Doelstelling 3 deel 6 Pedagogisch handelen is dynamisch handelen



Dovnload 89.52 Kb.
Datum22.07.2016
Grootte89.52 Kb.
Doelstelling 3 – deel 6 Pedagogisch handelen is dynamisch handelen
Hoe men omgaat met kinderen/jongeren, heeft veel te maken met de tijdsgeest. Men kijkt nu “anders” naar kinderen/jongeren dan vroeger. Laten we het kindbeeld doorheen de jaren eens van dichter bekijken.

In de hierop volgende, korte historische schets zullen we proberen aan te tonen dat kinderen vroeger van weinig of geen tel waren, dat een aparte kindperiode eigenlijk vroeger niet bestond.

Dit veranderend kijken naar kinderen doorheen de geschiedenis van onze Westerse beschaving ligt natuurlijk niet aan de kinderen zelf, kinderen zijn altijd kinderen geweest en zullen ook altijd kinderen blijven, maar aan de veranderingen in de maatschappij.

We kunnen in de westerse wereld de “evolutie” van het kindbeeld indelen in drie grote periodes.


1 Periode tot einde Middeleeuwen: onverschilligheid tegenover kinderen.

Onverschilligheid tegenover kinderen zou zowat tot het einde van de Middeleeuwen (omstreeks 1500) dominant zijn geweest. Kindermoord en het achterlaten van pasgeboren kinderen waren in die vroegere ‘beschavingsvormen’ veel voorkomende praktijken. Geen politie of gerecht die eraan dacht om deze handelingen van de ouders of andere misdadige volwassenen te bestraffen!

Een paar voorbeelden:

- In Athene ( 5e eeuw voor Christus) werden kinderen die om welke reden ook ongewenst waren van de rotsen gegooid.

- Overal in Europa werden kinderen in rivieren gegooid, op mesthopen, of geofferd voor dieren of voor goden.

- Kinderen die veel weenden of onvolmaakt waren, werden niet zelden gedood.

- Jongens waren meer waard dan de meisjes. In Napels werden bij de geboorte van een meisje zwarte vlaggen buiten gehangen om de buren te waarschuwen dat ze geen gelukwensen hoefden te brengen.

- De kindersterfte was door die kindermoord en verwaarlozing, maar ook door zeer slechte hygiënische omstandigheden, bijzonder groot. De helft tot twee derden van de kinderen stierf in deze periode voor een leeftijd van 20 jaar.


Kortom tot het einde van de Middeleeuwen zou er geen ‘maatschappelijk bewustzijn’ van een aparte kindperiode hebben bestaan. Kinderen jonger dan 6-7 jaar waren gewoon niet van tel.

Pas nadat ze deze periode hadden ‘overleefd’, werd het kind al meteen tot de volwassenheid gerekend. Het kind werd in het volwassen productiewerk ingeschakeld. Dit betekende in die tijd van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werken, zes tot zeven dagen op zeven. Er was geen vrije tijd en nauwelijks plaats om te spelen, wat kinderen van die leeftijd toch behoren te doen. De kinderen liepen ook geen school want die bestonden niet. Slechts de hele rijke kinderen, vaak van adellijke afkomst, konden genieten van privé-onderwijs. Er was dus geen apartstelling kind - volwassene. Kinderen namen vanaf 6-7 jaar deel aan alle leefaspecten van de volwassenen: werk – seksualiteit – leven en dood.


2 Eind Middeleeuwen tot ongeveer 1950: ontdekking van het kind

Pas vanaf de 16e Eeuw zou het kind stilaan echt in de belangstelling komen. Geleidelijk aan waren er steeds meer denkers, wetenschappers, schrijvers en staatsmannen die er zich van bewust werden dat kinderen op een aparte manier en gedurende een langere periode klaargemaakt moesten worden voor een ‘betere en rechtvaardiger’ maatschappij. De kinderen van toen werden stilaan aanzien als de toekomst en rijkdom van morgen, de hoop op vooruitgang en voorspoed. Vooral de nieuwe ontdekkingen in de natuurwetenschappen in de 17e eeuw ( Galileo Galileï, Mercator, Leonardo De Vinci,…) en de Verlichtingsperiode in de 18e eeuw (met orgelpunt de Franse Revolutie in 1789) met hun geloof in de rede en het verstand droeg in zich de kiemen van een vooruitgangsdenken. De redenering en het gevoel daarbij was eenvoudig. De mens werd door zijn ontdekkingen meer en meer bewust van de mogelijkheden van zijn verstand. Door dingen in de wereld te gaan onderzoeken kan men’ dingen’ ook begrijpen en meteen gaan gebruiken om een betere wereld op te bouwen.

En vooral hierin werd de rol en de betekenis van de kinderen stilaan duidelijk. Kinderen moesten langer opgeleid worden opdat ze in de toekomst de fakkel zouden kunnen overnemen om mee te bouwen aan een steeds rechtvaardiger, veiliger en eerlijker wereld.

Voorbeeld

- In die tijd begonnen meer en vooral eerst ‘ jongens uit hoger kringen’ regelmatig ‘school’ te lopen. Pas vele eeuwen later zal dat pas voor alle kinderen, dus ook voor de minderbehoeder jongens en nog later voor de meisjes, een afdwingbaar recht worden (leerplicht 1914).

- Het aantal scholen nam traag maar gestaag toe en vooral in de 19e Eeuw werden er overal kleine dorpsschooltjes gebouwd, zodat ook de kinderen op het platteland onderwijs konden genieten. Ondanks deze inspanningen bleef dit voor heel wat arme kinderen dode letter. Er was tot diep in de 19e Eeuw nog heel wat kinderarbeid. De prachtige Vlaams film Daens illustreert dit schrijnend.

- De kindergeneeskunde scheurt zich midden 19e eeuw af van de algemene geneeskunde. Voor het eerst werden artsen opgeleid met de specialisatie in de toch wel zeer specifieke kinderziektes.

- Eind 19e Eeuw: de eerste eigenlijk ‘kinderwetten’ moeten de kinderen beschermen tegen misbruik van volwassenen: kinderwetten tegen kinderarbeid (1912) en de leerplichtwetten (1914). Het gerecht en politie kunnen voor het eerst, gesteund door de wet, ingrijpen tegen misbruik van kinderen.

- De eerste jeugdverenigingen werden opgericht.
Besluit

Er is in deze periode een steeds groter wordende bewustwording van het feit dat kinderen belangrijk en kwetsbaar zijn. Daarmee groeit ook het besef dat kinderen door hun eigen specifieke geaardheid gedurende hun ontwikkeling moeten kunnen ‘spelen en leren’ en dat ze gedurende deze tijd ‘speciaal’ moeten beschermd worden tegen ziektes en misbruik van kindmisdadigers.


3 Vanaf 1950 tot nu: het huidig kindbeeld

Zo ontstond een, voor ons als het ware evident geworden, nieuw en modern kindbeeld:

- De meeste mensen vinden kinderen lief, schattig, vol fantasie, eerlijk, spontaan, nieuwsgierig en mooi, …

- Vandaag de dag worden er voor kinderen enorm veel zaken georganiseerd: school, kinderopvang, speelpleinwerking, sportmogelijkheden, expressiemogelijkheden, jeugdbeweging, jeugdrechtbank, …

- Het kind is onderwerp van ontelbaar vele wetenschappelijke onderzoeken (de kinderpsychologie ontstaat als aparte discipline), van vele boeken en tijdschriften, van kinderprogramma’s op tv en films in de bioscoop. Boeken over ‘Opvoeding’ vind je tegenwoordig gegarandeerd terug in de top tien lijstjes van de best verkochte boeken. Overal in de kranten, op tv, bij de bakker of de slager hoor je mensen over kinderen bezig.

Er is inderdaad vandaag de dag zeker een groeiende belangstelling voor kinderen en dat is een heel goede zaak.


Opdracht: bijlage 1

6.1 Binnen een bepaald klimaat/sfeer
De opvoeding binnen onze Westerse cultuur verschilt met andere culturen. We gaan hieronder even in op het opvoedingsklimaat binnen allochtone, niet Europese gezinnen.
Doordat allochtonen in een andere cultuur leven, dus andere waarden hebben dan wij de Westerse cultuur, gaan zij hun kinderen op een andere manier opvoeden dan wij gewoon zijn.
Binnen de allochtone cultuur bestaan er strikte taken en rolpatronen voor de vrouw en de man. De kinderen worden met het oog op de latere rolvervulling en functie opgevoed.

Er zijn twee niveaus namelijk binnenhuis of de binnenwereld en buitenshuis of de buitenwereld.

De binnenwereld is de wereld van het eigen gezin, de familie, de buren de vrienden en de kennissen. Hier draagt de vrouw samen met haar man de verantwoordelijkheid. Waarden die hier gelden zijn solidariteit, vertrouwen, eerlijkheid, bescherming. De vrouw heeft de centrale plaats in het gezin en heeft bijgevolg invloed en verantwoordelijkheid.

De buitenwereld is voor de man weggelegd. Hij moet naar buiten toe zijn terrein kunnen verdedigen. Hij moet zijn man kunnen staan, zijn vrouw kleden, gastvrij zijn, enz. in al deze zaken loert de eer steeds om de hoek. Hier hoort werken, winkelen, op straat staan praten, … onder. De man moet het gezin vertegenwoordigen kortom het woord voeren in naam van het hele gezin.

Door deze situatie worden jongens en meisjes vanaf hun tiende levensjaar apart opgevoed. Dit alles wordt sociale rolmodellering genoemd. Deze rollen moeten de kinderen eigen maken via mondeling. Alles wordt voorgedaan, niets wordt uitgelegd. Positief gedrag wordt als normaal beschouwd en niet bekrachtigd. Negatief gedrag wordt wel bestraft.
De ouders staan niet alleen in voor de opvoeding van hun kinderen. Ze krijgen hulp van de grootouders en de gemeenschap. Deze hulp bestaat uit beïnvloeding, sociale controle, bijsturing, bestraffen, berispen en uitleg geven. Dit wordt de grote sociale steun genoemd.
Een groot verschil in opvoeding is dat de opvoeding gericht is op het aanleren van het juiste rolgedrag en niet op zelfontplooiing zoals in de Westerse cultuur.

Opdracht: bijlage 2
6.2 Vanuit een bepaalde stijl
We hebben de rozas van Leary gebruikt ( zie SW 3° STW) om de verschillende mogelijke verhoudingen die tussen mensen ( en dus ook tussen opvoeders en opvoedeling) kunnen bestaan, uit te tekenen. Op dit assentelsel hadden we vier sectoren waarin we telkens een bepaalde soort verhouding konden situeren. Zo kan de relatie tussen de opvoeder en de opvoedeling gekenmerkt zijn door:

  • macht en liefde;

  • liefde en vrijheid;

  • vrijheid en afkeer;

  • afkeer en macht.


Naargelang de verhouding tussen opvoeder en de opvoedeling in één van deze vier sectoren is onder te brengen, zal de opvoeder de voorkeur geven aan een bepaalde opvoedingsstijl. Een opvoedingsstijl is het geheel van gedragingen die karakteristiek zijn voor een bepaalde opvoeder en die van situatie tot situatie relatief ongewijzigd kan blijven.

Een opvoedingsstijl is dus de wijze waarop de opvoeder zich gewoonlijk gedraagt. Het gaat om een stijl van handelen.


Bijvoorbeeld

Een leraar treedt streng op tegenover de leerlingen die zijn bevelen niet onmiddellijk opvolgen. Hij bepaalt volledig zelf wat er in de klas moet gebeuren. Inspraak van de leerlingen wordt niet geduld.


Overeenkomstig de vier soorten interactiepatronen kunnen we vier soorten opvoedingsstijlen aanduiden.

MACHT

Autoritaire Overbeschermende

opvoeding opvoeding

LIEFDE AFKEER

Onverschillige Democratische

opvoeding opvoeding

VRIJHEID

6.2.1 Overbeschermende opvoedingsstijl

Een overbeschermende stijl is gebaseerd op een houding van veel macht en genegenheid. In extreme gevallen is er sprake van ‘bezittende houding’.

Deze opvoedingsstijl is verwarrend, zowel voor de opvoeder als voor de opvoedeling. Immers én veel macht én veel genegenheid kunnen niet samengaan. Eén van beide is onecht: macht of

genegenheid is schijn. In die overbeschermende sfeer wordt de andere klein gehouden. De genegenheid wordt gebruikt om het wantrouwen te verdoezelen en macht om eigen angst en onzekerheid te verbergen.

Gevolgen voor het kind

  • De groei van de persoonlijkheid wordt bij het kind afgeremd. De keuze tussen groeien en niet-groeien wordt hen enorm moeilijk gemaakt:

  • Bij ‘willen groeien’ zal hij de liefdevolle zorgen moeten missen;

  • Bij ‘niet-willen groeien’ wordt hij omringd met liefde.

Het kind kiest dan jarenlang voor ‘niet-willen groeien’, en doet jaren (slaafs) wat van hem gevraagd wordt: hij doet wat de anderen van hem vragen, hij is totaal afhankelijk.

  • Een overbeschermende opvoeding leidt tot onvoldoende ontwikkeling van de persoonlijkheid. Talenten kunnen onmogelijk tot ontwikkeling komen. Aanvankelijk berokkenen overbeschermende kinderen weinig last aan anderen. Op een latere leeftijd zal het kind zich (hopelijk) losrukken van het gezin tot grote ontreddering van de ouders. Het oudste kind kan dan evolueren naar opstandigheid, waarop de ouders reageren met agressie, waardoor het kind aanvoelt dat het afgeschreven wordt en het gezin ontvlucht om eindelijk te kunnen groeien.

  • Bezittende opvoeding leidt tot stoornis in de persoonlijkheid. Het kind zal nooit een zelfstandig wezen worden. Bij het verdwijnen van de ouders zal het kind totaal ontredderd zijn. Het zal vervangende ouders zoeken. Het zal zich totaal afhankelijk maken van de anderen.

6.2.2 Onverschillige opvoedingsstijl

Deze stijl wordt gekenmerkt door een houding van weinig macht en weinig genegenheid. In extreme vorm is er sprake van ‘verwaarlozende houding’. In deze stijl worden geen grenzen gesteld: laisser-faire-laisser-aller! Er zijn bijna geen afspraken of regels. Er is een soort vrijheid die een losbandigheid veroorzaakt. Ouders luisteren niet naar de kinderen; het kind is precies de moeite niet waard om zich ervoor te interesseren. In dergelijk gezin lijkt alles mogelijk, behalve een ‘weten waarheen men wil’ en een ‘aantrekkelijke warmte’.

Gevolgen voor het kind

  • Kinderen kunnen niet zonder afspraken en zonder genegenheid. Indien zij die thuis niet vinden, dan zoeken zij die buitenshuis. Bij gebreke aan goede volwassen modellen kiest het kind (de jonge puber) zijn eigen modellen: de groteren, de ouderen, de durvers, de macho’s. Omdat de genegenheid ontbreekt, worden figuren met macht meestal geïmiteerd. Gaandeweg gaat men opereren in bendevorming. De binding in bende is er overbeschermend zodat de bende aan elkaar klikt op basis van macht. De genegenheid in de bende is er één van ‘eigenliefde’.

  • Men wordt echter maar echt mens in een relatie waar er genegenheid heerst, binnen een voldoende gestructureerd geheel (factor macht-gezag) en waarin mogelijkheid bestaat tot zelfbepaling (vrijheid). Wanneer dit niet wordt aangeboden bijvoorbeeld in een verwaarloosde opvoeding, kan een kind nooit uitgroeien tot een ‘goed mens’.

  • Een onverschillige opvoeding (laisser-faire-houding) is géén opvoeding. Het leidt tot persoonlijkheidsmoeilijkheden en relatiestoornis bij het kind. Het is steeds op zoek naar veiligheid en vindt deze slechts bij lotgenoten.

  • Een verwaarloosde opvoeding leidt onvermijdelijk tot persoonlijkheidsstoornissen of gedragsstoornissen. Het maakt opstandelingen die slechts macht en agressie kunnen aanwenden om hun doelstellingen te bereiken.

  • Onder deze opvoedingsstijl kunnen we ook de toegeeflijke en verwennende opvoeding onderbrengen, waar materiële beloningen worden gehanteerd als zoethoudertje.

Hier is geen sprake van liefde, wel van schijnliefde. Deze opvoeding blijft niet zonder gevolgen voor het kind:

  • het leert geen rekening houden met grenzen vanuit een andere, want het heeft nooit structuur aangeboden gekregen;

  • het mist geduld en doorzetting om iets wat moeite kost, te veroveren;

  • het manipuleert zijn ouders;

  • het mist zelfbeheersing; wordt vaak egocentrisch, veeleisend en onhandelbaar; het mist meestal respect voor andermans zaken.

6.2.3 Autoritaire opvoedingsstijl

Deze houding kenmerkt zich door aanwending van veel macht en weinig genegenheid. In extreme vorm spreken we van dictatoriale houding (controle en afkeer) of koele houding (waarbij het kind niet wordt geaccepteerd; met een grote emotionele afstand tussen ouders en kind).

In de autoritaire houding probeert de ouder zijn kijk op de dingen aan het kind op te dringen. Hij stelt daartoe veel eisen en legt het kind allerlei beperkingen op. Hij poogt het kind te dwingen in een door hem gewenste richting, waarbij onvoldoende recht wordt gedaan aan de individualiteit van het kind. Dit kan verklaard worden vanuit de onzekerheid van de opvoeder: hij wil alles mooi ordenen, het kind een weg induwen die hem (opvoeder) zekerheid biedt.

De dominante ouder is veeleisend en verlangt van het kind de nodige prestaties. Hij eist gehoorzaamheid zonder tegenspraak. Hij gebruikt dan ook veel dwang in de opvoeding en is voorstander van een strenge discipline. Straffen nemen dan ook een belangrijke plaats in binnen de dominante opvoeding, ook lichamelijke straffen. In tegenstelling tot de overbeschermende houding tonen deze ouders hun genegenheid niet, voor zover zij genegenheid zouden voelen voor het kind.

Gevolgen voor het kind

Bij een autoritaire opvoeding

  • Het kind ervaart zich als een wezen met eigen behoeften die hij het best onderdrukt. Dergelijke houding is voor het kind groeiremmend.

  • Een autoritaire opvoeding werkt gevoelsarmoede in de hand.

  • Daar de jongere geen inspraak krijgt, zal hij weinig gemotiveerd zijn te doen wat van hem wordt verlangd. Sommigen zullen zich wel schikken, maar dan enkel uit angst.

  • De kinderen koesteren vaak wrevel tegen hun ouders. Veelal zullen er verzetreacties komen. Er bestaat grote kans dat ze hun verzet tot alle volwassenen gaan richten en dat ze het gedrag van hun ouders gaan veralgemenen naar andere volwassenen toe.

  • Als opgroeiende jongeren en als volwassenen vertonen ze een gebrek aan innerlijke beheersing en eigen verantwoordelijkheid. Ze denken steeds in termen van macht en ‘machtsaanwending’.

  • In een autoritaire opvoeding jaagt men als het ware het kind de straat op, weg van de ouders, zoals bij een onverschillige opvoeding.

In een dictorale opvoeding is de mens als dood. Elke vorm van creativiteit en zelfwaardegevoel wordt gefnuikt.

In een koele opvoeding blijft het kind steken in het onbevredigd zijn van de fundamentele behoefte aan aandacht. Het zal er vaak op een negatieve manier om vragen door lastig gedrag, met het gevaar voor kindermishandeling. Er is ook kans dat het kind later als ouder in eenzelfde opvoedingspatroon zal vervallen. De liefde die het kind zelf heeft moeten missen, zal het later van zijn eigen kinderen verwachten. Aan deze verwachtingen kan zo’n klein kind niet beantwoorden (baby’s kunnen veel last berokkenen) met als gevolg dat de ouder het kind gaat afkeuren, zoals hij vroeger werd afgekeurd.

6.2.4 Democratische opvoeding

Deze stijl is gebaseerd op een houding die gekenmerkt is door weinig macht en veel genegenheid. In meer extreme vorm kunnen we ook spreken van een anti-autoritaire houding: veel vrijheid en veel liefde.

In een democratische opvoedingsstijl vinden we uitingen van vertrouwen, begrip, optimisme, waardering, achting, lof en een plezierige samenwerking. Voor de buitenwereld lijken er brede opvattingen gehanteerd te worden. Deze opvoedingsstijl vraagt veel inspanning omdat de dosis macht/ dosis vrijheid bijna steeds moet herzien en herdacht worden. Wat gisteren nog niet toegelaten kon worden, kan wellicht morgen wel. Het kind groeit immers. Aanvankelijk worden er dus wel structuren en regels gegeven voor zover nodig in de ontwikkeling van het kind. Maar die worden vlug verlaten als men denkt dat het kind ze niet meer nodig heeft.

Gevolgen voor het kind

  • deze opvoedingshouding werkt groeibevorderend, is verrijkend voor het kind (en ook voor de ouders).

  • Het kind krijgt de gelegenheid aan zijn persoonlijkheid te werken; het krijgt de kans al zijn mogelijkheden en talenten te ontwikkelen.

  • Het kind wordt in staat gesteld alle negatieve ervaringen te verwerken.

  • Deze opvoeding biedt de meeste kans om:

Een kind creatief te laten zijn;

Een kind zelfstandig en toch sociaal te laten worden;

Een kind ondernemend te laten worden.



Opdracht: bijlage 3
Opdracht: bijlage 4

6.3 Met bepaalde opvoedingsmiddelen

Om het opvoedingsdoel bij hun kinderen te realiseren beschikken de ouders over verschillende opvoedingsmiddelen.

De vier opvoedingsmiddelen:

Informatieoverdracht, gewoontevorming, belonen of straffen, imitatieleren worden gebruikt om houdingen - attitudes te ontwikkelen.


Voorbeeld

Vader, moeder, An (9 jaar) en Frank (6 jaar) verbruiken samen het middagmaal. An hecht veel belang aan een mooi gedekte tafel. Ze heeft ook ‘tafelmanieren’. Frank daarentegen heeft nog veel te leren. Hij knoeit en morst, wil bepaalde groenten niet eten , hanteert zijn vork en mes niet zoals het hoort, loopt soms van tafel weg om te spelen, … .
We merken dus dat beide kinderen een totaal verschillende houding (attitude) hebben tegenover het gebeuren aan tafel.
Die houding kunnen we analyseren in drie componenten.


Drie componenten waaruit de houding/attitude bestaat.

Voorbeeld

Houding van Frank tegen over het gebeuren aan tafel.

Opvoedingsmiddel vanwege de ouders.

Een houding bestaat vooreerst uit bepaalde overtuigingen, meningen of opvattingen.


Frank vindt dat ‘eten met mes en vork’ een dwaze gewoonte is.


Vader zegt dat Frank zijn eten niet zo haastig naar binnen moet schrokken. Hij legt meteen uit waarom het voor de gezondheid van belang is dat men rustig eet en goed kauwt.

= informatieoverdracht


Vader toont Frank voor hoe hij zijn mes en vork moet hanteren en vader eet zelf steeds correct met mes en vork = imitatie-leren.

In een houding vinden we ook bepaalde gevoelens die met die overtuiging samenhangen.


Frank heeft een afkeer voor ‘al die tafelmaniertjes’. Hij is boos omdat hij niet van tafel mag weglopen.


Moeder zorgt ervoor dat er regelmatig minder bekende groenten op tafel komen. Zij verplicht Frank om tenminste even te proeven vooraleer hij zegt dat hij ze niet lust. Ze hoopt dat hij de smaak gewoon wordt. Stilzwijgend worden bepaalde gewoonten tot stand gebracht = gewoontevorming.

Bij die gedachten (meningen) en gevoelens passen ook bepaalde handelingen.

Frank slurpt, speelt met zijn eten, loopt van tafel weg, …


Als Frank het al te bont maakt, krijgt hij straf.

- Frank lust geen kool. Zijn moeder zegt: ‘wat ben je nu een flinke jongen’, wanneer hij de moed heeft opgebracht om toch een paar hapjes van de kool te eten = beloning

= straffen en belonen.


Houdingen en attitudes worden niet aangeboren maar wel aangeleerd. Dit betekent dat ze ontstaan en ontwikkelen onder invloed van leerprocessen.


- Sommige attitudes hebben we onbewust aangeleerd.

Bijvoorbeeld: ik ben er mijn niet van bewust hoe egoïstisch ik ben, in welke mate ik mezelf ben en welke belangen ik centraal stel.


- Andere attitudes hebben we wel via bewuste leerprocessen ontwikkeld.

Bijvoorbeeld: op school heeft men opzettelijk een bepaalde houding ontwikkeld tegenover drugs, ontwikkelingslanden, …


Opdracht: bijlage 5
Opdracht: bijlage 6

6.4 Het pedagogisch handelen is het dynamisch handelen in een opvoedingsmilieu.
6.4.1 Het gezin

Het gezin draagt bij tot de instandhouding van de maatschappij. De samenleving gaf het gezin bepaalde taken, functies die het moet of zou moeten vervullen. Denken we bijvoorbeeld aan het voortbrengen van kinderen en de opvoeding daarvan, de bevrediging van de behoefte aan veiligheid en geborgenheid, de zorg voor zieken en bejaarden, …

Veranderingen in de functies van het gezin komen er omdat ook de samenleving verandert.


6.4.1 De economische functie

Tot aan de industriële revolutie was het gezin een sterk afgelijnde eenheid. De gezinsleden speelden als individu niet zo’n belangrijke rol. Ze maakten deel uit van een gezin en dat gezin vervulde een aantal opmerkelijke functies. Het gezin stond sterk onder invloed van de kerk.

Het gezin stond in grote mate zelf in voor het produceren en verwerken van goederen voor eigen gebruik. Brood bakken, kleren maken, groenten kweken, … gebeurde vaak binnen het huishouden. De “productie” van goederen gebeurde kleinschalig. Het gezin was een productie-eenheid.
Het gezin heeft nu zijn functie als productiegemeenschap (in de economische betekenis van het woord: dus om winst te maken) grotendeels verloren. Het is nu bijna uitsluitend consument geworden. Het is de belangrijkste gebruiker (consument in de maatschappij.). Het feit dat het gezin vooral consumptiegericht is, heeft voor de gezinsopvoeding belangrijke gevolgen. Er zijn gezinnen die zeer veel waarde hechten aan prestige en uiterlijk vertoon. Hun financiële middelen gebruiken ze dan voor allerlei materiële dingen die hun welvaart moeten uitstralen: een riant huis, dure wagens, modieuze kleren. Ander gezinnen spenderen hun tijd en geld aan cultuur en persoonlijke ontwikkeling. Er zijn er ook die vrij sober leven en met weinig materieel comfort toch best tevreden zijn. Naargelang de kinderen in dit of dat type gezin opgroeien, ontwikkelen zij een bepaalde levensstijl.
Opdracht: bijlage 7

6.4.2 Fysiek verzorgende functie

Wie kinderen ter wereld brengt, moet er ook zorg voor dragen. Dit is de verzorgende en beschermende functie die erin bestaat het lichamelijk welzijn van de gezinsleden te garanderen: voeding, lichaamsverzorging, kleding, onderdak.


Het gezin zorgde ervoor dat er steeds kon voldaan worden aan de veiligheidsbehoeften van de gezinsleden. Zo was het de taak van het gezin er voor te zorgen dat de leden steeds een veilige en vertrouwde thuis hadden, dat ze haar leden bescherming kon bieden bij bedreiging, dat ze zieke gezinsleden thuis kon verzorgen, dat ze gehandicapte kinderen en bejaarde kon opvangen,… deze verzorgende functie werd volledig door het gezin of de familie vervuld.
Nu wordt de verzorgende functie vaak door instellingen overgenomen. Ernstige zieken worden in een ziekenhuis opgenomen. Aanstaande moeders gaan naar een kraaminrichting. Voor bejaarden zijn er tehuizen voorzien. Wanneer mensen ernstig gehandicapt zijn, worden ze in veel gevallen in gespecialiseerde instellingen verzorgd en begeleid. Kinderdagverblijven, peutertuinen en babysitdiensten nemen een deel van de ‘moederlijke’ zorg over.
6.4.3 Affectieve functies

Voor een gezonde ontplooiing van de persoonlijkheid moet een kind ook gekoesterd worden, genegenheid en liefde ontvangen. Voor de pasgeborene is er omzeggens geen onderscheid tussen de fysieke verzorging en de affectieve koestering. Ook voor oudere kinderen is het voor hun psychisch welzijn van groot belang dat ze opgroeien in een huiselijk milieu waar ze liefde, waardering en affectieve steun ondervinden.

Tegenwoordig wordt dikwijls beklemtoond dat in onze technische, zakelijke en harde maatschappij, waarin men maar gewaardeerd wordt voor zover men prestaties levert, het gezin een oase is waarin men zich kan terugtrekken, waar men zichzelf kan zijn, waar men aanvaard wordt zoals men is. Tal van wetenschappelijke onderzoeken tonen ondubbelzinnig aan dat mensen, die in hun kinderjaren de affectieve warmte van het gezin hebben moeten missen, vaak ernstige stoornissen in hun persoonlijkheidsontwikkeling vertonen.
Opdracht: bijlage 8

6.4.4 De opvoedingsfunctie

Vroeger werden waarden en normen bijgebracht door hun ouders en andere gezinsleden. Het gezin speelde de belangrijkste rol in de opvoeding en educatie van de kinderen. De kerk oefende ook een grote invloed uit op de gezinnen, het gezin zorgde ervoor dat de leden werden opgevoed met de katholieke waarden en dat ze die met z’n allen naleefden. We mogen dus zeggen dat het gezin de taak had om religie over te dragen. Onze Westerse cultuur was eeuwenlang zeer sterk bepaald door het Christendom.

Nu leven we in een samenleving waar verschillende religieuze opvattingen mogelijk zijn.
Naast het gezin vervult de school ook een belangrijke opvoedingsfunctie.
6.4.5 Voortplantingsfunctie

Onder invloed van de kerk werden seksualiteit, liefde, huwelijk en voorplanting verbonden met het gezin. Seks mocht sowieso alleen gericht zijn op voortplanting en alles wat met seksualiteit en liefde te maken had, kon alleen binnen een gezin.

Door de industrialisatie kwamen er grote maatschappelijke veranderingen tot stand. Grote fabrieken ontstonden, mensen gingen uit werken, de invloed van de kerk nam af, de overheid begon een grotere rol te spelen, er ontstond meer vrije tijd, daardoor kwam er ook meer tijd vrij om na te denken over “menselijke relaties”, er werd langzaam aan meer aandacht geschonken aan de ontwikkeling van het individu, het belang van onderwijs werd steeds duidelijker,…

De moderne kapitalistische maatschappij kwam stilaan tot stand. Door deze veranderingen heeft ook het gezin zich moeten aanpassen.


6.4.2 In school/onderwijs

De school is een kunstmatig milieu dat in het leven werd geroepen omdat de maatschappij te ingewikkeld werd en het gezin de opvoeding en de opleiding van de kinderen dus niet meer kon waarborgen. De school staat als het ware tussen het gezin en de maatschappij en heeft daarom een dubbele taak:

- het gezin bijstaan in zijn opvoedende taak. De school moet de gezinsopvoeding aanvullen, niet vervangen;

- het kind voorbereiden op een aangepast en gelukkig maatschappelijk leven, hierbij rekening houdend met enerzijds de verlangens van het kin en anderzijds de eisen van de maatschappij.

De school moet zich dus langs twee kanten aanpassen. De school bevindt zich wel in een moeilijke positie want gezin en maatschappij stellen wel verschillende eisen: het gezin legt vooral de nadruk op de affectief - emotionele ontwikkeling, de maatschappij heeft vooral oog voor de intellectuele vorming, wil bekwame beroepskrachten.
6.4.3 De jeugdbeweging, sportclub, het werk, de straat, het jeugdcafé, …

Deze zijn in tegenstelling tot het gezin en de school een zelfgekozen situatie, die in de sfeer van vrije tijd, werk en ontspanning liggen. Ze leveren belangrijke socialisatiemogelijkheden en het zijn belangrijke oefenruimtes voor sociale omgang en identificatie en creatieve vaardigheden…

In deze milieus wordt je ook anders bekeken, geëvalueerd dan in het gezin en de school. Thuis ben je een kind van vader en moeder, de relatie wordt gekenmerkt door gezag en affectie. Op school ben je leerling, vooral beoordeeld op basis van intellectuele prestaties. De jeugdbeweging, de jeugdclub,… spreken je aan als persoon, als een eigen “ik” met mogelijkheden.
6.4.4 De media
Opdracht: bijlage 9

6.5 Diverse groepssituaties die de opvoeding kunnen beïnvloeden.
6.5.1 Gezinsgenoten

Als we de positie - rolverwachting van de gezinsleden in onze maatschappij van vandaag de dag proberen te analyseren en te bespreken, dan moeten we ons baseren op algemene beschrijvingen, veralgemeningen die in onze Vlaamse maatschappij ‘nu’ van toepassing zijn.

De evolutie wat positie en rolverwachting betreft is sterk onderhevig aan de alsmaar sneller veranderde maatschappij. In de laatste dertig- veertig jaar zijn er zowel positieve als negatieve tendensen aan de gang.

Positief in ieder geval zijn de twee belangrijke golven met emancipatie van de vrouw:



  • eerste in de jaren zestig met anticonceptiemiddel ‘de pil’

  • tweede golf in de jaren negentig met ‘girl power’

Hierdoor is de positie van de vrouw binnenin het gezin in belangrijke mate verbeterd. Ze kan nu gelijkwaardig aan de man opkomen voor haar eigen individuele recht. Binnen deze context moet ook een nieuwe ‘schepsel’ op deze aarde beschouwd worden: ‘ de nieuwe man’.

Ook de positie van de kinderen is dankzij de ‘kinderrechtenbeweging’ binnenin het gezin verbeterd. Meer en meer raken ouders overtuigd van de kracht van ‘inspraak’.

Een negatieve tendens binnen onze maatschappij is het gebrek aan ‘Quality time’. Om uiteenlopende redenen zien we dat veel mensen kwaliteitsvolle tijdsbeleving SAMEN verwaarlozen. Hierdoor ‘verarmt’ de communicatie tussen de gezinsleden onderling en raken posities en verwachtingen in de war.
Laten we nu even de verschillende gezinsleden van nabij bekijken.
6.5.1.1 Moeder, de vrouw

‘Moeder - zijn’ kan je met volgende woorden omschrijven: bezorgd, zorgdragend voor, lief, luisteren, genegenheid, warmte, veiligheid.


De moeder vervult binnen het gezin de expressieve functies, wat dan zoveel betekent als: moeder is de (ver)zorgende, de (op)voedende, bemoederende, koesterende, gevoelspool binnen het gezin.

Die expressieve functies worden voor de meeste gezinnen in Vlaanderen vooral nog onderverdeeld in twee deeltaken.

Eerst en vooral blijft moeder de verantwoordelijke voor het huishouden en ook voor de emotionele verzorging van kinderen en man.

Dat moeder hoofdzakelijk de expressieve functies op zich neemt heeft een beetje te maken met aangeboren vaardigheden maar vooral met milieu-invloeden. De opvoeding (beïnvloeding) van meisjes is sterk moedergeoriënteerd. Gemakkelijk te begrijpen onder andere vanuit het feit dat meisjes minder keuzemodellen hebben: het aantal ‘meisjesberoepen’ is eerder beperkt en het zijn dan nog vrij typische beroepen(vb. verkoopster, verpleegster).


Opdracht: bijlage 10


6.5.1.2 Vader
Er was eens een jongetje en dat mocht met z’n vader mee naar de zonsondergang gaan kijken en toen de zon helemaal onder was en zij nog wat stillekes naast elkaar zaten, toen zei ineens dat jongetjes:” vader, doe dat nog eens!”

Luc Versteylen


‘Vader, de man die alles kan’ is een gezegde waar waarheid insteekt. De betekenis ervan geldt zelfs voor de totale maatschappij. We leven in een mannenmaatschappij: op sociaal, cultureel, en economisch gebied zijn de toonaangevende figuren meestal nog altijd mannen.

Het socialisatieproces, het rollenpatroon dat een jongen van kleinsaf wordt opgelegd is daar verantwoordelijk voor.

De rolverwachtingen die nu verbonden zijn aan de positie van vader in het gezin zijn vooral nog de instrumentele functie: hij verschaft het gezin de middelen, de instrumenten zodat het zich materieel en sociaal volwaardig kan ontplooien. Vader gaat dus buitenshuis werken en hij verschaft daarbij zijn gezin twee belangrijke zaken:


  • een inkomen, de kostwinning

  • status, positie, aanzien in de maatschappij

De vrouw en de kinderen zijn dus economisch, financieel en sociaal afhankelijk van de man. Natuurlijk is de positie van de vrouw hierin een stuk sterker geworden, doordat veel vrouwen er ook voor kiezen om te gaan werken.


Binnen het gezin is de vader in het leven van het kind aanvankelijk een achtergrondfiguur. Hij staat letterlijk en figuurlijk ‘achter zijn vrouw’ als ze de kleine kinderen liefkoost, verzorgt, in haar armen houdt.
Pas later speelt vader een meer zichtbare rol in het leven van de kinderen.

Vader is het gezinshoofd, het hoofd van het gezin, en aan die uitdrukking kan je twee betekenissen geven:



  • Ten eerste is vader de baas, hij is het gezag, hij vertegenwoordigt zowat de normen van de maatschappij. Hij is het meestal die de meest kordate sancties moet treffen en vaak draagt hij wat sanctionering betreft nog de eindverantwoordelijkheid.

  • Ten tweede is vader het verstand van het gezin. Hij is de man die veel kan, die veel weet en kent. Bij hem kan je terecht als je speelgoed stuk is, als dat vraagstuk weeral eens te moeilijk is. Hij stimuleert en moedigt initiatief aan. Een verschil met moeder, die meer het ‘hart’ van het gezin is. Moeder ziet het als je problemen hebt, als je weeral eens verliefd bent: bij haar kan je iets vertellen dat je niemand anders zou toevertrouwen.


Opdracht: bijlage 11
6.5.1.3 De kinderen: broers en zussen

Net zoals met onze ouders, hebben we ook met onze broer(s) en zus(sen) een band, een relatie die – of we het nu willen of niet – ons hele leven duurt. En net zoals onze ouders zijn ook zij belangrijke opvoedingsfiguren.

Meestal wordt de relatie tussen broers en zussen gekenmerkt door sterk wisselende momenten van aantrekken – afstoten, ruzie – vriendschap, rivaliteit – solidariteit, m.a.w. “We maken voortdurend ruzie, maar we kunnen elkaar niet missen!” Hoe zou dit komen?

De kinderen in het gezin brengen elkaar de onvervangbare ervaring bij van het samenleven met zijn positieve en negatieve kanten. En bovendien zijn ze voor elkaar een belangrijke bron van identificatie en socialisatie.

Heel wat mensen zijn overtuigd van de enorme invloed op de persoonlijkheidsontwikkeling die uitgaat van de plaats in de kinderrij: het feit dat je het oudste, of het jongste, of het derde kind van jouw ouders bent, bepaalt hun omgang met jou en dus ook jouw ontwikkeling.
- De opvoeding van het enige kind

Dit is geen gemakkelijke taak. Het is niet verwonderlijk dat de ouders het kind overdreven beschermen. Het kind is voor hen een zeer kostbaar bezit, waaraan ze al hun tijd, aandacht en affectie kunnen besteden. Anderzijds dreigt het gevaar dat het kind te streng opgevoed wordt.

Het enige kind is ook altijd alleen met volwassene en mist binnen het gezin het samenleven met broers en zussen. Als de ouders aan dit gemis geen aandacht besteden, is de ontwikkeling van het kind bedreigd.
- Het nakomertje verkeert in een gelijkaardige situatie. Er zijn geen broers of zussen om mee te spelen. Het is ook veel alleen met volwassenen, door wie het vaak verwend wordt. Over een nakomertje in het gezin wordt dikwijls beweerd: “ Dat kind staat in het middelpunt van de belangstelling, alles draait rond dat kind!”. Dat is nochtans zelden waar. Veeleer is het nakomertje in het gezin een buitenstaander, het echt gezinsleven ligt bij de ‘grote kinderen’: de kleine vliegt naar bed terwijl de anderen gezellig bij elkaar zitten; de anderen hebben als het ware een gemeenschappelijk verleden, waar hij compleet geen weet van heeft… .
Het is dan ook begrijpelijk dat heel wat nakomertjes zich helemaal terugtrekken, zich opsluiten in een kinderwereld, vol fantasie en dagdromerij. Anderen echter wijzen juist het kinderleven vroeg af en zijn al heel vroeg een ‘grote man’ (identificatie en imitatie).
Het gebeurt ook dat een nakomertje vrijer en losser opgevoed wordt, vooral omdat de ouders al een dagje ouder geworden zijn en wat ‘opvoedingsmoe’ zijn… .
De opvoeding van een nakomertje is een delicate taak dus, waarbij volgende aandachtspunten in het oog moeten gehouden worden:

-het nakomertje moet gemakkelijk speelkameraadjes thuis mogen ontvangen;

-moet samen met de ouders zonder de ‘groten’ een stukje kinderwereld kunnen uitbouwen… .
- Het oudste kind is het eerste kind dat de ouders moeten opvoeden. Daar de ouders leren opvoeden ‘al doende’ is het oudste kind vaak ook wegbereider voor de andere kinderen: de ervaringen die ouders bij en met hun eerste kind opdoen, komen de volgende kinderen altijd ten goede of ten kwade. Misschien is het daarom dat dit kind veelvuldig op zijn verantwoordelijkheid wordt gewezen en vaak de dupe is bij conflicten:”Toon eens dat je het meeste verstand hebt!”
Een gegeven waar men niet altijd bij stilstaat, is het feit dat het oudste kind gedurende een lange of korte tijd ook enig kind was, met alle voor- en nadelen aan de situatie verbonden.
De komst van een broertje of zusje kan bij een oudste kind leiden tot jaloezie- en regressieverschijnselen. Ook al is die moeilijke periode meestal tijdelijk van aard, mits een goede aanpak kan het moeilijke gedrag vermeden worden.
Opdracht: bijlage 12
6.5.2 Peergroep
Inleiding

Adolescenten moeten loskomen van hun ouders en zich meer en meer gaan richten op generatiegenoten. Daar, in die nieuwe groep – in het Engels ‘peergroup’ – zullen ze immers hun levensgezel moeten vinden.


Definitie

Onder peergroepen, ‘peer groups’ of vriendenkringen, verstaat men een groep jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd met een gelijke sociale status en dezelfde interesses, met andere woorden: een vriendenkring (De Wit & Van Der Veer, 1987).


Soorten peergroepen

Peergroup

Continuïteit

(op de volwassenheid gericht)

Discontinuïteit

(beperkt tot het jeugdleven)

Formeel

(Wordt gevoelsmatig bijeengehouden)



Gereglementeerd

Georganiseerd

Vb. sportclub, orkestje


Vb. fanclub

Informeel

(Wordt door gedragsregels bijeengehouden)



Dagelijkse groepsvorming

(vrienden, klas)

Vriendenclub (clique)

Subcultuur (crowd)



Vb. straatbende, missen vaak band met thuis


Informele discontinue groepen

Deze groepen worden gezien als negatief. Het zijn de straatbendes en de groepjes rotzooitrappers. Deze groepen zijn niet gericht op de volwassenheid, tenzij men het als voorbereiding wil beschouwen op latere criminaliteit. Leden treffen elkaar op bepaalde plaatsen zonder vaste afspraak. Er is ook geen vastgelegde doelstelling, maar de leden worden bij elkaar gehouden door de ideeën die zij over zichzelf hebben in relatie tot de maatschappij. Ze voelen zich exclusief of juist afgewezen.

Voorbeeld: skinheads, in groepjes opererende delinquente Marokkaanse jongeren.

Jongeren die zich hiertoe aangetrokken voelen, missen veelal een hechte en warme band met de ouders. Maar er zijn er ook die dat wel hebben, maar door toeval in de bende verzeild raken en er dan niet meer los van kunnen komen, vb. omdat ze worden bedreigd als ze zich willen terugtrekken.


Formele discontinuïteit

Het schoolvoorbeeld van deze groepen is de fanclub, die bijeen wordt gehouden door de gezamenlijke emotioneel geladen verering van een bepaalde held.


Informele continuïteit

Dit is terug te vinden in de dagelijkse groepsvorming van klasgenoten en vriendenclubjes. Ook de subculturen zijn hieronder te plaatsen, waarbij het gemeenschappelijke zich vertaalt in uiterlijke tekenen van dezelfde smaak. Het ‘lidmaatschap’ heeft niets officieels, men ‘trekt naar elkaar toe’. Er gaat een socialiserende werking vanuit, die doorloopt tot in de volwassenheid. Rekening houden met anderen, luisteren naar andere meningen, op je standpunt blijven staan, toegeven,… is allemaal nodig om bij dit type peergroup te blijven behoren. Daarnaast is er de persoonlijkheidsvormende werking. Jongeren krijgen zelfkennis door de reacties die ze bij elkaar oproepen en bouwen mede aan de hand daarvan een zelfbeeld op.


Formele continue groepen

Deze groep is van het viertal het duidelijkst te onderkennen. Het zijn de sportclubs, het schoolparlement of jeugdorkest. Dat wil zeggen alles dat gereglementeerd en georganiseerd is. Weliswaar bedoeld voor sport en ontspanning, maar daarnaast toch ook een leerschool in verplichting. Afgezien dan de eerste groep, die niet anders dan negatief te beoordelen is, levert elk type peergroup een eigen positieve bijdrage aan de adolescentie. Maar doordat de school de ontmoetingsplaats bij uitnemendheid is, heeft de invloed van de informele continue peergroup de overhand.


In de Angelsaksische terminologie gebruikt men twee soorten van adolescentengroepen: de “clique” en de “crowd”.
De eerste groep, de clique, bestaat gemiddeld uit een vijf-tal leden. De basis voor het ontstaan van deze groep zijn de schoolomgeving en/of de vrijetijdsactiviteiten, bijvoorbeeld in een jeugd-, sport- of studentenvereniging. Vrienden vormen met andere woorden een clique doordat ze frequent aan dezelfde groepsactiviteit(en) deelnemen. De leden van de clique hebben vaak dezelfde socio-economische achtergrond met een gemeenschappelijke set van waarden, normen, interesses, enzovoorts. Deze cliques zijn in de vroeg-adolescentie bijna altijd uniseksueel, maar evolueren tijdens de midden- en late adolescentie naar een heteroseksuele groep (Adler & Adler, 1998).
De crowd is groter dan de clique en telt gemiddeld twintig leden. Crowds ontstaan veelal door samensmelting van cliques. Het lidmaatschap bij een clique is hier een essentiële voorwaarde om toegelaten te worden. Cliques onderscheiden zich van crowds doordat ze meer gericht zijn op interactie dan op sociale activiteiten, zoals de activiteiten binnen een vereniging. De vriendschapsrelaties in cliques zijn ook intiemer dan in crowds.

Dornbush (1989) merkt op dat de samenstelling van peergroepen kan verschillen naargelang het geslacht. Zo interageren meisjes meestal in kleine, intieme peergroepen. Jongens daarentegen, behoren meestal tot grote peergroepen en leggen een grote nadruk op de activiteiten zelf.


Samenvatting

De peergroep/peergroup bestaat uit:

Vriendenclub = clique

Jeugdsubcultuur = crowd

Boezemvrienden

 Functies van de peergroep



  • Zo biedt de expressieve ‘vrijwillige’ context van de peergroep mogelijkheden tot imitatie van gedrag waardoor sociale vaardigheden worden aangeleerd.

  • De peergroep biedt ook mogelijkheden tot het experimenteren met sociale rollen en verscheiden gedragswijzen. Zo kan men in bepaalde verenigingen bijvoorbeeld experimenteren met de rol als leider. De adolescent kan zich verder richten op de normen en waarden van de peergroep, waardoor de verwachtingen van de peergroep zijn gedrag gaan bepalen. De normen van de peergroep bepalen immers welk gedrag gewenst is. De peergroep is met andere woorden een normatieve referentiegroep.

  • De groep van leeftijdsgenoten kan ook voor integratie in de samenleving zorgen. Voor deviant gedrag, zoals in jeugdbendes, geldt echter het omgekeerde. Zulke deviante groepen zullen door de veroordeling van de outgroup, in dit geval de maatschappij, de eigen groep versterken.

  • Als laatste biedt de peergroep zekerheid binnen de adolescentieperiode, een periode die door onzekerheid gekenmerkt wordt. Om deze onzekerheid weg te werken, gaat men zich op dezelfde wijze als de leeftijdsgenoten gedragen.


De peergroep als subcultuur

 

Als men over groepsvorming van adolescenten spreekt, wordt soms het begrip “subcultuur” gebruikt. Een subcultuur is een groepering die zich in een aantal opzichten anders gedraagt dan de meerderheid. Ze hebben een gemeenschappelijk waarden- en normenpatroon, een specifiek taalgebruik, gemeenschappelijke verwachtingen, een gevoel van ‘erbij te horen’ en een hiërarchie van sociale posities. Het lidmaatschap wordt gevormd op basis van gemeenschappelijke identificatie en interactie tussen de leden. Zo ziet elk lid zich als een deel van de groep.



De adolescente cultuur vormt in dit opzicht een soort subcultuur die reageert op de onzekere status waarin de adolescent zich bevindt. Deze adolescente ‘peer’-cultuur splitst zich zo op in verschillende peergroepen, met elk hun eigen voorwaarden voor het verkrijgen van het lidmaatschap.

Belangrijk is dat een subcultuur kan fungeren als een referentiegroep voor de adolescenten, waarbij het gedrag (mede-)bepaald wordt door de in de subcultuur aangehangen normen en waarden.


Gelijkenissen in de peergroep: invloed of selectie?

 

In de peergroep vertonen het gedrag en de attitudes van een adolescent veel gelijkenissen met die van zijn vrienden. Berndt & Keefe (1995) nuanceren dit doordat adolescenten vinden dat de leden van hun peergroep meer gelijkenissen in attituden en gedrag vertonen, dan in werkelijkheid het geval is (Berndt & Keefe, 1995). Maxwell (2002) noemt dit fenomeen het “false consensus effect”: het overschatten van de gelijkenis tussen het eigen gedrag en dat van de vrienden. De gelijkenis in attitudes en gedrag wordt overbenadrukt doordat ze hun eigen gedrag en attitudes aan dat van de vrienden toeschrijven.




Samenvatting


Peergroup

Continuïteit

(op de volwassenheid gericht)

Discontinuïteit

(beperkt tot het jeugdleven)

Formeel

(Wordt gevoelsmatig bijeengehouden)



Gereglementeerd

Georganiseerd

Vb. sportclub, orkestje


Vb. fanclub

Informeel

(Wordt door gedragsregels bijeengehouden)



Dagelijkse groepsvorming

(vrienden, klas)



Vriendenclub (clique)

Subcultuur (crowd)

Vb. straatbende, missen vaak band met thuis




Grote groepen vallen uiteen en worden ‘kenissen’, subcultuur verdwijnt.




Doelstelling 3 – deel 6 Pedagogisch handelen is dynamisch handelen







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina