt in de plaats van de voornaamwoorden tu, il, elle, om welwillendheid, nederbuigendheid of ironie uit te drukken: on lui a souvent fait remarquer qu’elle se trompait, mais nous sommes opiniâtre, nous ne voulons pas nous corriger; nous faisons le difficile, maintenant?


  • “PAR MOMENTS”, MAAR OOK “TROIS FOIS PAR JOUR”

Par krijgt een enkelvoudsuitgang als het echt een verdeling betekent, dat wil zeggen wanneer men elk element uit een geheel apart beschouwt. Prendre un médicament trois fois par jour (elke dag) ; une production d’un etonne par hectare (voor elke hectare); payer tant par personne; avoir une filiale par secteur de marché; etc. Wanneer men echter enkele elementen uit een geheel bedoelt, dan gebruikt men meervoud: par endroits, par places, la neige a fondu, à certains endroits; par moments, on ne comprend plus (op sommige momenten).

  • HET VOLTOOID DEELWOORD: DE UITGANGEN




  1. Het voltooid deelwoord van een (niet-wederkerend) werkwoord dat vervoegd wordt met ÊTRE (of met zijn, worden, blijven, lijken, dus een werkwoord dat een toestand aangeeft), of wanneer het voltooid deelwoord gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord, dan wordt dat voltooid deelwoord verbogen als een bijvoeglijk naamwoord: elle est arrivée, elles semblent découragées, des habits brodés, des élèves dissipés.

  2. Wanneer het voltooid deelwoord aan het begin van de zin staat, wordt het meestal verbogen naar het znw waar het bijhoort.

Uitzondering: toutes les filles sont mariées, excepté la plus jeune. Uitleg: wanneer het voltooid deelwoord direct vóór het znw (met of zonder lidwoord) staat, dan wordt het niet verbogen. Staat het er achter, dan wordt het wel verbogen: toutes les filles sont mariées, la plus jeune exceptée. deze regel geldt voor de volgende voltooid deelwoorden: approuvé, attendu, certifié, communiqué, entendu, excepté, ôté, ouï, passé, lu, reçu, supposé, vu, non compris, y compris, étant donné, excepté que, ci-joint.

  1. Het voltooid deelwoord dat vervoegd wordt met het hulpwerkwoord AVOIR kan ook een uitgang krijgen. Dit is het geval wanneer het lijdend voorwerp voorafgaat aan het voltooid deelwoord: les crêpes qu’elle a mangées. Als het lijdend voorwerp er achter komt, of wanneer er géén lijdend voorwerp is, dan wordt het voltooid deelwoord niet verbogen: elle a mangé des crêpes. Elle a mangé.

  2. Het deelwoord van intransitieve, indirect transitieve en onpersoonlijke werkwoorden zonder lijdend voorwerp, wordt nooit verbogen. Ces romans nous ont beaucoup plu, nous avons beaucoup ri à leur lecture.

  3. De meeste gevallen die als bijzonder worden beschouwd horen eigenlijk bij deze regel. Het is alleen moeilijker om het lijdend voorwerp ervan te bepalen. Hier zijn de voornaamste voorbeelden:

  • Pendant le quart d’heure que nous avons couru; les 30 ans qu’elle a vécu. Hierbij horen de voltooid deelwoorden couru, coûté, régné, valu, vécu. Deze krijgen geen uitgang wanneer zij worden gebruikt in de letterlijke betekenis van het woord, omdat hun lijdend voorwerp dan een voorwerp van meting of hoeveelheid is en niet een lijdend voorwerp. Maar zij kunnen wel een uitgang krijgen bij de figuurlijke betekenis, als ze transitief worden: les dangers que nous avons courus; la belle époque qu’elle a vécu.

  • Het voltooid deelwoord wordt verbogen wanneer de bepaling van lijdend voorwerp ervóór staat: je les avais crus médecins; ces gens que j’ai trouvés charmants. Er zijn gevallen waarbij er geen verbuiging wordt toegepast, maar het is beter om dit wel te doen.

  • Wanneer er een infinitief (heel werkwoord) na het voltooid deelwoord komt, dan komt er alleen een verbuiging wanneer het lijdend voorwerp de actie uitvoert van het infinitief: la cantatrice que j’ai entendue chanter (zij is degene die zong: ik heb de zangeres die liedjes horen zingen). Het voltooid deelwoord fait voor een infinitief blijft wel altijd onveranderd; elle s’est fait refaire le nez.

  • Er komt geen verbuiging als er een verondersteld infinitief na het voltooid deelwoord komt: je leur ai preté toutes les économies que j’ai pu (leur prêter); ils ont pris les mesures qu’il a fallu (prendre)

  • Onpersoonlijke werkwoorden in de voltooid verleden tijd veranderen ook niet: que de force il lui a fallu pour soulever cette pierre!

  • Verder moeten we onthouden dat het voltooid deelwoord niet verandert wanneer het lijdend voorwerp een samengetrokken persoonlijk vnw. is (l’), als deze l’ het woordje cela vervangt, omdat dit mannelijk enkelvoud is: ces exercices sont plus difficiles que je l’avais cru;

  • En ook niet wanneer het lijdend voorwerp en is: ces bonbons, en avez-vous mangé? Des erreurs de grammaire, qui n’en a jamais fait?




  • HET LIDWOORD: DELEND EN BEPALEND

In het Frans gebruikt men het delend lidwoord: du (mnl.ev.), de la (vrl. ev.) , en des (mnl. + vrl. mv.). het wordt gebruikt bij woorden die een geheel aanduiden waarvan men het aantal niet kan of wil aangegeven, om zo duidelijk te maken dat men een onbepaalde hoeveelheid van dat geheel bedoelt: manger du chocolat, de la tarte, des épinards, boire du thé. In het Nederlands staat er in zulke gevallen geen lidwoord: chocolade eten, taart eten, spinazie eten, thee drinken .

We weten dat er bij een ontkenning van een hoeveelheid (‘geen thee, maar koffie’) in het Frans altijd het woord de komt te staan: je ne prends pas de thé. Maar : als er twee bepalingen tegenover elkaar komen te staan, dan behouden we het delend lidwoord: je ne prends pas du thé, mais du café. Soms kan een tegenstelling ook verborgen zijn, en dan geldt deze regel ook: on ne mange pas du caviar tous les jours = we eten niet elke dag kaviaar (‘maar wel iets anders’). En: men zegt: je fais du ski; je ne fais pas de ski ; je ne fais pas du ski, mais de la luge.

Maar soms wordt de keuze bepaald door wat gebruikelijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het hele werkwoord achter de persoonsvorm of samenstellingen komt. We zeggen bijvoorbeeld: il n’aime pas faire du ski; il n’as pas envie de manger de la choucroûte; (hij houdt niet van skiën; hij heeft geen zin om zuurkool te eten = geen lidwoord in het Nederlands); men kan echter ook zeggen: elle ne souhaite pas manger de la choucroûte ; elle ne souhaite pas manger de choucroûte; il ne veut pas avoir de chien of elle ne souhaite pas avoir un chien. Dit geldt ook voor de samenstelling jouer de gevolgd door een muziekinstrument (bespelen): het muziekinstrument wordt altijd met een bepalend lidwoord gebruikt: je joue du piano; je ne joue pas du piano; je joue de l’orgue; je ne joue pas de l’orgue; je joue de la clarinette; je ne joue pas de la clarinette.


  • DE UITSPRAAK VAN È EN É

De eerste persoon enkelvoud van het werkwoord ‘hebben’, avoir , is j’ai; volgens de grammaticus Grévisse kan men zowel [zjé] als [zjè] zeggen. Maar voor de uitgangen in de toekomende tijd en de passé simple dient men [é] te zeggen: je mangerai, je mangeai; hiermee vermijdt men verwarring met andere tijden zoals de conditionnel en de imparfait: je mangeais en je mangerais wordt uitgesproken met de è-klank. Dus:


UITGANG

UITSPRAAK

J´AI

[zjé]

Je mangerai

Je mangeai



Je man[zje]

Je man[zjé]



Je mangeais

Je mangerais



Je man[zjè]

Je man[zje]



Et = é

Maar –et aan het eind van een woord zoals bij fouet, tabouret, wordt uitgesproken als è. Grote woordenboeken als Le Petit Robert en Le Grand Larousse geven aan dat de volgende woorden als é moeten worden uitgesproken: De bezittelijk vnw mes, tes, ses, maar ook des, les. Maar de lettergroepen –et, -ai, –es aan het einde van een woord mogen op beide manieren worden uitgesproken; dit hangt af van de persoonlijke voorkeur en de streek.



  • ANTWOORDEN OP EEN ONTKENNENDE VRAAG

Wanneer een vraag ontkennend is, kan deze er zo uitzien: l’habit des Académiciens, n’est-il pas vert? als het antwoord hierop bevestigend is, dan krijgen we dit: Si, l’habit des Académiciens est vert. Wanneer men ontkennend antwoordt, komt het er zo uit te zien: L’habit dea Académiciens, n’est- il pas bleu? Non, l’habit des Académiciens n’est pas bleu.




  • SEPTANTE, OCTANTE, NONANTE

Waarom zeggen de Fransen soixante-diz, quatre-vingts, quarte-vingt-dix, terwijl er toch ook de vormen septante, octante, nonante bestaan, die zowel passen bij het Latijn als het decimale systeem en in verschillende andere Franstalige landen gebruikt worden. Hier draagt de Franse woordenschat overduidelijk de sporen van zeer oud gebruik dat vandaag de dag verdwenen is: in de Middeleeuwen had men de gewoonte om in twintigtallen te tellen. We vinden daarom ook nog vormen terug als vint et dis (30), deux vins (40) trois vins (60), etc. E bestaan ook nog namen die op die manier van tellen gebaseerd zijn: zo stichtte de Heilige Saint Louis het gasthuis l’Hospice des Quinze-vingts (van de 300 blinden). Dit telsysteem, “Vicécimal”genoemd, werd gebruikt door de Kelten en de Noormannen, en het is goed mogelijk dat één dezer volken het meegenoemen heeft naar Gallië. De concurrerende vormen als trente, quarante, cinquante, soixante krijgen aan het einde van de Middeleeuwen de overhand. Maar waarom hield het gebruik hier dan op en ging men wel verder met de andere? Dit weet men niet precies, en de verschillende verklaringen waren niet overtuigend. Misschien kreeg men de behoefte om voor grotere getallen een beter geheugensteuntje te hebben voor het hoofdrekenen (70= 60+10, 80= 4x20, 90=80+10). Onder invloed van Vaugelas en Ménage hebben de Académie en andere auteurs van woordenboeken in de XVIIe eeuw definitief de volgende vormen aangenomen: soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix in de plaats van septante, octante, nonante. Opgemerkt moet worden dat deze laatste vormen wel in alle uitgaven van de woordenboeken van l’Académie Française staan. En dat zij nog steeds bekend zijn in de spreektaal in veel streken in het Oosten en Zuiden van Frankrijk en in Acadie. In België en Zwitserland is het gebruik ervan officieel. In Zwitserland wordt octante echter verdrongen door quatre-vingts en huitante, voor zowel de spreektaal als in officiële teksten. Het gebruik ervan wordt niet fout gerekend, maar in vergelijking met het gebruik in Frankrijk worden zij beschouwd als ouderwets en als streektaal.



  • SUITE À / DE SUITE

De combinatie suite à (naar aanleiding van) komt uit de handelstaal, maar is geen correct Frans in de gewone spreektaal. Bij correspondentie schrijft men eerder comme suite à of pour faire suite à wanneer men refereert aan een brief die men eerder geschreven heeft; in de andere gevallen schrijft men en réponse à . Als verwijzing naar een gebeurtenis of een conversatie, kan men bijvoorbeeld zeggen: après of à la suite de. De uitdrukking de suite betekent “de een na de ander, zonder onderbreking”: il ne saurait dire deux mots de suite. Niet te verwarren met tout de suite, wat “meteen” betekent.


  • SUR PARIS?

Het voorzetsel sur wordt dikwijls gebruikt om het voorzetsel à te vervangen. Eerst gebeurde dat in de volkstaal of omgangstaal, maar dat is nu doorgedrongen in het taalgebruik van de media. Travailler sur Paris, déménager sur Brest. Het mag eventueel gebruikt worden met een werkwoord dat een beweging aangeeft: déménager sur Toulouse, marcher sur Rome, maar het wordt niet geaccepteerd in combinatie met een werkwoord zonder deze connotaite: j’habite à Paris en NIET j’habite sur Paris.
TEL/ TEL QUE met vervoeging)

Het woordje tel kondigt een aantal voorbeelden aan of een vergelijking. De verbuiging ervan berust op de volgende regel(s): tel que verandert naar het zelfstandig naamwoord dat er voor staat en waar hij van af hangt: les bêtes féroces telles que le tigre, le lion, etc. Hier is bêtes vrouwelijk meervoud, het woord waar telles que naar verwijst. Tel zonder que wordt vervoegd met het woord dat er na komt: l’homme en colère, telle une bête féroce… Maar sommige auteurs als Duhamel hebben tel vervoegd naar het woord dat er voor staat; Comme tel en en tant que tel worden vervoegd met het woord waarmee men het onderwerp vergelijkt: des fruits considérés comme des légumes et cuisinés comme tels (net als groenten). Tel quel wordt verbogen naar het woord waarmee het te maken heeft: je vous rends votre somme d’argent telle quelle; je cite vos propos tels quels.




  • TOUT ÉTONNÉ, MAAR: TOUTE SURPRISE

De verbuiging van tout, een bijwoord, voor een vrouwelijk woord dat begint met een medeklinker, is een bewijs van een weerstand van een gebruik, afkomstig uit een geschiedenis, tegen een grammaticale “logica” die geen uitzonderingen zou dulden. In het oud Frans werden de woorden volgens hun aard behandeld, en werd het woord tout als bijwoord beschouwd in zijn “aard” als onbepaald bijvoeglijk naamwoord. Hierdoor werd het gewoonlijk verbogen met het bijvoeglijk naamwoord waar het bij stond. Tijdens het classicisme overleefde deze gewoonte maar werd wel beconcurreerd door een tendens die de grammatici met alle geweld willen generaliseren, namelijk het niet verbuigen van het bijwoord. Dit ging niet gepaard zonder moeilijkheden en tegenstrijdigheden. In 1704 werd de huidige regel ingevoerd door de Académie.: men behoort te zeggen: elles furent tout étonnées . Hoewel men het er wel over eens was dat toutes en toutes geschreven moet worden vóór bijvoeglijk naamwoorden die met een medeklinker beginnen: cette femme est toute belle; ces étoffes sont toutes sales.

Dit standpunt wordt in 1718 bevestigd en vervolgens door alle grammatici en alle woordenboeken overgenomen. Het wordt een wijs compromis tussen de “bizarheid” van het gebruik en de “logica” van de grammatica, want:



  • als regel wordt er gesteld dat het niet verbogen wordt

  • De vorm tout wordt in het vrouwelijk voor een klinker niet verbogen, omdat de uitspraak [tut] vanzelfsprekend is en het niet nodig is om er dan nog eens een extra –e aan te geven;

  • Het is niettemin toch nodig om het teken voor de uitspraak te behouden vóór de medeklinker [tut]

  • Omdat de vrouwelijke vorm al naar voren komt in de geschreven vorm, is besloten om daar ook een eventueel meervoud aan te verbinden.


Dit compromis was ongetwijfeld zeer schrander, want het heeft de tijd doorstaan, waardoor een zeer oud gebruik efficiënt kan overleven in de huidige spreektaal. Men kan vreemd genoeg zien dat bij goede auteurs, dus in schriftelijk taalgebruik, de vrouwelijke uitgang voor een klinker ook gebruikt wordt: elle en est toute étonnée; maar alleen in het enkelvoud, want in het meervoud zou bij de uitspraak de –s te horen zijn met de verbinding: elles en sont toutes étonnées, net als bij toutes en sont étonnées.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina