Door kees stip



Dovnload 112.89 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte112.89 Kb.
Vijf variaties op een misverstand
dat is de droevige geschiedenis

van Pyramus en Thisbe

behandeld in de trant van enige Nederlandse dichters

DOOR KEES STIP

L.J.C.Boucher 's-Gravenhage
M CM L VII (vierde druk)

HET MISVERSTAND


Om alle misverstanden weg te nemen omtrent het misverstand dat aan deze variaties ten grondslag ligt, moet ik aan de minnaars en minnaressen der Nederlandse poëzie voor wie de namen Pyramus en Thisbe Grieks zijn, uiteenzetten dat zij twee Babylonische gelieven waren, wier treurig eindigende historie ons werd beschreven door de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso, omstreeks het jaar nul.

Deze karakterloze man, door het vele bloedvergieten blijkbaar kleurenblind geworden, gebruikte het hartebloed van Pyramus voor geen beter doel dan er een moerbeiboom mee te bespuiten, en daaraan de moraal te verbinden dat sindsdien de moerbeien zwart zijn. Elke hogere strekking heeft, zover ik zie, steeds aan dit bloedbad ontbroken, tot onze paedagogen het in dienst stelden van de cultuur door er de jeugd Latijn mee te leren.

Laat mij, om Ovidius niet zwarter te maken dan de moerbeien, tot zijn voordeel zeggen dat hetgeen hij schrijft zich twintig eeuwen heeft kunnen handhaven door de manier waarop hij het schrijft, zodat het onbillijk zou zijn het verhaal, door een vertaling van zijn enige verdienste beroofd, hier af te laten drukken. Het is trouwens niet nodig. De inhoud van de historie, verrijkt met een betere moraal dan die van Ovidius, zal men aantreffen in de eerste variatie, naar Speenhoff, en wel in een vorm die zodanig is aangepast aan het hedendaagse denken, dat het bevatten ervan binnen ieders bereik ligt.

Wat de rest betreft, de psychiaters mogen uitzoeken welke kriebel mij, nadat achter de blauwe ogen van Dieuwertje Diekema de hemel van de Helikon zich voor mij had geopend, heeft bewogen enkele van de onsterfelijken die ik daar aantrof, zoals Buning het uitdrukte, "op de eksterogen van hun versvoeten te gaan staan". Voor zover ze dat konden, hebben ze het mij vergeven, al nam Jan Prins het op voor Lafontaine, die hij meer als mijn slachtoffer beschouwde dan zichzelf, en al schreef Nijhoff mij:

"In de variatie naar mijzelf heb ik zes gelukkige vondsten aangestreept. Overigens acht ik het minder gelukkig, dat u juist op "Pierrot aan de lantaarn" en "De Griekse Idylle" uw keus hebt laten vallen, want deze gedichten zijn zelf reeds min of meer parodieën van poëzie."

Het oordeel over Gorters oordeel moet ik aan de lezer overlaten; en wat Vondel aangaat, ik denk dat hij de meeste bewondering had voor de vier verzen, die zoals kenners bij het lezen van deze variatie zullen zien, aan het rijmschema ontbreken. Waartegenover staat dat Vondel zelf zich in zijn vertaling van Ovidius' tekst, naar mijn smaak, voor iemand als Vondel, de stijl van Vondel slecht heeft getroffen.

Maar hoe men over dit alles moge denken, de oprechte vreugde die de vijfvoudige herleving der onsterfelijke gelieven in de harten van vele goede vrienden en dierbare vriendinnen heeft gewekt, geeft mij de overtuiging dat er in onze aan misverstanden zo rijke wereld nog plaats is voor deze nieuwe variaties op een eeuwenoud misverstand.
NAAR SPEENHOFF
(melodie apart op een pdf-bestand)
Dit is het bloedig moordverhaal,

Van Pyramus en Thisbe,

De een een schone jongeling

Wiens ouwe heer in vis dee,

De andere, Miss Babylon,

De dochter van de buurman,

Bij wie hij op beperkte schaal

Des avonds door de muur kwam.


Die muur had namelijk een spleet;

Het ding zat er al jaren,

Want in die tijd had Babylon

Gebrek aan metselaren.

De Aziatische idee

Zo heette het, ging voor en

Ze werkten tegen wil en dank

Aan de mislukte toren.


De huisbaas schreef in spijkerschrift

(Hetgeen een hele toer was)

Een lang request waarin stond dat

Bij hem de muur ajour was,

Maar toen het aankwam op de plaats

Waar zo'n request moet wezen

Toen brak de spraakverwarring uit

En niemand kon het lezen.


Door deze spleet nu wurmde This-

be 's avonds hare lippen,

En Pyramus placht dan daaraan

Een poze lang te nippen.

Dat was misschien wel aardig, maar

Hoezeer zij ook genoten,

Toch waren beiden erop uit

Hun afzet te vergroten.


En Thisbe op een goeie dag

Sprak in het Babylonisch:

Die muur is toch maar niks gedaan,

Hij maakt mijn hele koon vies.

Je hebt gelijk, zei Pyramus,

Die muur dat is een vieze,

Vanmiddag bij het eten zat

De kalk nog in m'n kiezen.


Ik heb een plan, we gaan eruit,

We doen het clandestien, zus:

Achter het Wilhelminapark

Daar is het graf van Ninus.

Dat is een plekkie waar geeneen

Ons kan bespioneren;

Ik wil nou wel eens weten wat

We zonder muur presteren.


En zo begaven beiden zich

Met uitgedachte smoezen

Apart naar wijlen Ninus toe

Om daar te rendez-voezen,

Maar Thisbe, die het eerste kwam,

Werd bleek gelijk een lelie

Toen zij een leeuw trof, juist ontsnapt

Uit Barrenum en Bailey.


Die leeuw zat daar op Ninus' graf

En at wat eens een ree was;

Hij keek precies of in z'n maag

Nog plenty plaats voor twee was.

Het arme kind wist weliswaar

Het ondier te ontkomen,

Maar 't kostte haar d'r mantel die

Ze pas had laten stomen.


Toen nu de leeuw verdwenen was

Kwam Pyramus haar vrijer,

En las op het verscheurde flard

De naam van Brenninkmeyer.

Hij wist dat dit de firma was

Waar Thisbe vaste klant was

En snapte dus meteen wat of

Er met haar aan de hand was.


Zijn haren rezen overeind,

Zijn wangen werden sneeuwwit.

Hij sprak: Het heeft er alles van

Of Thisbe in een leeuw zit.

Ach waren we toch nog maar thuis,

Zelfs met de muur ertussen,

Want iemand binnen in een leeuw

Die laat zich lastig kussen.

Vaarwel mijn ouders, nimmermeer

Komt Pyramus uw zoon thuis;

Ik sla nu mijn penaten op

In huize Aïdoneus.

Hij trok daarop een slagersmes

En stak het in zijn baadje,

En zonk toen rochelend ineen

Op Thisbe's C & Aatje.


Toen Thisbe hem daar liggen vond,

Gij raadt het reeds, eilacie,

- De vrouw is van nature toch

Geneigd tot imitatie -

Trok zij het mes uit Pyramus

En stak het in haar sinus;

Toen lagen twee kadavers daar,

Nog afgezien van Ninus.


Moraal:

Dit drama leert ons iets omtrent

De ouderlijke plichten:

Men dient de gaten in zijn huis

Terstond te laten dichten.

Wie dit niet doet die brengt zichzelf

In vele ongemakken,

Dus hebt gij jonge dochters, laat

Er dan behang op plakken!
NAAR JAN PRINS
TWEE MUIZEN (EEN FABEL)
Twee muizen, zwaar verliefd van zinnen

werden door ouderlijk verbod

belet om openlijk te minnen.

Doch daar een speling van het lot

beschikt had dat zij buren waren,

lieten ze in schijn hun liefde varen,

en hebben in 't geheim zich tot

den tusschenmuur gewend, die op hun klagen

bereid blijkt, zelf van steen, een steentje bij te dragen.

Helaas, die diender dik van huid

biedt weliswaar hun stemgeluid

een doortocht, volzinnen en klanken

bereiken de overzijde, maar

degenen wie ze hun oorsprong danken

blijven gescheiden van elkaar.

Ach liefde liefde, reeds Leander

en Hero konden bij elkander

niet komen; naar den diepsten grond

van 't visschenrijk deedt gij ze zinken,

zodat zij na den Hellespont

den zwarten Styx nog moesten drinken.

Zoo gaat het hier: hun rendez-vous

helpt beiden naar den Hades toe.

Zij spreken af bij morgenkoude

elkaar te ontmoeten op een plek

waar niemand licht aan denken zoude

die geen fantast was of een gek:

een graf verkiezen zij, niet wetend dat

men binnenkort er voor hunzelven

nog eentje bij zal moeten delven.

De minnaar gaat het laatst op pad,

wat tot gevolg heeft dat de schoone

als eerste aan 't doel zich komt vertoonen,

of eigenlijk toch liever tweed;

een kat die carbonaden eet

heeft de primeur. Haar kaken, wijd gesperd

doen 't muisje ik weet niet wat wel duchten.

Zij laat haar vijandin, bij 't overhaaste vluchten,

een snorhaar achter als dessert.

De poes heeft, na met carbonade

haar buik te hebben volgeladen

meer uit beleefdheid het present gekeurd.

De rest is makkelijk te raden.

Een moord, zoo schijnt het, moet hier zijn gebeurd,

begaan door een die honger had.

en die tenslotte voor de raven

liet liggen wat hij zelf niet at.

De vrijer, die wat later op komt draven.

herkent de resten en beseft

dat het zijn liefje hier betreft,

en zonder noodeloos te schromen

heeft hij het leven zich benomen.

De jonkvrouw vindt het lijk, en zij

voegt er meteen het hare bij.

Twee dingen toont ons deze fabel: dat

men beter ergens anders afgesproken had,

en verder, dat een muizenleven

niet klakkeloos mag worden weggegeven.

't Is geen bezit, maar leen, slechts tijdelijk beheerd.

Het sterfelijke lijf werd door de hemelgoden

tot woonplaats van de onsterfelijke ziel geboden,

gelijk reeds Plaatoon ons in zijn Timaaios leert.

NAAR NIJHOFF
SAMENSPRAAK VAN THISBE MET HET LIJK

VAN PYRAMUS

PYRAMUS. Ik ben een dode Pyramus

Mors est communis omnibus.

Behanger, zanger, Bey van Tunis:

Finis est omnibus communis.
THISBE. Nu is hij dood en spreekt Latijn:

hij moet al in de hemel zijn.

Zeg Pyramus - och lieve Heer -

ken jij je Thisbe dan niet meer?


PYRAMUS. Thisbe, ben jij 't, voor wie 'k zo even

verliet mijn huis, verliet mijn leven?

Ik dacht dat je daarginds al was,

dat 'k je zag zitten in het gras.


THISBE. Is daar dan gras? Zijn daar konijnen?

Of grazen daar de cherubijnen?

Ik smeek je op mijn blote knieën:

vertel me Pyramus, wat zie je?


PYRAMUS. Ik wil wel maar ik kan het niet;

ik zie, ik zie wat jij niet ziet.

Ik zie een wei waar duizend witte

engelen in het zonlicht zitten.


THISBE. Bestaat zoiets dan inderdaad?

Dan is de dood nog niet zo kwaad.

Als' t lichaam hier ligt voor de maden

gaat dan de ziel uit zonnebaden?


PYRAMUS. Ik spreek alleen maar vergelijkend;

de taal is daarvoor ontoereikend.

Daar ginds op aarde is ieder ding

een weerschijn slechts, een spiegeling.


THISBE. Zijn alle dingen hier een afschijn

van die aan gindse kant van 't graf zijn?

Doet men daar alles intensiever?

Wie lief heeft, heeft die daar nog liever?


PYRAMUS. De liefde bij ons doden kent

geen strikt persoonlijk element.

't Is alles eender, vijand, vrind,

zijn even lief, even bemind.


THISBE. Dat moet iets heerlijks voor een vrouw zijn:

ieder beminnen, niemand trouw zijn.

Nu blijkt dat wie zijn levenslot

nog langer draagt, zichzelf bedot.


PYRAMUS. Maar is er niets meer dat je bindt

aan 't aards bestaan? Zeg had je als kind

geen pop waarvan je hield, en had je

geen hondje, geen klein blazend katje?


THISBE. Mijn pop is stuk en heeft geen kop.

Mijn kat ging in de pepersop.

De buurman heeft mijn hond vergeven,

jij en bent ook niet meer in leven.


PYRAMUS. Voor dat je sterven gaat, vergeef

wat men aan kat, aan hond misdreef.

Het mensdom heeft ten enen male

een neiging tot het bestiale.


THISBE. 'k Vergeld het kwaad niet met het kwade;

'k Vergeef hem die mijn kater braadde.

Hier, met mijn voet al in het graf

vergeef ik die mijn hond vergaf.


PYRAMUS. Nu kan je ziel, van schuld bevrijd

opstijgen naar de eeuwigheid,

terwijl tot mussenschrik verstijfd

het lichaam hier beneden blijft.


THISBE. Lijken zijn eng; door hun oogharen

liggen ze star omhoog te staren.

Hun lijven liggen waterpas.

Verstijven doen ze later pas.


PYRAMUS. Maar tussen hun halfopen lippen

kon ongeblust dè vonk ontglippen

die smeulen blijft totdat hij wordt

tot hoger leven opgepord.


THISBE. Is dat de dood: een porder die

ons wekt uit onze rêverie?

Het moet een vreemd ontwaken zijn.

Pyramus, doet dat porren pijn?


PYRAMUS. Iemand, de naam ben ik vergeten,

heeft eens gezegd: non dolet, Paete.

Toen ik het zwaard stak in mijn vel

deed het geen pijn, maar koud was' t wel.


THISBE. Voor wie zich aan de Laren wijdt

bestaan geen graden Fahrenheit.

Temperatuur is maar een fictie.

Temperament is alles. Dixi.


PYRAMUS. Zij heeft gezegd en zwijgt. Nooit zweeg

een vrouw die niet het slotwoord kreeg.

Mijn laatste woorden hebben plaats te

verlenen aan haar allerlaatste.


THISBE. (trekt het zwaard uit Pyramus' lijk)

Maar als mijn donker bloed omhoogspuit

dan spreekt dit zwaard de epiloog uit.

- Hoe kon het zo bezoedeld raken?

Ik zal het eerst schoon moeten maken.

NAAR GORTER


THISBE'S TOCHT NAAR DE VOORDEUR
Nu hoor ik voeten van omhoog. Heel zacht

komt zij geslopen door het huis, waar nacht-

schemer vergaard staat rondom op de trappen.

Haar schreden zijn zoo zacht als poezestappen

wen op de daken katers bij het ros

licht van de maan vergaderen. Gehos

bonst hol over de nokken, maar op straat

sluipen de poezen of 't hun niet aangaat.

Of als een spieder uittrekt, in het donker

branden kampvuren, soms ziet men de vonk er

weerkaatsen in de wapenrusting en

de hellebaarden van de wachtposten.

Hij weet dat daar de dood is, maar vergist

zich niet, sluipt door, oog open, oor gespitst:

zoo sloop zij langs de vuren van geel koper

die traproeden brandden in den traplooper.

En telkens stond ze stil, het hoofd gewend

en luisterde, nauwelijks ademend.

De stilte scheen een tropisch oerwoud, zoo-

als op Sumatra zijn en Borneo,

waar in het rond geluiden als gehurkte

roofdieren zitten op de loer. Vaag snurkte

een slaper boven in een slaapvertrek.

Het leek gezaag, dat op een open plek

men hoort in dichter dennebosch, waar mannen

samen een boom doorzagen. In hun kannen

van blauw email hebben zij thee. Gelek

van zaagsel dwarrelt onder de zaagbek;

om beurten trekken zij en trekken niet.

Een spel lijkt dat voor wie van ver het ziet

als jongens spelen in het speelkwartier:

twee groepen trekken touw, er staat plezier

te blozen op hun wangen, nu eens wordt

de eene bijna tot de streep gesjord

en dan weer gaan de anderen terug

tot de verliezer loslaat. Op hun rug

rollen ze dan, de meester komt erbij

en stuurt ze weer naar binnen, blauw hun dij.

Zoo lijkt dat zagen, en als zagen leek

het snurken van den slaper, maar van streek

bracht haar dat niet, ze had nu de begane

grond al bereikt, en gleed geluidloos - zwanen

glijden op vijver zoo, neen, neen het was

of een prinses ging, als het morgen was,

van wit paleis de gouden poort ontsluiten

er waaien vlaggen en een prins staat buiten,

maar zij gaat onbewogen, niemand kan

haar hart zien kloppen onder het kleed van

chineesche zijde en brusselsch kant en tule -

zoo schreed mijn Thisbe door de vestibule

en schoof den grendel van het slot. Hoor hoor,

piepen stijgt op als van een vogelkoor

van jonge musschen in een groene den

die, zittend in het nest, wijd hun monden

opspalken in verlangen naar een versch

ontbijt van muggen en van meikevers.

De deur week open en een straat van licht

viel van de drempel op het ganggezicht.

Daar stond zij even. Zoo staat wel een steen

tusschen twee landen, één licht, donker een.

Toen had ik bij haar willen zijn, en met

geweld haar keeren, maar te laat was het.

Zooals de bloemen van de vorst, ijspegels,

aan dakgoot hangen, dooi maakt dof hun kegels,

droevig is dat, ze glijden weg, zoo gleed

zij door de voordeur, dicht ging die, haar kleed

ving uit het voorportaal nog schemer, en

zij liep het licht in om te sterreven.


NAAR VONDEL
PYRAMUS OF DE ONNOOSELE VERMOORDING
(TREURSPEL)

PERSONAGIEN


Pyramus

Thisbe

Krithanias, vader van Pyramus

Bode

Gabriël, Michaël, Raphaël, Aartsengelen

Rey van Babbelsche joffers

Rey van Engelen

Stomme Dienaars
't Stuk speelt te Babbel of Babylon, in Babyloniën,

op 't huys van Krithanias.
HET EERSTE BEDRIJF
PYRAMUS. De maen gaet rooder op dan hy tevoren dee.

't Is nacht, en alles rust. De veughels en het vee,

Wat hair en pluymen heeft, zy slapen al te gader,

De ezel en de os, en oock mijn oude vader.

Doch zoo 't bekend hem was wat herrewaert my riep,

Een slapelooze slaap zou' t wezen dien hij sliep.

Wat listen hebbick al, wat laghen moeten leggen

Aen dit vergrijsde hoofd, dat staegh mij blyft ontseggen

Mijn eenigste verlangst. Wat stortte ick al gebeên:

Zijn harssens zyn verzand, en hooren naer geen reên.

Zo staet een oude Eick, wanneer de stormen gieren

En springen op hem af met drieën en met vieren

En schudden hem den pruyck, en breecken met gewelt

Al wat niet buighen wil en zich teweer noch stelt

En jaghen hoogh het schuym uit kreecken en uit kolcken:

Ten deert hem niet. Zoo hoog zijn hoofd steeckt in de wolken

Zoo diep heeft hy zijn pin in Orcus ryck gepoockt,

Daer Cerberus de hond zijn tanden mede stoockt.

Noch heden bad ick dat hij zijn consent mocht geven

Om Thisbe, mijn genoot, mijn lief, mijn lust, mijn leven

Te huwen naer 's Lands recht, en in het openbaar

Te voeren aen mijn zy naer 'tHouwelijckx autaer.

Haer moeder, eene weeuw, zou zoo 't hy toe my stonde

Verheugd zijn dat se zulck een bruigom had gevonden.

Voor zulleck eene bruid. Hij weyghert. Laet het zyn:

Die men den min ontsegt, die minnen clandestyn.

In desen muur van leem doet vingerbreed zich oope

Een toegang tot mijn troost, mijn hoofd, mijn hart, mijn hoope.

Hoe viel de liefde zwaer, indien zij in Cadzant

Of Berghen woonde, of Luyck, of aen den overkant!

De nabuurschap nochtans, die onze huizen beide

Onder één dak verbond, en tegeneen ze vleide

Biedt mij gelegenheid by nachttij door dit split

Te spreken met mijn schat, die aan de keerzy zit.

THISBE. Zijt ghy daer Pyramus, mijn licht, mijn lyf, mijn luste?

PYRAMUS. Mijn lief ick kus den muur. Ach dattick u toch kuste!

THISBE. Hoe wacht ick hier met smart op 't vaderlyck bescheid!

PYRAMUS. Zoo ghy zijn ja verwacht, verwacht de eeuwigheid.

THISBE. De eeuwigheid is meer dan mijn geduld zal duren.

PYRAMUS. Wie hem verbidden wil, die wil den nikker schuren.

THISBE. Wat reden was het die hem dus volharden deed?

PYRAMUS. Die eenen hond wil slaan, vint stocken by de vleet.

Ick ben te reuckeloos, en heb noch niet de jaeren.

THISBE. Dit is het woord van hen, die zelf noit jonc en waren.

Helaes wat ga ick aen. Hoc voel ick my zoo mat.

PYRAMUS. Wat schort u dan mijn lief?

THISBE. Ick heb een droom gehad.

Een somber nachtgezicht, en kan het niet vergeten.

Te middernacht verscheen my nevens 't bed gezeten

In d'arremstoel daer 's nachts myn ondergoed op leit

Het weezen van Katryn, de oude keuckenmeid,

In kleding en in schyn gelyck zij was in 't leven;

Ick zag het eierstruyf noch op haer soepjak kleven,

Haer aenschijn blonck van vet, en in de rechte hand

Hield zij een schootel op, gevuld tot aen den rand

Met vruchten, witter dan een hemd dat leit te bleecken,

Die werden plotzlyck rood Zy sprak: dit is het teecken,

En loste in nevel op. Het droombeeld was gevlucht.

Ick greep, maer greep in 't leegh, en roock de scherpe lucht

Van klare brandewyn, gemengd met anisette

Waermee zij voor de jicht haer strot plagh te benetten,

En was ontwaeckt. Hoe zwaer my dit op 't harte leit!

PYRAMUS. De droomen zyn bedrogh. Het is al eer gezeid.

My leit een zwaerigheit die zwaerder weeght dan droomen

Op den benaeuden maegh: hoe deesen pest 't ontkoomen

Die onontkoombaer schijnt? Mijn zoetelief, hoe zuur

Is my de tusschenkomst van desen naeren muur!

Dit aekeligh gedrocht, dat met zyn leeme wangen

Bereid staet zonder feil mijn kussen op te vangen

En 't deel te nemen dat aen u was toebedeelt.

Myn neus ziet blond en blaeu. Myn lippen krijgen eelt.

Hy laet zich als een bruid omarremen en pressen,

Voorwaer een taaie bruid! O Goden en Godessen

Aenschouwt hier Pyramus, den Christen naer den daed,

Die kust dien hij veracht, en koestert dien hy haet!

THISBE. Mijn lief, ten voeght u niet op dezen toon te spreecken.

PYRAMUS. Ick spreeck een lofsang uit zoo hem de moord magh steecken.

THISBE. Verschoon hem en bedenck, hy bracht ons tot elkaer.

PYRAMUS. Het minnen leert zichzelf, en hoeft geen middelaer.

Die my den kaeck bevuilt, hoe zal ick dien verschoonen?

Wie mint door eenen muur, die mint voor speck en boonen!

THISBE. Bedenck dat razery hier niet en uit magh reicken.

Bedaer, mijn lief, bedaer. Wy kunnen hem ontwijken

Die zellef niet en wyckt.

PYRAMUS. Wat geestigh woord is dit?

THISBE. Zwygh stil en luyster toe. Ick open u myn wit.

Ghy kent het wilge bosch by Babbels rycke veste

Gesproten uit den grond dien de rivier bemestte

Die Euphraet heet van ouds, een vet en vruchtbaar land

Daer 't stoflyck overschot van Ninus leit geplant,

Den vaderlandschen Helt waervan de dichters zingen,

Vermaert in straetoproer en scherremutselingen.

Zyn ziel schermutselt noch, maer 't sterfelycke been

Bleef achter in de klai, bedeckt met eenen steen.

Begeef u morgenvroeg, zoodra ter Oosterkimme

De zon zijn peerdenkar den hemel in doet klimmen

Naer dese pleck. Daer staet een moerbeieboom;

Daeronder zet u neer, en wacht totdat ick koom.

PYRAMUS. Ghy goden al te gaer, ach mooght ghe dit gehengen

En schenken ons de kracht kloeckmoedigh te volbrengen

Dit stuck vol van gevaer, lotswissel en geval.

THISBE. Het lot is wisselbaer. Alleen de muur staet pal.

Wat plotzelycke vrees komt u in ' t hart gerezen?

PYRAMUS. Ick vrees, mijn lief, om u.

THISBE. Ghy vreest met valsche vreezen.

PYRAMUS. Hoe wilt alleen ghy gaen naer 't eenzaam wilge woud

Waer slang en leeuwen beer, en tiger huys in houdt,

En wollevegebroed, die met beluste kaecken

Verslinden yeder mensch, en er pastai van maecken?

Oock loeren op den weg veel roovers en geboeft;

Ghy zijt een zwakke vrouw, die mannenhulp behoeft.

Ach laet ons samen gaen. Ick neem u in myn armen

En zal u tegen dit bloeddorstig vee bescharmen.

THISBE. Myn lief ick ga met u door nacht en duisternissen,

Ja, door het hellevier waer de verdoemden sissen,

Maer niet op lichten dagh door deze nette buurt

Waer yeder door 't gordyn or door de horren gluurt.

Zoo ghy het anders wilt, ghy kunt de moeite sparen.

PYRAMUS. Ick will zoo ghy het wilt. Ick will maer al te gaeren.

God Bal, de schutspatroon van Babbel zy geloofd

Die in dit cierelyck met goud omlokte hoofd

Een plan zoo vol beleids en kloeck beraeds deed brouwen.

THISBE. Waer ' t manvolck schimpt en tiert, daer handelen de vrouwen.

't Is tyd nu dat wy gaen naer onze beddekluis

Opdat de god des slaeps, de sloome Morrepheus,

Ons tot de morgen daeght in zyne armen stoove.

De nacht is kort genoegh. Vaerwel ick ga naer boove.

PYRAMUS. Myn lief ick blyf u tot den fellen dood getrouw,

En pars noch door den kier een kus tot afscheid. Au.
REY VAN BABBELSCHE JOFFERS. :

O Babyloon, ghy stad zoo schoon,

Het lust ons te bezingen

Hoe droevigh is, en ongewis

Het lot der stervelingen

Die door een spleet, 't zy smal of breed

Hun graege tronies vringen.
Ghy vaderhart, zoo boos en zwart

Ay, wilt hun bee verhooren.

En is uw hoofd versuft, verdoofd,

De muren hebben ooren.

Het liefdevier door geenen kier

Zich dooven laet of smooren.


In d' eenzaemheid daer Ninus leit

Daer zalmen ons beleeren

Hoe leeme wand noch leeuwe tand

Vermagh de min te deeren.

Wat nu, wat nu? zei Pichegru;

Die kans gaet haest verkeeren.


HET LAETSTE BEDRIJF
KRITHANIAS. De jeugd is vol vernuft en stoute snaeke streecken.

Hoe onverwacht is dit my gisteren gebleken

Toen Pyramus myn zoon, die oolycke schavuyt

Gezeurd had aen myn kop om Thisbe tot zyn bruid

't Ontfangen in myn huys, en schenken hun myn zegen.

Zoo hy al ouder was, 'k en had er niet op teghen,

Maer blaest men in den brand? Dit streven dient gestremd:

Die men de slip toesteeckt die nemen u het hemd.

Zoo docht ick op myn bed, doen' t schoot deur myn bedencken

Dat ick vergeten had den papegay te drenken,

Dit geestigh dier geroofd van Soerabaje's kust

Dat vloeckt gelyck een mensch en boere jongens lust.

Ick kom bedachtelijk uit 't ledekant gegleden

En strompel op den tast de trap af naer beneden

Noch huyverigh en koud uit mynen warmen dut.

Als ick hiernevens in de keucken water put

En grabbel naer den zak met papegaye nooten

Wat zie ick door de deur die hallef staat gesloten?

Hier in dit huysvertrek zit Pyramus, de schallek

En paait zyn zoetelief deur deuse muur van kallek.

Een kostelycke grap! Maer luyster wat zy voort

Beneden (wie heeft oit zoo schelmsch een plan gehoord?):

By Ninus op het graf vanmorgen nog te sammelen.

Hoe zullen van den lach zyn dorre ribben rammelen

Waerop zoo meenigh traen geschreid is en geschrouwd

Dat hy wel leggen moet als haring in het zout.

Wat troost zal hem dit zijn en onverhoopte lavenis

Voor 't eerst een vryend paer te zien na zyn begravenis!

Ick laetze maer begaen: men plaeght zichzelf het meest

Zoo men twee lieven plaeght: oock wij zijn jonc geweest.

Myn vaderlycke zorg heeft hen te lang beteugeld;

Men kort niet zonder straf een vogel het gevleugelt

Noch spant den beugh te veer; het ouderlyck gezagh

Breekt al te licht in twee, en knapt met eenen slag.

Zoo 't gaen al vry my stond, ick ging er zellef henen,

En zou op heeterdaed myn zegen hun verleenen.

De regels van de konst nochtans gedooghden niet

Dat andersins ick gingk, en u alleenen liet.

Dus zond ick als een spie by zonsopgang den bode

Naer d'afgesproke plek, die in het treurspel noode

Ontbreeckt, en die geparst door praetzucht of baer geld

Wat men niet zien en kan in woord en geste meldt.

Hy mocht weerom al zyn. De zongod met zyn rossen,

Gerezen op zyn baen, begiet de beemden, bosschen

En d'Euphraetstroom, den ring waerin d'aeloude stad

Een suickertaart gelyck, in goudpapier gevat

Die daer staet heerelyck en prachtig als geen ander.

BODE. Ei laes! het is te laet. Zy leggen by malkander.

KRITHANIAS. O zondig schellemstuck! O noit te boeten schand!

BODE. Myn heer ick bid u zwygh. Ghy raest uit misverstand.

KRITHANIAS. Wat misverstand is dat, wanneer twee jonge tellegen

In eerelooze lust en boos geneughte zwellegen

Op openbaar terrein, voor elleckeen te kyck

En leggen arm in arm?

BODE. Zy leggen lyck aan lyck.

KRITHANIAS. Wat leider ga ick aen? 't Wordt schemer voor myn oogen

'k Zie alles om my heen met duisternis omtogen

Gelyck wen God Jupyn, de wolkengrabbelaer

Zyn zwarte kudden roept, en dryft ze by elkaer

En schuyft ze voor het rad van Phoebus, en verdonkert

't Weeromgestuite licht dat in de slooten flonkert

En dempt van reder ding de vorremen, en stilt

Den wind die in het riet en struickgewassen drilt:

Het veldgediert zwyght stom, de veughels in het loover

En visschen in den vliet. Ei laes wat koomt my over!

O Goden houdt me vast. Ick sterf. Ick overlyd.

BODE. Zoo hoor myn boodschap eerst. Ten is geen stervens tyd.

Doen ick op uwen last vanmorgen was gekomen

Naer d' afgesproke plek, zoo zocht ick onder boomen

En struyken een verblijf, een steenworp van het graf

Dat ongezien ick zagh, en wachtte verders af.

Ick zit er nauwelyx, daer komt wat aengetreden,

Ten is geen mannentred, noch zyn het vrouwe schreden:

Een geele koningsleeuw sleupt hongerig en wild

Een os naer Ninus' zerk, dien hy ter plaetse vilt

En rauwelyck verslind. Meteen verschynt de joffer

En spiet in ' t rond. Zoo spiet het duyfken na den doffer

Of hy haest komen magh, de geit naer haeren bock.

Maer denck u dat eens in welck eenen schrik zy schrok

Doen zy een leeuw daer zagh in plaets van dien zy beidde!

Hy wend het harigh hoofd gramstorig naer op zyde

En streckt het lyf en brult met ysselijck gerucht

Daer zy versteend van staet en haestigh henen vlucht

Maer in het gaen haar doeck zich van den hals laet glippen.

De leeuw belekt het stuck met bloedbeloope lippen,

Hy sleurt het slinx en rechts, hy grimt, gramt, gromt en grauwt

En loopt in 't einde heen en toont zyn achterbout.

Nu treedt met lichten voet uit 't willege bosschaadje

Van wylen uwen zoon het edel personaadje;

Hy pypt een lustig lied, en huppelt op de maat.

Zoo hupt een bruidegom die bruiloft vieren gaet.

Een bitter bruiloftsfeest! Gelyck een nochter kallef .

Dat moedermelck verwacht, en proeft de spenenzallef

Zoo deist hy achteruit op 't aekeligh gezicht

Van Thisbe haren doeck die daar te wachten ligt.

Hy ziet hoe daer de leeuw beproefd heeft zynen kaeck op,

En kryscht een grooten krysch. Zoo kryschte vader Jakob

Doen hy den bonten rock van Joseph zagh verscheurd

Die door zyn broeders was in eenen put gebeurd.

Hy kerremt als een rund dat wentelt in het slachthuis,

En rukt dan onverhoed uit 't elpebeene schachthuis,

Met goud belegd, zyn zwaard, en viert in éénen haal

Een koude bruiloft met het uitgetrokken stael.

Zyn bloed spurt huizen hoog, en klatert allerwegen

In droppels op den grond, en schynt een roode regen

Of porpere fontein, ofwel een looden buis

Gelijk het Naso zegt, die worrept met gesuis

Zijn last ten hemel uit.

KRITHANIAS. O Laren, O Penaten,

Zoo yet gespaerd magh zyn, dan spaer my uw citaten.

BODE. Het is poëtenrecht, de staetsie van het woord

Te cieren met den tooi die anderen behoort.

Maar wilt ghy 't onvercierd, het is my al om 't even:

Kortom hy laet een snick, zyn zwaerd los en het leven.

KRITHANIAS. En ghy stond werkeloos en liet myn kind verbloên?

BODE. Myn Heer ick ben gehuurd om u verslagh te doen.

KRITHANIAS. O dienstbaar knechtendom! Hoe kost ick dit niet eerder,

Bedencken, dat een hond noch bode zullen veerder

Yet doen't en zy zijn baes of meester 't óp hem draegt!

BODE. Een waer en bondigh woord. In ' t kort, de jonge maeght,

Bekomen van haar schrick, keert weer en kryght een tweede

Die haer den blonden pruyck te berregh ryzen dede.

Zy stort zich op het lyck, en bidt, en smeeckt en dreigt,

Maer dit naer lycken aerd leit roereloos en zwyght.

Dan slaet ze d'oogen op naer de lazuure luchten

En ziet den moerbeiboom, waarvan de witte vruchten

Noch hangen van den moord met rooden dauw bedauwd,

En borst uit in een kreet die gallemt door het woud:

Ick kom, Katryn, ick kom! Ick onderken het teecken!

Wat doet de waanzin niet den mensch al wartaal spreken!

Zy trekt het zwaerd uit 't lyck, daer traegh noch bloed uit vliet

En stoot het in haer keurs, waer dit een toegang biedt.

Ziet roept zy hoe de straf hier vollegt op de zonde!

En zinkt op Ninus' graf, tot voedsel voor de honden.

KRITHANIAS. O Wraeckgodessen dry, nu ryt my van elkaer;

Ick draegh alleen de schuld. Hier staet de moordenaer.

Krab d' oogen uit myn kop en scheurt myn hart in stukken;

Ick wil my pluck voor pluck de haren laten rukken

Uyt desen frayen baerd, het pronkstuk myner kin.

Kom pluckt! Zy plucken niet. Die prooy is hun te min.

Dan zal ick zellef met myn schuldig bloed uitvegen

't Onnozel bloed. Men schaff' een dollek my, een deghen,

Een knots, een goedendag. Tsa dienaers, brengt myn zwaerd.

Zal ick als Aias doen, die plofte ruggewaert

In 't opgeplante stael, of als een Nero sterven

Die zich met slave hulp den gorregel deed kerven?

't Is alles even kwaed, en alles noch te goed.

Ghy zwaerd koom aen myn hart, en drink myn hartebloed.

RAPHAËL. Hier komen Gabriël en Michaël en Raphaël

Den hemel uitgezakt op eene houte tafel.

't Is bloeds genoegh gestort. Laat zakken nu dit zweerd

En stop het in de schee, dat ghy u niet bezeert.

KRITHANIAS. Zyt ghy dat Raphaël? Hoe koomt ghe dus gedrieën

Die quaamt alleenighlyck toen Gyzelbrecht most vlieën

En 't barnend Aemsterdam voor afbraeck achterliet?

MICHAËL. Ten steeckt den Hemelvoogd op een, twee Engels niet

Zoo 't helpen magh van hen den toelegh te beletten

Die kennen geen gebod noch goddelycke wetten

En tegen 't eige lyf verheffen d' eigen hand.

KRITHANIAS. Eén engel was genoegh die eerder was geland.

Waar dit onnoozel stel vermoord leit stuip te trekken

Wat baets magh 't hebben noch of ick myn leven rekke

Die onbedachten raads in bloed ze smoren deed?

GABRIËL. Het onbedacht en treft niet u, maar den poëet

Door 't reuckeloos gebruick van misverstane wetten

Die Aeristotel ons gezeid wordt voor te zetten.

De eenigheid van tyd, van handeling en plaets

Die dwongk u dezen booi te zenden buitengaets.

Hoe hadt ghy dit verloop, dien uitgang kunnen gissen?

Het viel zoo' t vallen moest. Dus reinigh uw gewisse.

Ghyzelf zyt vrij van schuld.

KRITHANIAS. Ghy hoont een bittren hoon,

De vryheid staetme dier, en kostme mynen zoon.

Ze kost myn dochterken, dat zoo zy leven mochten

Was met een hechten band aen hem en my vervlochten

Zoo zy noch leefdeden, ick was haest bestevaer.

Nu sta ick hier berooid, een kindloos weeuwenaêr.

RAPHAËL. Ten is geen lange sta dien ghy hier staen zult moeten.

Ghy zultze dra gezond en leevendigh begroeten.

Wy stygen hemelwaert. Stap op, op dit plankier.

Wat drie personen draegt, dat draegt er oock wel vier.
REY VAN ENGELEN. Nu gaet hy op ten hemel varen

Om hen die dierebaer hem waren

Te groeten in den Hemeltent,

Het lustpaleis des Hemelkonings,

Het vaderhuys dat vele wonings

En nochtans geene muren kent.

KRITHANIAS. O Bal, O Jupiter, O reine maeght Marye,

Ziet hoe als vader ick naer myne kinder glije

En zal ze kussen gaen als bruidegom en bruid.

Ghy bode doe uw plicht, en sluyt dit treurspel.



BODE. Uit.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina