Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden



Dovnload 121.63 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte121.63 Kb.



De Catechisant

Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden”



Marnix van St. Aldegonde

Februari 2002 – 11e jaargang – nr. 2



Marnix van St. Aldegonde
Weten jullie wie ons volkslied heeft gedicht? Niemand weet het zeker, maar het is zeer waarschijnlijk de man over wie dit themanummer gaat: Marnix van St. Aldegonde. In 1540 wordt in Brussel, dan nog de hoofdstad van de Nederlanden, een jongetje geboren. Zijn ouders noemen hem Philips. Zijn achternaam is: Van Marnix. Later erft hij een gebied dat van zijn moeder is geweest en dat St. Aldegonde heet. Daarom noemt men hem kortweg: Marnix van St. Aldegonde. Maar eigenlijk moet dat zijn: Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde.
De tijd waarin de jonge Philips wordt geboren, is een ontzettend verwarrende tijd. Allerlei zekerheden vallen weg. Eeuwenlang hebben mensen geloofd wat de kerk hen voorzei, maar nu is onlangs een monnik uit Wittenberg tegen de kerk in opstand gekomen en hij zegt dat ze al die dingen niet moeten geloven. Alleen wat in de Bijbel staat! Voor de meeste mensen is dit niet anders dan grote ketterij.
De ouders van Marnix zijn nog steeds ‘goed’ rooms.
Als Marnix nog maar vier jaar is, verliest hij zijn moeder. Later stuurt zijn vader hem met zijn twee jaar oudere broer, Jan, naar de streng roomse universiteit van Leuven. Marnix is dan dertien jaar.
Na ongeveer twee jaar verlaten zij Leuven om rond te trekken van de ene universiteit naar de andere. Dat is in die dagen de gewoonte. De jonge broers (vijftien en zeventien jaar) gaan eerst naar Frankrijk, later ook naar Italië en nog weer later zijn ze zelfs in Genève! Dan is Marnix negentien of twintig jaar én heeft hij inmiddels de roomse kerk verlaten.
Dit is geen kleine zaak in het leven van de beide broers. Je moet bedenken dat zij behoren bij de rijkste mannen van adel in de Nederlanden. En de roomse kerk verlaten, betekent dat ze misschien wel álles kwijt raken (wat later ook gebeurt). Maar Marnix moet capituleren voor vrije genade en zich overgeven aan de verzoening door Christus alleen.
Hoe dat precies in zijn werk gaat, weten we niet. In de boeken die we nog van Marnix hebben, staat er bijna niets over. Marnix lijkt hierin op zijn grote leermeester Calvijn, van wie hij in Genève les krijgt: ook Calvijn schrijft amper iets over zijn bekering.
Zeker is wel dat de Heere de ogen van de jongeman heeft geopend voor de dwaalleer van de roomse kerk en voor de weg der zaligheid. Hij leert hem zien dat de waarheid alleen in de Heilige Schrift is te vinden. En deze waarheid wordt gepredikt en onderwezen in de theologische hogeschool van Genève. Daarom gaan de beide broers daarheen.
Hier wordt de basis gelegd voor het latere levenswerk van Marnix. Wat is dat levenswerk eigenlijk? Hij wordt de meest vertrouwelijke raadsman van Prins Willem van Oranje in het verzet tegen de tirannie van koning Philips II van Spanje én door woord en daad bouwt hij de opnieuw gevormde kerk van Jezus Christus in Nederland. Dit doet hij vooral door het gesproken en door het geschreven woord en door partij te kiezen voor de Reformatie. Een onderdeel hiervan is de calvinistische leer van het recht van opstand tegen de overheid.
Nee, Marnix is geen predikant, al studeert hij in Genève theologie. Wel neemt hij deel aan veel synodevergaderingen (vooral als afgevaardigde van Prins Willem van Oranje). Ook schrijft hij een paar heel belangrijke boeken tegen de dwaalleer van de roomse kerk en tegen de dwaalleer van de ‘vrijgeesten’ of ‘dwepers’ (ook wel wederdopers genoemd). Verder is Marnix heel zijn leven bezig om de Psalmen op een goede manier te berijmen. En in het laatste van zijn leven doet hij nog belangrijk werk als vertaler van de Bijbel.
Het wonderjaar

Wanneer Marnix in 1562 in de Nederlanden terugkeert, treedt hij heel niet op de voorgrond. Hij werkt in stilte aan een boek tegen de wederdopers. Hij is lid van de ondergrondse kerk in Brussel, mede gesticht door zijn dappere broer Jan van Toulouse. Dit moet in het diepste geheim gebeuren, want op bevel van koning Philips II worden ketters verbrand. Hij leeft dan ook – zoals hij zelf schrijft – onder het kruis van vervolgingen. In die tijd heeft deze voorname, rijke edelman contact met de vluchtelingengemeente te Londen en is hij betrokken bij het stichten van een calvinistische gemeente in Antwerpen en in Breda, waar hij na zijn huwelijk gaat wonen.


Het pas getrouwde echtpaar stelt het huis gastvrij open voor rondtrekkende predikers uit Holland en Zeeland, die hun leven in de waagschaal stellen om in schuren en pakhuizen het Woord van God zuiver te prediken.
Breda is al sinds 1403 de residentie van de graven van Nassau en in de jaren waarin Marnix leeft, is het de stad van de Prins van Oranje, daarom heerst hier geen vervolging. De Prins spreekt immers in 1564 het ferme woord in de Raad van State: “Ik kan niet goedkeuren dat vorsten willen heersen over het geweten van hun onderdanen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst willen ontnemen.” Dit woord kun je opvatten als een oorlogsverklaring aan koning Philips II. De Tachtigjarige Oorlog staat dan ook voor de deur. Heel het leven van Marnix is met deze belangrijke godsdienstoorlog verweven. Marnix is – in lijn met Calvijn – tegen opstand zolang Prins Willem van Oranje de leiding niet neemt.
Ik moet hier iets meer over schrijven, omdat het later nog een keer terug komt in het leven van Marnix, wanneer velen hem zelfs voor verrader zullen beschouwen. De overheid, zo zegt Paulus in Romeinen 13, is door God ingesteld. Daarom mogen we er ons niet tegen verzetten, behalve wanneer de overheid tegen Gods Woord ingaat. Maar dan nog is de vraag: wat voor verzet is in zulk een geval toegestaan? Alleen lijdelijk verzet? Dus de zondige bevelen van de overheid niet gehoorzamen en eventueel daarom gestraft worden of in vrijwillige ballingschap gaan? Of is ook gewapend verzet toegestaan? Calvijn is van mening dat gewapend verzet tegen het wettige gezag alleen dán toegestaan is, wanneer (1) de overheid tiranniek is en (2) het verzet uitgaat van lagere overheidspersonen.

Wie worden daarmee bedoeld? Wel, in die tijd regeert bijna niet ene koning met absoluut gezag. De koning is wel de hoogste overheid, maar er is ook meestal een lagere overheid, zoals de Staten van een gewest. Zo is er in Nederland de Raad van State en elke provincie heeft zijn Statenvergadering: de Staten van Holland of de Staten van Zeeland. Koning Philips II nu heeft bij de aanvaarding van zijn koningschap gezworen dat hij de rechten van de Staten erkent. Deze Staten hebben eventueel het recht om gewapend in verzet te komen tegen de hogere overheid, koning Philips II. Marnix nu kan het met zijn geweten niet in overeenstemming brengen om tegen koning Philips II in opstand te komen, tenzij mannen van de hoogste Nederlandse adel en lid van de Raad van State, zoals Willem van Oranje(!), erin voorgaan.

Eén van de rechten van de Nederlanden – die koning Philips II dus heeft gezworen te zullen eerbiedigen – is dat geen Nederlander mag worden veroordeeld door een vreemde rechtbank. Wat doet de koning echter? Hij neemt honderden Nederlanders gevangen en laat ze voor de barbaarse inquisitie (buitenlandse geloofsrechtbank) komen, waardoor ze ter dood veroordeeld worden. Waarom? Omdat ze de ‘nije leer’ van Luther en Calvijn aanhangen.

Ook al doet koning Philips dit, toch belijdt de Prins van Oranje in het eerste couplet van het ‘Wilhelmus’: De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Als hij echter moet kiezen (zo belijdt hij in het vijftiende couplet), zegt hij dat hij God de Heere, de hoogste Majesteit, heeft moeten obediëren (=gehoorzamen) in gerechtigheid. Het gaat dan alleen over het verdrijven van de tirannie (zie zesde couplet).


In 1565 vinden geheime besprekingen plaats tussen Marnix’ broer en andere edelen met onder andere de broer van de Prins van Oranje, graaf Lodewijk van Nassau, met wie ook Marnix bevriend is.
Door de beide broers wordt het ‘Smeekschrift der edelen’ opgesteld en op 5 april 1566 aan landvoogdes Margaretha van Parma in Brussel aangeboden. Marnix is ook bij de vierhonderd aanbieders. Een van de raadsmannen van de verschrikte landvoogdes probeert haar moed in te praten en zegt: “Het zijn maar bedelaars / schooiers” (in het Frans, waarin iedereen van adel spreekt en schrijft – ook Marnix – “Ce ne sont que des gueux”). Hier komt de scheldnaam ‘geuzen’ vandaan, die door de edelen meteen als erenaam wordt overgenomen.
Marnix van St. Aldegonde is in deze tijd de contactman tussen de edelen en de calvinistische predikanten, die in het diepste geheim bijeen zijn in Antwerpen (de belangrijkste stad in de Nederlanden, ‘dat vervloekte ketternest’, volgens Margaretha van Parma). Marnix neemt ook deel aan deze vergadering. De predikanten horen dat de landvoogdes aan de edelen die het smeekschrift aanbieden, verzachting belooft van de ‘bloedplakkaten’ (waarin de doodstraf wordt gedreigd tegen allen die het niet met de roomse kerk houden). Als gevolg hiervan wordt besloten niet langer ondergronds, in het geheim, kerk te houden, maar – bij gebrek aan kerkgebouwen – in het open veld het Woord te prediken. Zo worden er hagenpreken gehouden, waarbij de door Datheen haastig vertaalde psalmberijming uit duizenden monden weergalmt.
Dit is het tweede, waarom we 1566 het ‘wonderjaar’ noemen. De mensen vatten moed, de predikanten trekken openlijk van stad tot stad en vele vluchtelingen keren terug naar hun huizen.
Dan gebeurt het derde herinneringswaardige feit: de Beeldenstorm. Kerken en kloosters worden geplunderd, en afgodische beelden van heiligen (in het bijzonder van Maria) worden vernield. Het begint op 10 augustus van datzelfde wonderjaar.
Velen veroordelen de Beeldenstorm. Maar Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, verdedigt de Beeldenstorm op grond van de Bijbel (hij verwijst vooral naar de godvrezende koning Josia) en van de kerkgeschiedenis. Het boek heet Van de beelden afgheworpen in de Nederlanden in augusto 1566.
Het volgende jaar wordt een verdrietig jaar. Marnix zamelt gelden in, en onder leiding van zijn broer, Jan van Toulouse, wordt er een legertje gevormd. Maar door regeringstroepen wordt het in de pan gehakt en Jan komt jammerlijk om! De Prins van Oranje ziet het vreselijke gebeuren voor zijn ogen zich voltrekken, maar is niet in staat te hulp te schieten!
In ballingschap

Door de Beeldenstorm en wat erop volgt, wordt koning Philips zo boos dat hij Alva met een groot leger naar Nederland stuurt. Vanwege deze dreiging verlaten vele calvinisten ons land, onder wie ook Prins Willem van Oranje en Philips van Marnix van St. Aldegonde. Oranje gaat naar de Dillenburg, waar hij is geboren, en Marnix komt via Bremen en Emden terecht op het kasteel de Lütetzburg van zijn vriend Unico Manningha. Emden heet in die tijd ‘de gastvrije herberg van de verdreven Nederlanders’.


Na korte tijd blijkt dat ze terecht gevlucht zijn: al hun bezittingen in de Nederlanden worden door Alva verbeurd verklaard. Nu zijn ze straatarm. Wanneer Alva in Brussel aankomt, is het eerste wat hij doet, twee belangrijke edellieden onthoofden: Egmont en Hoorne. En dat terwijl zij beiden nog ‘goed rooms’ zijn … Het lot van Marnix zou niet beter zijn geweest!
Voor hen die in Nederland blijven, breekt een zeer bange tijd aan, waarvan wij ons geen voorstelling kunnen vormen. Desondanks wordt in het diepste geheim tóch gepreekt, worden er kinderen gedoopt, wordt er avondmaal bediend, en worden er kerkelijke vergaderingen gehouden. Er is veel geloofsmoed voor nodig.

De Byencorf der H. Roomsche Kercke

De bloedig vervolgde kerk wordt mede getroost en bemoedigd door allerlei geschriften die vanuit een stad als Emden in het diepste geheim worden verspreid. Eén van die geschriften is afkomstig van Marnix. Het heet De bijenkorf der heilige roomse kerk. Hierin drijft Marnix op een geniale manier de spot met roomse dwalingen, en maakt hij duidelijk dat de Bijbel alleen het voor het zeggen heeft. Bijtende spot doortrekt heel het boekje. Want Marnix doet net alsof hij een trouw zoon van de ‘heilige moederkerk’ is en dat hij haar vurig verdedigt, maar ondertussen heeft hij geen greintje respect voor de paus of de bisschoppen en evenmin voor de roomse kerk in haar geheel. Hoofdstuk 2 bijvoorbeeld luidt: De macht der kerk is niet begrensd door de Heilige Schrift, maar zij kan daarmee omspringen zoals zij wil.


Hier volgt een stukje:

Het is bekend dat wij nooit voor zelfs maar de minste zonde genoeg kunnen doen. En als dit waar is, hebben de ‘ketters’ groot gelijk dat zij de roomse leer van de voldoening voor nutteloos houden. Zij zeggen dat wij alle vertrouwen op onze eigen betaalmogelijkheden moeten afleggen en verachten en dat wij alleen moeten vertrouwen op de milde, loutere en onverdiende genade van God, die ons wat ons betreft gratis geschonken wordt, maar die ons wat Gods rechtvaardigheid betreft tegen een zeer hoge prijs geschonken wordt, namelijk het bloed van Jezus Christus, het onbevlekte Lam, Dat – zoals Jesaja zegt – om onze misdaden verwond is en om onze zonden gedood. Hieruit besluiten die ‘ketters’ met Paulus dat wij in Christus alle volkomenheid hebben en dat Hij onze enige Wijsheid, Rechtvaardigheid, Heiligmaking en Verlossing is. En zij zeggen ook met Petrus dat in volstrekt niemand anders op deze aarde de zaligheid te zoeken is. Zo wordt door de ‘ketters’ al onze roem op onze goede werken, verdiensten of betalingen uitgesloten, omdat dit alles voor Gods aangezicht niet kan bestaan. Zij zeggen met Jesaja dat onze gerechtigheden een wegwerpelijk kleed zijn. Maar dit alles is natuurlijk ketterij, zoals onze roomse kerk ons duidelijk leert. En wie het toch willen leren, worden als ketters verbrand of opgehangen. Want ja, waar zouden al onze goede werken blijven, waarmee wij toch het eeuwige leven kunnen verdienen en de groei in de genade en de vergeving der zonde? En waar zouden zo de verdiensten van de gestorven heiligen blijven? En waar zou heel het vagevuur blijven, als de aflaten niet meer geldig zijn? Verder, als het waar is wat de ‘ketters’ op grond van de Bijbel beweren, waar moeten wij dan blijven met onze leer dat God in de doop wel genade aan ons geeft, maar dat wij vervolgens onszelf op de been moeten houden en ons door onze goede werken aan God moeten verbinden, zodat Hij verplicht is ons de hemel te geven, vooral wanneer wij de waskaarsen en het wijwater van de roomse kerk te hulp nemen. En als we ook nog eens een monnikskap opzetten en volmaakt willen worden door nog méér te doen dan wat God ons beveelt, o, dan zijn we de rijkste mensen op de wereld en kunnen we uit onze ‘spaarpot’ meedelen aan onze vrienden, zoals onze lieve ‘moederkerk’ bepaald heeft. Dus we mogen er niet op vertrouwen dat Christus ons met God verzoend heeft!

Want al is het waar dat Paulus wel overal schrijft dat we al ons vertrouwen zonder enige wankelmoedigheid of twijfeling op Christus en Zijn verdiensten zullen stellen, dit moeten we toch niet zo letterlijk opvatten, zoals de ‘ketters’ doen, maar we moeten het uitleggen zoals de kanttekeningen van het geestelijke concilie van Trente het ons voorhouden.

Iedereen kan met open ogen zien dat – hoewel de hugenoten en de luthersen zich altijd op de tekst van de Schrift beroepen – toch onze ‘lieve moeder, de heilige kerk’ zulk een tekst met bekwame uitleggingen precies zó kan buigen dat deze gans en al strekt tot haar eigen voordeel.


Op deze manier spot Marnix scherp met de roomse dwaalleer én zet hij haarscherp uiteen wat de ‘ketters’ leren. Iedereen voelt op zijn klompen aan dat Marnix alleen maar zogenaamd de roomse leer verdedigt en de leer van de Reformatie aanvalt. Zo weet hij, als groot theoloog, op heldere manier de Bijbelse leer van vrije genade onder het volk te brengen.
We kunnen ons afvragen of deze manier van schrijven de juiste is, maar ook Elia spot met de baälpriesters, op de Karmel, en zegt: “Jullie moeten wat harder roepen, want misschien is Baäl op reis of slaapt hij of doet hij zijn behoefte …” Rome is een bolwerk van leugen en bedrog, daarom zet Marnix van St. Aldegonde zonder aarzelen het mes erin. Het is een hartroerende belijdenis van het reformatorische geloof. Meer dan met enig ander werk draagt Marnix zo bij tot de doorwerking van de Reformatie in de Nederlanden.
Marnix en Oranje

Marnix mag in Emden grondleggend werk doen voor de organisatie van de schuilkerken in Nederland en de vluchtelingenkerken buiten Nederland. Het ‘Convent van Wezel’ komt op 3 november 1568 bijeen, waar ook Marnix aanwezig is, net als Petrus Datheen.


In 1569 vertrekt Marnix naar het keurvorstendom De Paltz en wordt ouderling in de hoofdstad Heidelberg, waar onze wereldberoemde Heidelbergse Catechismus in 1563 is geschreven. Al gauw vraagt keurvorst Frederik III hem om bij hem in dienst te treden. Marnix heeft dus weer werk en kan voor zijn gezin zorgen. Kort is hij hier echter nog maar of er komt (in januari 1571) een verzoek van de Prins van Oranje of de keurvorst Marnix niet een poosje aan hem wil uitlenen.
Door de ballingschap is de Prins gelouterd en ontslaat hij zijn vorige (humanistische) raadsman en benoemt hij de overtuigde calvinist Marnix. De in Brussel en Breda nog volop wereldse, roomse Prins sluit zich nu op de Dillenburg bij de lutherse kerk aan, waarin hij ook was opgevoed. Hij schrijft aan Marnix: “Allegonde, laten wij dulden dat men over ons heen loopt, opdat wij de Kerk van God mogen dienen.”
Wat een eer voor Marnix om de raadsman en privésecretaris te mogen zijn – in het bijzonder voor kerkelijke zaken – van deze voornaamste edelman in ons land. Ja, maar het is niet alleen een eer. De Prins van Oranje is vluchteling en balling. Hij strijdt voor een hachelijke zaak. ‘Zijn raadsman worden’ betekent dat Marnix zich in de grootste moeilijkheden begeeft! Toch aarzelt hij geen moment: voor de vrijheid om God te dienen in overeenstemming met Zijn Woord heeft Marnix alles over.
Hun verdere leven zullen Oranje en Marnix vrienden blijven én zullen ze altijd bij elkaar zijn en samen strijden tegen de tirannie. Marnix meer voor de vrijheid van de kerk en Oranje meer voor de vrijheid van de staat, maar beiden groeien dichter naar elkaar toe om te strijden voor de vrijheid van de kerk in een vrije staat. Marnix, als overtuigd calvinist, mag een middel zijn dat de Prins van Oranje in de loop van de jaren meer en meer voor het calvinisme gewonnen wordt.
In oktober 1571 komt ook de eerste nationale synode van de opnieuw gevormde kerk in de Nederlanden bijeen, in ballingschap, in Emden. De Prins van Oranje wil graag weten hoe de kerk denkt over opstand tegen Alva en de Spanjaarden. Op deze vergadering blijkt dat de kerk eensgezind achter Oranje staat. Eenheid is daartoe nodig en eenheid wordt nagestreefd, onder andere door de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus te aanvaarden als Formulieren van Eenheid. In het verslag van de vergadering lezen we:

Men sal den Heer van S. Aldegonde bidden in den naem van deser Synodale vergaderinghe, dat hy een Historie der dinghen die in sommighe jaeren herwaerts gheschiet zijn, beschrijve: ende voornamelijck van die dinghen, die de oprechtinghe der Kercken, de vervolghe der selver, die afworpinghe der Beelden, de volstandicheyt der Martelaren, die grouwelijcke oordeelen Gods teghen de vervolghers, de veranderinghen der Politiën = Overheden, etc. betreffen.


Een eervolle opdracht, maar door overgrote drukte komt Marnix er helaas niet aan toe. In deze tijd schrijft Marnix wel een ander propagandageschrift, het zo bekende “Wilhelmus van Nassouwe”, wel genoemd ‘onze nationale psalm’, dat in zeer korte tijd bijzonder populair wordt. Hierin tekent Marnix de Prins als ideale leider. En we zien dat de Prins in deze jaren meer en meer naar dit ideaalbeeld toegroeit om een calvinistische leidsman te zijn: toegewijd aan God en zo in afhankelijkheid dapper strijdend voor Zijn zaak. Marnix blijkt een groot dichter te zijn.
Dit blijkt ook uit zijn psalmberijming. Sinds zijn verblijf in Genève is zijn hart gegrepen door het psalmzingen. In de roomse kerk wordt door de gemeente niet gezongen. De kerk van de Reformatie voert dit in, op grond van de Bijbel. De Psalmen zijn het meest geëigend om Gods lof te zingen (want de Heilige Geest heeft Zelf de Psalmen geïnspireerd). Daarom worden de Psalmen in het Frans berijmd en in Genève gezongen. Zijn leven lang is Marnix met deze zaak bezig: de Psalmen eerst nauwkeurig uit het Hebreeuws in het Nederlands vertalen en er vervolgens een berijming van maken. Hij vindt dat het beste nog niet goed genoeg is en daarom blijft hij zijn leven lang zijn berijming verbeteren, zodat de kerk van Nederland de beste psalmberijming zal kunnen zingen, die er maar is. God is al deze inspanning waard! Hij schrijft erover dat hij dit werk verricht ‘in ballingschap, in de gevangenissen onder de handen der vijanden en onder vele bekommernissen.’
De psalmberijming van Marnix van St. Aldegonde wordt uiteindelijk toch niet ingevoerd, al besluit de nationale synode van 1586 in ‘s-Gravenhage wel dat het mág. Maar omdat de berijming van Datheen nog maar kort geleden is ingevoerd en de mensen deze nu net een beetje beginnen te kennen én omdat een nieuw psalmboek kopen voor de meeste mensen een groot financieel bezwaar is, komt het er uiteindelijk niet van. De psalmberijming van Datheen – waar later Wilhelmus à Brakel zo over klaagt – blijft in de kerk. En de psalmberijming van Marnix komt er niet.
Ik zal een voorbeeld geven van beide berijmingen. Psalm 1 vers 1 luidt in de berijming van Petrus Datheen (met accenttekens om te laten zien hoe kreupel de zinnen lopen):

Die níet en gáet in dér godlóosen ráet,

Die óp den wégh der sóndaerén niet stáet,

End níet en sít by dén spottérs onréyne,

Maer dách end nácht heeft ín Gods Wét alléyne,

Al síjnen lúst, ja spréeckt daerván eenpáer,

Die ménsch is wélgelúcksalígh voorwáer.
Marnix berijmt (minder kreupel) als volgt:

Welsálig ís de mán/ die ín den ráet

Vant gódloos vólck gehéelijck níet en gáet/

Nochóp den wéch der sóndaers stáet verméten/

Oft óp den stóel der spótters ís geséten:

Maer héeft alléen lust ín des Héeren Wét/

En dách end nácht wel néerstich dáer op lét.
Terug in het Vaderland

‘Toevallig’ wordt op 1 april 1572 Den Briel ingenomen door verdwaalde watergeuzen. Ze moesten van koningin Elisabeth uit Engeland vertrekken en door de storm komen ze door Gods bijzondere besturing niet bij Vlieland aan, zoals de bedoeling was, maar vlak bij Den Briel. Daar horen ze dat de Spaanse bezetting de stad net heeft verlaten, en zo nemen de watergeuzen onder bevel van Lumey de stad in voor de Prins. Hierdoor verklaren ook andere steden in Holland en Zeeland zich voor de Prins. Nu komen Oranje en Marnix weer terug in Nederland.


De Staten van Holland houden in juli van datzelfde jaar in Dordrecht hun eerste vrije vergadering. Hier vertegenwoordigt Marnix de Prins als volledig gevolmachtigde. Hij vraagt financiële steun en voert een pleidooi voor godsdienstvrijheid, voor roomsen en protestanten. Dit is weliswaar niet Marnix’ eigen standpunt, maar als vertrouwelijke raadsman van de Prins van Oranje verdedigt hij het toch. De calvinisten kunnen het daar uiteindelijk echter niet mee eens zijn. Wel besluiten ze de Prins als stadhouder te erkennen.
Ondertussen valt Lodewijk van Nassau in het zuiden Nederland binnen en bezet de stad Bergen (Mons). Alva trekt er met een groot leger naar toe en slaat het beleg om de stad. Daarom kan hij nu in Holland en Zeeland de opstand niet neerslaan. Lodewijk rekent behalve op een leger van de Prins ook op steun van de hugenoten (calvinisten) uit Frankrijk, maar in de nacht van 23 op 24 augustus 1572 – de Bartholomeüsnacht – worden die op bevel van de roomse koningin-moeder bij duizenden vermoord tijdens de zogenaamde Parijse bloedbruiloft … Een ontzettende gebeurtenis. Hulp kunnen ze nu niet meer bieden. Oranje stuurt Marnix, die bij hem in het leger is, naar zijn broer in de belegerde stad om hem van het vreselijke nieuws op de hoogte te brengen. Het leger van de Prins wordt verslagen en de Prins kan nauwelijks ontsnappen. En zo valt Bergen weer in de handen van de Spanjaarden. De Prins (en Marnix) is radeloos: “Het heeft God behaagd mij alle hoop op mensen te ontnemen. Ik ga naar Holland. Daar zal ik mijn graf maken.”
Alva trekt naar het noorden en moordt de steden Zutphen en Naarden uit. Toch houden de andere steden moedig vol! Na Naarden zal Haarlem aan de beurt komen. Het stadsbestuur wil de stad maar overgeven, maar in december 1572 komt Marnix in naam van de Prins. Hij ontslaat de aarzelende raadsleden en benoemt standvastige Oranjegezinden. Haarlem houdt het een half jaar uit voordat het zich moet overgeven. Hierdoor is de kracht van het ‘onoverwinlijke’ Spaanse leger gebroken …! Mede doordat Haarlem het volhoudt, mag in 1573 van Alkmaar de victorie beginnen. Net daarvoor schrijft een geuzenkapitein uit Alkmaar aan de Prins of hij misschien met een machtige koning een verbond heeft gesloten, zodat de mensen in Alkmaar moed kunnen scheppen. Willem van Nassau, de Vader des Vaderlands, de Prins van Oranje, schrijft aan de bijna wanhopige bevolking een zeer indrukwekkende brief:

Zo het God Almachtig beliefd heeft de stad Haarlem naar Zijn Goddelijke wil over te geven, zullen wij Hem en Zijn Goddelijk Woord daarom verlaten? Is daarom de sterke hand Gods enigszins verkort en is Zijn kerk tot niet gebracht? Aleer wij ooit deze zaak en de bescherming der christenen en andere verdrukten in dezen lande aangevangen hebben, hebben wij met den Alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk een vast verbond gemaakt, dat wij geheel verzekerd zijn dat wij, en al diegenen die daarop vastelijk betrouwen, door Zijn geweldige en machtige hand ten leste nog ontzet zullen worden.


Marnix gevangen

Marnix wordt benoemd tot gouverneur van Delft, Schiedam en Rotterdam. Bij de verdediging van de schans bij Maassluis valt hij in Spaanse handen. Dit gebeurt omdat de vechtkracht van de geuzen – zoals zo vaak – heel klein is. En als ze de Spanjaarden onverwachts zien komen, gaan ze op de loop voordat een schot wordt gelost.


Marnix wordt gevangen gezet. Hij vreest een gruwelijke dood, maar Marnix krijgt een goede behandeling, omdat net in die tijd een belangrijke Spaanse generaal gevangen is genomen. Oranje schrijft aan de Spanjaarden: “Al wat u met mijn Aldegonde doet, zal ik met uw generaal doen.” Ook schrijft hij een briefje aan de vrouw van Marnix: “Gezien de rechtvaardigheid van onze zaak, en omdat uw man in oprechtheid gehandeld heeft, moet u geduldig dragen wat God over hem beschikt en u voegen naar Zijn Goddelijke wil.”
Marnix zit gevangen op het Utrechtse slot Vredenburg. Hier heeft hij last van moedeloosheid en vraagt hij zich meer dan eens af of het gewapende verzet wel juist is. Het gaat hem immers vanaf het eerste begin niet om de vrijheid van het land, máár om de vrijheid van de godsdienst: om God te mogen dienen in overeenstemming met Zijn Woord. Hij schrijft aan zijn vriend, de Prins van Oranje:

Onze godsdienst waardoor wij ons eenvoudigweg gronden op het Woord van God, wordt op een verschrikkelijke manier vervolgd. Dat brengt mee dat het onmogelijk is dat ze in deze wereld een plek vindt om rustig te bestaan zonder vervolging. Daarom is het beter in een vreemd land als balling te leven dan onophoudelijk in oorlog te zijn.


Nu het met zoveel bloedvergieten gepaard blijkt te gaan, overweegt Marnix dus of het niet beter is om vredesonderhandelingen aan te knopen met de Spanjaarden en eventueel dan maar allemaal als balling een ander vaderland te zoeken (zoals een halve eeuw later veel Engelse calvinisten doen, die zich niet verzetten, maar naar het verre Amerika gaan om daar een nieuwe staat te vestigen, waar ze God kunnen dienen volgens Zijn Woord). Marnix is dus wel bereid de Nederlanden op te geven, maar de dienst van God nooit! Oranje krijgt in deze tijd het aanbod om koning van Polen te worden, maar hij slaat het af om zijn geliefde Nederlanden te beschermen en te verlossen …!
Is dit schrijven van Marnix nu gebrek aan godsvertrouwen? Hij schrijft zelf:

Dat ik op deze manier spreek, is geen gebrek aan geloof, maar ik weet dat God Zijn macht dikwijls meer door onze zwakheid en ons lijden aan de dag doet komen, dan door ons wapengeweld.


Marnix wordt na bijna een jaar geruild voor de Spanjaard en komt direct weer bij de Prins in dienst als zijn ‘rechterhand’. Het vertrouwen in hem is zo groot dat de Prins zegt: “Bij mijn afwezigheid moet iedereen zich tot Marnix wenden.”
Marnix reist in deze tijd heel wat af voor de Prins. Hij moet naar Heidelberg om hoogleraren te zoeken voor de pas gestichte Leidse universiteit en zelfs moet hij de bruid van de Prins (Charlotte de Bourbon) vandaar naar Nederland begeleiden. Ook moet hij voor staatszaken naar Polen, later naar koningin Elisabeth van Engeland om haar te vragen om steun. (En vergeten we niet hoe moeilijk het reizen in die tijd is: alles per paard of koets …) Weken en maanden is Marnix dan ook onderweg. En overal loeren gevaren. Maar het gaat om de vrijheid van de dienst des Heeren in een vrij Nederland. En daar heeft Marnix álles voor over.
Pacificatie van Gent

Het is 1576. De Prins probeert alle zeventien gewesten van de Nederlanden bijeen te krijgen om de Spanjaarden het land uit te jagen. De helft van deze gewesten ligt in het tegenwoordige België. De Reformatie is daar met grote zegen wijd en zijd verbreid, maar helaas wordt in korte tijd alles door Alva weer ongedaan gemaakt. Duizenden calvinisten vluchten naar het Noorden. En het Zuiden wordt weer rooms. Oranje probeert ook deze roomse gewesten in een verbond te krijgen om samen één te zijn in de strijd tegen de tirannie. Anti-Spaans is iedereen, maar …


Daartoe moet de ‘Pacificatie’ of het vredesverdrag van Gent worden opgesteld. Dominee Petrus Datheen is hier fel op tegen. Marnix is er ook niet voor, maar gaat voor de argumenten van de Prins overstag en werkt er vervolgens aan mee. Waarom zijn zowel Datheen als Marnix er niet voor? Omdat aan de roomse godsdienst ook vrijheid wordt toegekend. En dát kan en mag nooit! De roomse godsdienst is vals, is anti-Christus. Aan deze godsdienst vrijheid geven, is vrijheid geven aan God onterende leugen.
Datheen, eerst ook een vriend van Oranje, wordt vooral door deze (achteraf totaal mislukte) Pacificatie van Gent een verklaard tegenstander van de Prins. Marnix echter, hoewel inhoudelijk het met Datheen en de strenge calvinisten eens, is meer politicus, zodat hij er helaas wel in bewilligt, omdat hij ervan overtuigd is dat eenheid zo heel erg nodig is. Dit betekent helaas dat er enigszins verwijdering komt tussen de strenge calvinisten en Marnix.
Zeer geacht

Marnix is op meer dan één manier van grote dienst voor het vaderland. Overstelpend druk is hij in deze tijd vooral als de meest geliefde raadsman en vertrouwde plaatsvervanger van de Prins. Hij is een briljant onderhandelaar en redenaar. Ook is hij bijzonder begaafd zodat hij het zeer ingewikkelde geheimschrift van de koning van Spanje (waarin hij zijn brieven schrijft aan de bevelvoerder van het Spaanse leger in Nederland) weet te ontcijferen. Deze beide gaven, waarin hij boven allen in zijn tijd en omgeving uitblinkt, besteedt hij ootmoedig in dienst van steeds dezelfde zaak: vrijheid van Rome en van Spanje. Hoe gevreesd hij is, blijkt uit het verslag over een onderhandeling tussen de Prins en de vertegenwoordiger van Philips II. Die man schrijft onder andere aan de koning: “Als Marnix van St. Aldegonde er maar niet steeds bij was geweest, zouden we Oranje wel kunnen overhalen om zich aan U te onderwerpen en terug te keren in de schoot van de heilige moederkerk …”


Op 5 april 1578 is Marnix als afgevaardigde van de Staten-Generaal in Worms. Daar is de Rijksdag van de Duitse keizer bijeen. Op de dag af 57 jaar geleden stond Luther daar voor de machtige keizer Karel V en zei hij: “Hier sta ik, ik kan niet anders.” Marnix moet verslag doen van de strijd in de Nederlanden en hulp vragen aan de Duitse vorsten en aan de keizer. De Nederlanden horen in zekere zin nog bij het grote Duitse keizerrijk. Daarom is er een welwillend oor. Maar hoe gloedvol Marnix ook spreekt, hulp blijft allerwegen achterwege.
In deze tijd wordt Marnix – de overtuigde calvinist – gepasseerd om als lid te worden gekozen in ‘s lands hoogste regeringsorgaan, de Raad van State. Er zitten namelijk nogal wat roomsen in. Maar het volk neemt dit niet en eist verontwaardigd dat Marnix lid wordt. Ook de Prins dringt er op aan en dan gebeurt het. O, wat mag de godvrezende leerling van Calvijn, dichter van het Wilhelmus, schrijver van het scherpste anti-roomse geschrift (De Bijenkorf) en vertrouweling van de Prins op deze manier uitermate nuttig zijn voor de strijd tegen leugen en tirannie, tegen Rome en Spanje!
In 1581 wordt de ‘Acte van Verlatinghe’ aangenomen, waarbij Philips II als vorst wordt afgezworen. Marnix heeft hierin de hand. Net daarvoor sluiten de noordelijke gewesten of provincies de ‘Unie van Utrecht’.
Al deze jaren is Marnix druk met het schrijven van boeken. Zijn meest geliefde bezigheid is studeren en schrijven. Marnix strijdt liever met de pen dan met het zwaard. Zijn psalmberijming komt eindelijk uit en ook een boekje over het avondmaal.
Tot nog toe zijn het allemaal hoogtepunten uit het leven van Marnix. Maar nu komen we aan twee dieptepunten.
Omdat koning Philips II is afgezworen als vorst, willen de Nederlanden een ander als vorst hebben (dus niet een republiek). Marnix adviseert ze dan om de hertog van Anjou, broer van de verraderlijke Franse koning, te vragen om vorst van het Nederlandse volk te worden. Onbegrijpelijk dat Marnix dit adviseert! Want Anjou is rooms. De meerderheid is er dan ook tegen, maar Marnix mét de Prins bepraten de Staten zodat men met deze roomse hertog helaas toch in zee gaat. Het loopt op een vreselijke teleurstelling uit. De naam van Marnix lijdt hier heel wat schade mee.
Nog moeilijker is het om te zien hoe onze geliefde Marnix van St. Aldegonde in 1585 de stad Antwerpen overgeeft aan het Spaanse leger. Net voordat de Prins in Delft wordt vermoord (10 juli 1584) benoemt hij Marnix tot burgemeester van Antwerpen. Parma, de Spaanse bevelhebber, slaat het beleg om deze meest welvarende en zeer calvinistische stad, en na enige maanden lukt het hem om door honger Marnix te bewegen tot overgave. Bij deze overgave laat Marnix zelfs zijn allerbelangrijkste punt, de zaak van de godsdienst, schieten. Hoewel hij wel kan bedingen dat de protestanten vrij mogen vertrekken naar andere plaatsen.

En meer dan de helft van de bevolking vertrekt!


Dat Marnix deze domme dingen doet, die niemand van hem kan goedkeuren, komt omdat hij in zulk een moeilijke situatie zit dat hij wanhopig wordt. Hij is weliswaar geen verrader en hij laat zich ook niet omkopen, maar zijn moedeloosheid speelt hem in deze verdrietige zaak wel duidelijk parten. En dan te bedenken dat de val van Antwerpen het einde betekent van het protestantisme in Zuid-Nederland, voor eeuwen! Verder is het ook voor de noordelingen een verpletterend en bijzonder ontmoedigend bericht: de grootste, rijkste stad van de Nederlanden overgegeven … De Staten van Holland willen Marnix zelfs gevangen nemen. In het geheim komt hij op zijn kasteel in Zeeland aan. De Zeeuwse Staten verbieden hem zijn landgoed te verlaten: balling in eigen land …

Toch nog zeer nuttig

In deze tijd van stilte zet hij zich er eens te meer voor in om zijn psalmberijming te verbeteren, zodat de kerk het beste van het beste krijgt om tot Gods eer te zingen.


Ook op andere manieren is Marnix actief. In 1589 – wanneer de termijn verstrijkt die Parma aan de calvinisten in Antwerpen heeft gesteld om orde op zaken te stellen; nu ze allen óf rooms moeten worden of vertrekken – komt er een boekje van hem uit waarin hij de vervolgde of gevluchte christenen in de Zuidelijke Nederlanden bemoedigt. Het heet Trouwe Vermaning aan de Christelijke Gemeenten van Brabant, Vlaanderen, Henegouwen en andere omliggende gewesten, zowel degene die nog onder het kruis zijn, als die welke naar andere landen zijn uitgeweken; ten zeerste dienend tot troost en bemoediging tegen alle aanvechtingen in deze benauwde tijden. De oud-burgemeester van de Scheldestad schrijft nu met een hart vol bewogenheid aan (onder andere) zijn vroegere stadgenoten een woord van troost. Dit boekje is één van de eerste boekjes van de Nadere Reformatie, waarin wordt aangedrongen op de bevinding en de praktijk van de belijdenis. In dit boekje leren we Marnix kennen als een ernstig, ootmoedig en bewogen man. Dit boekje – in 1992 herdrukt – is van grote invloed op dominee Willem Teellinck.
Hier volgt een stukje:

Een trouwe vermaning

Zeer geliefde broeders in de Heere,

Wanneer het Koninkrijk Gods in een plaats gekomen is, kan het vanwege de gruwelijke ondankbaarheid der mensen spoedig verdwenen zijn als een bliksemflits. Dat is bij het joodse volk gebeurd. Dat is bij veel gemeenten in Klein-Azië gebeurd. En dat kan ook in onze gewesten gebeuren. Wij dienen ons daarom van ganser harte tot God te bekeren van ons zondige leven, om zo met vrees en beven in een oprecht kinderlijke ootmoed Zijn toorn van ons af te wenden, opdat Hij niet genoodzaakt zou zijn om – wegens onze grote ondankbaarheid – het licht van het evangelie even snel van ons weg te nemen, als de weerschijn van een bliksemflits.

Wij zien duidelijk dat de toorn des Heeren over ons ontstoken is, aangezien Hij reeds de bloeiende gemeenten van Brabant, Vlaanderen en andere gewesten heeft verstrooid.

Als u blijft in deze gewesten, bedenk dan toch in alle ernst aan welk gevaar u zich blootstelt. Bedenk ook van welk een grote genade u zich berooft. Hebt u dat liever dan dat uw inkomsten worden besnoeid? Waarlijk, geliefde broeders, u bevindt zich op een glibberig pad. Christus wil beslist dat wij bereid zijn om afstand te doen van alles om Zijnentwil. Hij heeft de vloek en toorn van God op Zich geladen om ons daarvan te verlossen, opdat wij ons leven in Zijn handen overgeven. Hij wil ook dat wij ons lichaam aan Hem toewijden en onze leden in de meest zuivere heiligheid aan Hem wijden. Er zijn predikers die zeggen dat God op de uiterlijke dingen geen acht slaat, als de geest maar onbesmet blijft. Alsof een vrouw zich zou kunnen afgeven met andere mannen en haar echtgenoot wijs maken dat ze ondertussen in haar hart hem trouw bleef … Laten wij tot onszelf inkeren en zien of dit zelfverloochening genoemd mag worden als men – o m zijn bezit niet te verliezen – de waarheid van God verzwijgt.

“Maar als we ons in ballingschap begeven”, zult u zeggen, “wie zal dan voorzien in het onderhoud van ons en onze kinderen? Wie zal ons huisvesten?” Ik vraag u: “Waarom vertrouwen wij aan God niet toe wat Hem toebehoort, en doen wij niet wat Hij ons in Zijn Woord heeft bevolen?” Laten we opmerken dat de ware zegen van God, waarnaar men zo kan verlangen, nooit wordt onthouden aan hen die hun betrouwen op God stellen en – nadat zij de afgodendienst hebben verlaten – in gehoorzaamheid tot Hem wandelen.

Laten wij daarom direct een besliste keuze maken en goede moed scheppen, dan zullen wij de hand van God tot onze hulp krachtig ondervinden en een uitnemende vreugde in ons hart gevoelen. Het hele probleem is slechts gelegen in een goed en dapper voornemen en een standvastig besluit!


Ook staatkundig mag Marnix weer nuttig zijn: Maurits, de zoon en opvolger van Prins Willem van Oranje, heeft nog steeds het volste vertrouwen in Marnix, de meest beminde raadsman van zijn vader. En in 1587 fungeert hij dan ook weer als adviseur van deze jonge prins. In 1590 volgt een officieus eerherstel van de kant van de Zeeuwse Staten. Men heeft een paar uiterst belangrijke brieven in geheimschrift onderschept. Niemand kan de code breken. En dan herinnert men zich weer hoe geniaal Marnix daarin was. Ze vragen hem het ingewikkelde geheimschrift te ontcijferen. Iemand schrijft daarover: “Het scheen mirakel ende ingevinghe van Godt te sijn, sulcke noten en tekens te konnen raden, die ymmer so verborghen schenen als menschen gedachten.” Marnix ontrafelt het geheimschrift en zo wordt een boos plan van de Spaanse koning ontdekt om Frankrijk en Engeland ernstig te schaden. Daarom sturen de Staten Marnix naar de beide landen om de boodschap over te brengen.
Nog meer blijkt hoe sterk Marnix het vertrouwen geniet van staat en kerk, wanneer in 1594 opnieuw de vererende opdracht komt om de Bijbel te vertalen in het Nederlands.
Al in 1586 besloot de nationale synode van ‘s-Gravenhage Marnix te vragen het noodzakelijke Bijbelvertaalwerk ter hand te willen nemen. Om welke reden weten we niet, maar Marnix weigerde. Mede daarom is er nog steeds geen betrouwbare, nauwkeurige vertaling. De enige Nederlandse vertalingen zijn vertalingen van de Lutherbijbel. Daarover schrijft Marnix:

Ik houd de gebruikelijke vertaling voor zó gebrekkig dat zij een geheel nieuwe bearbeiding vereist. Er moet een nieuw werk komen. Want onder al de vertalingen die bestaan, is er geen zó ver verwijderd van de Hebreeuwse waarheid als die van Luther.


We moeten wel bedenken dat Luther de eerste was die dit zware werk verrichtte. Maar nu moet er vanuit het Hebreeuws en het Grieks zuiver in het Nederlands worden overgezet, wat God in Zijn Woord zegt. Marnix is in die twee talen bijzonder goed thuis en doet zijn best om – ondanks dat hij vele malen als adviseur van prins Maurits op reis is en op allerlei andere manieren voor ‘s lands zaken bezet – aan de Nederlandse kerk, die hij zo lief heeft, een zuivere vertaling van Gods Woord te geven.
Zo wordt de door Calvijn onderwezen theoloog nog eens in bijzondere zin, wat hij zijn leven lang is: dienaar van het Goddelijke Woord. Als hij vier jaren later sterft, zijn er echter helaas nog maar een paar Bijbelboeken vertaald. Het werk blijft vervolgens liggen totdat op de Dordtse Synode van 1618-1619 opnieuw de opdracht komt om de Bijbel te vertalen. Nu niet door één man alleen, maar door een commissie. Ze maken goed gebruik van het werk dat Marnix verricht. En in onze betrouwbare Statenvertaling werkt op deze manier de vertaalarbeid van Marnix nog steeds door.
In 1595 komt een belangrijk bestrijdingsgeschrift van Marnix uit. Het is gericht tegen de wederdopers en andere sektariërs, die de stem van God niet in de Bijbel zoeken, maar in hun eigen hart. En die daarom de Bijbel verachten. Het heet: Ondersoeckinge ende grondelijcke wederlegginge der geestdrijvische leere, aengaende het geschrevene Woort Godes.
Na zijn dood worden nog twee werken gedrukt, die in handschrift klaar liggen. In de eerste onderwijst Marnix de jeugd. Het heet Cort begrip der voornaemste Hooft Stucken der Christelijcker Religie. Het tweede is in het Frans geschreven (de taal van de hogere kringen in die tijd), en pas in 1988 in het Nederlands vertaald, en heet: Traicté du Sacrament de la Saincte Cène du Seigneur / Verhandeling over het sacrament van het Heilig Avondmaal des Heeren.
Hier volgt een stukje daaruit:

Niemand kan de weldaden die ons in Christus worden aangeboden, in bezit krijgen, tenzij hij Christus aanneemt door het geloof.

Het hele menselijke geslacht, niemand uitgezonderd, zou verloren zijn geweest en aan de eeuwige verdoemenis zijn prijsgegeven, indien de Heere niet – om de onuitsprekelijke rijkdom van Zijn grote barmhartigheid te tonen – naar Zijn welbehagen uit dit algehele verderf sommigen had willen uithalen en verkiezen, die het Hem behaagde deelgenoten te maken van het eeuwige leven. Bedenk wel dat niemand hieraan deel kan hebben, tenzij hij deel heeft aan Christus, het Hoofd van het verbond, buiten Wie niets anders bestaat dan vervloeking en eeuwige verdoemenis. Het middel om deel te krijgen aan deze zegen – in Gods belofte – is het geloof, dat de belofte omhelst en aanneemt. De reden waarom de wereld niet deelt in de weldaden die God zo overvloedig in Jezus Christus tentoonspreidt, is dan ook dat ze Hem niet willen aannemen. God schenkt wel overvloedig en gratis, maar Hij wil dat wij Zijn milddadigheid aannemen en zo daadwerkelijk betuigen dat we Hem voor betrouwbaar en waarachtig houden in Zijn mildheid en goedheid.

Christus aannemen is Hem aanvaarden, zoals Hij in het evangelie wordt gegeven. En geloven in Zijn Naam is zich volledig op Hem verlaten en van niemand anders heil verwachten. Maar de roomse kerk zegt dat een christen zich op geen enkele manier kan en mag verzekerd houden van de waarachtigheid en krachtdadigheid van Gods beloften jegens hem. Daarom worden allen die de rust van het geweten funderen op de zekerheid van Gods onfeilbare beloften, veroordeeld als ketters.

Verder, wij zijn met Christus gestorven om in nieuwheid van leven te wandelen en wij leven met Christus om aan de zonden te sterven. Het ware en enige middel om de mensen goede werken te leren doen is dat men hen leert al hun verdiensten in Christus te zoeken. Want het is onmogelijk dat de vereniging met Christus werkeloos blijft. Wanneer Hij in ons woont door het geloof, deelt Hij ons Zijn Geest mee, Die de Enige is, Die ons kan heiligen, en zonder Wie het onmogelijk is dat we vruchten dragen in enig goed werk. De goede werken zijn dus de vruchten en de bewijzen van de nauwe vereniging, die er is tussen Christus en Zijn gelovigen.

De enige grond van de hoop op de eeuwige heerlijkheid is in de vereniging met Christus door middel van het ware, levende geloof. Buiten deze vereniging met Christus is niets anders dan ellende, toorn en vervloeking. Vandaar dat de Heilige Geest in heel de Schrift ons roept tot deze gemeenschap en haar aan ons voorstelt, opdat zij ons voortdurend voor de ogen en in het hart zou zijn als het enige doel waarop wij ons moeten richten.


Marnix blijft zo tot vlak voor zijn sterven steeds met heel zijn ziel ijverig werkzaam voor het welzijn van de kerk der Nederlanden, de opnieuw volgens Gods Woord gevormde kerk, van de roomse dienstbaarheid verlost. Daar geeft hij als vertrouweling van Oranje zijn beste krachten aan, als bemiddelaar tussen de Prins en de kerk, de predikanten, de synoden. Ook in de tijd dat hij balling is – de tijd van brieven schrijven aan kerkenraden en gemeenten, in en buiten Nederland. Daarom mag hij een grondlegger van de kerk van Nederland worden genoemd. Ook staat hij aan de wieg van de predikantsopleiding van de universiteit van Leiden.
Het geestelijk welzijn van zijn arme volk gaat hem zeer ter harte. Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, behorend bij de rijkste en meest aanzienlijke edelen van Nederland, kiest partij voor de verachte slachtschapen van Christus, die te vuur en te zwaard worden vervolgd door de wrede Bloedraad van Alva.
Marnix lijkt op Mordechai, van wie we lezen (Esther 10 vers 3): “Mordechai was de tweede bij de koning, en groot bij de joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broeders, zoekend het beste voor zijn volk, en sprekend voor de welstand van zijn ganse zaad.”
Het levensdevies van Marnix is Repos ailleurs, wat betekent: De rust is elders. Dat blijkt heel zijn leven lang waar te zijn. Onvoorstelbaar veel werk verzet hij, nooit is er rust. Maar op 15 december 1598 ontvangt hij in Leiden op 58-jarige leeftijd de rust die overblijft voor het volk van God. Het is zijn sterfdag.
Het grote strijdpunt van die tijd

Zeker is het dat de eenheid van de gelovigen met God door Jezus Christus de enige barrière is die de wereld verdeelt in twee groepen en partijen, waarvan de ene aan de Heere als Zijn ware kerk is toegewijd, terwijl de andere verdeeld is in een oneindig aantal sekten en partijschappen, die met deze ware kerk voortdurend in staat van oorlog verkeert.

Hoe komt dat dan?

De volgende oorzaak is niet de minst belangrijke: de mens is vanuit zijn natuur zo opgeblazen van verwaandheid en zo vol van geveinsdheid, dat hij zijn eigen denkbeelden verafgoodt. En in plaats dat hij zijn gedachten onderwerpt aan het Woord van God, zet hij de woorden van de Schrift naar zijn eigen hand, om voor waarheid te doen doorgaan wat hij zich tevoren al in zijn hoofd heeft gezet, en wat hij heeft besloten om koste wat kost vol te houden. En wanneer men daarop zichzelf eigenzinnig en willens en wetens wijsgemaakt heeft dat men het Woord des Heeren aan zijn kant heeft, stopt men zijn oren toe voor alles wat als bewijs van het tegendeel naar voren gebracht zou kunnen worden.


Dit is een van de grootste problemen van de tijd van Marnix in de strijd tussen Rome en Reformatie … En hieruit is het te verklaren dat er geen enkele toenadering mogelijk is.
Tenslotte een samenvatting van heel het leven van Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, eerst in de woorden van zijn berijming van Psalm 130:
Uit vreselijk afgronden,

Daar ik van alle zij

Lig deerlijk in verslonden,

Schrei ik, o Heer’, tot Dij.

Wil mijne stemme horen,

Wil neigen, Heer’, met vlijt

Tot mijn gebed Dijn oren;

Versta toch mijn gekrijt.
Zo Du wilst de gebreken

End zonden gadeslaan,

Wie zal het hoofd opsteken

Om voor Dij, Heer’, te staan?

Maar nu bist Du genadig;

Bij Dij is aflaat, Heer’,

Opdat de mens misdadig

Dij vreest en zich bekeer’.
Dies wil ik op God wachten.

Mijn ziele wacht met lust

Op Hem uit ganser krachten.

Zijn Woord is mijne rust.

Ik wacht met meerder zorge

Op God uit ‘s harten grond

Dan wakers op de morgen,

Ja op de morgenstond.
Dat Israël vrijmoedig

Wacht op de Heer’, in nood.

Bij Hem is gunst zeer goedig

En ook verlossing groot.

Hij is ‘t, Die uit genade

Zijn volk verlossen zal,

En Israël ontladen

Van zijne zonden al.
Zijn berijming van Psalm 23: De HEERE is mijn Herder
De Heer’ is Zelf mijn Herder, Die mij hoedet.

Mij ontbreekt niets, ik word door Hem gevoedet.

Hij legert mij op schoon begraasde weiden

En zal mij voorts aan ‘t stille water leiden.

Hij stelt mijn ziel gerust, en uit genade

Om Zijns Naams wil voert mij op rechte paden.
Dies vreesd’ ik niet, al moest ik daar beneden

In ‘t donker dal van ‘s dodes schaad’wen treden;

Daar Du bij mij bist altoos, Heer’ genadig.

Dijn roed’ en staf vertroosten mij gestadig.

Du zulst voor mij de tafel rede houwen,

Vast onder ‘t oog van hen die mij benauwen.
Du zulst mij ‘t hoofd met goede zalf begieten

En mijnen kroes vol drank doen overvlieten.

Het ga zo ‘t wil: mij zal altoos aankleven

Genaad’ en gunst, zolang als ik zal leven.

En ‘t lustig huis des Heeren hooggeprezen

Zal eeuwiglijk mijn vaste woonstad wezen.

Hier nog een paar berijmingen:


Lieve Heere, God almachtig,

Groot en vrees’lijk, sterk en krachtig,

Die getrouwe t’aller stond

Onderhoudest Dijn verbond

Ende doest genade goedig

Al degenen die ootmoedig

Dij liefhebben en vertrouwen,

Ende Dijn geboden houwen.
Ik beken ‘t, wij hebben waarlijk

Veel gezondigd ende zwaarlijk;

Onrecht hebben wij gedaan;

Ja, wij hebben onderstaan

Tegen Dij ons op te steken

Zijnd’ ontrouw’lijk afgeweken,

O God boven alle goden,

Van Dijn rechten en geboden.
Naar hetgeen ons de profeten,

Dijne dienaars lieten weten,

Slaand’ in Dijnen Name voor,

Gaven wij gans geen gehoor.

t Was vergeefs al wat zij zeiden



Onzen koning, overheiden,

Vad’ren, kind’ren, groot en kleine

ende den volk in ’t gemeine.
Maar toch is er recht genadig

En barmhartigheid gestadig;

Ja, van aflaat overschot

Bij de Heer’, onz’ trouwe God.

Al is ‘t dat wij wedersporig

Zijn geweest, en ongehorig

s Heeren stem, ons voorgedragen,



Hebben in de wind geslagen.
Doch, o Heere, wil nu horen.

Onze God, neig toch Dijn oren

Tot Dijns dienaars droef gebed,

En op zijne smeken let.

Dat Dijn heilzaam Aangezichte

Dijnen heiligdom verlichte

(‘twelk nu ligt verwoest) ter ere

Onzes Heilands ende Heeren.
Hier volgt het ‘Wilhelmus’ in oude spelling:
Wilhelmus van Nassouwe

Ben ick van Duytschen bloet/

Den Vaderlant ghetrouwe

Blijf ick tot inden doot:

Een Prince van Oraengien

Ben ick vrij onverveert/

Den Coninck van Hispaengien

Heb ick altijt ghe-eert.
In Godes vrees te leven

Heb ick altijt betracht/

Daerom ben ick verdreven

Om Landt om Luyd ghebracht:

Maer Godt sal my regeren

Als een goet Instrument/

Dat ick sal wederkeeren

In mijnen Regiment.
Lijdt u, mijn Ondersaten,

Die oprecht zijn van aert/

Godt sal u niet verlaten

Alzijt ghy nu beswaert:

Die vroom begheert te leven

Bidt Godt nacht ende dach/

Dat Hy my cracht wil gheven

Dat ick u helpen mach.
Lijf en goet al te samen

Heb ick u niet verschoont/

Mijn Broeders, hooch van Namen,

Hebbent u oock vertoont:

Graef Adolff is ghebleven

In Vrieslandt inden Slach/

Sijn Siel int eewich Leven

Verwacht den Jongsten dach.
Edel en Hooch gheboren

Van Keyserlicken Stam:

Een Vorst des Rijcks vercoren

Als een vroom Christen Man/

Voor Godes Woort ghepreesen

Heb ick vrij onversaecht/

Als een Helt sonder vreesen

Mijn Edel bloet ghewaecht.
Mijn Schilt ende betrouwen

Sijt ghy/ O Godt mijn Heer/

Op U soo wil ick bouwen

Verlaet my nemmermeer:

Dat ick doch vroom mach blijven

U dienaer taller stondt/

Die Tyranny verdrijven/

Die my mijn hert doorwondt.
Van al die my beswaren/

End mijn Vervolghers zijn/

Mijn Godt, wilt doch bewaren

Den trouwen dienaer Dijn:

Dat sy my niet verrasschen

In haren boosen moet/

Haer handen niet en wasschen

In mijn onschuldich bloet.
Als David moeste vluchten

Voor Saul den Tyran:

Soo heb ick moeten suchten

Met menich Edelman:

Maer Godt heeft hem verheven/

Verlost uut alder noot/

Een Coninckrijck ghegheven

In Israël seer groot.
Na tsuur sal ick ontfanghen

Van Godt mijn Heer dat soet/

Daer na so doet verlanghen

Mijn Vorstelick ghemoet/

Dat is dat ick mach sterven

Met eeren in dat Velt/

Een eewich Rijck verwerven

Als een ghetrouwe Helt.
Niets doet my meer erbarmen

In mijnen wederspoet/

Dan datmen siet verarmen

Des Conincks Landen goet/

Dat u de Spaengjaerts crencken

O Edel Neerlandt soet/

Als ick daer aen ghedencke

Mijn Edel hert dat bloet.
Als een Prins op gheseten

Met mijner Heyres cracht/

Vanden Tyran vermeten

Heb ick den Slach verwacht/

Die by Maestricht begraven

Bevreesde mijn ghewelt/

Mijn Ruyters sachmen draven

Seer moedich door dat Velt.
Soo het den wille des Heeren

Op die tijt had gheweest/

Had ick gheern willen keeren

Van u dit swaer tempeest:

Maer de Heer van hier boven

Die alle dinck regeert/

Diemen altijt moet loven

En heeftet niet begheert.
Seer Christlick was ghedreven

Mijn Princelick ghemoet/

Stantvastich is ghebleven

Mijn hert in teghenspoet/

Den Heere heb ick ghebeden

Van mijnes herten gront/

Dat Hy mijn saeck wil reden/

Mijn onschult doen oorkond.
Oorlof mijn arme Schapen

Die zijt in grooten noot/

U Herder sal niet slapen

Alzijt ghy nu verstroyt:

Tot Godt wilt u begheven/

Sijn heylsaem Woort neemt aen/

Als vrome Christen leven/

Tsal hier haest zijn ghedaen.
Voor Godt wil ick belijden

End Zijner grooter Macht/

Dat ick tot gheenen tijden

Den Coninck heb veracht:

Dan dat ick Godt den Heere

Der hoochster Maiestyt/

Heb moeten obediëren/

Inder gherechticheyt.





De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina