Dictaat theorie van de geschiedenis deel 1 Inhoud: Hoorcollege 1



Dovnload 132.62 Kb.
Pagina1/5
Datum25.07.2016
Grootte132.62 Kb.
  1   2   3   4   5

Dictaat theorie van de geschiedenis deel 1

Inhoud:

Hoorcollege 1……………………………………………………………………………... 2

Hoorcollege 2……………………………………………………………………………... 6

Hoorcollege 3…………………………………………………………………………….. 10

Hoorcollege 4…………………………………………………………………………….. 14

Hoorcollege 5…………………………………………………………………………….. 17

Hoorcollege 6…………………………………………………………………………….. 21

Hoorcollege 7…………………………………………………………………………….. 28

Hoorcollege 1: 1 november 2005

Dit collegejaar wordt opgedeeld in twee gedeeltes dat tezamen de geschiedtheorie vormt:



  1. Historiografie (dit zal de stof van het eerste semester zijn)  geschiedenis van de geschiedschrijving.

  2. Geschiedfilosofie (dit zal de stof van het tweede semester zijn)  bestaat uit de twee delen, namelijk de speculatieve geschiedfilosofie en de kritische geschiedfilosofie.

In dit college worden twee boeken gebruikt:



  1. Haddock, Introduction to historical thought (het hele boek met uitzondering van het gedeelte over Vico): De auteur plaatst de geschiedschrijving in de context. Want de geschiedschrijving wordt bepaalde door zowel interne als externe factoren. Interne factoren zijn de ontwikkelingen binnen het vak geschiedenis zélf en de externe factoren zijn de ontwikkelingen in een bepaalde tijdsperiode, bv. geschiedschrijving ten tijde van de Franse Revolutie. Dit beïnvloedt natuurlijk ook de geschiedschrijving.

  2. Iggers, Historiography in the twentieth century (alleen bladzijde 51 tot en met bladzijde 149): Dit boek heeft het zelfde model als het boek van Haddock alleen gaat het dan puur over de twintigste eeuw. De geschiedwetenschap wordt gerelateerd aan de ontwikkelingen in de twintigste eeuw. Wel een wat mindere kwaliteit dan het boek van Haddock.

Er is gekozen voor de boeken van Haddock en Iggers, omdat hier meer samenhang in zit dan in de meeste andere boeken over dit onderwerp. Dergelijke boeken behandelen individuele historici zonder hier samenhang in aan te brengen. Haddock en Iggers geven verschillende stromingen aan, waarna ter illustratie enkele relevante historici verder worden behandeld.


Stof van het tentamen dat op 25 januari zal worden afgenomen zal er als volgt uit zien:

Historici kunnen over alles schrijven en dus ook over de geschiedenis van de geschiedschrijving. Wil je op een zinvolle met geschiedenis omgaan, dan moet je weten wat geschiedenis is en waar het vak zich mee bezig houdt, historiografie kan hier inzicht ingeven. Het is niet alleen belangrijk hoe de geschiedenis wordt geschreven, maar ook wat er buiten de geschiedschrijving om in die periode gebeurde. Deze externe ontwikkelingen hebben namelijk invloed op de geschiedschrijving.


Huizinga zegt hierover:

‘Geschiedenis is de culturele vorm waarin een cultuur rekenschap aflegt van haar verleden.’

Om een cultuur te leren kennen kun je het beste kijken naar de geschiedschrijving van die cultuur of de te bestuderen tijdperiode. Je ziet bijvoorbeeld in de geschiedschrijving van de achttiende eeuw het idee van de Verlichting doorschemeren. De Verlichting positioneert zich in de geschiedenis (een proces). Het is dan van belang hoe de Verlichting zich verhoudt tot het verleden. Een ander voorbeeld is de tijd van de meirevolutie van 1968, je zag dat de geschiedschrijving in die tijd veel aandacht had voor revoluties. Nu leven we in de tijd van globalisatie en je ziet dat er ook binnen de geschiedschrijving het idee heerst om alles op wereldschaal te beschrijven. De preoccupatie van de wereld als een geheel zie je dus terug in de geschiedschrijving.
Je hebt twee vormen van historiografie:


  1. De traditionele variant

  2. De moderne variant

Dit onderscheid betekent niet dat ze tegengesteld aan elkaar zijn, ze vullen elkaar ook aan.


Traditionele variant:

Binnen de traditionele variant staan er vier cruciale vragen centraal. Deze zullen nu één voor één behandeld worden met uitleg en voorbeelden.



  1. Wat moet je rekenen tot de geschiedschrijving?

    • Dit is een moeilijk te beantwoorden vraag. Want wat moet je met mythologieën? Je kan het afdoen als verzinsels maar hoe moet je dan de Ilias van Homerus beoordelen? Is dit nu een verhaal dat totaal verzonnen is of bevat het veel historische feiten? Er zit wel degelijk een historische dimensie aan deze epos aangezien Troje daadwerkelijk door Schliemann ontdekt is, terwijl men er eerst vanuit ging dat dit een ‘fantasieland’ was. Het is geen directe geschiedschrijving, maar er zit wel een link naar historische gebeurtenissen en ideeënwerelden in. De zondvloeden die in verschillende mythes staan beschreven kunnen misschien ook wel historische waarheid bevatten.

    • Freud was geïnteresseerd in de archeologie van de menselijke geest. Het oedipuscomplex stond in zijn theorie centraal. Dit oedipuscomplex had met de vroegere tijd te maken en men heeft dit nog steeds in zich. Freud heeft zijn theorie gerelateerd aan de mythe van Oedipus. Deze mythe zegt iets over de vroege mens en zo zit de mens nog steeds in elkaar. Zo geeft Freud een historische dimensie aan een mythe. Freud schrijft over zijn bevindingen een boek dat gaat over de Oerhorde: in de oertijd had met een vaderorde. De mensen in deze horde werden gedomineerd door een ‘mannetjesbeest’ en hij monopoliseerde alle seksuele omgang met de vrouwtjes. Jonge mannetjes kwamen dus niet in aanmerking voor seks met vrouwtjes. Dit vonden ze niet leuk en besloten zich samen te zweren om het sterke mannetje te vermoorden. Zo gebeurt het en zo doen alle jonge mannetjes het met hun moeders. Volgens Freud leeft deze mythe nog steeds in de mens en doordat dit in de oertijd is gebeurd is de huidige samenleving nog steeds opgezadeld met een gemeenschappelijk schuldgevoel. Bijvoorbeeld over incest. In dit verhaal zit historische waarde, omdat het gaat over de archeologie van de menselijke ziel. Er zit een diepere waarheid in.

    • Religie is ook een heikel punt. Zijn het oude en nieuwe testament geschiedenis? Het oude testament is behoorlijk waarheidsgetrouw wat betreft de koningen die erin voorkomen. Moet je theologie rekenen tot de geschiedenis?

    • Historische romans zijn ook een probleem. Hiervoor is dikwijls veel historisch onderzoek verricht, waardoor ze erg objectief kunnen. Sommige historische romans bevatten veel historische feiten. En soms staan er helemaal geen onwaarheden in. Zoals bijvoorbeeld bij de auteur Robert Grave. Hij schreef de boeken I Claudius en Claudius the God. Grave is een classicus die originele teksten gebruikt voor zijn boeken over de oudheid. Hij is nooit in strijd met bekend historisch materiaal, al gebruikt hij fictie in zijn boeken. Een ander voorbeeld is het oeuvre van Hella Haasse. Je ziet dat haar oeuvre een soort evolutie meemaakt. In 1948 komt haar eerste historische roman uit en er volgen er daarna meerdere: Woud der verwachting en De scharlaken stad. In deze eerste boeken van haar weet ze heel goed de sfeer (evocatie) neer te zetten van een bepaalde tijd, in het eerste geval van de 15e eeuw, in het tweede van de plundering van Rome in 1527. Deze romans bevatten bevat veel evocatie en een mindere hoeveelheid historische precisie. Bij haar latere historische romans, zoals de Bentinckromans (gebaseerd op een familiearchief), heeft Haasse meer documentatie (en dus meer historische precisie) gebruikt en minder evocatie wat volgens Ankersmit niet ten goede komt voor het verhaal. In haar eerste boeken gebruikt ze weliswaar minder bronnen, maar kan ze de sfeer van de tijd beter neerzetten. De latere romans komen killer over.

Er is dus een spanning tussen historische precisie en evocatie. In de eerste vorm wordt er goed gedocumenteerd en naar waarheid geschreven. Maar het nadeel is dat de stof zo droog wordt dat je niet echt een beeld van die tijd krijgt. De tweede vorm is de beschreven periode veel ‘werkelijker’ naar het idee van de lezer. Je zit meer in het verhaal en het roept meer gevoel op. Beter dan de droge, kille historische teksten.


Uit de gehele discussie die hieruit volgt komt naar mijn mening een belangrijk punt dat wel handig is om mee te nemen in dit dictaat: historici maken ook gebruik van fictie doordat ze verbanden trekken die mensen uit die tijd nog helemaal niet konden trekken. Bijvoorbeeld de Dertigjarige Oorlog. De mensen uit die tijd wisten natuurlijk niet toen de oorlog uitbrak dat dit de Dertigjarige Oorlog was. Dat begrip kenden ze nog niet.
Historische romans kunnen het verleden evoceren, iets wat veel historische monografieën niet kunnen. Je kunt in een historische roman dingen doen, die in reguliere geschiedschrijving niet kunnen. Ankersmit vraagt zich af of juist het evoceren niet de taak van de historicus is. Is evocatie een criterium voor de geschiedschrijving?


  1. wat is de vorm, aard en structuur van de geschiedschrijving?

    • Mythologie: dit een vorm van geschiedschrijving. Hoe zit deze vorm in elkaar?

    • De Kroniek: dit is een simpele vorm van geschiedschrijving. De kroniek komt op aan het begin van de Middeleeuwen. De kroniek bestaat uit een jaartal met daarachter vermeld wat er is gebeurd. Bijvoorbeeld veldslagen, oogsten enz. Dit gebeurt per jaar. De kroniek bevat eigenlijk ‘randomgebeurtenissen’ en heeft dus niet echt één benadering zoals bijvoorbeeld politieke geschiedenis of economische geschiedenis. Eigenlijk wordt alles beschreven wat de aandacht trok van de monnik die de kroniek maakte. Zo kun je bijvoorbeeld via kronieken nagaan wat men in een bepaalde tijdperiode als belangrijk achtte.

    • Annalistiek: loopt net als de kronieken van jaar tot jaar, maar nu worden er ook al causale verbanden getrokken. Iets wat vroeger gebeurd was werd in latere vermeldingen als het nodig was aangehaald. Dit was absoluut geen primitieve geschiedschrijving. Ook worden er verbanden aangebracht tussen verschillende landen.

    • Speculatieve geschiedfilosofie: deze vorm van geschiedschrijving gaat er vanuit dat er een groot patroon in de gehele geschiedenis te ontdekken valt. De hele wereldgeschiedenis inclusief de toekomst wordt als een verhaal gezien. Bijvoorbeeld het idee van vooruitgang. Marx is ook een belangrijk voorbeeld  alle geschiedenis staat in het teken van de klassenstrijd, volgens Marx is de geschiedenis in fases opgedeeld volgens de ontwikkeling van de klassenstrijd. Hij trekt een grote lijn van het verleden naar de toekomst.

    • Geschiedschrijving van nu: men gaat de geschiedenis op vele manieren onderzoeken, zoals sociaal, economisch, politiek, emancipatorisch, enz.

Je hebt natuurlijk nog veel vormen van geschiedschrijving, zoals: Chinese hofgeschiedenis, sagen en legendes, Arabische geschiedenis, geschiedenis van de volkscultuur.


Hoorcollege 2: dinsdag 8 november 2005

Geschiedschrijving en historisch besef

Er wordt nog even kort ingegaan op de historische roman en de discussie of het wel of niet tot de geschiedschrijving behoort. Een historische roman biedt evocatie, de geschiedschrijving niet.


Vorige week hebben we twee van de vier vragen van de traditionele variant van de historiografie behandeld. In dit college wordt verder gegaan met de daaropvolgende vragen:


  1. Wat reken je tot de historiografie

  2. Welke vormen en structuren kan de geschiedschrijving hebben (bijvoorbeeld de mythologieën, kronieken, analistiek, speculatieve geschiedfilosofie; o.a Hegel, Marx, Spengler en de structuren van de gewone geschiedschrijving; in Duitsland ontstaan rond 1820-1830 door Leopold Ranke.

  3. Welke ontwikkelingen zijn er te ontwaren binnen de historiografie: hoe kwam onze huidige geschiedschrijving tot stand? Hoe is die verder geëvolueerd? Deze derde vraag trachten traditionele historiografen te beantwoorden door te kijken naar twee factoren, namelijk de externe en de interne factor:




    • De interne factor: de geschiedschrijving verandert vanuit haar interne wetenschappelijke logica (vakinhoudelijk)

    • De externe factor: de interactie tussen samenleving en de geschiedschrijving. De samenleving moet geïnformeerd worden. De maatschappij verandert en de geschiedschrijving gaat hierin mee

De exacte wetenschappen kennen een eigen ontwikkeling, die weinig beïnvloedbaar is van buitenaf. De geschiedenis is daarentegen wel sterk onderhevig aan externe factoren. Dit is geen zwakte, maar een positief punt. Een historicus heeft een publieke taak. Hij moet weten wat de leek bezighoudt. Een historicus moet geen vakidioot zijn die zich verschuilt in zijn academische wereld, maar moet ook lessen uit het verleden trekken en deze presenteren aan de samenleving.


Vraag uit publiek: globalisering zorgt voor meer world-history-geschiedenis, en minder specifiek de geschiedenis per land/staat. Deze globale insteek heeft ook positieve punten, het behandelt namelijk lange-termijn factoren die historici vaak onderbelichten. Neem bijvoorbeeld het boek van MacNeill. Hij interesseerde zich vooral in de fysieke en medische kant van de geschiedenis. Hij stelde dat vooral epidemieën en ziektes hun sporen hebben nagelaten in de geschiedenis. Een ander voorbeeld die Ankersmit aandraagt is het boek van Jared Diamond. Diamond vroeg zich af waarom de beschaving zo goed verlopen is in Europa. Dit kwam in zijn mening door het klimaat en het soort beesten. (Paarden, koeien, schapen, varkens en pluimvee). Europa was hierin uniek. In Europa werd men immuun voor allerlei ziektes, door honden die hier aanwezig waren. Dit was op lange termijn van doorslaggevend belang, toch hebben weinig historici hier oog voor. Alleen bij de global history kom je zulke determinanten tegen.


  1. Hoe evolueren debatten over thema’s binnen de geschiedschrijving vanaf het moment dat ze ontstonden tot nu? Michael Bentley schreef hierover in zijn boek: Modern historiograpy. An introduction.

Historici moeten wel in de gaten houden wat er in de samenleving leeft, maar niet schrijven wat de samenleving van historici wenst.

Samuel Huntington schreef in zijn boek Clash of civilizations over botsingen van beschavingen. Hij stelde dat het moslimterrorisme een herhaling was van de oorlog tegen de Saracenen.


Je kan leren van processen uit het verleden. Mensen die weinig van de geschiedenis kennen zijn als mensen die één pagina lezen (en deze dan wel uit het hoofd kent). Doordat historici over het algemeen een betere kennis hebben over de voorgeschiedenis, zijn zij beter in staat de problematiek die in een samenleving speelt aan te wijzen en te begrijpen dan een ‘gewone’ mens die één pagina las.
Privatisering is bijvoorbeeld een proces die al in het verleden afspeelde, in de tijd van het feodalisme. Dit bracht misbruik met zich mee, en nu speelt ook het gevaar dat het nu ook zo wordt.

Historici moeten hun kennis gebruiken om zaken te verhelderen en te verduidelijken voor hun medemens, die de geschiedenis niet kent. Een uniciteit van de geschiedenis zou mooi zijn. Maar wie het verleden niet kent, is gedoemd het te herhalen.






  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina