Docentenhandleiding voortgezet onderwijs De kroon op het werk



Dovnload 35.04 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte35.04 Kb.
Docentenhandleiding voortgezet onderwijs
De kroon op het werk

Hollandse schilderkunst 1670-1750



Inleiding

In deze handleiding vindt u informatie over het educatieve aanbod bij de tentoonstelling De kroon op het werk, Hollandse schilderkunst 1670-1750, die van 18 februari t/m 28 mei 2007 te zien is in het Dordrechts Museum.

De tentoonstelling sluit aan bij de beeldende vakken, CKV1 en KCV.
Tentoonstelling

De Hollandse schilderkunst uit de 17de eeuw is wereldberoemd. Iedereen heeft wel eens gehoord van Rembrandt, Frans Hals of Vermeer. Maar wat kwam er ná Rembrandt? Welke schilders gaven rond 1700 de toon aan?


De tentoonstelling De kroon op het werk. Hollandse schilderkunst 1670-1750 laat zien hoe de mode aan het eind van de 17de eeuw veranderde. Schilders waren nauwelijks meer geïnteresseerd in het leven van alledag, zoals hun voorgangers. Ze wilden alleen de mooiste en meest verheven onderwerpen uitbeelden. En dat was precies waar het publiek rond 1700 van hield. Geen gewone Hollandse landschappen meer met bouwvallige huisjes, maar idyllische vergezichten met klassieke tempels en beelden. Geen huiselijke tafereeltjes, maar mythologische of bijbelse scènes. En geen simpele stillevens met groente of vis, maar uitbundige bloemstukken die rijkdom en grandeur uitstraalden.
Met De kroon op het werk wordt voor het eerst een groot overzicht van de schilderkunst rond 1700 gertoond, aan de hand van karakteristieke thema’s als ‘Theater’, ‘Hofschilders’, ‘Interieurkunst’ en ‘Verheven verhalen’. Met een breed scala aan onderwerpen en naast schilderijen ook prenten, meubels, beelden en zelfs een miniatuurtheater is De kroon een gevarieerde expositie die veel aanknopingspunten biedt voor de vakken CKV1 en KCV.

De tentoongestelde werken vallen buiten het CKV2-thema ‘Burgerlijke cultuur’, vandaar dat voor leerlingen CKV2 geen speciaal aanbod wordt verzorgd. Toch kan de tentoonstelling ook voor deze groep interessant zijn, juist omdat hier een mooi beeld wordt gegeven van de veranderende cultuur van de rijke burgers in de late 17de eeuw. Natuurlijk kunnen CKV2 leerlingen gebruik maken van de Kijkwijzers KCV of CKV1.


> Zie verder de bijlage Plattegrond & Tentoonstellingsthema’s.
Educatief programma
Voorbereiding thuis of in de klas

Website

Via www.dekroonophetwerk.nl is uitgebreide informatie te vinden over de tentoonstelling. Met behulp van de thematische teksten en de afbeeldingen op de website kunnen leerlingen zich zelfstandig voorbereiden op een bezoek aan de tentoonstelling.


Powerpointpresentatie

Als hulp bij een klassikale voorbereiding is een powerpointpresentatie beschikbaar met afbeeldingen en thema’s uit de tentoonstelling. Deze presentatie is te downloaden van de website.


Programma in het museum

Leerlingen kunnen de expositie zelfstandig bezoeken aan de hand van de CKV1- of KCV-kijkwijzer. Daarnaast is het mogelijk een rondleiding te reserveren

(per groep van maximaal 15 leerlingen).

Bij de tentoonstelling hoort een informatieboekje voor bezoekers, dat u bij binnenkomst meekrijgt.


Kijkwijzers

zijn te vinden op de website (pdf-bestanden, kleur en zwart-wit). Ze dienen voorafgaand aan het bezoek te worden geprint en meegenomen. Neem zelf potloden mee, onderleggers zijn te leen bij de balie van het museum.


Kijkwijzer CKV1 – Hoe veranderde de smaak van het publiek en de stijl van de schilders na de Gouden Eeuw en welke romantische en heldhaftige verhalen namen de plaats in van Hollandse landschappen en herbergscènes?
Kijkwijzer KCV – In deze kijkwijzer ligt de nadruk op de ‘hernieuwde’ belangstelling van de welgestelde kunstkoper aan het einde van de 17de eeuw voor klassieke vormgeving en - onderwerpen.

Afspreken en regelen van een bezoek

Maak uiterlijk twee weken van tevoren een afspraak met de administratie van het Dordrechts Museum voor een bezoek, ook wanneer uw leerlingen zelfstandig met kijkwijzers aan de slag gaan. Telefoon: 078 6482145.


Print de kijkwijzers op school en neem ze mee. Let op: in het museum mag alleen met potlood worden geschreven. Het makkelijkst is om de potloden voor uw leerlingen zelf mee te nemen. Onderleggers zijn te leen bij de balie.

Vertel op school vast een aantal regels waaraan de leerlingen zich tijdens het bezoek dienen te houden.

Heeft u een rondleiding gereserveerd, zorg er dan voor dat uw groep op tijd in het museum is. De afgesproken tijd is de begintijd van de rondleiding.
Huisregels in het museum


  • Tassen (en jassen) moeten worden achtergelaten in de garderobe, er zijn kluisjes aanwezig.

  • Overal zie je schilderijen en andere voorwerpen. Die zijn erg kwetsbaar, vandaar dat er niets mag worden aangeraakt. Blijf op minimaal één meter afstand van de schilderijen.

  • Omdat er natuurlijk ook andere bezoekers in het museum zijn die op hun gemak willen rondkijken praat je zachtjes en loop je rustig rond.

  • Mobiele telefoons staan natuurlijk uit!

  • Eten en drinken kan in het museumcafé, of in de (mooie) tuin.

  • Schrijven mag alleen met potlood. Onderleggers zijn bij de balie te leen.


Kosten

Leerlingen tot en met klas drie hebben gratis toegang tot het museum.

De toegang voor leerlingen van klas vier en hoger bedraagt € 1,50 per leerling, indien u groepsgewijs het museum bezoekt. Voor individuele leerlingen geldt het CKV-tarief van € 3,50.
Rondleidingen kosten voor een school uit Dordrecht € 10,00 per groep van maximaal 15 leerlingen. Een school buiten Dordrecht betaalt € 25,00.
Programma op maat

Voor speciale wensen of meer informatie belt u afdeling educatie van het Dordrechts Museum, telefoon 078 6482142 of stuur een e-mail naar em.van.noortwijk@dordrecht.nl


Bijlage
Plattegrond

Tentoonstellingsthema’s
Bij elk thema zijn schilderijen te zien op www.dekroonophetwerk.nl.



Tijd voor verandering

In de jaren zestig van de 17de eeuw begon zich in de Hollandse schilderkunst een koerswijziging af te tekenen. Een verandering die alles te maken had met de veranderende smaak van het publiek. Een aristocratische levensstijl raakte in trek bij de rijke kooplieden en regenten. Ze spiegelden zich aan de Oranjes en aan het Franse hof. Johan de Witt liet zelfs een portretbuste in kostbaar marmer van zichzelf maken, iets wat daarvóór alleen vorsten deden. Op schilderijen presenteren de burgers zich niet langer in stijve poses en sobere zwarte kostuums, maar als elegante mannen en vrouwen, zelfverzekerd en zichtbaar duur gekleed.
Schilders verfijnden hun techniek, kleurgebruik en onderwerpen. Naar huiselijke tafereeltjes, kroegscènes of gewone Hollandse landschappen was weinig vraag meer, naar mythologische of bijbelse voorstellingen des te meer. Te ’alledaagse’ onderwerpen werden opgewaardeerd met elegante figuren of een overdadige enscenering. Schoonheid en elegantie, daar draaide het om.
Theater

Schilderkunst en theater waren omstreeks 1700 nauw verbonden. Cornelis Troost, de bekendste schilder van toneelscènes, was jarenlang acteur bij de Amsterdamse Schouwburg. En evenals Gerard de Lairesse ontwierp hij toneeldecors.

De Lairesse was daarnaast inhoudelijk bij het theater betrokken als lid van het literaire genootschap Nil Volentibus Arduum (’Niets is moeilijk voor hen die willen’), dat het Hollandse theater op een hoger en vooral klassieker plan wilde brengen.
Toneelregels die waren afgeleid uit de klassieke literatuur, paste De Lairesse toe op de schilderkunst. Een verheven onderwerp was een eerste vereiste. Het verhaal diende vervolgens treffend te worden verbeeld, met aandacht voor schoonheid en een passende, geloofwaardige enscenering. De Lairesse bouwde zijn schilderijen op als decors en plaatste zijn ’acteurs’ in een ondiepe ruimte, als op een toneel. Dikwijls zelfs met een weggetrokken gordijn. Het Groot Schilderboek (1707), waarin hij de regels van de kunst uiteenzet, werd hét handboek voor classicistische schilders.

Het aristocratisch ideaal

De rijke Hollandse burger ging zich in de tweede helft van de 17de eeuw steeds meer identificeren met de adel en koos de vorstelijke stijl van de Europese hoven tot voor­beeld.

Dit uitte zich in een voor­keur voor clas­si­cistische architec­tuur, het bouwen van buitenplaat­sen met in Franse stijl aange­legde tuinen, beel­den en tuin­vazen en het dragen van elegan­te kleding in de Franse smaak. En een aris­tocrati­sche leefwij­ze, uiteraard. Grandeur uitstralen, daar ging het om.


In de schilderkunst wordt dit aristocratische ideaal bena­drukt. Het blijkt niet alleen uit de modieuze parklandschap­pen die in groten getale geproduceerd werden door schilders als Isaac de Mouche­ron, maar ook uit de traditionele genres die alle een 'ver­adel­lij­king' ondergingen. Of het nu een por­tret, bloemstilleven of vrolijk tafereeltje is, de setting is vaak een park of ter­ras. Ook een verwijzing naar de jacht - een adel­lijk privi­lege dat voor geld te koop was - komt geregeld voor.

Houbraken, schilder en schrijver

Arnold Houbraken (1660-1719), een leerling van de Dordtse schilder en kunsttheoreticus Samuel van Hoogstraten, was rond 1700 een succesvol schilder en prentkunstenaar in Dordrecht. Zijn schilderijen met mythologische en bijbelse onderwerpen laten zien dat hij een overtuigd classicist was.
Toch is Houbraken niet zozeer als kunstenaar, maar vooral als kunstenaarsbiograaf bekend geworden. Zijn Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen verscheen in drie delen tussen 1718 en 1721. Met zijn boek wilde hij niet alleen kunstgeschiedenis schrijven, maar ook het classicisme uitdragen. Zo adviseerde hij schilders alleen de mooiste en meest verheven onderwerpen te kiezen en emoties ingetogen te verbeelden. De Groote Schouburgh was een onmisbaar handboek voor verzamelaars en geldt ook nu nog als de belangrijkste eigentijdse bron over 17de-eeuwse Hollandse schilders.
Pendanten

Het maken van pendanten of tegenhangers kent een lange tradi­tie. Van oudsher lieten families of echtparen zich zo portret­teren: ieder op een eigen doek of paneel, maar zo dat in één klap te zien was dat de schilderijen bij elkaar horen. Dat blijkt uit de­zelfde for­maten, de naar el­kaar toege­wende gezich­ten en een over­een­kom­stige entou­rage. En niet onbe­lang­rijk: ook de lijsten zijn doorgaans de­zelfde.


Die gewoonte om pendanten te maken nam rond 1700 modieuze vor­men aan. Steeds meer tegenhangers werden er vervaar­digd, niet alleen in portret maar ook in andere genres: landschap, stille­ven en historiestuk. Zowel tweetallen als uitgebreidere reek­sen. Het decoratieve ef­fect speel­de daarbij een grote rol, ook door de vaak sierlij­ke lijs­ten. En zoals te verwach­ten: pendan­ten wer­den in het inte­rieur sym­me­trisch ge­hangen, aan weerszij­den van de schoorsteen bij­voor­beeld.
Interieurkunst

Rijke, elegante interieurs waren aan het eind van de 17de eeuw zeer in de mode bij de vermogende burgerij met aristocratische aspiraties. Naast goudleer en wandtapijten werden nu ook steeds vaker schilderijen gebruikt als wandbekleding. Kunstenaars specialiseerden zich in deze decoratieve schilderkunst.

De Lairesse was de eerste die grote plafond- en behangselschilderingen op doek vervaardigde. De Franse architect Daniël Marot, die voor Lodewijk XIV had gewerkt, introduceerde het ‘interieur als totaalconcept’. De indeling van de wanden, de betimmering, het beeldhouwwerk en de schilderingen – alles moest één harmonisch geheel vormen.
Arcadische landschappen en mythologische scènes waren geliefde onderwerpen voor behangsels. Grisailleschilderingen, die de illusie wekken van een gebeeldhouwd reliëf, werden veel toegepast als ornament boven een deur, als schoorsteenstuk of op plafonds. Jacob de Wit werd de bekendste specialist op dit gebied. Grisailles, die eerst ‘grauwtjes’ waren genoemd, werden al snel bekend als ‘witjes’.
In Arcadië

Het streven in de late 17de eeuw naar een veredeling van de schilderkunst had ook gevolgen voor het landschap. Het moest vooral 'schilderachtig' zijn. Alleen het 'schoonste en uitge­leezen­ste' moest worden uitgebeeld, schreef de schilder-theore­ticus Gerard de Lai­resse. Dus geen bouwvallen, woeste wa­ter­val­len of sche­rpe heuvels, maar een zacht gloo­iend land­schap met stille beekjes, gave klassieke tempels en beel­den. Kortom een zonnig Arca­dië met bijbelse, mytho­logische of landelijke tafe­relen. Droom­landschappen, zoals Ge­rard Hoet en Jacob de Heusch die naar voor­beeld van de Franse schil­ders Nicolas Poussin en Clau­de Lor­rain produ­ceerden.


Ook de pastorale beleefde opnieuw een periode van bloei. Het zor­geloze leven van verliefde herders en herderinnetjes was een dankbare bron van inspiratie. Vooral de beroemdste schilder van zijn tijd, Adriaen van der Werff, voelde zich erdoor aangespro­ken. Zijn gepolijste, verfijnde en vaak erotische herdersidyl­les vonden gretig aftrek bij het kapitaalkrachtige publiek.
Hofschilders

Adriaen van der Werff gold in zijn tijd als Hollands beste schilder. Zijn glad ges­childerde werk viel in de smaak bij bur­gers en adel. Zozeer zelfs dat Johann Wilhelm, keur­vorst van de Palts, hem in 1696 tot hof­schilder benoemde met een vor­ste­lijk ­honorarium van 4000 gul­den. Op voorwaarde dat hij jaarlijks zes maan­den voor hem zou werken. Tot volle te­vre­denheid van de vorst, die hem tot zijn dood in 1716 in dienst hield en hem in 1703 zelfs in de adel­stand ver­hief. Daar­mee kon Van der Werff zich scha­ren in de rij van promi­nente voor­gan­gers als Ru­bens en Van Dijck. Niet zonder trots sig­neerde hij zijn werk voortaan met 'Che­va­lier'.


Ook andere Hollandse kunstenaars stonden in hoog aanzien. God­fried Schalc­ken werkte voor de keurvorst, evenals de beroemde stilleven­schil­de­res Rachel Ruysch. Zij was hofschilder van 1708 tot 1716. Ook Eglon van der Neer trad in zijn dienst, na eerder voor Karel II van Spanje gewerkt te hebben.
Stillevens

Het streven naar vol­maaktheid in de schi­lderkunst manifesteerde zich ook in het stil­levengenre. Aan verlepte bloemen of aange­vreten fruit was er tegen het einde van de 17de eeuw geen be­hoefte meer, evenmin als aan stillevens met eenvoudige zaken als groe­nten of vis. De vraag was nu naar stukken die rijkdom en gran­deur uitstraalden, stillevens die beantwoordden aan het aristo­cra­tisch ideaal van de tijd.


De stil­le­vens wer­den in toe­nemen­de mate luxu­euzer en decoratie­ver met een over­daad aan zorgvuldig geselecteerde objecten. Alleen de mooiste en meest exquise bloemen of planten werden uitge­beeld. Vaak geschikt in antiek ogende potten, maar ook ver­werkt in wonderlijke bosstillevens, een laat 17de-eeuws feno­meen. Ook stillevens met exotische en 'geleerde' voorwerpen vie­len in de smaak.

Toch is het niet allemaal rijk en overdadig. De verfijnde wer­ken van Coor­te staan geheel op zichzelf en hebben een volkomen eigen bekoring.



Het kabinet van de verzamelaar

Door de luxueuze aankleding van de interieurs met betimmeringen en behangselschilderingen was er rond 1700 voor schilderijen als decora­tie steeds min­der plaats. Met als gevolg dat de be­langstelling voor losse schilderijen zienderogen afnam en schilders in toenemende mate afhan­ke­lijk werden van rijke opdracht­gevers en verza­me­laars. Deze had­den voor hun schilde­rijencol­lectie een speciaal kabinet ingericht, met een schil­dersezel - voor de nieuwste aanwinst - en enkele stoelen als enig meubi­lair.
De schilderijen hingen, als in een klein museum, lijst aan lijst in een min of meer symmetrische ordening. Niet op the­ma, maar naar de grootte van de stukken. Nog steeds gewild waren de mees­ters uit de Gou­den Eeuw. Daar­naast was er grote be­langstel­ling voor schilderijen in de 'moderne manier': ui­terst fijn­geschil­derde stuk­ken op klein formaat met ele­gante onder­werpen uit het dagelijks leven, bijbelse en mythologische ta­ferelen - soms met alle­daagse trek­jes -, intieme portretten en geïdealiseerde landschappen.

Verheven verhalen

Historiestukken - schilderijen met bijbelse, mythologische of historische onderwerpen - stonden in de 17de-eeuwse kunsttheorie het hoogst aangeschreven. Maar in de praktijk waren juist de ‘lagere’ genres, zoals het gewone Hollandse landschap, stilleven of interieurstuk, geliefd bij het publiek. Rond 1700 was dat veranderd: de ’verhevenheid’ van het onderwerp telde nu voor de kopers wel degelijk mee, ‘historiën’ waren favoriet. Niet verwonderlijk in een periode waarin kunstenaars en publiek zich richtten op het buitenland, in het bijzonder op de Franse klassieke traditie. De Lairesse, pleitbezorger van dit classicisme, drong er bij schilders op aan niet telkens dezelfde scènes te kiezen, maar juist verhalen die niet eerder waren uitgebeeld.
De Lairesse hechtte veel waarde aan de morele betekenis van het uitgebeelde verhaal. Schilderijen moesten het publiek opvoeden. Toch zullen de motieven van de schilders – zelfs van De Lairesse – niet altijd even hoogdravend zijn geweest. Een klassiek thema kon ook worden aangegrepen om ‘ideaal’ naakt zo verleidelijk mogelijk weer te geven, met als doel puur kijkplezier.
Beschilderd behang

My dunkt ik stap alree door dartle wildernissen

Der weel’ge kruyden, en hoor ’t ruisshen van de blaân.

Al wat het oog vermaakt, lacht ons hier lieflyk aan.
Zo staat te lezen in een 17de-eeuws gedicht over de behangsels in een Amsterdams grachtenpand.

In een kamer met landschapsbehangsels rondom, een ‘kamer in ’t rond’, kon de bewoner zich in een idyllische omgeving wanen. Om de illusie zo sterk mogelijk te maken, werden de landschappen geplaatst met de horizon op ooghoogte en hield de schilder rekening met de lichtinval in het vertrek.


De behangselschilderkunst bloeide lang. Maar in de 19de eeuw veranderde de mode en werden wandvullende doeken weer vervangen door handzame schilderijen in een lijst. Het overgrote deel van de behangselschilderingen in ons land ging voorgoed verloren. Een gaaf bewaard gebleven 17de-eeuwse serie, zoals die van De Lairesse en Glauber in deze zaal, is een zeldzaamheid.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina