Directe rede en de indirecte rede. Het belangrijkste is uiteraard te weten wanneer



Dovnload 85.35 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte85.35 Kb.
Der Konjunktiv (= aanvoegende wijs)

  • In het Nederlands spreken we over de aanvoegende wijs !

  • Bij dit hoofdstuk moet je het verschil kennen tussen de directe rede en de indirecte rede.

  • Het belangrijkste is uiteraard te weten wanneer de aanvoegende wijs (= Konjunktiv) wordt gebruikt.

  • Ook moeten wij weten, hoe de Konjunktiv eruit ziet !!


Wanneer gebruiken we de Konjunktiv ?

1: Als uitdrukking van: een "niet-werkelijkheid" of een "onwaarschijnlijkheid"


In zo'n geval kan er soms sprake zijn van een wensgedachte !!

Had ik maar geld, dan…….. Hier is sprake van een niet werkelijkheid

Wellicht is er sprake van een onwaarschijnlijkheid !

Je hebt geen geld !!

Je wilt geld hebben. Dat is jouw wens.

In zo'n geval gebruik je de Konjunktiv !

In het Duits zeg je dan: Hätte ich nur Geld, dann…..

Andere voorbeelden van "niet-werkelijkheid" of "onwaarschijnlijkheid"

Kwam hij maar, dan……… Käme er doch bloß, dann……..

Als ik in uw plaats was, dan….. Wenn ich an Ihrer Stelle wäre, dann……..

2: In de "indirecte rede" * ( na een werkwoord die een mededeling inhoudt)


Werkwoorden met een mededeling ?

Denk dan aan: zeggen, schrijven. mededelen, vertellen, van mening zijn enz.

Er sagte, daß er es nicht wisse / wüßte

Sie teilte mit, daß sie auch komme / käme

Der Mann schrieb, daß er keine Zeit habe/ hätte

Je ziet, dat bij dergelijke voorbeelden de Konjunktiv wordt gebruikt. Je mag de Konjunktiv tegenwoordige tijd gebruiken, maar ook de Konjunktiv verleden tijd.

Dat is echter niet altijd zo.

Als de Konjunktiv tegenwoordige tijd overeenkomt met de tegenwoordige tijd van de normale vorm, dan moet je de Konjunktiv verleden tijd gebruiken !!
Wat is nou eigenlijk de direkte- / indirekte rede ?

Directe rede: Der Chef sagt: " In einer Woche kommt der neue Vertreter".

Das Mädchen fragte mich: " Können Sie mich morgen zurückrufen"?

Wat onderstreept is wordt door de genoemde persoon letterlijk gezegd.

Het is een letterlijke weergave !

Indirecte rede: Der Chef sagte, daß er keine Zeit habe / hätte.



Wat de chef heeft gezegd wordt op indirecte wijze weergegeven.

Het is niet de letterlijke weergave.

De spreker geeft met eigen bewoordingen weer wat de chef gezegd heeft.

De spreker laat zich over de juistheid of onjuistheid van de mededeling niet uit. Hij geeft dus niet aan of het klopt wat de chef heeft gezegd.

Daarom wordt de Konjunktiv gebruikt !

Je kunt in dit geval kiezen uit Konjunktiv tegenwoordige tijd of Konjunktiv verleden tijd.

Der Chef sagte, daß er keine Zeit hat.



Ook hier is sprake van indirecte rede. Het zijn niet de letterlijke woorden die de chef heeft gebruikt. De spreker geeft de mededeling in eigen bewoordingen weer.

Je ziet dat er nu geen Konjunktiv is gebruikt. Als je in de indirekte rede de Konjunktiv niet gebruikt, dan drukt de spreker uit dat de chef inderdaad geen tijd heeft. Het klopt wat de chef heeft gezegd.

Opmerking 1

Een indirecte rede wordt ingeleid door een werkwoord dat:

a: een zeggen uitdrukt. sagen, erklären, mitteilen, erzählen, behaupten enz.

b: een denken uitdrukt. meinen, denken, vermuten enz.

c: een schrijven uitdrukt. schreiben, telegrafieren, faxen enz
Opmerking 2

Je ziet, dat de indirekte rede vaak met daß begint



Der Bürgermeister teilte den Einwohnern mit, daß…………
In vele gevallen kun je daß ook weglaten.

Der Chef antwortete, er habe / hätte keine Zeit.

3: In de "indirecte rede" (na een zelfst. nw. die een mededeling inhoudt)


(Je hebt bij punt 2 kunnen lezen wat een indirecte rede is.)

Voorbeelden van indirecte rede na een zelfst. nw. met een mededeling.

Die Mitteilung, daß er käme, war für mich schrecklich.

Die Nachricht, da ß sie käme, hatte mich sehr gefreut.



Zo ook met: die Meinung, daß……

die Behauptung daß…..enz.

Uitgangen Konjunktiv (eerst stam kiezen)

Het zwakke werkwoord


persoon

teg. tijd (stam)

uitgang

verl. tijd

(ik-vorm)

uitgang

ich

mach

e

mach

te

du




est




test

er/sie/es




e




te

wir




en




ten

ihr




et




tet

sie




en




ten

Sie




en




ten

Je ziet, dat bij deze groep werkwoorden de uitgangen in de teg. tijd beginnen met -e

Op de volgende pagina zie je de uitgangen van de Konjunktiv bij sterke werkwoorden.




Het sterke werkwoord ( a in de stam)


persoon

teg. tijd (stam)

uitgang

verl. tijd

(ik-vorm + ")

uitgang

ich

trag

e

trüg

e

du




est




est

er/sie/es




e




e

wir




en




en

ihr




et




et

sie




en




en

Sie




en




en

In tegenstelling tot de normale vervoeging zie je bij de Konjunktiv geen a-Umlaut in de tegenw. tijd. Je ziet dat bij deze groep werkwoorden de uitgangen beginnen met -e.

Het sterke werkwoord (e in de stam)


persoon

teg. tijd (stam)

uitgang

verl. tijd

(ik-vorm + ")

uitgang

ich

seh

e

säh

e

du




est




est

er/sie/es




e




e

wir




en




en

ihr




et




et

sie




en




en

Sie




en




en

In tegenstelling tot de normale vervoeging zie je bij de Konjunktiv geen e-i Wechsel in de tegenw. tijd. Je ziet, dat bij deze groep werkwoorden de uitgangen beginnen met -e.

Uitgangen Konjunktiv (haben, sein, werden)

A: Het werkwoord haben


persoon

teg. tijd (stam)

uitgang

verl. tijd

( + ")

uitgang

ich

hab

e

hät

te

du




est




test

er/sie/es




e




te

wir




en




ten

ihr




et




tet

sie




en




ten

Sie




en




ten

B: Het werkwoord sein


persoon

teg. tijd

uitgang

verl. tijd

( + ")

uitgang

ich

sei

-

wär

e

du




st




st

er/sie/es




-




e

wir




en




en

ihr




et




t

sie




en




en

Sie




en




en



C: Het werkwoord werden


persoon

teg. tijd (stam)

uitgang

verl. tijd

(ik-vorm + ")

uitgang

ich

werd

e

würd

e

du




est




est

er/sie/es




e




e

wir




en




en

ihr




et




et

sie




en




en

Sie




en




en



Zoals eerder vermeld


Als de Konjunktiv tegenwoordige tijd overeenkomt met de tegenwoordige tijd van de normale vorm, dan moet je de Konjunktiv verleden tijd gebruiken !!

normale teg. tijd

normale verl. tijd

Konjunktiv t.t.

Konjunktiv v.t.

  • wir werden

  • wir wurden

  • wir werden

  • wir würden

Je ziet bij dit voorbeeld, dat de normale tegenwoordige tijd overeenkomt met de Konjunktiv t.t.

Dat betekent in dit geval, dat je bij een indirecte rede moet kiezen voor de Konjunktiv verleden tijd.

De vrije keuze kan hier dus niet worden gemaakt !


Der Direktor teilte mit, daß die Fachleute morgen das Dach reparieren würden.

Je moet hier de Konjunktiv v.t. kiezen, omdat de Konjunktiv t.t. gelijk is aan de normale teg. tijd (zie schema). Dus hier geen werden !!


Is het je opgevallen dat je bij een vertaling van een Duitse zin in de Konjunktiv regelmatig het woordje zou(den) kunt gebruiken.

Das wäre schön = Dat zou mooi zijn !



Wenn ich Geld hätte, dann würde ich ein Auto kaufen = Als ik geld had (zou hebben), dan

zou ik een auto kopen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina