Dinsdag, 27 oktober



Dovnload 51.61 Kb.
Datum07.10.2016
Grootte51.61 Kb.
Reisverslag Ethiopia
Het bivak (dinsdag, 27 oktober) op het veld van de Soedanees is rustig verlopen. Niemand te zien, dat leek gisterenavond echter anders te gaan verlopen, je hoorde echt langs alle kanten stemmen en af en toe een lichtje. Maar blijkbaar niemand die zich om ons bekommerde. De ‘eigenaar’ van het veld komt wel nog langs en begint vlak bij de Landrover zijn koren af te snijden. Het houdt zich afzijdig dus het stoort ons niet, maar het voelt toch raar aan om onze rijkgevulde ontbijttafel te dekken (La vache qui rit-kes, broodjes, melk met Nesquick, appelsientjes) en zeker nu het Ramadan is. Ik geef hem twee appels (moeilijk te krijgen hier) als dank voor onze rustige nacht. Hij toont ons hoe de zaadjes uit het koren vallen en hoe ze alles bij elkaar binden. Als we vertrekken kan de man het toch niet laten om – gebarend- duidelijk te maken dat hij iets van ons wil voor zijn ogen, maar aangezien we het niet helemaal begrijpen en hem met zijn ogen ook niet kunnen helpen, rijden we rustig verder. Op weg naar de volgende bestemming, Ethiopie.
De stenige piste wordt steeds groener en de Soedanezen leven hier in primitieve hutjes, die voor een mooi landschap zorgen. Vlak voor de grenspost van Soedan, in Galabat, moeten we nog een laatste paspoortregistratie doen. Weer een nutteloze registratie, maar het duurt gelukkig maar een 10-tal minuutjes. Een paar mannen langs de weg proberen nog om ons tol te doen betalen voor de weg die we vanaf Khartoem hebben afgelegd. Er staat inderdaad een heel groot plakaat met de tarieven en de afstanden, maar Jacky weet het heel handig af te wimpelen en zonder te betalen rijden we naar de grenspost. Het is allemaal niet helemaal duidelijk hier, de grensadministratie lijkt gewoon in het dorp te liggen. We rijden dus maar naar het gebouw dat men ons aantoont en het afstempelen van het carnet duurt maar een 15-tal minuten en dit zonder extra kosten. De volgende stap, immigratie, in een gebouw 50 m verder, gaat zowaar nog sneller, na 10 minuten staan we alweer buiten met de nodige stempels. Van een terugdrijving naar Khartoem, omdat we geen centrale registratie gedaan hebben, is er zelfs geen sprake hier. Zorgen om niets dus. Ondertussen worden we al de hele tijd gevolgd door een jongeman in Djellaba, die het nodig vindt ons de weg te wijzen. We proberen hem wijs te maken dat we hem niet nodig hebben, maar hij blijft overal opduiken.
Nadat we de grens, een nietszeggende brug, overrijden is hij ook weer de eerste die we zien. Er lopen blijkbaar geen officials in uniform rond. We parkeren de auto en gaan naar een rieten hutje dat dienst doet als immigratie office. Na het invullen van een applicatieform, krijgen we onmiddellijk de nodige stempel en wordt ons zelfs gevraagd om een tevredenheidsenquete in te vullen (voor wat dit waard is hier). Maar we zijn tevreden, want na een controle van de chassisnummer kunnen we alweer verder rijden en zijn we officieel in Ethiopia. Customs is echter nog niet helemaal afgelopen, want het echte papierwerk wordt pas verricht in een kantoor dat ongeveer 40 km verderop ligt. De jongeman in djellaba heeft ons echter nog niet opgegeven en nu wordt het duidelijk wat hij wil, geld wisselen. We vertrouwen het eigenlijk niet zo, maar aangezien het toch altijd handig is om in de bush wat lokale munt te hebben, wagen we het er maar op. Zijn rate blijkt achter niet de beste te zijn, maar we zijn ook niet diep in het zak gezet.
Om te bekomen van de stress van de grensovergang, rijden we Metema snel uit en parkeren we ons in het hoge gras langs de weg, even genieten van een droog biscuitje. Richting Soedan, rijden er zomaar eventjes 7 motorrijders ons voorbij, maar ofwel merken ze ons niet op of ze zijn niet geinteresseerd in een babbeltje en dus is er niet eentje die zijn hand op steekt. Steeds op zoek naar medelotgenoten, stelt dit ons wel wat teleur, maar als we verder rijden hebben we geen tijd om daar te veel aan te denken. Het landschap verandert spectaculair. Reden we eergisteren nog in de woestijn, gisteren in de steppe (of zoiets), dan rijden we vandaag in de groene bergen. Ook de weg lijkt veel beter, je kan hier tenminste spreken van een weg, met hier en daar een afboording.
Na ongeveer 40 km is de weg afgezet met een dun touw. Er is niet veel beweging, maar dit zal dan wel het customs gebouw zijn. Na het invullen van de papieren vraagt de beambte ons 1 dollar. We reageren wat verbaasd (omdat dit zo weinig is) en de man begint zich te verontschuldigen en legt uit dat we wel degelijk 1 dollar moeten betalen maar dat we er wel een receipt voor krijgen. Met een grote glimlach (en leuke Bonny-M achtige ethiopische muziek op de achtergrond), verlaten we het customgebouw.
De piste slingert zich vervolgens heel rustig door de heuvels en dalen en strooien dorpjes. Overal zie je mensen en koevolk. Wat onmiddellijk opvalt is dat de mannen geen djellaba’s meer dragen, maar broeken (zelfs heel korte) en grote doeken (sjaals) die men rond zich drapeert. Veel vrouwen lopen met een open paraplu rond en zonder hoofddoek. De mannen hebben een gesloten paraplu in de hand. Het komt heel gedistingeerd over, heel Engels.
De sfeer is heel anders dan in Soedan. Het land straalt gewoon vruchtbaarheid uit en verbaasd vragen we ons af waar ons idee vandaan komt dat Ethiopie droog en woestenij is. Wat we hier zien, zijn groene velden in de heuvels, korenvelden, loofbomen, hier en daar een bergriviertje, kuddes koeien en paarden. Ook de temperatuur is veel milder, waarschijnlijk ook door de grotere hoogten waaarop we ons nu bevinden. Wat loopt er mis in Ethiopie dat men hier geen welvaart uit de grond kan stampen? Er zullen wel honderden reden te vinden zijn, en het is misschien niet zo eenvoudig als het lijkt, maar feit blijft dat we een enorm contrast met Soedan zien, terwijl we van Soedan veel minder een beeld van arm, uitgehongerd land hebben.
Ik ben benieuwd naar de houding van de Ethiopiers ten aanzien van ons. Als we wuiven of een knikje geven, wordt er enthousiast teruggewuifd. Hier is geen sprake van stenen gooien, zoals we anderen hebben horen vertellen. We horen wel continue you-you kreten, hetgeen zoveel betekent als geld vragen, maar, als je niet beter weet, eerder als een welkom overkomt. Volgens sommigen is dit gewoon de manier van Ethiopiers om je aandacht te vrage, maar hoe dan ook, het komt er soms wel vrij agressief uit.
Aangezien we zoveel mensen onderweg tegenkomen en eigenlijk niet echt een goede bivakplaats vinden, besluiten we door te rijden tot Gonder. We rijden naar het Terara hotel omdat je daar kan kamperen. De kampplaats ziet er heel goed uit, alleen weer hetzelfde liedje als in Khartoem, we kunnen er niet met de auto geraken en dus moeten we vlak achter het hotel op een klein stukje gaan staan, niet echt geweldig. Ook de toiletten hebben een geurtje en hebben betere tijden gekend. Geen plek waar ik me ga thuisvoelen. We proberen nog om ergens voor het hotel te gaan staan, maar daar is er zoveel in en uitgeloop dat we weer snel naar achter rijden. En door de nieuwe hoogte zitten we alletwee met wat hoofdpijn opgezadeld.
Om de avond af te sluiten, gaan we naar een lokaal restaurantje (Cultural restaurant) en met weinig goesting (maar omwille van beperkt menu) proberen we kitfo en fried meat. De kitfo wordt met injera geserveerd. Injera is eigenlijk een grote pannenkoek die nogal zuur smaakt en die men serveert op een grote ronde schotel waarop men dan de groenten of vlees in een kom serveert. De mensen trekken een stuk injera af en en soppen dit in het vlees of de groenten. Bestel je met twee of drie personen injera, dan krijg je nog een grotere versie en iedereen eet van dezelfde kom. Het ziet er gezellig uit, maar je moet wel van de smaak houden. Wij houden er niet zo van. Kitfo is dan nog een ander succes verhaal in Ethiopie, maar aangezien dit rauw vlees is dat slechts wordt opgewarmd, is het een enorme beproeving voor je maag en dus geen aanrader. Maar het heeft me wel gesmaakt.
Op dinsdag 28 oktober, beslissen we om naar het Belegez Pension te verhuizen. We betalen maar 10 bir meer voor een kamer (50 bir) ipv het kamperen (40 bir) en we krijgen in ruil lekker naar zeep ruikende toiletten en douches en de auto kan veilig op de binnenplaats geparkeerd worden.
Deze dag zal in ons geheugen gegrifd blijven als VLAMINGEN dag. Als eerste culturele activiteit besluiten we om de ‘beroemde’ Hailli Selassie Church te bezoeken. Daar ontmoeten we Ingrid en Gordon. Gordon is dan wel een Schot, maar hij woont met Ingrid in Leuven waardoor hij van ons toch het etiket ‘Vlaming’ krijgt. Het kerkje wordt langs drie kanten geopend door een jonge monnik of priester. De zoldering van de kerk is gewoon prachtig beschilderd met tientallen engelen (ethiopische versie) en de zijkanten van de kerk bevatten ook prachtige muurschilderingen. Eentje beeld de profeet Mohammed af, zittend op een kameel, geleid door de duivel (tja?). Als we de monnik voor het bezoek moeten betalen, zeg ik dat we studenten zijn. Verbaasd kijkt hij Jacky recht in het gezicht en vraagt hij of dit inderdaad zo is. Jacky zegt ja, maar heeft al onmiddellijk heel veel spijt van deze kleine leugen tegen de priester. Om zijn slecht geweten te sussen, beslist hij om onze ‘korting’ aan de bedelende weg te geven. Gelukkig vertelt de monnik ons dat hij over een paar maanden naar Khartoem zal gaan en om onze gewetenswroeging af te kopen, biedt Jacky hem onze copies van de Loney Planet over Khartoem aan. Hij bedankt ons hartelijk en met gemengde gevoelens verlaten we het kerkje.
Ondertussen hebben we ook kennis gemaakt met Hadewych uit Antwerpen (of Kikki, zoals ze zich hier laat noemen). Hadewych is nog maar 19 jaar en trekt er helemaal alleen op uit, 3 maanden Ethiopie en daarna Azie. Hadewych wil met ons mee naar de Simien Mountains. Als we elkaar ’s avonds in het pension terug ontmoeten, zijn daar ook Steven en zijn vriendin uit Gent. VLAMINGEN DAG dus.
De woensdag besteden we aan de andere bezienswaardigheden in Gonder. De Royale Enclosure, het voormalige paleis van Fasilidas met zijn hoge plafonds en houten vloeren, is het meest indrukwekkend. Dit huisje zie ik wel zitten. Het complex is een mix van Indische, Portugese en Aksumitische architecture. Het paleis zelf is mooi gerestaureerd, de andere gebouwen dragen nog beton-sporen van de Italiaanse bezetting van het complex. Een of ander project zou dit beton nu weer veranderen in de voormalige houten plafonds en vloeren. In het midden van de compound staan enkele gebouwen die tot voor kort nog leeuwen en tijgers huisden, een mini-zoo dus.
We wandelen naar de Fasilidas Bath’s, ondertussen al wat gewend aan de eeuwige you-you kreten. De voormalige processionele baden worden eens per jaar nog steeds gebruikt. Het leukste aan de baden, zijn de bomen die het complex omringen. Zij lijken te zitten op de omheining en kijken alzo naar hetgeen er rondom hen gebeurd, de ene met de benen (zijnde de wortels) gekruisd, de andere met de benen wijd open.
Aangezien we nog steeds met de houten ruit rondrijden, besluit Jacky om samen met Selassie (onze door-zichzelf-aangestelde-‘gids’) op zoek te gaan naar een ruit. Het duurt even, maar met een tweedehands, heldere achterkant en 325 bir lichter, keert de Landrover terug naar het pension. De mastiek ziet er niet geweldig uit en de ruit heeft twee kleine kekjes, maar de garagist verzekerde dat alles ok was en nu kunnen we dus weer ‘kijken’. We gaan samen met Tony (Zwitser met lang haar en moto) en Kiki eten in het Fogera hotel (pepper steak). Tony is blijkbaar goed gezind en goed bij kas want hij trakteert ons allemaal! We krijgen van hem ook onze eerste Keniaanse shillings.
Op donderdag 30 oktober staan we klaar om naar de Simien Mountains te vertrekken, als, voor de tweede keer, bij het sluiten van de achterdeur, de ruit in duizend stukjes verpulverd. Het is triestig, maar ik kan een lach niet onderdrukken, we staan weer even ver als voordien. We besluiten naar de ‘garage’ terug te gaan en ons geld terug te vragen. Zoals verwacht wil de man daar niets van horen. Volgens hem is het onze gids die de ruit vernield heeft, aangezien we hem geen geld gegeven hebben.
Het zit hier namelijk zo dat iedereen die een ‘dienst’ voor je doet, hiervoor geld verwacht. Het enige probleem is dat de mensen deze diensten continue zelf uitvinden ‘I have watched over your car’, ‘I have washed your car’, ‘I have showed you where the hotel is’ (terwijl zij inderdaad meelopen met de auto, maar jij op je plan naar het hotel rijdt), ‘I have told you where you can find this’. En aangezien men continue vraagt om je gids te zijn of om je te helpen, is het soms gemakkelijker om een lokale jongen bij je te hebben, gewoon om de anderen wat af te houden.
Wat onze ‘gids’ Selassie betreft, hadden Jacky en ik afgesproken dat we hem geen geld zouden geven, maar als hij ons zou helpen zouden we hem iets van onze oudere kleren ofzo zouden geven. Zo heeft hij op onze eerste avond in het Belegez pension, met ons meegegeten van een pasta, die ik zelf had klaargemaakt. Een maaltijd waar hij zelf het geld niet voor heeft. En nadat hij was meegeweest naar de garaga, hadden we beslist om hem een matras te geven. Deze grote lap mousse hadden we als alternatief voor onze vergeten slaapmatjes gekocht, maar Jacky zag dit toch zo niet zitten en Selassie had al laten horen dat hij wel geinteresseerd was, maar er het geld niet voor had.
En nu beweerde de garagist dat onze ‘gids’ evil was en dat hij de ruit had vernield omdat hij van ons geen geld had gekregen. Het rare is wel dat hij inderdaad geen geld had gehad en dat de garagist dit wist (misschien blufte hij). Om een lang verhaal kort te maken, we hebben de garagist zo ver gekregen dat hij 175 bir terug heeft betaald, onze houten ruit heeft teruggezet en deze laatste aan de binnenkant heeft verstevigd met twee ijzeren baren, om te vermijden dat de ruit wordt ingeduwd. En Selassie heeft de sponzen matras van ons nooit gekregen. Ik mocht hem eigenlijk al niet van in het begin.
Na de nodige vertraging zijn we dan toch op weg geraakt naar Debark, startpunt voor trekkings in de Simien Mountains. Het groepje dat we hadden willen vormen om samen een trekking te doen, bestaat uiteindelijk alleen uit Kikky en onszelf. De weg naar Debark is idyllisch en tegen 3 uur in de namiddag staan we in het hoofdkwartier van het Nationaal Park. We hebben ondertussen al besloten dat we een tocht gaan doen, met enkel een scout (is verplicht, maar spreekt geen Engels) en niet met een gids (is duur, spreekt wel Engels en veel, dus op een rustige tocht in de bergen moet je dan blijkbaar niet rekenen). En dat we ook alles zelf gaan dragen en niet met ezeltjes willen opgescheept zitten. We hadden dit eventueel wel zien zitten als ons groepje wat groter was geweest. En terwijl we dit allemaal zitten te regelen, zie ik plots dat een zekere Mark Van den Abeele, 35 jaar uit Belgie, gisteren in het NP is gearriveerd. Is dit de Mark die we kennen, Mark waarmee we naar Nepal zijn geweest, de rasechte Vlaming uit Tervuren? Plots kennen we de route die we willen nemen, namelijk de route die ons morgen naar hetzelfde kamp zal brengen als het groepje Belgen waar ‘onze’ Mark misschien bij is. We worden opgewekt van het idee een bekende hier tegen het lijf te lopen en verzinnen allerlei toeren die we kunnen uithalen om Mark te verrassen.
Maar eerst nog onze scout Mehereti-met-Kalashnikov inpakken (hij mag vanachter in de auto op de ijzeren kist gaan zitten, tussen onze spullen), de gehuurde tent en matjes gaan ophalen en op naar onze eerste kampplaats in het park Sankaber kamp. De steenpiste naar het kamp is niet goed en als we aankomen, bemerken we voor het eerst de slechte staat van onze banden. Je kan de rubber er op sommige plaatsen gewoon af trekken. De wegen in Ethiopie, die ons eerst veel beter leken dan in Soedan, blijken gewoon bandenvreters te zijn. Hoe lang zal het duren voor we onze eerste platte band krijgen?
’s Avonds maken we in het kamp spaghetti en Mehereti eet lustig mee. Volgens het hoofdkwartier zorgt de scout voor zijn eigen voedsel, maar het brood dat hij bij zich heeft ziet er maar droogjes uit, dus nodigen we hem uit om mee aan te schuiven. Van zodra de zon achter de bergen verdwenen is, wordt het ijskoud. Kikki zal in het gehuurde tentje slapen, Jacky en ik in onze daktent en Mehereti in het ijskoud hutje dat in het kamp staat. Gelukkig kunnen we ons eerst nog wat verwarmen aan een vuurtje dat door een groepje Polen werd besteld.
Alles is wit van het ijs, als we wakker worden op alweer de laatste dag van de maand oktober. We hebben allemaal kou geleden en besluiten om vanavond met z’n drie-en in de tent te gaan liggen. En we gaan ook vast en zeker brandhout kopen.
Nadat Jacky de auto in Sankaber village geparkeerd heeft, gaan we met z’n vieren op pad. Mehereti leidt ons al onmiddellijk naar een groepje Gelada Baboons, de trots van het park. We zijn enthousiast, de beestjes zien er zo menselijk uit en ze lijken zich niet echt te storen aan ons, als we tenminste op een afstandje blijven. De baby baboons zijn echt om te knuffelen. Het eerste stuk van de tocht is echt de moeite, kleine padjes, mooie vergezichten, veel groen. De rest van de tocht moeten we op de steenpiste wandelen die naar Chenek kamp leidt. De omgeving blijft prachtig, het pad of de weg is wat minder en wordt langdradig. Maar overal zitten of lopen er mensen. Kleine jongens die hun wollen mutsen te koop aan bieden, of boeren die you-you roepen, of ezels die niet aan de kant willen gaan. Mehereti houdt iedereen vakkundig op een afstandje.
Tegen de late namiddag arriveren we in Chenek kamp en hebben Jacky en ik last van onze voeten. Jacky heeft zowaar 9 blaren geteld, waaronder een paar gevuld met bloed en ik heb er een paar kleintjes, maar m’n schoenen drukken tegen mijn scheenbeen. We hebben weer een grote fout gemaakt. Ondanks het feit dat we alletwee graag de bergen in gaan, hebben we onze bergschoenen thuis gelaten en lopen we hier nu op nog niet ingelopen, lage wandelschoentjes. Misschien kunnen we ze alsnog van thuis laten overkomen?
Maar niet getreurd, we moeten ons voorbereiden om Mark te verrassen. Het groepje Belgen arriveert enkele uurtjes later dan ons, helemaal afgepeigerd sijpelen ze een voor een het kamp in. En daar is inderdaad Mark. Hij heeft ons totaal niet gezien en terwijl ik hem in het Engels aanspreek, bespringt Jacky hem langs achter. De verbazing op zijn gezicht spreekt boekdelen. Van de verrassing gooit hij zijn wandelstokken de lucht in. Ja, stel je voor dat we van elkaar wisten dat we ongeveer gelijktijdig in Ethiopie zouden zitten, dan was het waarschijnlijk niet zo goed uitgekomen om elkaar in de bergen te ontmoeten. Als we allemaal van de verrassing bekomen zijn, leggen we de agenda’s naast elkaar en gaan we zeker nog proberen om Mark in Aksum of Addis Abeba terug te zien. Onder de vakkundige leiding van Heidi (Te Voet), gaan we nog met hen mee Baboon-spotten. En als het donker wordt, trakteert Kikki ons op een warm vuurtje, professioneel door Mehereti aangestoken met benzine. Aangezien Mark alleen in een tent slaapt, besluit Jacky hem te vergezellen en vergooit op die manier zijn kans om met twee vrouwen in een ijskoudtentje te liggen. Mehereti slaapt op een geitevelletje en we zijn diep onder de indruk.
Kikki slaagt er ’s morgens in om verse pizza te krijgen van een van de jongens van de Te Voet kookploeg, terwijl Jacky en ik ons oud brood opknappelen. Ze weet zich blijkbaar wel te redden in haar eentje. Aangezien de Belgen gisteren zo afgepeigerd toekwamen, zien we wat op tegen de dag die komt, aangezien wij nu dat traject gaan doen. Maar het wordt een mooie, maar wel lange en vermoeide dag. Als we aan de eerste klim beginnen, ziet Mehereti twee ibexen, de andere trots van het park. We zien ze wel op een afstandje van ongeveer 20 m, maar dat is denk ik al een goede prestatie. Het klimmen met de rugzakken en de kapotte voeten gaat behoorlijk, maar het vermoeid ons toch wel. Kikki heeft het wat lastiger dan gisteren. In de verte zien we Imet Gogo (3926m), nog niet de eindbestemming, maar toch een stoppunt voor vandaag. Mehereti lijkt de weg verloren te zijn, want hij leidt ons rechtstreeks door het grasland, met vervelende noppen, omhoog en omlaag. Maar zijn route klopt en in de vroege namiddag arriveren we op het viewpoint. Nu is het nog anderhalf uur naar Geech kamp. Kikki ziet het niet meer zitten en heeft last van haar knie. We zijn allemaal tevreden als we in het kamp arriveren. Het is nog maar een uurtje voor de zon ondergaat, maar Mehereti begint toch zijn broek nog te wassen en hangt ze aan een boom te drogen. Volgens mij zal hij ze morgenvroeg stokstijf terugvinden, maar hij lacht alleen maar.
Het is vandaag 1 november. Ik moet nu toch wel even aan de familie denken. Traditiegetrouw gaan we dan steeds naar het kerkhof en nadien naar Nonke Jef en misschien nog naar Tante Paula. Zou iedereen nu samen zijn?
Bij het kampvuur ’s avonds beslist Kikki om de dag erna met twee Canadezen mee te gaan. Zij hebben een ezeltje gehuurd en ze zou haar rugzak nog op de ezel mogen gooien. Morgen dus met z’n drieen op pad. Volgens de kenners wordt dit het koudste kamp en dus krijgt Jacky een tweede kans om de tent met twee vrouwen te delen. Het wordt een rustige nacht!
Zondagmorgen, 2 november. Inderdaad een ijskoude nacht, maar we hebben goed geslapen. Kikki, die wat van haar kleren had laten rondslingeren gisterenavond, vind haar kousen stokstijf terug. Mehereti echter loopt al volop glimlachend rond in zijn vers gewassen broek. Aangezien we besloten hebben om vanavond opnieuw in Sankaber kamp te blijven (in onze daktent), verwachten we eigenlijk dat Kikki, de gehuurde tent mee met de ezel zal nemen. Als ze dit niet wil (om zeker te zijn dat haar rugzak niet te zwaar wordt voor de ezel, anders kan hij niet mee en moet ze een drager huren), begint Jacky een beetje te koken. Kikki vlindert namelijk van de ene naar de andere en krijgt overal wel iets gedaan en nu ze iets voor ons kan doen (aangezien ze zelf drie nachten in de tent heeft geslapen), ziet ze dit niet zitten. Hij zegt het haar en we besluiten om alles gewoon zelf te dragen. Hadewych komt zich nog verontschuldigen maar toch wat slecht gezind gaan we op pad.
Via Geech village komen we in een mooi valleitje en aan de rivier besluiten we om Jacky zijn blaren open te prikken en te beschermen met Second Skin, een goed ding, dat Jacky nu ook weet te waarderen. Als we uiteindelijk terug op de steenpiste van de eerste dag komen, rijden de Canadezen met Kikki ons in een truck voorbij. Ze stoppen en Kikki neemt de tent en de slaapmatjes mee terug naar Debark. Ze bieden ons ook een lift aan, maar we willen nog wat van de dag in het park genieten en besluiten te voet verder te gaan. Als we van de piste afwijken en afdalen om een waterval te gaan bekijken, glij ik uit op een stukje los zand en kom hard met een vinger op een stuk steen terecht. Mehereti begint onmiddellijk aan al m’n vingers te trekken, en aangezien ik dit ook aan m’n wijsvinger kan verdragen, besluit ik dat het niet gebroken is. Ik vermoed een zware verstuiking aan de ringvinger. De pijn is dragelijk, maar ik voel m’n vinger zwellen. In een tweede reactie moet ik aan m’n EHBO cursus denken : ICE (ijs, compressie en elevatie). Het ijs kan ik hier al vergeten, dus maar een stevig (natgemaakt) doekje errond en m’n arm omhoog houden. Meer zullen we vandaag niet kunnen doen. De waterval is wel mooi, maar smalletjes en vooral diep. Jacky merkt op het viewpoint ook dat zijn T-shirt niet meer aan z’n rugzak hangt en goedmoedig doet Mehereti de klim opnieuw en komt even later terug met de T-shirt. Voor dit soort ‘diensten’ willen we graag betalen en dus verdient Mehereti nog een zakcentje bij. Hij heeft trouwens ook al een paar dagen mogen genieten van de verrekijker die we meehebben. Hij vindt het een prachtig ding en als ik een foto van hem trek, kijkt hij heel trots door de verrekijker. Maar aangezien het een cadeau van Mieke is, zal hij het toch moeten teruggeven.
Op de terugweg naar Sankaber, laten we ons toch nog verleiden om een paar mutsen van lokale jongens te kopen. De eerste twee die we kopen vallen wat klein uit en dus besluiten we om nog een derde te kopen. We willen ons niet meer laten vangen zoals in Soedan en het land verlaten zonder ook maar 1 soeveniertje.
Sankaber kamp staat ditmaal vol met tentjes en plots rijdt er zowaar een andere Landrover het terrein op. Zijn dit lotgenoten-overlanders? Jawel, een Zuid-Afrikaans – Amerikaans koppel, Vanessa en Dean, zijn al een aantal maanden onderweg. Ethiopie is het meest noordelijk dat ze zullen gaan en daarna gaan ze weer richting zuiden. We nodigen hen uit bij ons kampvuur en zij nodigen ons op hun buurt uit om samen het zuiden van Ethiopie te gaan bezoeken. Het idee bevalt onsn wel, maar ze hebben een 50$ per dag gids ingehuurd en dat vinden we toch wel veel eigenlijk. Maar we hebben nog de tijd van de historische route om erover na te denken.
Wendy, Addis Abeba, zondag 16 november 2003.
Maandag 03 november 2003 ontwaken we in Sancaber Camp en wachten tot de zon de bevroren weide verwarmt. De scout Meheretie bezorgt ons voor 02 Birr een brood en voor zijn goede zorgen geven wij hem onze zelf gefabriceerde matras (kostprijs 36 Birr).
Na het ontbijt dalen we met de landrover af, die het wat moeilijk heeft met de hoogte (denk ik) en stoppen t.h.v. een zonneweide waar een grote groep bavianen zich opwarmt. We observeren langdurig het sociale gedrag en enkele incidenten van deze primaten. So begint een wijfje te krijsen terwijl ze vanachteren wordt genomen door een grote male baboon. Onmiddellijk komt een wollige reuzebaboon afgestormd en stoot zijn rivaal eraf. Ze rollebollen nog wat onder het stof en daarop beginnen ze elkaar vreedzaam te vlooien om de plooien weer glad te strijken. Een jonge moeder speelt basket met haar flexibele jong en 02 kleine aapjes benaderen Wendy en laten al sissend hun slagtanden zien. Ofwel gaat het hier om nieuwsgierigheid ofwel om assertiviteit of een combinatie van beiden. De scout ontwaakt ons uit onze slaperige observatie en in het National Park Head Quarters nemen afscheid van Mehertie.
Dan begint de 250 lange tocht door de Ethiopische Hooglanden aan een slakkegangetje van 30 km per uur. De landrover kreunt en kraakt in al zijn mechanische gewrichten onder de slopende steenpiste die zich in haarspeldbochten door het berglandschap slingert.Uren later en 150 km verderzien we nog steeds de toppen en pieken van de Simien Mountains waar we zijn langs gemarcheerd. Het landschap verandert wanneer we de rivier TEKEZE oversteken. De metalen restanten van de oude brug, vernield in een recente oorlog waarschijnlijk met Eritrea liggen nog in de bedding. Aan de overkant zien we zoiets als een grote gehavende bunker die de sporen van een hevige strijd draagt. De militairen salueren correct als wij langzaam voorbijrijden.
Op 180 km ten Noorden van Debark rijden we door een vlak slagveld nog bezaaid met roestige oorlogskarkassen. T.h.v. een brug zien we een eerste T55 tank van Russische makelij. Verderop ligt een andere T55 vreedzaam te roesten in het korenveld de koepel en loop gericht naar het Noorden. De opmars werd hier duidelijk gestuit en 20 km lang tot in het centrum van Inda Silase ligt de militaire hardware van APC 's (Armed Personel Carrier), infanterietrucks en arteleriegeschut. Ik herken een BTR60, verschillende MTLB 's en nog niet ontplooid DR30 geschut. Hier heeft blijkbaar een felle strijd gewoed.
Dan overvalt ons de duisternis en in een gespannen sfeer rijden we verder terwijl de weg terug in een stenige piste vervalt. In een bocht slipt de landrover en het linkerachterwiel loopt langzaam. Dit is dus het scenario waarvoor iedere overlander ons heeft gewaarschuwd. Het is zwaar trekken aan de High Jack en moeilijk werken in he donker. Nieuwsgierige Ethiopiers staren ons vanuit de duisternis aan en met de looplamp signaleren we aanstormende trucks te vertragen. We worden echter niet overvallen of verkracht en na enige moeite om de High Jack te verwijderen, rijden we rustig verder. 15 km verder arriveren we in Axum, zowat het religieuse centrum van Orthodox Ethiopie en bivakeren in het Khaleb hotel, genaamd naar een voormalige keizer.
In de voormiddag van dinsdag 04 november 2003 wordt de lekke band tegen een ongewoon snel tempo voor 15 Birr hersteld, terwijl ik jeugdige schooiers moet afschudden omdat ze de auto willen wassen of geld willen omdat ze een bout hebben vastgehouden. In de tuinen van he Khaleb hotel voeren we een reorganisatie uit en verzorgen een beetje onze lichte wonden. Wendy heeft een lelijk dik en blauw verstuikte rechter ringvinger en dit belemmert haar pijnlijk in haar werkzaamheden. Er komt serieus veel dood vlees van onze voeten. Onze dure Michelinbanden (200 euro per stuk) zijn verhakkeld en geruineerd. Na een verzorgend voetbad verkennen we de stad en onze eerste indrukken zijn eerder teleurstellend. In het guidebook staat dat Axum in het laagsezoen "rather depressing" is.
Vanop het hogergelegen terras van het Jeha hotel kijken we naar de zonsondergang boven de St Mary Zion Church, waar de Ark des Verbonds zou rusten en het Stelae Field. Op weg naar het pension bezoeken we nog de Queen of Sheba Baths, waar Wendy paniek zaait onder de locale vrouwen die er water komen putten door een foto met lichtflits te nemen. We worden gelukkig niet geluncht, de vrouwen kunnen er zelfs mee lachen.
De volgende dag bezoeken we dan de vele monumenten, de algemene toegang kost ons 50 Birr per persoon. Interessant zijn nog de grafkamers onder de ruines van het King Khaleb Palace, waar rondvliegende vleermuizen voor een akelige sfeer zorgen. De ruines van het Queen of Sheba Palace zijn echt teleurstellend, terwijl de oude gardien korte slagzinnen uitkraamt zoals "this door and this steps and here water". Verderop moeten we ons laten gidsen om tot de Lioness of Godera te geraken. Ik vermeld nog de King Bazen Tomb en het Stelae Field over de rest zal ik zwijgen.
De moeite waard is misschien de oude St Mary of Zion Church. Vrouwen zijn er echter niet toegelaten en het kost schromelijk overdreven 60 Birr. Het verhaal erachter is interessanter. Volgens de overlevering zou hier dus de originele Ark des Verbonds rusten, d.w.z. de 10 geboden door God aan Mozes geschonken op de Mt Sinai (zie Egypte). Indien waar, dus een van de heiligste relikwien op deze wereld voor Christenen, Joden en Moslims. De legende vertelt hoe koning Salomon van Israel op slinkse wijze een zoon verwekt bij de Queen of Sheba en deze zoon, Menelik genaamd de Ark des Verbonds uit Jerusalem naar Ethiopie brengt en er een dynastie van keizers begint. Enfin het gebouw waar deze relikwie wordt bewaard is niet te benaderen en we kennen de waarheid dus niet.
Het hoogtepunt in Axum is echter wanneer we Mark en de groep van Te Voet (sluikreclame) van de vriendelijke Heidi in het Afrikahotel aantreffen. Het is een geplande ontmoeting, want we willen Mark misbruiken om een paar souveniers naar huis te smokkelen (we zijn uitgekookte opportunisten). Samen gaan we gezellig dineren in het Yeha hotel en Wendy krijgt zelfs de bergschoenen van Heidi voor de duur van de reis uitgeleend.
De morgen erop (dit is donderdag 06 november 2003)ontbijten we nog samen en dan vertrekken we dus naar Adigrat. We rijden samen met de kapitaalkrachtige maar vriendelijke Amerikaan Dean en diens Zuid Afrikaanse vrouw van Indische afkomst, eigenlijk de eerste overlanders die we met een landrover tegen zijn gekomen.
In Yeha bezoeken we het klooster en Temple of the Moon en hebben dikke lol met de grappige gids die gebrekkig Engels spreekt. Ik citeer "Listen carefully. 09 monkeys came from Asia en Europe. 05 are already dead, 04 are still hidden. It is a commission from God", waarop hij de steen aanduidt waaronder de heilige man is "verborgen". Waarschijnlijk heeft hij het over de 09 heiligen uit Syrie en Rome de het Christendom naar Ethiopie brachten in de 4de eeuw. 05 monniken zijn zeker dood. De andere 04 monniken zijn ergens ondergedoken, 01 ervan hier dus onder een steen in de muur van de Temple of the Moon.
We vorderen verder over een zeer avontuurlijke piste naar het bekende klooster van Debre Damo. Het is niet toegangkelijk voor vrouwen en je moet ongeveer 25 meter verticaal klimmen vooralleer je de toegangspoort bereikt. Volgens de overlevering werd de stichter door een lange slang naar boven gedragen en vandaar dat de beveiliging een lederen touw is. Je moet wel 50 Birr ophoesten en hierdoor ben ik niet meer bereid nog tips te geven. Ik klauter over de spekgladde rotsen naar boven, maar Dean geeft het halverwege op, volgens eigen bewering door hoogtevrees. Samen met een Kroatische kapitein en een Servische onderofficier (het lot is soms bizar) die hier in een UN kader aan Paece Keeping doen (in 1994 deed ik dus in Joegoslavie aan peace keeping). Ik weet niet of ik hun sympathie heb gewonnen wanneer ik dit vertel, maar samen worden we dus rondgeleid in het klooster dat nog in een middeleeuwse toestand verkeert. De hoofdkerk is oud en in Axumite architecture, maar we mogen zelf als goede Christenen niet binnen.
Niet licht te vergeten is de doordringende lijkgeur bij het passeren van verse monnikengraven, uitgehakt uit de rotsen. Hun lijkkisten zijn duidelijk zichtbaar en de talrijke vliegen wijzen reeds op een vergaande staat van ontbinding. Verderop liggen de schedels en botten van hun voorgangers en de Etiopiers paraderen doodleuk met hun knekels. Geen haar op mijn schaars beklede kop die eraan denkt de botten aan te nemen.
Tijd om af te dalen, maar wanneer ik wil afklimmen met de evidente zekering, vraagt een jonge priester mij om geld. Ik ben serieus in mijn gat gebeten en snauw naar de priester "mayby if you are a good christen, you should give me the security". Ten eerste heb ik 50 Birr betaald om het klooster te mogen bezoeken. Ten tweede moeten ze van tevoren laten weten waarvoor ze geld willen. Ten derde vraagt een Man van God niet om geld voor een vanzelfsprekende veiligheid voor bezoekers. De priester weigert echter en ik vraag de UN militairen mij te beveiligen. Ze willen wel, maar mogen niet. Wanneer ik werkelijk aanstalten maak om af te klimmen, wordt mij toch met zware tegenzin een beveiliging aangeboden.
Aan de voet van het klooster moet ik nog even bekomen en ik neem afscheid van de Balkan militairen, die een paar jaar geleden elkaar nog wilden doden. Het was een fijne ontmoeting en na het veiligheidsincident klikte het ook wel tussen ons.
De Zuid Afrikaners leiden ons met hun GPS naar het comfortabele Shewit hotel in Adigrat.
De volgende morgen gaan Wendy en ik op zoek naar het Italian War Cemetary, waar 750 Italiaanse soldaten moeten rusten, gesneuveld tijdens de Faschistische campagne ter verovering van Abessinie in 1936, terwijl de Zuid Afrikaners hun gesneuvelde banden laten herstellen op Ethiopische wijze (gewoon een stukje rubber plaatsen t.h.v. het lek). We vinden de plek niet en samen rijden dan verder naar de Rock Hewn Churches van Tigray.
Weeral via een avontuurlijke piste bereiken we de Petros en Paulus kapellen en via een klim bereiken we de oudste kapel in een schromelijke toestand. Enkele muurschilderijen zijn nog te herkennen. De nieuwe kapel door een visionaire boer recent uit de rotsen gehakt heeft nog geen muurschilderijen. Het chaotisch bezoek kost 20 Birr per persoon.
Veel beter en interessanter is het bezoek aan de beroemde Abraha Atsbeha klooster en kerk. We mogen van de priesters het laatste deel van de 03 uren durende kerkdienst bijwonen (goede timing van ons) en tijdens hun vreemde gezang herkennen we zelfs enkele bijbelse woorden zoals Jesos Christos. De engelstalige priester die ons erna rondleidt heeft zelfs nog een toffe verklaring waarom sommige kloosters en kerken niet door vrouwen mogen worden bezocht. Zo zou een boosaardige Hebreeuwse koningin in vroege tijden alle kloosters hebben willen vernietigen, ook deze beroemde kerk die in brand werd gestoken en waarvan de eerste van de 42 pilaren door deze heks werd verbrijzeld. Sommige vrome priesters zijn deze vrouwelijke razernij nog niet te boven gekomen en vandaar dus.
We rijden verder naar de grote stad Mekele en laten ons verleiden om in het prachtig gelegen Abreha Castle Hotel voor een decadente prijs van 128 Birr te logeren. Tijdens een zeldzame routinecontrole stel ik vast dat onze herstelde band aan zware tumors lijdt. Zijn ingewanden puilen uit de gescheurde rubber band. Wanneer ik terug kom van een geimproviseerde herstelling is het al donker.
Reisverslag opgesteld door Jacky op 16 november 2003 om 18.41 uur.
Zaterdag, 8 november. We ontbinden het konvooi met Dean en Vanessa. Zij hebben namelijk hun nieuwe reserveband en wij hebben de nodige diesel voor het vervolg van de trip. En aangezien zij nog naar het museum in Mekele willen en wij liever naar de de zaterdagmarkt van Maichew gaan, vervolgen we elk onze eigen weg.
We zijn Mekele nog niet uit of we worden tegengehouden door een politieagent, omdat ik links aan het rijden was. Met onze kankergezwel-band had ik er namelijk voor gekozen om op de linkerstrook (weliswaar aan de rechterkant) met asfalt te rijden, ipv op de stenige weg op de rechterkant. De verzachtende omstandigheid was wel dat het niet erg duidelijk was of men nu aan het werken was aan het stenige stuk of niet. “Penalty!” zei de man en ik maar uitleggen dat ik niet doorhad dat ik links aan het rijden was. Hij was onverbiddelijk en had m’n rijbewijs nodig. Nadat hij dit even bestudeerd had, vroeg hij theatraal verbaasd :”Faranji?” (oftewel “Toeristen?”) hetgeen je sowieso al van kilometers ver kan zien. ), waarna hij mij het goede advies gaf om in het vervolg aan de rechterkant te rijden. Het grappig is bovendien dat Dean & Vanessa net hetzelfde hebben gedaan en ook door dezelfde agent werden tegengehouden, met de mededeling “You should drive on the right side, but since your friends did the same thing, we will not give you a penalty”.
De weg naar Maichew wordt er niet beter op en we vorderen traagjes op de steenpiste. Tegen de middag arriveren we pas in Maichew en bezoeken er de lokale markt. Deze ligt toch wel een stukje buiten het eigenlijke centrum, maar het krioelt er van het volk. Een jongetje stelt zichzelf onmiddellijk als gids aan en volgt ons. We zijn de grote attraktie op de markt. Vanessa had gelezen dat je hier nog oude Italiaanse militaria kan vinden, maar buiten wat schrootverkopers, valt er op dat vlak niets te zien. De buit is uiteindelijk een shamma (wit, licht gewoven toga) voor 40 bir en een heel simpele terra cotta pot (4 bir) en nog wat groenten. Onze gids draagt het triomfantelijk terug naar de Landrover. We geven hem 2 bir en een zeepje voor zijn diensten. Als we wat later wegrijden, zie ik hem huilend aan de kant van de weg staan. Voor ik besef wat er aan de hand is, zijn we al verder. Waarschijnlijk hebben ze net zijn verdiensten afhandig gemaakt.
We willen nog in Lalibela geraken, dus vervolgen we onze weg. Volgens de Michelin- kaart is de beste en snelste route via Kobbo. Er is nergens een aanduiding van Lalibela (the-place-to-be voor toeristen) als we asfaltweg verlaten en de piste inrijden die ze ons aanduiden. Volgens een local is het nog 3 uur rijden. Het is ondertussen 17.00u, dat wil zeggen rijden in het donker als we doorgaan. We besluiten het toch te doen. De weg wordt slechter en slechter en slingert zich langzaam maar zeker omhoog de bergen in. IS de nieuwe weg waarover sprake is in de Loney Planet? Het is vooral de erosie die de weg zo slecht maakt, diepe kuilen, grote stenen op de weg, vele riviertjes die erdoor lopen en voor diepe op-en afdalingen zorgen. Het feit dat we op een bergweg zitten en in het donker maakt het er ook niet eenvoudiger op. Maar we zijn vol goede moed en iedereen aan wie we het vragen zegt dat we in de goede richting zitten. De goede moed verdwijnt echter langzaam als er geen einde lijkt te komen aan de weg en we al meer dan drie uur onderweg zijn. Op een gegeven moment zegt een local ons dat het nog 16 km is dus besluiten we nog even door te zetten, maar als het volgende grote dorp nog steeds niet Lalibela is, en de piste soms ver te zoeken is, twijfelen we of we wel op de goede weg zitten. Uiteindelijk vinden we iemand die ons in goed Engels weet te zeggen dat het nog 30 km is tot Lalibela. Het is ondertussen 22.30u en volgens de GPS hebben we een gemiddelde snelheid van 13 km per uur. Dat wil dus zeggen nog zo’n 3 uur tot Lalibela (zonder platte band). De 16 km van de local waren dus 60 km. Voor het eerst besluiten we om wild te kamperen in Ethiopie. Verrassend genoeg zien we niemand meer als we de tent opzetten en uitgeput gaan slapen. Een goede raad voor diegenen die na ons willen komen, koop geen Michelin kaart van 1998, deze is incorrect.
Wakker worden op een zondagochtend (9 november) is iets waar iedereen van droomt. Geen verplichtingen, een lekker vrije dag, maar wat doe je als je wakker wordt en er drie Ethiopiers voor je tent staan, zachtjes fluisterend “Give me pen, give me money”. Nog voor we uit de tent zijn, heeft er al eentje onze zak met vuil doorzocht en is nu de trotse eigenaar van een leeg blikje tonijn. Als Jacky hen vraagt om wat privacy te hebben, zeggen ze heel lief OK, OK, maar blijven ze rustig staan waar ze staan en staren ons leeg aan. Er is geen beweging in te krijgen, dus besluiten we maar om ons ontbijt over te slaan, de tent op te ruimen en zo snel mogelijk te vertrekken.
Een uur later kruisen we wonder boven wonder een asfalt weg. Dit moet de nieuwe weg zijn waarover ze in de LP geschreven hebben! Een half uurtje later staan we in Lalibela. En op de binnenplaats van het Asheton hotel liggen Dean & Vanessa rustig te slapen in hun tent. Het blijkt dat de weg die zij genomen hebben ook veel langer was dan verwacht, maar blijkbaar was de piste redelijk goed en zijn zij er in geslaagd om gisteren nog in Lalibela te arriveren.
We ontbijten samen en besluiten om in de namiddag de beroemde kerken van Lalibela met Dean & Vanessa en hun ingehuurde gids Thomas te bezoeken. (160 bir voor twee halve dagen voor 4 personen). Als we een verkenning doen van Lalibela, komen we Kikki, Louise (Engelse) en Gaspar (Spanjaard) opnieuw tegen.
Wendy, Addis Abeba, zondag 16 november 2003.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina