Dienaars van Christus en beheerders van Gods heilgeheimen



Dovnload 31.54 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte31.54 Kb.

Dienaars van Christus en beheerders van Gods heilgeheimen


(ter bemoediging van [aanstaande] dienaren van het Woord]
Op onze weg naar het ambt zijn er soms de teleurstellingen: belemmeringen doordat het met de studie niet goed gaat; verhinderingen doordat u zich om wat voor reden dan ook geblokkeerd voelt in Gods verborgen omgang. En het is daardoor dan ook wel, dat u soms denkt: Ben ik wel geroepen tot een arbeid in Gods Koninkrijk als die van dienaar des Woords, waar ben ik eigenlijk aan begonnen?
Mij dunkt, in het bijzonder in zulke tijden van neergang is het goed op het Woord van God teruggeworpen te worden om nog weer eens opnieuw u in beslag te laten nemen door de hartveroverende doelstelling van het werk van een dienaar van het Goddelijk Woord.


Om die reden kies ik mijn uitgangspunt in een woord uit 1 Kor.4 : 1: ‘Alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods’. 1Als ik over dit stralende woord iets mag zeggen, doe ik dat vooral met het oog op de prediking die u als herauten Gods straks mag brengen.



Paulus in Korinthe

Welnu, de apostel Paulus zei van zijn verblijf in Korinthe: ‘Ik was bij ulieden in zwakheid en in vreze en in vele beving" (1 Kor.2 : 3). Geen krachtfiguur, zoals andere retorische sprekers in Griekenland met hun meeslepende betogen. En aldus ook het oordeel van Korinthe's gemeente over de apostel zelf. Men taxeerde Paulus als een ietwat zwakke verschijning. Men vergeleek hem met Apollos, zijn opvolger, de man die zo machtig was in de Schriften en zo welsprekend, een man met een vurige geest.

Anderen zagen wat meer in Cefas, Petrus, de discipel van Jezus die het toch echt uit de eerste hand had en die misschien veel eenvoudiger preekte dan de theoloog Paulus.
Een gemeente laat soms haar dienaars de revue passeren en staat ook wel eens te haastig en soms zelfs wat onbarmhartig met haar oordeel klaar. Geef mij die of die maar. "Ophouden", zegt Paulus dan in de tekst van 1 Kor.4 : 1. Het wordt zo gemakkelijk roemen in mensen. Zeg niet: ‘Dat is mijn man’. Ik ben één uit velen. En u mag ons allemaal hebben, ieder zo met zijn eigen gaven en ieder zo met zijn eigen opdracht: de een om te planten, de ander om nat te maken. Maar ieder van ons nooit meer dan een dienaar van Christus. Zo zijn we bij u aangediend. En alzo (zie hoofdstuk 3) houde ons een ieder mens. ‘Dienaars, door welke gij geloofd hebt’. Middelen der genade. En als wij zo'n middel der genade voor u mochten zijn, wees daar dan maar mee tevreden en verblijd.
Geen onheilige persoonsverheerlijking, noch ook lelijke persoonsverguizing. Het is ons (in feite) voor het minst, dat wij door mensen geoordeeld worden (vs. 3). Ja het komt er ook niet op aan, wie we in eigen ogen zijn. Oordeel met het oordeel van God. Welbeschouwd zijn wij niet meer (ook niet minder) dan dienaars van Christus.
Dienaars van Christus
Dat is een eretitel. De hoogste onderscheiding die aan een mensenkind gegeven kan worden. Dienaar van Christus. Nooit meer dan dat.

't Lijkt iets minderwaardigs. Een dienaar immers moet altijd een ander nalopen. Zijn schoenriem ontbinden of hem zijn schoenen nadragen. Wie doet dat graag? Een Griek in Paulus' dagen vond zoiets verachtelijk. Een mens wordt nooit gelukkig, als hij moet dienen, dacht de Griek. En laten we maar eerlijk zijn, wij hebben 't daar ook niet op. Wij worden allemaal liever bediend dan dat wij anderen dienen.



Wij hebben van vader Adam geleerd om een grote baas te zijn, zelfs als God te zijn. De grote mijnheer uithangen. Eigen heer en meester. Dat zit er bij ons zo diep in. Een mens wil op de troon ten koste van Gods eer. Wij zoeken naam en faam. Dat kan, als we een zaak hebben, die er mag zijn, een huis, een bankrekening. Dat kan als we vroom willen zijn in de ogen der mensen. Dat kan ook, als we voor ons een hoge plaats begeren in 't leven, de vierkante meter heilig land van een kansel, waar we domineren kunnen.
Maar dat alles maakt van ons verdoemelijke mensen. Want alles wat we meer zijn dan dienaar van Christus, dat hebben we van onszelf gemaakt en dat maakt ons doodongelukkig en het sticht niemand. We bezondigen ons aan God en Zijn eer. Wij moeten dienaars van Christus zijn. En dat is geen sterveling van huis uit. Nu ja, misschien noodgedwongen. Want we voelen er op zijn tijd wel eens wat van, dat we zelfzoekers zijn, op weg naar het verderf. En we zijn misschien wel eens bang om voor de rechterstoel van Christus te verschijnen. Daarom wringt een mens zich soms in duizend bochten om zo fatsoenlijk en vroom mogelijk voor de dag te komen.
Maar dat is op z'n best een slaafs, wettisch leven. Het hart is niet ingewonnen. Het is slechts een opgelegde zaak. Als er geen hel was, we zouden de dienst van Christus niet zoeken.
Nu, Paulus gebruikt in de tekst expres niet het woord voor dienaar dat slaaf betekent. Want dan zou men kunnen denken aan iets gedwongens. Hij gebruikt een woord, dat helper betekent (Gr.’hupèretos’). Assistent van Christus. Een hoge waarheid, waar een mens door genade toe wordt geroepen en waartoe hij door de liefde wordt bekwaamd. Dan, als hem de schellen van de ogen worden gerukt en hij het gaat inleven, dat hij met zijn zelfzuchtige bestaan zijn eigen graf graaft. Dan, als hij door wederbarende genade leert hunkeren naar de levende God. Dan, als hij vrijwillig afscheid leert nemen van het leven der zonde. Dan wordt het ondoorgrondelijk genadewonder aan hem ontdekt. Dan geeft dat hem ogen voor Christus. Dan wordt het zo onuitsprekelijk groot, dat er nog iemand naar hem om wil zien. Dan krijgt hij het nooit meer klein, dat Christus naar zo'n nietsnut en goddeloos mens omziet, om hem geeft, hem opraapt en thuisbrengt aan Gods Vaderhart.
In deze weg wordt in principe een mens geroepen om assistent van Christus te worden. Dat wordt geboren, niet gemaakt. Dan is alles, wat aan Christus is, gans begeerlijk. En dan is ook Zijn dienst een schone en liefelijke. Dan zeggen we: ‘Heere, voor eeuwig in Uw dienst, dat is het, wat ik zou willen’.
Zo was 't met Paulus gegaan, toen Jezus die hij vervolgd had en die Hem verschenen was op de weg naar Damaskus, tot hem gesproken had: "Richt u op en sta op uw voeten, want hiertoe ben ik U verschenen om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in dewelke Ik u nog zal verschijnen" (Hand.26 : 16). "Wiens ik ben, welke ik ook dien’ (Hand.27 2b).
Mag ik u vragen: "Bent u al van Meester veranderd?" Ik zal het mezelf vragen. Is Zijn Naam al de jaren van mijn heilige dienst op mijn lippen geweest, omdat ik er zin in had om anderhalf uur vol te praten of omdat Hij mijn hart gestolen had en omdat ik voelde, dat ik als een vriend van de Bruidegom mocht dingen naar de hand van Zijn bruid? Was het, omdat het God behaagde mij ogen te geven voor de noodzakelijkheid, de gepastheid en de dierbaarheid van deze Christus? Was dat niet, omdat Christus voor mij en voor iedereeen de enige Zaligmaker is, wiens bloed het gewonde hart vrede geeft en wiens open graf nieuwe levensmogelijkheden biedt?
Hij is dienenswaardig, omdat Hij verlost van de ergste nood van het mensenbestaan, die van de zonde en de godgescheidenheid. Hij is dienenswaardig, omdat Hij ons werkelijk zinvol leert leven: zachtmoedig, nederig van hart, in opofferende naastenliefde.
Men kan ons nooit meer eren dan wanneer men ons houdt voor een dienaar van Christus. Niet meer dan wat wij kunnen worden door genade. Nu ja, een dienaar van Christus met een speciale opdracht, nl. om allen te betuigen, dat het hart niet rust, totdat het rust in Christus’ volbrachte werk. Dat is 't mooiste werk ter wereld. Als ik opnieuw 32 jaar mocht leven, zou ik het niet beter doen, ik zou echter geen jaar en geen dag iets anders willen doen.
Houd ons a.u.b. voor een dienaar van Christus. Adolph Monod riep op zijn sterfbed: "Heere, geef mij mijn bediening weer; ik kan zonder haar niet leven". En Von Zinzendorf heeft eens gezegd: ‘Ik heb maar één hartstocht en dat is Hij, slechts Hij’.

Houdt ons voor een dienaar van Christus. Willem Teellinck vertelt ergens van een collega die 's middags maar drie mensen in de kerk had, maar preekte met een vuur, alsof hij voor duizenden stond. Iedere dienaar van Christus zal, als het goed is, gekenmerkt worden door een gedurig en hartstochtelijk pleidooi voor Christus.


Hoe een mens dat volhoudt? Als hij zelf gedurig bediend mag worden uit de levende Christus. Geen ongelukkiger man dan die man die geroepen is om over Christus te spreken, maar die zelf nooit aan Hem is toegekomen. Maar geen gelukkiger mens ook dan een dienaar van Christus, wiens mond overloopt omdat het hart vol is van Christus.

Dienaars van de kerk

Een predikant is eerstens een dienaar van Christus. En dan is hij ook een dienaar van de kerk, van de gemeente. Uw dienstvaardige dienaar, een hulpe tegenover … bij wie men mag aankloppen, aan wie men zijn zielennood vertellen mag en alle andere noden, ook vreugden. Ook als God door Zijn bediening wilde zegenen.


Dienaar van de kerk, de vaderlandse, die ondanks de verwording in velerlei opzicht lichaam van Christus is. Een ziek lichaam, in doodslijden. Maar daarom toch nog wel lichaam van Christus. Daarom moeten wij op onze post blijven en in die kerk onze Meester dienen. Daarom kunnen wij uit die kerk niet heengaan, ook al staan we duizend keer op de tocht. Wie een trouwe dienaar van Christus wil zijn, loopt niet gemakkelijk van zijn post.

Hij heeft ook de kerk lief, waar God hem een plaats gaf, waar de Heere hem het ambt gaf.


Een dienaar van Christus; een dienaar van de gemeente. Een dienaar van mensen, maar geen behager van mensen. Daar moeten wij altijd erg voor oppassen. Wij mogen naar het hart van Jeruzalem spreken, maar nooit naar de mond van Jeruzalem. Wij kunnen het om Godswil niet iedereen naar de zin maken. Wij preken niet de bevindingen van Gods vromen, zonder die te toetsen aan het onfeilbare Woord van God.
Een dominee moet niet wijzer willen zijn dan een eenvoudig kind van God dat uit de gunning van zijn hart en zonder zichzelf te bedoelen over de leidingen van God in zijn leven spreekt. Maar hij moet altijd wel bedenken, dat het diepst ingeleide kind van God dwalen kan. En hij moet er zeker tegen waken, dat hij een naprater wordt en vooral een naprater van dwalingen.

Wij hebben maar één bron waaruit wij putten in de prediking. En dat is de heilige Schrift. Daaraan hebben wij alles van onszelf en van anderen te toetsen. Wij moeten gedurig met alles wat er leeft in eigen hart en in dat van anderen het Woord worden ingejaagd. Houd ons voor een dienaar van Christus, van de kerk, van de gemeente, van het Woord van God.

Maar nu nog dat andere woord dat in 1 Kor.4 : 1 genoemd wordt.
Rentmeester/ beheerder
Paulus noemt zichzelf nl. ook uitdeler van de verborgenheden Gods (Gr. ‘oikonomos mustèrioon theoe’). Een prachtnaam voor een mensje uit het stof opgerezen. Het woord uitdeler betekent eigenlijk: beheerder, huishouder, rentmeester, econoom. Manager ofte wel schatbewaarder Vgl. Tit. 1 : 7.
Als oudtijds een heer buitenslands reisde, droeg hij de zorg over zijn gezin (kinderen, personeel), over zijn bedrijf en over zijn kapitaal soms op aan één van zijn dienstknechten. Uiteraard moest dat een trouwe man zijn, een te vertrouwen man, een vertrouwensman.
Ziedaar, wat een dienaar van Christus ook mag zijn. Vertrouwensman, man met een sleutelpositie. En die het beheer over al Christus' goederen krijgt. Die heten in de tekst: verborgenheden, geheimenissen Gods. Had Christus niet tot Zijn jongeren gezegd: ‘Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt’ (Joh.15 : 15b). En: ‘U is het gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten’ (Matth. 13 : 11b).

Dat is niet gering. De schatten van het Koninkrijk der hemelen beheren. Een dienaar van Christus mag het. Een beheerder zijn van het grote geheimenis, voor alle tijden verborgen, maar wereldnieuws geworden sinds de zending van de Zoon. Het grote nieuws van Gods verkiezende genade, van de genoegzaamheid van het offer van Christus aan het kruis, van de onweerstaanbare heilige Geest die daarvoor plaats maakt in een mensenhart.2


Verborgenheden Gods. In één woord: dat er voor goddelozen uit de heidenwereld, zoals wij, een verse en levende weg ontsloten is naar het Vaderhart in Christus Jezus. De tijden der onwetendheid zijn voorbij. Wij hoeven het voor elkaar niet te verbergen. Wij mogen het niet eens. Het ondoorgrondelijke geheim van Gods liefde voor zondaren.
Wij brengen geen vindingrijke snufjes op de kansel, waar mensen misschien verbaasd van staan: Waar haalt hij het allemaal vandaan? Nooit eerder van gehoord. Wij brengen een oud Evangelie: U kunt zalig worden. U kunt een ander mens worden. U kunt een houvast vinden in uw vertwijfelde bestaan. Vandaag tenminste nog wel. Dat is groot nieuws. Daar heeft een verblinde en harde zondaar geen oor naar en geen oog voor, ook geen hart, tenzij het hem geopenbaard wordt. Hij zal er zelf niet opkomen, dat hij wel eens voor eeuwig verloren kon gaan. Hij zal er zelf niet opkomen, dat hij tevergeefs leeft, als hij God niet leert bedoelen.
Hij zal er zelf niet opkomen, dat hij op kosten van een ander voor eeuwig gelukkig kan worden. Het zijn allemaal verborgenheden voor de natuurlijke mens. En het is zo vreselijk, als dat dingen zijn, die ook voor ons nog verborgen zijn.

Als dat zo is, kunnen we met veel zwaarwichtigheid en bravoure - met zgn. ambtsgezag - optreden. Maar de gemeente kijkt er doorheen. En God zeker ook.


Maar staat er niet in de tekst, dat de dienaars van Christus ook uitdelers van de verborgenheden Gods zijn? Dat is nogal wat. Een geweldige verantwoordelijkheid. Voor de man in kwestie zelf. Dat eerst. Een beheerder van de schatten van Gods Koninkrijk. Een vriend van de Bruidegom die 't door Hem in 't oor gefluisterd krijgt: ‘Ik vertel u alles van Mijn Vader’.
Weet u wat u doet? Graaf vooral in het Woord. Dat voorop en voor alles. U mag veel lezen. Van wat theologen vandaag aan het papier toevertrouwen. Het is nogal eens ‘vermoeiing des vleses’ (Pred. 12 : 12).. Lees biografieën van ‘groten’ in het Koninkrijk van God. Het is vaak inspirerend. Maar lees vooral het Woord van God zelf. Lees het - de vinger bij ieder woord - in de grondtekst en haal er als een bij uit de bloem de honing uit. Als dat u niet redt, bent u reddeloos. Maar het zal u redden. Gewis. En houd uw gemeente daar dan mee bezig. Niet met verhaaltjes, waarbij men de Bijbel thuis op de boekenplank kan laten liggen.
Uw preken mogen blikvangers hebben (aansprekende verhalen – ‘haggada’). Maar zij moeten nr. 1 blikvanger zijn. De blik vangen van en voor Christus. En dan is het Woord alleen genoeg. Maak u daarmee sterk. Niet met een eindeloos citeren van anderen die het zo goed zeiden (l'Loyd Jones noemt dat prostitutie).
Een goede beheerder zijn. Een econoom. Denk erom: daar is niets van u bij. Het is alles van een Ander en voor een ander. Goed beheer. Een trouwe huisbezorger Gods. Als ‘Mozes die getrouw was in geheel zijn huis’ (Hebr. 3 : 2). Goed beheer. Dat betekent, dat we er geen rommel van maken. Preek van God uit naar de mensen toe. Niet omgekeerd.

En de uitverkiezing op zijn plaats, niet als ‘een struikelblok op weg naar God, maar als een altaar der aanbidding bij God’ (Calvijn). Niet zeggen: ‘Mensen, er is genade voor de grootste der zondaren, maar je moet eerst de kentekenen der genade bezitten om te weten of je er wel gebruik van maken mag". Dat is geen goed beheer.


Niet met de ene hand geven en met de andere terugnemen. Er geen bende van maken. Niet de mensen verhinderen om in te gaan. Christus verkondigen, geen eendagsmeningen. Christus verkondigen als een Borg die midden in het recht Gods staat. De mensen aanzeggen, dat het zo heerlijk is om de wet des Heeren te onderhouden, lief te hebben en zichzelf te verloochenen en tegelijk, dat geen sterveling daar ooit aan toekomt. En dan zeggen, dat er een Mens was, die 't in onze plaats kwam doen. Jezus, het Lam. En dat Hij het plaatsvervangend en zo volmaakt heeft gedaan, dat er van onze kant niets bij hoeft. En dan voorts zeggen, dat ons nergens verboden wordt om op deze Christus te hopen. En Hem dan maar aanprijzen. Zoals onze Statenvertaling zegt: uitdelen. De uitdeling (lat. ‘dispensatio’) is ons toebetrouwd. Een huisbezorger van een heer moest oudtijds immers goed voor het gezin en voor het personeel van zijn meester zorgen. Uitdelen. De kleintjes niet te vergeten. Die krijgen bij ons aan tafel immers ook de meeste zorg?
Uitdelen. Zielenvoedsel. Dit, dat een mens niets meebrengt en dat alles uit genade is. "De armen van Christus, van Zijn eeuwige liefde, reiken dieper dan onze diepste diepten" (Kohlbrugge). Uitdelen. ‘Menigerlei genade Gods’ (1 Petr. : 10). Menigerlei. Altijd weer wat nieuws. Niets verzwijgen, ook niet, als het de mens hard valt, ook niet, als we mensen alles, alles, alles, tot en met al de gronden van hun tranen en bevindingen moeten afnemen.
Een dominee heeft een zwijgplicht wat betreft die dingen die hem vertrouwelijk ter kennis zijn gebracht. Maar hij heeft geen zwijgplicht, integendeel hij heeft zelfs een spreekgebod wat betreft de heilige dingen die hem van Godswege zijn meegedeeld. Straks zal het zijn: ‘Geef rekenschap van uw rentmeesterschap’ (Luk. 16 : 2b). En dat zal nooit gaan, of hij moet zijn Meester levenslang hebben aangeprezen. Welk een verantwoordelijkheid. Augustinus heeft eens gezegd "Wie zou zich daaraan niet willen onttrekken? Maar het Evangelie jaagt mij schrik aan’.
Laat in onze prediking het bloed van Christus vloeien. Laten Zijn tranen de vrije loop krijgen. ‘Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient" (Luk. 19 : 42a).

Weet u, wat ik in al de jaren van mijn ambtsbediening enigermate heb mogen leren? Dat een mens met het Woord van God nooit klaarkomt. Dat er altijd weer nieuwe stof tot verwondering is. En dat wij door dat Woord midden in het hart van de belijdenis van onze kerk uitkomen, midden in het grote wonder, dat er genade is voor goddelozen.

Houd daar a.u.b. nooit over op. En vertel de mensen van daaruit a.u.b. hoe het leven behoort. Want het draait om de rechtvaardiging van de goddeloze, maar het gaat om de heiliging van het volle leven.
Luthers knieën knikten, als hij de kansel van Wittenberg beklom. En Calvijn weende soms, als hij op de kansel stond. Maar zo zwaar als het werk is, zo heerlijk en verrijkend is het tevens.

"Een ieder mens houde ons als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods’.



1 Οὕτως ἡμᾶς λογιζέσθω ἄνθρωπος, ὡς ὑπηρέτας Χριστοῦ καὶ οἰκονόμους μυστηρίων Θεοῦ.


2 M.Henri schrijft: ‘For even apostles were but servants of Christ, employed in his work, and sent on his errand, and dispensers of the mysteries of God, or those truths which had been hidden from the world in ages and generations past. They had no authority to propagate their own fancies, but to spread Christian faith. ….Apostles , though they are but stewards, they are not stewards of the common things of the world, but of divine mysteries. They had a great trust, and for that reason had an honourable office. They were stewards of God's household, high-stewards in his kingdom of grace. They did not set up for masters, but they deserved respect and esteem in this honourable service. ‘









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina